vorige 1 2 3 4 5 volgende
Mediaforum 2004 - 1
1
januari 2004
zestiende jaargang
De Hilversumse knoop
Hein Hobbelen
Kort commentaar op enkele
procedurele wijzigingen in de
nieuwe Telecommunicatiewet
Annetje Ottow
EC Competition and
Telecommunications Law
Jilles van den Beukel
Jurisprudentie 1-2
Nr. 1 EHRM 28 oktober 2003, Steur vs.
Nederland m.nt. Germ Kemper · Nr. 2 Rb.
Amsterdam 13 oktober 2003, Bloemen vs.
Audax Publishing B.V. m.nt. Gerard Schuijt
Mediaforum is een uitgave van de Vereniging voor Media- en
Communicatierecht (vmc), en verschijnt tien maal per jaar.
Bestuur vmc: Prof. mr. J.J.C. Kabel (voorzitter), Dr. N.A.N.M.
van Eijk (vice-voorzitter), Mr. J.J. Feenstra (penningmeester),
Mr. C. van Boxtel (secretaris), Mr. C.E. Drion, Mr. J.F. Haeck,
Mr. F. Kuitenbrouwer en Mr. H.M.C. Zeinstra.
www.communicatierecht.nl
Mediaforum wordt in opdracht van de vmc uitgegeven
door Otto Cramwinckel Uitgever.
Citeertitel: Mediaforum (bijv.: Mediaforum 2004-1, p. 38-39;
bij jurisprudentie Mediaforum 2004-1 nr. 2)
issn:
0924 - 5057
Redactie
Mr. J. van den Beukel, Mr. R.D. Chavannes, Mr. M.J. Geus,
Mr. A.W. Hins, Mr. G.J. Kemper (voorzitter), Prof. mr. K.J.M.
Mortelmans, Mr. A.J. Nieuwenhuis, Mr. A.T. Ottow, Prof. mr.
H.J. de Ru, en Mr. C.J. Flentrop-Turner (eindredactie).
Correspondent België
Prof. dr. D. Voorhoof
Redactiesecretariaat
Voor inlichtingen over het aanleveren van kopij en
andere redactionele aangelegenheden kan contact op-
genomen worden met Mr. C. J. Flentrop-Turner, Univer-
siteit van Amsterdam, Instituut voor Informatierecht,
Rokin 84, 1012 kx Amsterdam, fax: 020-525 3033, e-mail:
flentropAjur.uva.nl
Opmaak
De Elementen vof, Amsterdam
Abonnementen & Lidmaatschap
Abonnementen worden per jaargang (januari-december)
afgesloten. Facturering vindt plaats jaarlijks in het eerste
kwartaal. Opzegging dient te geschieden uiterlijk op
1 december van het lopende abonnementsjaar, bij
niet-tijdige opzegging wordt het abonnement automa-
tisch voortgezet.
Leden vmc: Abonnement inbegrepen bij het lidmaat-
schap.
Kosten lidmaatschap inclusief
abonnement
69,50 per lid per kalenderjaar (studenten 34,50;
rechtspersoon
140,). Opzegging uiterlijk 1 december.
Aanmelding, opzegging, adres- of naamswijziging van
leden schriftelijk of per e-mail opgeven bij: Admini-
stratiekantoor Van Eijk, Vlasstraat 11, 5712 RP Someren,
e-mail: adm.eijkAwxs.nl
Niet-leden:
95, per kalenderjaar. Opgave nieuw abon-
nement, opzegging (uiterlijk 1 december), adreswijzi-
ging e.d. schriftelijk bij Otto Cramwinckel Uitgever,
Herengracht 416, 1017 bz Amsterdam, tel: 020-627 6609,
fax: 020-638 3817, e-mail: infoAcram.nl
Losse nummers: verkrijgbaar bij de gespecialiseerde
boekhandel, of te bestellen bij Otto Cramwinckel
Uitgever
, Herengracht 416, 1017 bz Amsterdam; prijs
8,85.
Het verlenen van toestemming tot publicatie in dit tijdschrift
strekt zich tevens uit tot het in enige vorm elektronisch
beschikbaar stellen.
© 2003 Vereniging voor Media- en Communicatierecht
Mediaforum
Tijdschrift voor Media-
en Communicatierecht
Twaalfde jaargang, nummer 1 Januari 2000
Zestiende jaargang
nummer 1
januari 2004
Inhoud
1
Opinie
De Hilversumse knoop
Hein Hobbelen
2
Artikel
Kort commentaar op enkele procedurele
wijzigingen in de nieuwe Telecommunicatiewet
Annetje Ottow
6
Boekbespreking
EC Competition and
Telecommunications Law
Jilles van den Beukel
7
Documentatie
Rechtspraak
Binnenland
Verschenen
Jurisprudentie
13
Nr. 1 EHRM 28 oktober 2003, Steur vs. Neder-
land m.nt. Germ Kemper
17
Nr. 2 Rb. Amsterdam 13 oktober 2003,
Bloemen vs. Audax Publishing B.V. m.nt.
Gerard Schuijt
Verkrijgbaar via de boekhandel of rechtstreeks bij:
Otto Cramwinckel Uitgever
Herengracht 416 · 1017 BZ Amsterdam
T 020 627 6609 · F 020 638 3817
e-mail info@cram.nl · te bestellen via www.cram.nl
DE TELECOMMUNICATIE
EXPLOSIE ROND DE EEUWWISSELING
E
.
J
.
DOMMERING
Een essay over wat er is gebeurd in een kleine tien jaar in de telecommunicatietechnologie en de
regulering in Europa,in het bijzonder in Nederland en wat de invloed daarvan is geweest op het
publiekrecht en het privaatrecht. Dit essay is geschreven ter gelegenheid van de afronding van
het onderzoeksprogramma `informatietechnologie en recht'.
72 pag,isbn 9075727 267,prijs
14,50 (incl. btw, excl. verzendkosten)
ZES JAAR BESTUUR EN RECHTSPRAAK
IN DE TELECOMMUNICATIEMARKT
E
.
J
.
DOMMERING
·
N
.
A
.
N
.
M
.
VAN EIJK
·
A
.
T
.
OTTOW
·
O
.
L
.
VAN DAALEN
Deze studie die door het Instituut voor Informatierecht (IViR,Universiteit van Amsterdam) is
uitgevoerd in opdracht van OPTA,omvat een onderzoek naar de jurisprudentie op grond van de
Telecommunicatiewet. Het gaat daarbij vooral om de jurisprudentie van de Rechtbank Rotterdam
en het College van Beroep voor het Bedrijfsleven. De uitspraken van beide colleges zijn in eerste
plaats geïnventariseerd en geordend. Vervolgens is een kwantitatieve en kwalitatieve analyse
uitgevoerd. Het is,zo concludeert het rapport,in hoge mate gewenst meer aandacht te geven aan
de juridische component van de besluitvorming (materieel en formeel) dan in het verleden is
gedaan.
216 pag. ing. isbn 9075727569,prijs
24,50 (incl. btw, excl. verzendkosten)
Zojuist verschenen
Van ontvanger naar zender
Opstellen aangeboden aan prof.mr. J.M. de Meij
A.H. Hins, A.J.Nieuwenhuis, red
Op 19 december 2003 nam prof. mr. J.M. de Meij afscheid als hoogleraar Nederlands en ver-
gelijkend staatsrecht aan de Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de Universiteit van Amster-
dam. Vrienden en collega's boden hem bij zijn afscheid als blijk van waardering deze bun-
del aan. De bijdragen aan de bundel hebben alle betrekking op de uitingsvrijheid in ruime
zin.
De titel van de bundel verwijst naar de inaugurele rede die Jan de Meij in 1984 hield: 'Van
zender naar ontvanger'. Een aanzienlijk gedeelte van de bijdragen is gewijd aan de vraag
naar de grenzen van het publieke debat. Zij beschrijven de betekenis van de vrijheid van
meningsuiting voor denigrerende uitlatingen over politici of minderheidsgroepen. Andere
bijdragen zijn gewijd aan de vrijheid van
de kunst, de openbaarheid van bestuur in Nederland en België, de klokkenluider, het
mogelijke spanningsveld tussen auteursrecht en vrijheid van meningsuiting
en het belang van de uitingsvrijheid bij de verdeling van omroepfrequenties.
De bundel als geheel geeft zo een uitstekend overzicht van een groot aantal
actuele ontwikkelingen op het gebied van de uitingsvrijheid.
429 pagina's, ingenaaid. prijs
39,50 (inclusief btw, excl. verzendosten)
verkrijgbaar via de boekhandel of rechtstreeks bij:
Otto Cramwinckel Uitgever
Herengracht 416
1017 BZ Amsterdam
T 020-627 6609
F 020-638 3817
e-mail info@cram.nl
Te bestellen via www.cram.nl
Mediaforum 2004-1
1
De Hilversumse Knoop
Opinie
Mr. Drs H.C.L. Hobbelen*
Op het moment van schrijven van dit stuk (eind oktober) zijn
er maar liefst 6 separate voorstellen tot aanpassing van de
Mediawet aanhangig.
1
Wie de persberichten van de afgelopen
tijd heeft bijgehouden waarin bijna dagelijks weer een nieuwe
wijziging in het mediaregime in Nederland wordt geëist of
aangekondigd, weet dat er nog vele zullen volgen. Op het
recente Omroepcongres vergeleek een spreker op typerende
wijze "Hilversum" met een gordiaanse knoop die doorgehakt
moet worden. De gordiaanse knoop was de kunstig gelegde
knoop aan de wagen van koning Gordias, die door niemand
losgemaakt kon worden maar die door Alexander de Grote
met zijn zwaard werd doorgehakt. De vergelijking met een
gordiaanse knoop, dringt zich zo langzamerhand ook op aan
diegene die de huidige Nederlandse mediawetgeving en het
nooit eerder vertoond aantal aanhangige voorstellen tot wijzi-
ging daarvan, tracht te doorgronden.
In het jaar 2000 wezen Dommering en Kabel in hun hoofd-
stuk over de Mediawet en de richtlijn Televisie zonder grenzen
in het boek "Informatierecht, fundamentele rechten voor de
samenleving"
2
reeds op de opvallende hoeveelheid steeds weer
terugkerende wijzigingen van de Nederlandse mediawetge-
ving en zij plaatsten vraagtekens bij de keuze van het niveau
van regelgeving en de gedetailleerdheid van wetgeving op het
niveau van de formele wet. Zij stelden zich zelfs de vraag of,
gezien de complexiteit en fijnmazigheid van de regels deze
vorm van regulering nog herleid kon worden tot de oorspron-
kelijke legitimatie.
Inmiddels zijn we weer een aantal jaren en wijzigingen ver-
der. Natuurlijk, deel van het juristenvak is het speuren naar
inhoud en achtergrond van wetsartikelen, maar zij die wel
eens achtergrondonderzoek doen naar mediarechtelijke bepa-
lingen, zullen beamen dat men zo langzamerhand in een wel
erg intransparante en gefragmenteerde puzzel terechtkomt.
Gehele artikelen, bepaalde zinnen van een artikel of zelfs
enkele woorden binnen een zin van een artikel zijn meermaals
deels of geheel aangevuld of juist ingetrokken. Bepalingen
met betrekking tot onderwerpen als financiering en reclame
treffen we inmiddels kriskras verspreid aan over bijna alle
hoofdstukken van de Mediawet en het Mediabesluit. Ook de
artikelnummering begint nu wel erg ongestructureerd te wor-
den. Aan artikel 39 Mediawet is inmiddels toegevoegd artikel
39a, maar ook nog 39a1. De artikelen 112 tot en met 122 zijn, net
als vele andere artikelen, geheel vervallen. Een geconsolideer-
de versie van de wet lijkt op de spreekwoordelijke gatenkaas.
Wie zich een beeld wil vormen van het toekomstige media-
recht kan zijn borst natmaken. Er zijn zoals gezegd op dit
moment niet minder dan 6 voorstellen tot wijziging van de
Mediawet aanhangig. Ze hebben soms cryptische titels als
"Wijziging van de Mediawet met het oog op de noodzakelijke
verbeteringen van de wet en de uitvoering daarvan",
3
soms een
duidelijker titel als "Wijziging van de Mediawet met het oog
op verbetering van de openheid en continuïteit van de lande-
lijke publieke omroep".
4
Ik heb ze hier voor me liggen: stapels
papier, grote en kleine toevoegingen en intrekkingen van
gehele artikelen, zinnen of bepaalde woorden, hernummerin-
gen en kruisverwijzingen die bovenop de al moeilijk te door-
gronden huidige wetgeving komen.
Er zijn nu zelfs aanpassingen van dezelfde artikelen in twee
verschillende, tegelijk aanhangige wijzigingen voorgesteld. In
het kamerstuknummer 28639 wordt in artikel 1 C en D een wij-
ziging van de artikelen 82i en 82k Mediawet voorgesteld. In
artikel III B en C van de Wijziging van de Telecommunicatiewet
en andere wetten voor de implementatie van het nieuw Euro-
pees regelgevingskader (zie noot 4) worden tevens aanpassin-
gen op dezelfde artikelen 82i en 82k Mediawet voorgesteld,
maar dit zijn weer andere wijzigingen, niet bepaald efficiënt
dus. Bovendien bevatten deze aanpassingen inconsistenties. Op
grond van artikel III C van laatstgenoemd wijzigingsvoorstel
wordt artikel 82k, zevende lid Mediawet gewijzigd. Het zal
bepalen dat het eerste tot en met het zesde lid van artikel 82k
niet van toepassing zijn op een onderneming die een omroep-
netwerk aanbiedt en waaraan het Commissariaat voor de Media
ontheffing heeft verleend op grond van artikel 82i, vierde lid.
Echter, op grond van artikel I D van eerstgenoemd wijzigings-
voorstel zal artikel 82k bestaan uit slechts vijf geheel nieuwe
leden. Artikel 82k zal derhalve (zodra deze wijziging doorgang
vindt) in het geheel geen zesde lid bevatten en dus wordt ver-
wezen naar een artikellid dat juist niet meer zal bestaan.
Natuurlijk realiseer ik me dat de mediasector in haar lange
geschiedenis onderhevig is aan grote maatschappelijke, econo-
mische en technologische ontwikkelingen met alle daarmee
gepaard gaande soms kalme, soms heftige politieke discussies.
Dat lijkt me alleen al gezien het belang van de media in een
democratische rechtsstaat gezond. Steeds weer opnieuw zijn
aanpassingen in het mediabestel gewenst en daarom zal
mediaregelgeving waarschijnlijk nooit "een rustig bezit" zijn.
Echter, de politiek zou naast de gewenste grote en kleine
onderhoudsbeurten mijns inziens nu toch eens tot de intro-
ductie van een geheel nieuwe machinerie over moeten gaan.
Een nieuwe kaderwet met een heldere structuur zal de logica
en kenbaarheid van de wetgeving sterk moeten en kunnen ver-
beteren. Het moge duidelijk zijn dat het aan de nieuwe Staats-
secretaris voor mediazaken Medy van der Laan is om de gordi-
aanse knoop door te hakken.
* Advocaat Freshfields Bruckhaus Deringer
1 Er is nog een zevende wijziging aanhangig, dit betreft echter een zeer kleine
wetstechnische aanpassing als gevolg van de introductie van de Wet Dualise-
ring Gemeentebestuur: Aanpassing van Bijzondere Wetten aan de Wet dualise-
ring Gemeentebestuur "Wet Dualisering Gemeentelijke Medebewindsbe-
voegdheden", Kamerstukken 2002-2003, 28995. Ik zal deze wijziging verder
buiten beschouwing laten.
2 "Informatierecht, fundamentele rechten voor de informatiesamenleving":
Dommering en anderen, Otto Cramwinckel Uitgever te Amsterdam, 2000.
3
Kamerstukken 2001-2002, 28476.
4 Kamerstukken 2002-2003, 29030. De andere wijzigingsvoorstellen zijn Wijzi-
ging van de Mediawet (het vervallen van de verspreidingsbeperking voor de
programma's van lokale en regionale omroepinstellingen, wijziging van de
doorgifteplicht via omroepnetwerken van de programma's van lokale omroep-
instellingen, alsmede wijziging van bepalingen inzake programmaraden),
Kamerstukken 2002-2003, 28 639; Wijziging van de Mediawet in verband met
een nieuwe financieringsstructuur voor de regionale publieke omroep, Kamer-
stukken 2002-2003, 28 856; Wijziging van de Mediawet in verband met verla-
ging van de rijksomroepbijdrage, Kamerstukken 2002-2003, 29 032 en Wijzi-
ging van de Telecommunicatiewet en enkele andere wetten in verband met de
implementatie van een nieuw Europees geharmoniseerd regelgevingskader
voor elektronische communicatienetwerken en diensten en de nieuwe dien-
stenrichtlijn van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, Kamer-
stukken 2002-2003, 28 851.
Mediaforum 2004-1
2
Vervallen van bezwaar en beroep
In de Derde Nota van Wijziging
2
(1 oktober 2003) op de val-
reep voor de plenaire kamerbehandeling heeft de Minister
van Verkeer en Waterstaat enkele wijzigingsvoorstellen inge-
diend met betrekking tot de rechtsbeschermingsmogelijk-
heden tegen besluiten van OPTA: in één klap worden de
bezwaarschrift- en beroepsprocedures tegen een groot aantal
besluiten van OPTA opgeheven:
Artikel 17.1
1. Tegen besluiten die door het college zijn genomen op grond van
hoofdstuk 6, 6A, 6B of 12, kan een belanghebbende beroep instel-
len bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.
2. In afwijking van artikel 8:7 van de Algemene wet bestuursrecht is
voor beroep tegen besluiten, niet zijnde besluiten als bedoeld in
het eerste lid, de rechtbank te Rotterdam bevoegd.
3. Ten aanzien van besluiten die door het college zijn genomen op
grond van hoofdstuk 6, 6A, 6B of 12, blijft artikel 7:1 van de Alge-
mene wet bestuursrecht buiten toepassing."
Dit betekent in concreto een beroep in één instantie bij het
CBB (zonder voorafgaande bezwaarschriftprocedure) tegen
besluiten van OPTA met betrekking tot interoperabiliteit
(hoofdstuk 6), geschillen (hoofdstuk 12), aanwijzingen en de
daaraan verbonden verplichtingen (hoofdstukken 6A en 6B).
Als gevolg van het Amendement Van Dam
3
is deze nieuwe
regeling uitgebreid tot alle handhavingsbesluiten van OPTA.
Dit is slechts anders voor handhavingsbesluiten die punitieve
sancties inhouden. Als gevolg van een verdragsbepaling
4
dient
in deze gevallen beroep in twee instanties open te staan.
De Minister beoogt met deze nieuwe regeling een eind te
maken aan de lange doorlooptijden van procedures in de elektro-
nische communicatiesector.
5
Deze doorlooptijden waren markt-
partijen en OPTA reeds lang een doorn in het oog. Uit het recent
verschenen rapport van het Instituut voor Informatierecht `Zes
jaar Bestuur en Rechtspraak in de Telecommunicatiemarkt'
6
blijkt dat de doorlooptijden inderdaad onacceptabel lang zijn.
Dit geldt niet alleen voor de geschilprocedure bij OPTA zelf,
maar ook voor de bezwaar-, beroep- en hoger beroepsprocedures:
Bovendien waren op 1 augustus 2003 (de peildatum van het
rapport) nog 170 bezwaarschriftprocedures bij OPTA aanhan-
gig.
Reeds vele malen was gepleit maatregelen te treffen ter ver-
snelling van de besluitvorming van OPTA en de daaraan ver-
bonden juridische procedures.
7
Tot voor kort sorteerden deze
pleidooien evenwel geen enkel effect bij het Ministerie van Eco-
nomische zaken (voorheen het Ministerie van Verkeer en
Waterstaat). Men was niet bereid tot invoering van een speciale,
versnelde procedure voor telecommunicatiezaken. Voortschrij-
dend inzicht heeft kennelijk nu tot een koerswijziging geleid.
In de toelichting op de gewijzigde TWwordt opgemerkt:
8
"Effectieve geschillenbeslechting is een belangrijke doelstelling van
het nieuwe Europese regelgevingskader en draagt bij aan centrale uit-
gangspunten van de nieuwe regelgeving zoals concurrentie-bevorde-
ring en een vitale en flexibele elektronische communicatiesector."
en even verderop
Kort commentaar op enkele
procedurele wijzigingen in de
nieuwe Telecommunicatiewet
Op 28 oktober jl. heeft de Tweede Kamer gestemd over het voorstel tot
wijziging van de Telecommunicatiewet ("Tw"). Het voorstel dat is aangeno-
men ("Tw (nieuw)")
1
bevat enkele opmerkelijke procedurele wijzigingen, die
het bespreken waard zijn.
*
Mr. A.T. Ottow is gastonderzoeker bij het Instituut voor Informatierecht (IViR)
en advocaat-adviseur bij Houthoff Buruma en tevens redacteur van dit blad.
Met dank aan Ricarda Oudejans voor haar bijdrage aan dit artikel.
1
Kamerstukken II, vergaderjaar 2003-2004, 28 851, nr. 50.
2
Kamerstukken II,, vergaderjaar 2003-2004, 28 851, nr. 22.
3
Kamerstukken II,, vergaderjaar 2003-2004, 28 851, nr. 36.
4 Art. 14, lid 5 IVBPR.
5 Toelichting pag. 4, onderdeel B (inleiding).
6 E.J. Dommering e.a., `Zes Jaar Bestuur en Rechtspraak in de Telecommunicatie-
markt', Instituut voor Informatierecht (IViR), Amsterdam, oktober 2003. Dit
rapport is uitgevoerd in opdracht van OPTA en zal in boekvorm verschijnen. De
grafiek is overgenomen uit het rapport, Hoofdstuk 2 (Kwantitatieve analyse).
7 Zie bijvoorbeeld: `De procedures bij OPTA: geen sinecure',
Markt & Mededinging
2000/nr. 1, p. 3 10 en A.T. Ottow, `Het verschil tussen duivenhokken en tele-
Annetje Ottow*
Mediaforum 2004-1
3
"Allereerst merk ik op dat het bij de door Europa voorgeschreven
beslechting van geschillen gaat om beslechting van geschillen door
een bestuursorgaan. Deze figuur waarbij het bestuursorgaan naast
de functie van bestuursorgaan feitelijk ook nog functioneert als een
`rechter', is een voor Nederland ongebruikelijk figuur. De Algemene
wet bestuursrecht is dan ook niet toegesneden op deze situatie".
(onderstreping toegevoegd, ATO)
De Minister wil het doen voorkomen alsof door de inwer-
kingtreding van de nieuwe Europese ONP review richtlijnen
9
een nieuw tijdperk is ontstaan, waarnaar de Nederlandse wet-
geving zich dient te richten. Deze nieuwe richtlijnen wijken
evenwel op dit punt niet af van de `oude' richtlijnen. Ook
onder het `oude' recht bestond behoefte aan effectieve geschil-
beslechting, mede ter bevordering van concurrentiebevorde-
ring.
10
In het kader van de Tw vond de toenmalige Minister (en
ook nadien) het evenwel niet nodig de bestuursrechtelijke
procedures in het licht van deze specifieke doelstellingen aan
te passen. Tijdens de evaluatie van OPTA, die gedurende 2001
haar beslag heeft gekregen, is eveneens bij diverse aspecten
van het toezicht en rechtsbescherming stil gestaan. In het
kabinetsstandpunt over de evaluatie van OPTA erkende het
kabinet het belang van een goede kwaliteit van efficiënte
geschilbeslechtingsprocedures en klachtenbehandeling.
Opgemerkt wordt dat op dit terrein nog het nodige te verbe-
teren valt. Het kabinet liet het aan nader overleg tussen het
Ministerie van Verkeer en Waterstaat en OPTA over om in het
kader van de implementatie van de nieuwe ONP Review richt-
lijnen de gesignaleerde knelpunten mee te nemen. Het kabi-
net gaf evenwel uitdrukkelijk te kennen de procedurele
tekortkomingen van de Tw en de OPTA-wet, met name als
gevolg van de algehele toepasselijkheid van de Awb, niet struc-
tureel te zullen aanpakken. De wetgever is er te gemakkelijk
van uitgegaan dat de algemene regels van de Awb een afdoen-
de procedureel kader vormen voor het toezicht op de telecom-
municatiemarkt:
11
"Wel merkt het kabinet in dit verband het volgende op. De besliss-
ingen die het college als bestuursorgaan neemt zijn voor de betrok-
ken partijen vaak zeer ingrijpend. Een goede rechtsbescherming is
dan ook onontbeerlijk. De Algemene wet bestuursrecht (Awb), in
het bijzonder het daarin vervatte recht van bezwaar en beroep,
biedt deze rechtsbescherming. Het, in afwijking van de Awb, in zijn
algemeenheid afzien van bijvoorbeeld de bezwaarfase acht het
kabinet dan ook niet gewenst."
De Minister heeft nu (5 jaar na de inwerkingtreding van de
Tw) ingezien dat meer op markttoezicht toegespitste proce-
dureregels noodzakelijk zijn om een liberaliseringsproces van
een markt effectief te begeleiden.
Opgemerkt dient te worden dat voor bepaalde besluiten van
OPTA reeds was bepaald dat de bezwaarprocedure kon verval-
len, nu in die situaties OPTA de uitgebreide openbare voorbe-
reidingsprocedure van Afdeling 3.5 Awb dient te volgen (arti-
kel 6b.1 Tw nieuw). Als gevolg van artikel 7.1, lid 1, sub d Awb
wordt de bezwaarfase na die procedure overgeslagen. Deze
uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure vormt de uit-
werking van artikel 6 Kaderrichtlijn: de consultatieverplich-
ting. Daarnaast zal in sommige gevallen nog een Europese
coördinatieprocedure op grond van de artikelen 6b.2-6b.5 Tw
nieuw moeten plaatsvinden. Al deze procedures zullen op
zich al de nodige (extra) tijd in beslag gaan nemen.
12
Voor besluiten van OPTA, waarvoor geen speciale regeling
in de Tw nieuw is opgenomen, zijn de algemene regels van de
Awb van toepassing. In het wetsvoorstel tot wijzing van de
Algemene wet bestuursrecht inzake rechtstreeks beroep
("Awb nieuw")
13
wordt in artikel 7.1a de mogelijkheid geboden
de bezwaarschriftprocedure met wederzijds goedvinden van
belanghebbende(n) en het bestuursorgaan over te slaan. Deze
nieuwe regeling van de Awb zal dus ook gaan gelden voor
besluiten van OPTA, waarvoor de bezwaarschriftprocedure
wèl van toepassing is. Voor de Tw is de nieuwe situatie (wat de
bezwaarfase betreft) dan als volgt samen te vatten:
(I) besluiten waarvoor de bezwaarfase in zijn geheel is
uitgesloten (artikel 17.1 Tw)
(II) besluiten waarbij een uitgebreide openbare voorberei-
dingsprocedure is voorgeschreven en geen bezwaarfa-
se meer dient te worden gevolgd (artikel 6b.1 Tw jo
Afdeling 3.5 Awb jo artikel 7.1, lid 1, sub d Awb)
(III) alle overige besluiten van OPTA, met de mogelijkheid
van rechtstreeks beroep (artikel 7.1a Awb nieuw).
Geschillenbeslechting OPTA
In de Tw (nieuw) beschikt OPTA over een ruimere bevoegd-
heid tot het beslechten van geschillen (zie artikel 12.2, leden 1
en 2) dan in de huidige Tw. In het voorstel is nu een algemene
regeling voor alle geschillen opgenomen die ziet op de nako-
ming van wettelijke verplichtingen. De reeds besproken ver-
eiste snelheid van procedures ziet ook op de doorlooptijden
bij de besluitvorming van OPTA zelf. Als gevolg van artikel 20,
lid 1 Kaderrichtlijn, is nu in artikel 12.5, lid 1 Tw (nieuw)
bepaald dat OPTA geschillen binnen 17 weken na ontvangst
van de aanvraag dient te beslissen. In lid 3 wordt (in navolging
van artikel 20, lid 1 Kaderrichtlijn) bepaald dat OPTA deze ter-
mijn in "uitzonderlijke gevallen" kan verlengen. Naar mijn
mening behoort tot deze categorie van gevallen niet de situ-
atie, waarbij OPTA de termijnberekening stilzet voor het ver-
communicatie. De bestuurs(proces)rechtelijke obstakels bij het toezicht op de
telecommunicatiemarkt', preadvies VAR Vereniging voor Bestuursrecht, In:
B.M. J. van der Meulen & A.T. Ottow, "Toezicht op markten", Den Haag, Boom
Juridische uitgevers, 2003 en OPTA Jaarverslag 2002, `Visie op de Markt', p. 8.
8
Kamerstukken II, vergaderjaar 2003-2004, 28 851, nr. 22, p. 5.
9 Richtlijn 2002/19/EG van het Europese Parlement en de Raad van 7 maart 2002
inzake de toegang tot en interconnectie van elektronische communicatienetwer-
ken en bijbehorende faciliteiten ("Toegangsrichtlijn"), Richtlijn 2002/20/EG van
het Europese Parlement en de Raad van 7 maart 2002 betreffende de machtiging
voor elektronische communicatienetwerken en -diensten ("Machtigingsricht-
lijn"), Richtlijn 2002/21/EG van het Europese Parlement en de Raad van 7 maart
2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronische com-
municatienetwerken en -diensten ("Kaderrichtlijn") en Richtlijn 2002/22/EG
van het Europese Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de universele
dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronische communicatie-
netwerken en -diensten ("Universele Dienstrichtlijn"), alle gepubliceerd in Pb
2002, L 108.
10 `Het verschil tussen duivenhokken en telecommunicatie. De bestuurs(proces)
rechtelijke obstakels bij het toezicht op de telecommunicatiemarkt', preadvies
VAR Vereniging voor Bestuursrecht, In: B.M. J. van der Meulen & A.T. Ottow,
"Toezicht op markten", Den Haag, Boom Juridische uitgevers, 2003, Hoofd-
stuk 2.
11 Brief van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat aan de Voorzitter van de
Tweede Kamer der Staten-Generaal van 9 juli 2001,
Kamerstukken II 2000-2001,
21 693, nr. 56, p. 26.
12 Zie voor een uitgebreide bespreking van deze procedures: A.T. Ottow, "Review
van het toezicht",
Computerrecht 2003/1. p. 16-17.
13
Kamerstukken I, vergaderjaar 2002-2003, 27 563, nr. 236 en nr. B, Wijziging van
de Algemene wet bestuursrecht en enige andere wetten in verband met de
mogelijkheid om de bezwaarschriftprocedure met wederzijds goedvinden
buiten toepassing te laten (rechtstreeks beroep).
Mediaforum 2004-1
4
garen van informatie bij marktpartijen (hetgeen nu de stan-
daardpraktijk is).
14
Het is niet aannemelijk dat een dergelijke
situatie in de Kaderrichtlijn bedoeld is. De nationale procesre-
gels worden hier door een direct werkende bepaling van Euro-
pees recht opzij gezet.
Motiveringsplicht OPTA
De nieuwe regeling zal dus de nodige druk op OPTA leggen
bij de voorbereiding van haar besluiten. OPTA dient niet
alleen binnen een relatief korte termijn te beslissen, maar
bovendien heeft zij geen herkansing meer in bezwaar. OPTA
doet er dan ook verstandig aan de nodige (juridische) zorg aan
haar besluitvorming te besteden. Uit de analyse van het IViR
blijkt dat de rechter de besluiten van OPTA kritisch toetst aan
het motiverings-, zorgvuldigheids- en proportionaliteitsbe-
ginsel.
15
OPTA kan hier nog het nodige aan verbeteren. Beslui-
ten waarbij de feitelijke en economische onderbouwing onder
de maat is, zullen de rechterlijke toetsing niet kunnen door-
staan. In dit verband is interessant wat het effect zal zijn van
het Amendement Blok
16
tot invoering van het nieuwe artikel
1.3, lid 4:
"In artikel I, onderdeel B, wordt aan artikel 1.3 een lid toegevoegd,
luidende:
4 Indien het college een besluit neemt, dat aanzienlijke gevolgen
voor de desbetreffende markt heeft, onderbouwt het college, onder
andere op basis van een verantwoording van de voorzienbare rele-
vante gevolgen, zowel in kwalitatieve, als voor zover rederlijker-
wijs mogelijk in kwantitatieve, zin dat de maatregel noodzakelijk
is voor het bereiken van de in het eerste lid genoemde doelstellingen
en dat een ander minder ingrijpende maatregel niet effectief [is]"
Volgens de toelichting op dit door de Tweede Kamer aan-
vaarde amendement dient de toezichthouder iedere ingreep
die een merkbare invloed heeft op de markt te baseren op een
"uitgebreide kwalitatieve en kwantitatieve motivering die
aantoont dat de ingreep inderdaad evenredig is en bijdraagt
aan het behalen van de overheidsdoelstellingen". Vormt dat
amendement niet meer dan een bevestiging van de huidige
toepassing door de bestuursrechter van de algemene beginse-
len van behoorlijk bestuur
17
of wordt hiermee beoogd een ver-
dergaande bewijslast en motiveringsverplichting aan OPTA
op te leggen? Uit de toelichting lijkt te volgen dat aan de OPTA
strengere criteria worden opgelegd dan die uit het algemene
motiveringsbeginsel voortvloeien. Het is de vraag of dit zou
stroken met de eisen die de Kaderrichtlijn aan de besluitvor-
ming door de nationaal rechtelijke instanties stelt. Ook de
Minister van Economische zaken is van mening dat deze nieu-
we eisen te ver gaan. In zijn reactie aan de Tweede kamer op de
diverse amendementen merkt hij op:
18
"Doordat het amendement een veel zwaardere, bijna onuitvoerba-
re, verplichting oplegt aan OPTA, is het amendement in strijd met
de Kaderrichtlijn. Ik ontraad het amendement dan ook ten zeerste."
Het is afwachten hoe het CBB, als enige bevoegde rechterlij-
ke instantie, met deze verplichting van OPTA om zal gaan. In
elk geval dient het CBB deze nieuwe bepaling uit de Tw richt-
lijnconform uit te leggen. Ook uit de toelichting op het amen-
dement volgt dat aansluiting wordt gezocht bij de doelstellin-
gen van artikel 8, lid 1 Kaderrichtlijn. Tot op heden heeft het
CBB zich nog maar in 7 uitspraken over de Tw gebogen, welke
uitspraken vooralsnog maar weinig houvast bieden.
19
Gezien
de huidige lange doorlooptijden bij het CBB met een gemid-
delde van 344 dagen (met een minimum van 132 dagen tot een
maximum van 504 dagen)
20
zal het wel even duren voordat
hierover duidelijkheid zal ontstaan. De opmerking van de
Minister dat van de nieuwe regeling geen "noemenswaardige
gevolgen" zijn te verwachten bij de rechterlijke macht,
21
lijkt
wat al te optimistisch. De doorlooptijden zullen bij het CBB
naar verwachting in elk geval niet korter, maar eerder langer
worden. Een toename van het aantal zaken bij het CBB ligt
immers voor de hand, nu het college als enige beroepsinstan-
tie gaat fungeren.
NMa en DTe
Opvallend is dat voor de procedures bij de NMa en DTe de
bezwaarschriftprocedure niet (voor bepaalde besluiten) wordt
geschrapt. Zowel bij de NMa als de DTe is de bezwaarschrift-
procedure op dit moment een verplichte fase (met uitzonde-
ring van de concentratiebesluiten van de NMa), waarbij bij de
DTe slechts beroep in een instantie (het CBB) openstaat (met
uitzondering van de punitieve besluiten) en de besluiten van
de NMa in twee rechterlijke instanties kunnen worden
getoetst.
22
Hoewel het systeem wordt aangepast,
23
wordt daar-
bij zonder nadere motivering evenwel niet geheel aange-
sloten bij de voor OPTA gekozen systematiek, maar bij de
reeds besproken voorstellen tot wijziging van de Awb. Daar-
mee komt voor de Mededingingswet de aanvankelijk voorge-
stelde regeling, waarbij een belanghebbende rechtstreeks
beroep bij de rechtbank Rotterdam kan indienen, met de
mogelijkheid de zaak alsnog voor bezwaar terug te verwijzen
naar het bestuursorgaan, in zijn geheel te vervallen.
24
Deze
14 Vgl. "Review van het toezicht",
Computerrecht 2003/1, p. 17 en Rapport IViR,
paragraaf 6.3.
15 Zie Rapport IViR, paragraaf 4.5.
16
Kamerstukken II, vergaderjaar 2003-2004, 28 851, nr. 44. Dit amendement werd
door Blok ingediend ter vervanging van een eerder amendement (nr. 38) dat
een verdergaande motiveringsverplichting inhield.
17 Zie bijvoorbeeld de volgende zaken: Pres. Rb. Rotterdam 24 december 1999,
Libertel vs. OPTA, reg. nr. VTELEC 99/2547-SIMO,
Mediaforum 2000-2, nr. 13,
m.nt. E. Loozen & K. Mortelmans en Vzr. Rb. Rotterdam 8 juli 2002, UPC vs.
OPTA,
Mediaforum 2002-10, nr. 40, m.nt. ATO en Vzr. Rb. Rotterdam 29 novem-
ber 2002, O2 e.a. vs OPTA, reg. nr.: VTELEC 02/2675 RIP,
www.rechtspraak.nl.
(LJN-nr AF1538).
18 Brief van de Minister van Economische Zaken van 27 oktober 2003, Kamer-
stukken II, vergaderjaar 2003-2004, 28 851, nr. 48, p. 3.
19 Zie het Rapport IViR, Hoofdstuk 2.
20 Zie het Rapport IViR, Hoofdstuk 2.
21
Kamerstukken II, vergaderjaar 2003-2004, 28 851, nr. 22, p. 7.
22 Zie voor de diverse procedurele verschillen tussen de NMa, DTe en OPTA: A.T.
Ottow & I.M. Schong, "De sectorspecifieke toezichthouders en het kamermo-
del NMa",
M&M 2002/nr. 4, p. 128 134 en B.M. J. van der Meulen, `Onoverko-
melijk bezwaar. Drie soorten prorogatie: maatwerk of wetgevingsvandalis-
me?',
NTB 2002/4-5, p. 90.
23 Derde Nota van Wijziging,
Kamerstukken II, vergaderjaar 2003-2004, 28 851, nr.
22, artikel XXXIIC.
24 Zie art. 93 gewijzigde Mededingingswet: Wijziging van de Mededingingswet
in verband met het omvormen van het bestuursorgaan van de Nederlandse
mededingingsautoriteit tot zelfstandig bestuursorgaan (gewijzigd voorstel
van wet d.d. 5 februari 2002),
Kamerstukken I 2001/02, 27 639, nr. 228. Deze wij-
ziging van de Mw was voorlopig aangehouden, maar de Minister van Econo-
mische Zaken heeft onlangs de Eerste Kamer alsnog verzocht dit wetsontwerp
in behandeling te nemen: brief van de Minister van Economische Zaken van 7
november 2003,
Kamerstukken I, vergaderjaar 2003-2004, 27 639, nr. A. Artikel
93, derde t/m zesde lid van dit de gewijzigde Mededingingswet zal als gevolg
van artikel XXXIIc TW(nieuw) komen te vervallen zodra de algemene rege-
ling van de Awb in werking treedt. Dit geldt eveneens voor de artikel 82, leden
5 en 5 Elektriciteitswet en artikel 61, leden 4 en 5 Gaswet.
Mediaforum 2004-1
5
regeling zal worden vervangen door de mogelijkheid van
rechtstreeks beroep op basis van artikel 7.1b Awb nieuw. Voor-
alsnog blijven dus verschillen in rechtsbescherming bestaan
tussen de diverse bestuursorganen. Van volledige uniforme-
ring (zoals in de toelichting wordt gesuggereerd
25
) is voorals-
nog geen sprake.
Initiatiefrecht OPTA
Vermeldingswaardig is de nieuwe regeling die is ingevoerd
dankzij het Amendement Atsma,
26
waarbij de bevoegdheid
van OPTA om op eigen initiatief in concrete gevallen maatre-
gelen te nemen, aanzienlijk is uitgebreid. Een nieuw artikel
3.13 is toegevoegd:
"Onverminderd artikel 3.12 is het college bevoegd op eigen initiatief
in concrete gevallen maatregelen te nemen die gericht zijn op de ver-
wezenlijking van de in artikel 8, tweede, derde of vierde lid, van
Richtlijn 2002/21/EG genoemde doelstellingen. (...)"
In het aanvankelijke voorstel was het recht om op eigen ini-
tiatief (ambtshalve) in artikel 6.2, lid 2 beperkt tot uitzonder-
lijke gevallen voor het tot stand brengen van zogenaamde
eind-tot-eindverbindingen.
27
In de toelichting op het Amen-
dement wordt terecht opgemerkt dat artikel 6.2, lid 2 een
onvolledige implementatie vormt van artikel 5, lid 4 Toe-
gangsrichtlijn.
28
Dit artikel van de Toegangsrichtlijn ziet op
het initiatiefrecht van de toezichthouder in verband met "toe-
gang en interconnectie". Op grond van dit richtlijnartikel
dient de toezichthouder derhalve over de bevoegdheid te
beschikken op eigen initiatief in te grijpen in al die gevallen
die zien op de schending van wettelijke normen ten aanzien
van toegang en interconnectie. In feite vormt deze richtlijnbe-
paling niet meer dan de bevestiging van de algemene
bevoegdheid die OPTA heeft tot het treffen van handhavings-
maatregelen op grond van artikel 15.2, lid 2 Tw jo. Artikel 15.1,
lid 3 Tw. In het geval van overtredingen van wettelijke normen
is OPTA bevoegd tot het treffen van bestuursdwang.
29
Uit de
recente zaak
KPN vs. OPTA en MCI WorldCom en Versatel
30
dient te
worden aangenomen dat deze handhavingsbevoegdheid
bestaat naast de geschilbeslechtende bevoegdheid van OPTA.
Deze algemene handhavingsbevoegdheid stelt OPTA in staat
op te treden buiten een geschil om, waarbij zij in het geval van
overtreding van een wettelijke norm bestuursrechtelijke
handhavingsmaatregelen kan treffen.
31
Het nieuwe artikel 3.13
Tw (nieuw) legt dit nu expliciet vast voor toegang tot masten
en antennesystemen (Hoofdstuk 3 en in het bijzonder art. 3.12
Tw zien op deze voorzieningen), doch dit neemt niet weg dat
OPTA deze bevoegdheid ook bezit ten aanzien van andere toe-
gangsvoorzieningen en interconnectie.
Boetes OPTA
Ten slotte kan worden vermeld dat OPTA hogere boetes zal
kunnen opleggen dan nu het geval is. Op grond van artikel
15.4, lid 2 Tw kan OPTA nu maximaal een boete van 450.000
euro vaststellen. Dit bedrag wordt nu in de Tw (nieuw) voor
sommige categorieën gevallen 450.000 euro of, indien dat
meer is, 10% van de relevante omzet van de onderneming in
Nederland (artikel 15.4, lid 2). De hoogte van de boete dient in
ieder geval te worden afgestemd op de ernst en de duur van de
overtreding, alsmede op de mate waarin de overtreder daar-
van een verwijt kan worden gemaakt (artikel 15.4, lid 5). Tot op
heden heeft OPTA nog maar eenmaal van haar boetebevoegd-
heid gebruik gemaakt.
32
Het is de vraag of de verhoging van de
boetes zal leiden tot een strengere handhaving door OPTA aan
de hand van hogere boetes.
Conclusie
De nieuwe Tw zal belangrijke verbeteringen bevatten op
procedureel gebied. Zowel de bepalingen van de doorlooptij-
den als de regelingen voor geschillen zijn nu althans op
papier meer toegespitst op de dynamische telecommunica-
tiemarkt. Het zal moeten blijken in hoeverre de weerbarstige
praktijk op de theorie zal aansluiten. Met name de nationale
en Europese consultatieprocedures zullen nog de nodige tijd
in beslag gaan nemen.
25
Kamerstukken II, vergaderjaar 2003-2004, 28 851, nr. 22, p. 8.
26 Gewijzigd amendement van het lid Atsma ter vervanging van dat gedrukt
onder nr. 33,
Kamerstukken II, vergaderjaar 2003-2004, 28 851, nr. 47.
27 Zie:
Kamerstukken II, vergaderjaar 2002-2003, nrs. 1-2.
28 Zie A.T. Ottow, "Review van het toezicht",
Computerrecht 2003/1, p. 15.
29 Hoofdstuk 5 (handhaving) Awb. Zie voor enkele aspecten van handhaving op
grond van de Tw: A.T. Ottow, `Het verschil tussen duivenhokken en telecom-
municatie. De bestuursrechtelijke obstakels bij het toezicht op de telecommu-
nicatiemarkt', In: B. M. J. van der Meulen en A.T. Ottow, `
Toezicht op markten',
preadviezen voor de VAR 2003, Boom Juridische Uitgevers, Den Haag 2003,,
hoofdstuk 5.
30 Vzr. Rb. Rotterdam 29 juli 2003 (VTELEC 03/1803-MES en VTELEC 03/1804-
MES), niet gepubliceerd.
31 A.T. Ottow & A. Prompers, `De wisselwerking tussen het telecom- en mededin-
gingsrecht'. In: A.T. Ottow & A.F. Eeken (red.), `
De rol van het mededingingsrecht in
gereguleerde markten', Den Haag, Boom Juridische Uitgevers, 2001, p. 37 en Domme-
ring e.a., "
Handboek Telecommunicatierecht. Inleiding tot het recht en de techniek van de
telecommunicatie.", Den Haag: Sdu Uitgevers 1999, p. 697.
32 Persbericht van 20 maart 2003, boeteoplegging aan KPN Telecom inzake de
levering van ontbundelde toegang, www.opta.nl (besluit is nog niet gepubli-
ceerd).
Mediaforum 2004-1
6
Het nieuwe regelgevend kader voor openbare communica-
tiediensten van de EG wordt momenteel omgezet in Neder-
landse wetgeving. De Tweede Kamer heeft wetsvoorstel 28851
recent aangenomen en thans buigt de Eerste Kamer zich over
dit wetsvoorstel. De belangrijkste vernieuwing van het nieuwe
regelgevend kader (NRK) betreft de toepassing van mededin-
gingsrechtelijke beginselen in het sectorspecifieke telecom-
municatierecht. De combinatie van mededingingsrecht en
telecommunicatierecht zal voor telecomjuristen veel nieuwe
vragen opwerpen. Sowieso zullen er voor de praktijk vele nieu-
we vragen ontstaan als gevolg van de nieuwe wetgeving.
Teruggrijpen op de achtergrond van de EG richtlijnen van het
ERK zal dan onvermijdelijk zijn.
Hierbij kan het boekwerk `EC Competition and Telecommu-
nications Law' behulpzaam zijn. Deze volumineuze uitgave
bevat een overzicht van het `oude' sectorspecifieke ONP regime
voor de telecommunicatiesector alsmede het NRK. Daarnaast
wordt uitgebreid ingegaan op de toepassing van het mededin-
gingsrecht op de telecommunicatiesector. Verordening 17, mis-
bruik van een machtspositie, de Concentratieverordening en
staatssteun komen hierin aan bod. Het boek is een handig
naslagwerk waarin de lezer snel relevante jurisprudentie of de
historie van het ONP kader kan terugzoeken. Het NRK wordt
niet zeer diepgaand behandeld maar wel zodanig dat de lezer
zich een goed beeld kan vormen van deze regelgeving.
Het aardige is dat de schrijvers zich niet hebben beperkt tot
telecommunicatie in enge zin maar ook aandacht besteden aan
de gebieden van audiovisuele media en intellectuele eigen-
domsrechten wanneer dat relevant is. Zo wordt de toepassing
van het mededingingsrecht op de televisiemarkten besproken.
Ook de discussie over het regime voor staatssteun in relatie tot
de publieke omroep komt aan bod. Er worden weinig pogin-
gen gedaan tot het leggen van dwarsverbanden tussen juris-
prudentie over en regulering van telecommunicatie enerzijds
en de andere gebieden anderzijds. Illustratief is het ontbreken
van een verwijzing naar het Groenboek Convergentie van de
Europese Commissie uit omstreeks 1998, dat toch een belang-
rijke rol heeft gespeeld voor de techniekneutrale benadering
van het NRK waarmee wordt gedoeld op de wens dat regule-
ring geen onderscheid dient te maken naar de wijze waarop
openbare elektronische communicatie plaatsvindt. Ook de dis-
cussie over de toepasselijkheid van omroepregelgeving op
UMTS wordt redelijk simpel afgedaan met de veronderstel-
ling dat UMTS gebruikers niet zitten te wachten op televisie-
beelden op hun terminal. Wellicht is dat waar maar de juridi-
sche discussie gaat niet zozeer over de kijkgewoonten van
kijkers meer eerder over de interactiviteit van een dienst als
onderscheidend criterium voor telecommunicatie- en
omroepwetgeving.
Aan de essential facilities doctrine wordt een apart hoofd-
stuk gewijd. De schrijvers constateren dat de essential facilities
doctrine met name wordt gehanteerd voor vraagstukken over
toegang tot een secundaire markt en niet over toegang tot een
primaire markt waar een machtspositie aanwezig is. Zij noe-
men de Magill zaak waarin toegang tot de afgeleide markt van
omroepgidsen centraal staat en niet de toegang tot de markt
van programmagegevens. In een recente beschikking inzake
IMS Health verplicht de Commissie echter tot de toegang tot
de primaire markt. De auteurs vragen zich af hoe deze beschik-
king zich verhoudt tot de essential facilities doctrine waarin
het beschermen van de primaire markt geen misbruik als
zodanig is. Dit is voor de regulering van de telecommunicatie-
markt in het licht van het NRK een belangwekkend punt hoe-
wel in het boek hier verder weinig aandacht aan wordt
besteed. Veel van de verplichtingen in het NRK zouden kun-
nen worden gebruikt door nationale toezichthouders voor het
verplichten tot toegang van concurrenten op de primaire
markt. Denk bijvoorbeeld aan ontbundelde toegang tot de
local loop. Omdat het NRK is gebaseerd op mededingingsrech-
telijke beginselen lijken er grenzen te zijn aan het opleggen
van verplichtingen die direct de toegang tot de primaire markt
afdwingen. Die grenzen zijn natuurlijk afhankelijk van de
definitie van de primaire en de secundaire markt maar dat
maakt de principiële discussie hierover niet minder belang-
rijk.
Er is ook een hoofdstuk over mobiele telefonie. Opvallend is
daarin de stelligheid waarmee wordt gezegd dat noch het
bestaande ONP kader noch het NRK een verplichting bevatten
voor mobiele operators tot het bieden van carrier selectie facili-
teiten aan derden. Deze verplichting is uitsluitend voor aan-
bieders van vaste telefonie bedoeld. In Nederland heeft OPTA
zich nooit veel gelegen laten liggen aan deze opvatting, maar
het is nooit zover gekomen dat deze kwestie voor de rechter is
uitgevochten. Wie weet komt dit punt nog terug wanneer het
NRK straks wordt toegepast. Daarnaast gaan nog twee hoofd-
stukken over satellietcommunicatie en de kabel waarin (uiter-
aard) toegangskwesties worden behandeld.
Tenslotte, deel 6 uit de serie International Competition Law
Series van Kluwer is een compleet boek dat de komende jaren
zeker een functie heeft. Het biedt zicht op het huidige regelge-
vende kader en legt een verbinding met het verleden. Dat
houdt altijd zijn waarde.
EC Competition and
Telecommunications Law
Cristian Koenig, Andreas Bartosch & Jens-Daniel Braun, 2002
Kluwer Law International. p. 900, ISBN 90-411-1814-4.
Boekbespreking
Jilles van den Beukel
Mediaforum 2004-1
7
Rechtspraak
Van rechtspraak aangeduid met een
is bij het redactiesecretariaat schriftelijk een
kopie te bestellen. Kosten:
0,50 per pagina,
met een minimum van
7, per bestelling.
Faxtoeslag
11,50. Prijzen zijn exclusief BTW.
Integraal in de Jurisprudentiebijlage:
J
EHRM 28 oktober 2003, Steur vs. Nederland,
nr. 1 m.nt. G. J. Kemper
J
Artikel 10 EVRM · Uitingsvrijheid advocaat
Klager trad op als advocaat van een zekere B.,
die verdacht werd van fraude met uitkerin-
gen. In de civiele zaak tegen B. stelde klager
dat W., de sociaal rechercheur die zijn cliënt
verhoord had, ontoelaatbare druk had uitge-
oefend om belastende verklaringen te ver-
krijgen. W. klaagt hierover bij de Deken van
de Orde van Advocaten, waarop de Raad van
Discipline oordeelt dat klager met zijn
opmerking `de grenzen van het toelaatbare
heeft overschreden en in strijd heeft gehan-
deld met hetgeen een behoorlijk advocaat
betaamt'. Deze uitspraak wordt in beroep
bevestigd door het Hof van Discipline, waar-
na klager naar het Hof in Straatsburg stapt.
Dat oordeelt dat klagers kritiek louter was
gericht op W.'s optreden als sociaal recher-
cheur jegens B. en niet op diens algemene
professionele of andere kwaliteiten. De kri-
tiek was bovendien beperkt tot de rechtszaal
en leverde geen persoonlijke belediging op.
Zij was gebaseerd op het feit dat cliënt B. zijn
belastende verklaring niet volledig had
begrepen, nu geen advocaat of tolk aanwezig
was geweest bij het verhoor. B. had zelf ove-
rigens ook verklaard onder druk gezet te
zijn. Het Hof stelt vast dat Raad en Hof van
Discipline niet hebben gepoogd vast te stel-
len of de gewraakte uitlatingen van klager
waar of onwaar waren en klaarblijkelijk
geen enkele aandacht hebben besteed aan de
vraag of klager te goeder trouw handelde.
Hoewel aan klager geen sanctie is opgelegd,
meent het Hof dat een toetsing achteraf van
klagers kritiek moeilijk te verenigen is met
zijn taak als advocaat om de belangen van
zijn cliënt te verdedigen en een `chilling
effect' kan hebben op de uitoefening van
zijn beroepsverplichtingen. Schending van
artikel 10 EVRM (unaniem).
EHRM 6 november 2003, Krone Verlag vs. Oos-
tenrijk,
www.echr.coe.int (appl. no. 40284/98)
Artikel 10 EVRM · Verplichte kennisge-
ving · Dwangsom
De krant
Neue Kronenzeitung, waarvan klager
de uitgever is, publiceerde in juli 1996 diver-
se artikelen over meneer en mevrouw K., die
hun dochter hadden misbruikt. In de artike-
len werd onder meer gesteld dat beide
ouders een homoseksuele of biseksuele
voorkeur hadden. Mevrouw K. begon hierop
een rechtszaak tegen de krant en de recht-
bank waar de zaak diende beval klager op
grond van de Mediawet om in de krant een
kennisgeving te plaatsen dat er een gerechte-
lijke procedure was gestart. Klager plaatste
hierop een kennisgeving, doch deze was
naar de mening van mevrouw K. te klein
afgedrukt en had daardoor volgens haar niet
dezelfde `publiciteitswaarde' als de origi-
nele artikelen. De rechtbank verwierp op
17 december 1996 haar betoog, doch het
Ober-
landesgericht oordeelde uiteindelijk dat kla-
ger aan mevrouw K. een dwangsom van
1.304.000,- shilling verschuldigd was, te
weten 4.000 shilling voor elke krant tussen
11 september 1996 en 4 augustus 1997 waarin
op correcte wijze een kennisgeving had kun-
nen worden geplaatst. De Procureur-Gene-
raal stelde hierop cassatie in het belang der
wet in. Volgens hem was het onredelijk om
een dwangsom op te leggen voor de periode
ná de uitspraak van de rechtbank van
17 december 1996, aangezien na die uit-
spraak klager geacht mocht worden te goe-
der trouw te hebben gehandeld toen hij geen
nieuwe kennisgeving plaatste. De uitspraak
was immers in klagers voordeel. De Oosten-
rijkse Hoge Raad verwierp het beroep, maar
het Hof in Straatsburg is het met klager en
de Procureur-Generaal eens. Van klager kon,
nu hij een rechterlijke uitspraak in zijn voor-
deel had verkregen, niet verwacht worden
dat hij een nieuwe kennisgeving zou plaat-
sen voor het geval dat die uitspraak in hoger
beroep vernietigd zou worden. Schending
van artikel 10 EVRM (unaniem).
EHRM 13 november 2003, Scharsach en News
Verlagsgesellschaft vs. Oostenrijk,
www.echr.
coe.int (appl. no. 39394/98)
Artikel 10 EVRM · Politiek debat · Waarde-
oordeel
Klager Scharsach heeft in 1995 in het tijd-
schrift News, uitgegeven door de tweede kla-
ger, een artikel gepubliceerd getiteld `Bruin
in plaats van zwart en rood'. In het artikel
legde hij uit waarom hij tegen een regerings-
deelname van de FPÖ van Jörg Haider was.
Hij bekritiseerde leden van deze partij die
zich niet hadden gedistantieerd van extreem
rechts, stelde dat `stiekeme Nazi's' (
Kellernazi)
die de partij in de jaren 1980 hadden verla-
ten, waren teruggekeerd onder Haider en
noemde een aantal personen bij naam, waar-
onder ene mevrouw Rosenkrantz. Op haar
klacht wordt de eerste klager wegens smaad
veroordeeld tot een geldboete en de tweede
tot het betalen van een schadevergoeding.
Het Hof in Straatsburg oordeelt dat het arti-
kel is geschreven in een politieke context en
was gericht tegen een politica, zodat er veel
ruimte voor kritiek moet zijn. De term `Kel-
lernazi' wordt door het Hof aangemerkt als
een waardeoordeel, waarvoor voldoende fei-
telijke basis was: mevrouw Rosenkrantz was
de echtgenote van een politicus die de drij-
vende kracht was achter een extreem-rechtse
krant, had zich als politica nooit van de poli-
tieke opvattingen van haar echtgenoot
gedistantieerd en had publiekelijk kritiek
geleverd op een wet die nationaal-socialisti-
sche activiteiten verbood. De inmenging in
de vrijheid van meningsuiting van klagers
oordeelt het Hof niet noodzakelijk in een
democratische samenleving, zodat artikel 10
EVRM geschonden is (6 tegen 1).
HvJEG 16 oktober 2003, Commissie vs. België,
www.curia.eu.int (zaak C-433/02)
Niet-nakoming richtlijn 92/100 EEG ·
Leenrecht
De Commissie heeft op grond van art. 226
EG het Hof van Justitie gevraagd vast te stel-
len, dat België haar verplichtingen, die
voortvloeien uit richtlijn 92/100 EG, niet is
nagekomen. Krachtens deze richtlijn, die als
onderwerp heeft het verhuurrecht, het uit-
leenrecht en bepaalde naburige rechten op
het gebied van intellectuele eigendom, was
België verplicht de vergoeding voor auteurs
te regelen bij openbare uitlening. Aangezien
België dat heeft nagelaten, stelt het Hof van
Justitie vast dat België de op haar rustende
verplichtingen niet is nagekomen.
HvJEG 6 november 2003, Zweden vs. Lindqvist,
www.curia.eu.int (zaak C-101/01)
Interpretatie Richtlijn 95/46 EG · Per-
soonsgegevens · Openbaarmaking op het
internet · Uitingsvrijheid
Lindqvist heeft op haar website namen, tele-
foonnummers, liefhebberijen en andere
gegevens van 18 van haar collega's vermeld.
Bovendien heeft zij over één collega vermeld
dat deze haar been bezeerd heeft en daar-
door met gedeeltelijk ziekteverlof is. Lindq-
vist wordt door de Zweedse overheid straf-
rechtelijk vervolgd wegens het overtreden
van de Zweedse wet op de persoonsgege-
vens. De Zweedse rechter stelt naar aanlei-
ding hiervan vragen over de interpretatie
van Richtlijn 95/46 EG. Het Hof stelt dat het
vermelden van namen en andere gegevens
op een website gezien moet worden als het
geheel of gedeeltelijk automatisch verwer-
ken van persoonsgegevens in de zin van art.
3 lid 1 van de Richtlijn. Het wordt echter niet
gezien als doorgifte van deze gegevens naar
derde landen, in de zin van art. 25 van de
Richtlijn. De vermelding van het feit dat
iemand zijn voet heeft bezeerd en met
gedeeltelijk ziekteverlof is, wordt gezien als
de verwerking van een persoonsgegeven
betreffende de gezondheid, wat verboden is
onder art. 8 lid 1 van de Richtlijn. Het Hof
oordeelt tenslotte dat de bepalingen als
zodanig in de Richtlijn niet strijdig zijn met
het recht op de vrijheid van meningsuiting,
maar dat het aan nationale autoriteiten is
om een evenwicht te vinden tussen de
betrokken rechten en belangen.
HvJ EG 6 november 2003, Gambelli vs. Italië,
www.curia.eu.int (zaak C/243-01)
Gokken op internet
Gambelli is in Italië ten laste gelegd dat hij
op het Italiaanse grondgebied (via internet)
met een buitenlandse bookmaker heeft
samengewerkt bij het aannemen van wed-
denschappen, hetgeen normaal bij wet aan
de staat is voorbehouden. Aan het HvJ is de
vraag voorgelegd of nationale voorschriften
op grond waarvan het een ieder die niet in
het bezit is van de door het nationale recht
vereiste vergunningen, verboden is om waar
onder redactie van
Laurens Dragstra, Lars Huisman, Annetje Ottow en Gerard Schuijt
Met medewerking van Eric Idema
D o c u m e n t a t i e
dan ook weddenschappen aan te nemen, in
strijd zijn met het vrije verkeer van diensten.
Deze vraag wordt bevestigend beantwoord.
Dergelijke beperkingen kunnen echter hun
rechtvaardiging vinden in dwingende rede-
nen van algemeen belang. De afname van
belastinginkomsten, doordat minder bij de
staat wordt gegokt, is in ieder geval niet zo'n
dwingende reden. Dit geldt eveneens voor
het argument dat de inkomsten van toegela-
ten gokspelen worden aangewend voor
sociale activiteiten. Dit is hooguit een gun-
stig neveneffect. Beperkingen van het vrij
verkeer van diensten (door een gokverbod)
dienen in elk geval te beantwoorden aan het
streven de gelegenheid om te spelen echt te
verminderen. Wanneer echter de autoritei-
ten van een lidstaat de consumenten aanspo-
ren en aanmoedigen om deel te nemen aan
loterijen, kansspelen of weddenschappen
opdat de schatkist er financieel beter van zou
worden, kunnen de autoriteiten van deze
staat zich niet op dat argument beroepen.
HR 2 mei 2003, Storms c.s. vs. Niessen & IPA,
AMI 2003-5,
nr. 14 m. nt. P. B. Hugenholtz
Uitzendverbod · Artikel 7 Grondwet ·
Artikel 10 EVRM · Portretrecht
Zie Mediaforum 2003-6, nr. 30 m. nt. G.A.I. Schuijt
Hof Amsterdam 6 november 2003, Byblos vs.
Rowling,
www.rechtspraak.nl (LJN-nr. AN7646)
Auteursrecht · Parodie · Merkrecht
Hoger beroep van Vzr. Rb. Amsterdam 3 april
2003 (zie
Mediaforum 2003-6, p. 201). Rowling
is de schrijfster van een serie boeken bekend
onder de naam Harry Potter. Uitgeverij
Byblos heeft aangekondigd het boek `Tanja
Grotter en de Magische Contrabas' op de
markt te zullen brengen. Het Hof bekrachtigt
dat er sprake is van inbreuk op het auteurs-
recht. Tanja Grotter is niet te beschouwen als
een nieuw oorspronkelijk werk `in de vorm
van een polemiek die citeert uit Harry Potter',
zoals Byblos had betoogd. De verhaallijn van
beide boeken, de situering in tijd, karakters,
intrige/plot, verwikkelingen en (anti)climax
vertonen een zo grote gelijkenis dat Tanja
Grotter niet als een zelfstandige schepping
kan worden aangemerkt. Het boek Tanja
Grotter kan evenmin als een parodie worden
aangemerkt. Byblos heeft zelf bij monde van
haar directeur in een interview gesteld dat het
boek geen parodie op Harry Potter is. Het Hof
kan evenmin parodiërende elementen ontwa-
ren. Eveneens wordt wegens verwateringsge-
vaar inbreuk gemaakt op het merk `Harry Pot-
ter',
dat
een
inmiddels
grote
onderscheidingskracht bezit.
Hof Amsterdam 24 november 2003 (strafkamer),
www.rechtspraak.nl (LJN-nr. AN8977)
Smaadschrift · Artikel 261 lid 3 WvSr
Verdachte, de kunstschilder Rob Scholte, die
in 1994 bij een bomaanslag beide benen verl-
oor, beschuldigde bij herhaling in geschrif-
ten en in een televisieuitzending Koos Dals-
tra ervan betrokken te zijn geweest bij het
plegen dan wel bij het beramen van de aan-
slag. Dalstra is voor de politie nooit verdach-
te geweest. Het Hof zijn geen feiten of
omstandigheden gebleken waaruit verdach-
te in redelijkheid te goeder trouw de conclu-
sie had mogen trekken dat Dalstra de dader
was van de aanslag en dat voor hem op grond
daarvan de noodzaak bestond zich te verde-
digen tegen een tweede aanslag. Ook overi-
gens is het Hof niet gebleken op grond waar-
van een beroep op art. 261 lid 3 Sr zijn
uitlatingen zou kunnen rechtvaardigen.
Hof Arnhem 14 oktober 2003, Brokerhof vs.
SIDN,
www.rechtspraak.nl (LJN-nr. AM2820)
Geblokkeerde domeinnamen
Hoger beroep van Rb. Arnhem 19 december
2002 (zie
Mediaforum 2003-2, p. 55). Broker-
hof houdt zich bezig met financiële dienst-
verlening. De Stichting Internet Domein-
naamregistratie Nederland (SIDN) heeft in
1998 aan hem meegedeeld dat de registratie
van de door hem aangevraagde domeinna-
men financiering.nl, krediet.nl en lening.nl
is geweigerd. Deze namen zouden te alge-
meen zijn en misverstanden kunnen oproe-
pen. De SIDN voert echter sinds 1 april 1999
een ruimer beleid. Zij heeft dat aan Broker-
hof geschreven en daarbij een opsomming
gegeven van eerder door Brokerhof aange-
vraagde domeinnamen, waarvan de blokka-
de nu is opgeheven. Deze opsomming bevat-
te echter per ongeluk niet de domeinnamen
financiering.nl, krediet.nl en lening.nl. Op 1
september 1999 heeft SIDN deze drie
domeinnamen aan Tellus toegekend. Bro-
kerhof heeft deze domeinnamen daarna
overgenomen
van
Tellus
voor
ruim
200.000,- en vordert nu schadevergoeding
van de SIDN. Het Hof bekrachtigt de uit-
spraak van de rechtbank dat deze vordering
moet worden afgewezen. De SIDN kan zich
namelijk beroepen op een exoneratiebeding
uit haar reglement. Brokerhof had hier
tegen in gebracht dat toepassing van deze
bepaling in de gegeven omstandigheden
naar maatstaven van redelijkheid en billijk-
heid onaanvaardbaar zou zijn. Het Hof oor-
deelt echter dat een afweging van alle gestel-
de omstandigheden tot een beslissing leidt
die in het voordeel van de SIDN uitvalt.
Hof Den Bosch 5 november 2002, Weyzen vs. De
Limburger e.a.,
NJ 2003, 612
Perspublicatie · Geruchten
Zie Mediaforum 2003-1, nr. 3 m. nt. G.A.I. Schuijt
Hof Den Bosch 14 oktober 2003, Te Meij vs. De
Limburger
Perspublicatie · Onderzoeksplicht
Beschuldiging van oplichting aan het adres
van schoolbestuurder. Uit de overgelegde
producties en de bij de rechtbank afgelegde
getuigenverklaringen is genoegzaam ko-
men vast te staan dat aan de journalist gede-
tailleerde verklaringen omtrent de be-
schuldigingen zijn getoond en dat de
belangrijkste
betrokkenen
het
hebben
bevestigd. Het is voor de beschuldiging aan
eiser wel relevant of hij al dan niet lid was
van het schoolbestuur ten tijde van de
gewraakte handelingen, maar het valt De
Limburger niet te verwijten dat zij is meege-
gaan in de door eiser zelf geschapen verwar-
ring. De inkleding is niet onnodig grievend,
al zijn de verdenkingen wel erg stellig ver-
woord. Het hof acht dit onvoldoende om
alleen op die grond tot een onrechtmatige
daad jegens eiser te concluderen.
Zie ook Raad voor de Journalistiek 1999-66
Hof Den Haag 4 september 2003, Scientology vs.
ISP's en Spaink,
AMI 2003-6, nr. 18 m. nt. P.B.
Hugenholtz
Citaatrecht · Auteursrecht · Uitingsvrij-
heid · Aansprakelijkheid provider
Zie ook Mediaforum 2003-10, nr. 45 m. nt. D. J.G.
Visser
Rb. Rotterdam 15 oktober 2003, Assuraad & Van
Katwijk vs. Algemeen Dagblad
Perspublicatie · Art. 10 EVRM · Hoor en
wederhoor · Waardeoordeel
De mededeling dat eisers geen gebruik
maakten van de geboden gelegenheid com-
mentaar te geven is in strijd met de waar-
heid. Door enkel aan te voeren dat het ver-
zendtijdstip niet correspondeert met het
kennelijk later gelegen tijdstip van ont-
vangst heeft het AD onvoldoende gemoti-
veerd betwist dat niet tijdig is gereageerd.
De term `je reinste KGB-methoden', die door
de door het AD geïnterviewde cliënt van
eisers is gebruikt is meer dan een persoonlijk
waardeoordeel. Het sluit een oordeel van fei-
telijke aard in, waarvan niet kan worden
gezegd dat het door de feiten wordt gedra-
gen. Publicatie is onrechtmatig. Veroorde-
ling tot immateriële schadevergoeding;
materiële schadevergoeding op te maken bij
staat.
Zie ook Raad voor de Journalistiek 2001-43 en 2001-
44
Vzr. Rb. Amsterdam 5 september 2003, Stichting
Doelmatige Geneesmiddelenvoorziening vs.
RTL/HMG,
KG 2003, 213
Geneesmiddelenreclame · TV-registratie
evenement
Zie Mediaforum 2003-11/12, p. 370
Vzr. Rb. Amsterdam 13 oktober 2003, Karin Bloe-
men vs. Weekend
nr. 2 m.nt. G.A.I. Schuijt
J
Portretrecht · Privacy · Rectificatie ·
Bronbescherming
Publicatie van foto's van de zangeres-actrice
Karin Bloemen tijdens vakantie op een klein
naaktstrand. Dat een public figure zich gro-
tere inbreuken op zijn privé-leven dient te
laten welgevallen dan de doorsnee burger,
betekent niet dat een public figure buiten
zijn privé domein van huis en tuin niet ook
recht op privacy heeft. De vraag of het een
privé-strand betrof waar Bloemen zich
bevond is dan ook niet doorslaggevend. In
elk geval betrof het een afgesloten plek, waar
Bloemen zich onbespied waande.
De
inbreuk op de privacy is in de gegeven
omstandigheden ook voor een public figure
aanzienlijk groter dan van iemand in bad-
pak. Daarnaast valt niet in te zien welk
publiek belang wordt gediend met de publi-
catie van de naaktfoto's, anders dan het wek-
ken van een zekere hilariteit over Bloemens
blote lichaam. De nieuwswaarde van het feit
dat Bloemen naakt recreëert is op zichzelf
gering. Rectificatie van een foto is in zoverre
mogelijk dat het oordeel van de rechter
omtrent de onrechtmatigheid van de repor-
tage kan worden gepubliceerd. Deze vorm
wordt geschikt geacht om de schade te
beperken. Het verweer van Weekend dat
excuses niet kunnen worden afgedwongen
is juist. Bevel tot afgifte van de foto's en
negatieven en digitale versies. Weekend
Mediaforum 2004-1
8
moet ook de naam en adresgegevens noe-
men van de toerist die het blad de foto's heeft
toegespeeld. Het beroep op bronbescher-
ming wordt verworpen.
Vzr. Rb. Amsterdam 6 november 2003, Prinses
Margaritha en echtgenoot vs. HP/De Tijd,
www.rechtspraak.nl (LJN-nr. AN7674)
Interviewtapes · Interviewafspraken
Eisers vorderen alle kopieën van de tapes en
alle transcripties van de gesprekken, die zij
met HP/De Tijd hebben gevoerd in verband
met de serie artikelen `Oranjebitter'. Naar de
letter van de opgestelde verklaring is het
maken van transcripties een vorm van kopië-
ren. Voorts mochten op grond van de
gemaakte afspraken de tapes ook niet wor-
den afgedraaid voor derden, ook al was dat
alleen maar om die derden de tapes te laten
uittypen. De stelling van HP/De Tijd dat dat
met goedvinden van eisers is geschied ver-
eist nader onderzoek, waarvoor dit geding
zich niet leent. De banden zijn inmiddels
teruggegeven. Voor vrees dat gedaagden
zich niet aan de afspraak zullen houden dat
zij geen nieuwe informatie, afkomstig van
de gesprekken met eisers, zullen openbaar
maken zonder voorafgaande goedkeuring
van eisers is geen plaats. Dit is aan eisers in
correspondentie meermalen bevestigd en
ook dat één passage in het boek `Oranjebit-
ter' in een volgende editie niet meer zal wor-
den opgenomen. De eis dat gedaagden,
indien zij stellen de vertrouwelijke en priva-
cygevoelige informatie uit de gesprekken
met eisers langs andere weg te hebben ver-
kregen, zij daarvan het bewijs aan eisers
moeten leveren alvorens tot publicatie over
te gaan, is zeer verstrekkend en een ingrij-
pende beperking van de vrijheid van
meningsuiting. Voor toewijzing daarvan is
geen grond aangevoerd.
Vzr. Rb. Breda 14 november 2003, Gretta Duisen-
berg vs. Koelman,
www.rechtspraak.nl (LJN-nr.
AN8129)
Column · Uitingsvrijheid · Public figure
In een column van de journalist Luuk Koel-
man in het blad Metro wordt onder de kop
`Menselijk schild in Ramallah' Gretta Dui-
senberg op denigrerende en seksistische wij-
ze geportretteerd als een groupie van Yasser
Arafat. In een later nummer zegt de hoofdre-
dactie te betreuren dat mevrouw Duisenberg
de inhoud als grievend en een ontoelaatbare
inbreuk op haar persoonlijke integriteit
ervaart. Inmiddels staat de column nog
steeds op de website van Koelman. Aan een
verzoek tot verwijdering ervan voldoet Koel-
man niet, wel publiceert hij de brief van de
raadsman van Duisenberg en zijn reactie
daarop. Eiseres vordert verwijdering van de
column, inclusief de reacties, van de website.
De Vzr. overweegt dat auteurs van columns
een grotere mate van vrijheid toekomt om
hun persoonlijke mening over gebeurtenis-
sen en personen te geven dan auteurs in
andere journalistieke genres. De grenzen
worden echter overschreden in het geval dat
de uitingen gedaan zijn met de bedoeling
een ander te kwetsen en de met het oog op
het te dienen belang gebezigde bewoordin-
gen nodeloos grievend zijn. Daarnaast is
sprake van overschrijding van grenzen wan-
neer columnisten bij het uiten van hun per-
soonlijke mening over personen kwalifica-
ties bezigen of
vergelijkingen treffen
waartoe de feiten in redelijkheid geen aan-
leiding geven. Bepaalde aspecten mogen dus
wel worden uitvergroot maar moeten wel
steun vinden in het beschikbare feitenmate-
riaal. Het publiek optreden van Duisenberg
heeft weliswaar veel stof doen opwaaien
maar kan een column als de onderhavige
niet rechtvaardigen. Bevel de column van de
website te verwijderen en tot plaatsing van
een naschrift.
Vzr. Rb. Den Bosch 7 november 2003, X vs. Gay-
krant en Panorama,
www.rechtspraak.nl (LJN-
nr. AN7740)
Perspublicatie · Privacy · Rectificatie ·
Portretrecht
Bij het aan de kaak stellen van de misstand
klassenjustitie kan het onvermijdelijk zijn om
de verdenking en vervolging die ook anderen
ten deel zouden behoren te vallen op gepaste
wijze naar voren te brengen. Door eiser in ver-
band te brengen met klassenjustitie hebben
gedaagden hem onvermijdelijk publiekelijk
te kijk gezet als potentieel verdachte van seks
met minderjarige prostituees. Genoegzaam is
vast komen te staan dat er geen enkele grond
voor een dergelijke verdenking bestaat. Geen
enkele door gedaagden aangedragen bron
wijst daarop. Eiser is op buitengewoon licht-
vaardige wijze aan zo'n verdachtmaking
blootgesteld. 's Mensen geaardheid behoort
geen voorwerp van onderzoek door de rechter
te zijn. Geruchten omtrent iemands geaard-
heid behoren tot zijn persoonlijke levenssfeer
en dienen, behoudens uitzonderingen, niet
publiekelijk gemaakt te worden. De publica-
tie van vakantiefoto's van eiser in gezelschap
van onherkenbaar gemaakte, als `jonge kna-
pen' aangeduide parochiemedewerkers, is
eveneens onrechtmatig, omdat daarvan de
suggestie uitgaat van onoorbaarheid. Rectifi-
catie bevolen.
Vzr. Rb. Den Haag 13 oktober 2003, VEWIN vs.
HWS,
www.rechtspraak.nl (LJN-nr. AL8383)
Misleidende reclame
De website van gedaagde Holland Waterfilt-
ration Systems bevat informatie over de door
haar geproduceerde waterfiltersystemen en
zero-water, alsmede een toelichting op de
noodzaak van dergelijke systemen in ver-
band met de gezondheidsrisico's van de hui-
dige drinkwatervoorzieningen. De Vereni-
ging
van
Waterleidingbedrijven
eist
rectificatie van deze publicatie. HWS stelt in
de publicaties niet zonder meer dat het lei-
dingwater van slechte kwaliteit is, maar uit
twijfels of het leidingwater altijd over de
hele linie risicoloos te drinken is. Bij de vraag
of sprake is van misleidende reclame mag
ervan worden uitgegaan dat het gemiddelde
publiek zich niet laat beïnvloeden of mislei-
den als het zich ervan bewust is dat het gaat
om een zekere overdrijving die aan reclame
eigen is. De uitingen van HWS zijn niet
onrechtmatig jegens VEWIN.
Vz. Rb. Den Haag 12 november 2003, nl.tree vs.
KPN Telecom en XS4ALL,
www.rechtspraak.nl
(LJN-nr. AN7985)
Gratis internet scholen · Misbruik
machtspositie
Naar voorlopig oordeel is er aanleiding om de
mkb-markt vooralsnog als een afzonderlijke
markt te bezien en is die markt in dezen de rele-
vante markt. Onbestreden is dat KPN op die
markt een marktaandeel heeft van ca. 80%.
Daarmee beschikt KPN op die markt over een
economische machtspositie. Echter ook voor
het geval de consumentenmarkt en het mid-
den- en kleinbedrijf een markt zouden vormen,
heeft KPN ook op die markt reeds een economi-
sche machtspositie. Het bestaan van een econo-
mische machtspositie op basis van (inmiddels)
41% is temeer aannemelijk als wordt gelet op de
Richtsnoeren voor de marktanalyse en de
beoordeling van aanmerkelijke marktmacht
ten aanzien van elektronische communicatie-
netwerken en diensten van de Europese Com-
missie. KPN neemt naar voorlopig oordeel op
de Nederlandse markt voor breedbandinter-
nettoegang een economische machtspositie in.
Aannemelijk is ook dat indien KPN het aanbod
van gratis internet aan de scholen gestand kan
doen, het effect ervan zal zijn dat dat nl.tree en
andere concurrenten in het betreffende onder-
wijssegment van de markt worden verdreven
en dat dit segment voor nieuwe concurrenten
in economische zin gedurende enkele jaren
ontoegankelijk is gemaakt. Naar voorlopig oor-
deel is sprake van wurgprijzen (price squeeze)
en vindt eveneens een niet geoorloofde prijsdis-
criminatie plaats. KPN handelt onrechtmatig
wegens strijd met artikel 24 Mededingingswet.
Vzr. Rb. Leeuwarden 16 oktober 2003, X vs. Schat-
zenburg,
www.rechtspraak.nl (LJN-nr. AM1473)
Smaad · Rectificatie in dagbladen
Eiseres was chef van het zwembad Schatzen-
burg, dat voorheen van de Gemeente Menal-
dumadeel was. Tussen de nieuwe eigenaar
en eiseres ontstond een arbeidsconflict en zij
werd op non-actief gesteld. Schatzenburg
verspreidde over eiseres geruchten als zou
zij een dief zijn en op staande voet zijn ont-
slagen. Op geen enkele manier is aange-
toond dat deze beschuldigingen op enige
waarheid berusten. Bevel tot rectificatie
(anders geformuleerd dan geëist, omdat de
Vzr. Schatzenburg geen standpunten kan
voorschrijven) in de volledige oplage van de
Leeuwarder Courant en het Friesch Dagblad.
Vzr. Rb. Leeuwarden 30 oktober 2003, V.'s Twee-
wielercentrum
Blokker
vs.
Batavus,
www.rechtspraak.nl (LJN-nr. AN4570)
Beeldmerk als hyperlink · Framen · Aan-
tasting werking hyperlink
Partijen hebben 30 jaar een handelsrelatie
gehad, waarbij Batavus op bestelling fietsen
aan V. leverde. V. verkocht deze in haar winkel
en via het Internet voor een lagere prijs dan
haar concurrenten. Onder druk van een grote
marktspeler heeft Batavus deze relatie beëin-
digd in 2001. V. verkoopt nog steeds fietsen
van Batavus op het Internet, die zij langs
andere weg dan rechtstreeks van Batavus
heeft verkregen. In dit geschil gaat het om
drie vragen. Mag V. het beeldmerk van Bata-
vus als hyperlink gebruiken? Is V. gerechtigd
om de website van Batavus in een kader van
haar eigen site te plaatsen (framen)? Kan
Batavus de hyperlink van V. naar haar site
aantasten? De eerste vraag wordt ontken-
nend beantwoord. Weliswaar is door het Hof
van Justitie van de EG bepaald dat, indien
een merkproduct op grond van de uitput-
tingsregel zonder toestemming van de merk-
houder mag worden verkocht, het merk
eveneens gebruikt mag worden om deze ver-
dere verhandeling bij het publiek aan te kon-
digen; dit gaat echter niet op indien de
Mediaforum 2004-1
9
indruk wordt gewekt dat er een commerciële
band tussen wederverkoper en merkhouder
bestaat. Deze laatste uitzondering is op deze
casus van toepassing. Door gebruikmaking
van het beeldmerk als hyperlink kan het
publiek menen dat V. een officiële dealer is
van Batavus. Ook de tweede vraag wordt ont-
kennend beantwoord. De Vzr. oordeelt
namelijk dat het framen onrechtmatig en in
strijd met het auteursrecht is, aangezien de
indruk wordt gewekt dat de informatie van
de website van Batavus eigen materiaal van V.
betreft. Mag Batavus ook het technisch
onmogelijk maken dat V. naar haar website
linkt (met een eenvoudige hyperlink, waarbij
het beeldmerk niet wordt gebruikt)? Batavus
handelt niet onrechtmatig jegens V. door te
verhinderen dat V. een hyperlink maakt naar
de site van Batavus. Hoewel eenvoudige
hyperlinks in beginsel geen inbreuk op het
auteursrecht op de website waarnaar gelinkt
wordt opleveren, betekent dit nog niet dat de
houder van een hyperlink ook recht heeft op
een ongestoorde werking daarvan.
Vzr. Rb. Middelburg 20 november 2003, Foster
Parents Plan vs. Proceskostenfonds Mis-
bruikte Kinderen Foster Parents,
www.recht-
spraak.nl (LJN-nr. AN8602)
Insinuaties in folder
Folders van gedaagde hebben in het verle-
den het kennelijk redelijke doel bereikt dat
Foster Parents Plan haar beleid heeft aange-
past en meer transparant is geworden en dat
er uitvoerig onafhankelijk onderzoek is
geweest. Thans is geen zwaarwegend maat-
schappelijk belang meer gediend bij de zeer
negatief gerichte acties van het Fonds.
Bovendien is het dreigen met openbaar
maken van de negatieve folders met de
bedoeling een financiële bijdrage van Foster
Parents te ontvangen maatschappelijk onac-
ceptabel en derhalve onrechtmatig.
Vz. Rb. Rotterdam 30 oktober 2003, KPN Telecom
vs. OPTA en Tiscali,
www.rechtspraak.nl (LJN-
nr. AN4631)
Telecommunicatie
·
Onbevoegdheid
OPTA · Bitstroomtoegangsdienst
De voorzieningenrechter is van oordeel dat
van het omschreven telecommunicatienet-
werk in de zin van artikel 1.1, aanhef en onder
g Tw, voor zover dat kan worden gebruikt
voor het verlenen van bitstroomtoegang, niet
alle elementen geheel of gedeeltelijk worden
gebruikt voor de levering van de vaste open-
bare telefoondienst. Gegeven het wettelijk
kader waaraan OPTA zijn bevoegdheid tot
het nemen van het bestreden besluit zou
kunnen ontlenen moet voorshands worden
vastgesteld dat OPTA niet bevoegd was tot
het nemen van het bestreden besluit, nu dit
betrekking heeft op het gehele netwerk,
waarvan de verschillende elementen niet los
van elkaar kunnen worden gezien.
Zie ook Vz. Rb. Rotterdam 17 juli 2003, Mediafo-
rum 2003-11/12, nr. 53 m. nt. D. Schipper
Vzr. Rb. Rotterdam 11 november 2003, A.S.O.
Radio vs. Minister van EZ,
www.rechtspraak.nl
(LJN-nr. AN8444)
Frequentieruimte · Onvolledige vergun-
ningaanvraag
A.S.O. Radio (aanvrager) heeft niet voldaan
aan de eisen gesteld in artikel 8 Regeling ver-
volg verdeling frequenties commerciële
radio-omroep 2003 (zie
Mediaforum 2003-9,
p. 294). Aanvrager heeft verzuimd tijdig de
gevraagde gegevens te overleggen. Beroep
wordt afgewezen.
Vzr. Rb. Utrecht 11 november 2003, Cruijff e.a. vs.
Tirion,
www.rechtspraak.nl (LJN-nr. AN8909)
Portretrecht · Auteursrecht · Woordmerk
· Portretmerk
Johan Cruijff vordert een verbod om het
boek `Johan Cruijff-De Ajacied' in de handel
te brengen en een gebod om de reeds op de
markt gebrachte exemplaren terug te halen.
Hij stelt een redelijk belang te hebben zich
tegen de publicatie van zijn portretten te
verzetten. Dat belang is gelegen in het feit
dat hij een exclusieve overeenkomst heeft
met een andere uitgeverij over een boek
`Johan Cruijff in eigen woorden'. Voorts
heeft hij verzilverbare populariteit. Hij stelt
voorts dat inbreuk is gemaakt op het woord-
merk Cruijff en op zijn portretmerk. De
mede-eiser, de Supportersvereniging Ajax,
stelt het auteursrecht van een deel van de
door gedaagde gebruikte foto's te hebben.
De Vzr. overweegt dat voor een absoluut ver-
bod op de uitgave van Tirion geen plaats is.
Wel is door Tirion erkend dat Cruijff een
financiële vergoeding kan vorderen, maar
een daartoe strekkend aanbod is door Cruijff
afgewezen zonder een tegenvoorstel te
doen. Het gebruik van de naam op Cruijff op
en in het boek kan niet worden aangemerkt
als gebruik van een merk, aangezien de
naam niet wordt gebruikt als naam voor de
aangeboden waar. Het beroep op het portret-
merk wordt verworpen aangezien geen
gebruik is gemaakt van dit specifieke por-
tret.
De eis van de supportersvereniging
wordt toegewezen omdat genoegzaam is
komen vast te staan dat bij haar het auteurs-
recht op een deel van de foto's berust en haar
geen toestemming voor publicatie is
gevraagd. Voor een recall van de reeds in de
boekhandel liggende exemplaren wordt
echter onvoldoende grond aanwezig geacht
vanwege de daaraan klevende praktische
bezwaren.
Vzr. Rb. Utrecht 20 november 2003, SDU vs. Spec-
trum,
www.rechtspraak.nl (LJN-nr. AN8558)
Merkrecht · Soortnaam
De SDU brengt sinds 1993 de zogenaamde
Taalkalender op de markt. Dit betreft een
scheurkalender, waarbij op iedere dag een
onderdeel van de taalwetenschap wordt
behandeld. Op 25 oktober 2002 heeft de SDU
het woord Taalkalender eveneens als merk
gedeponeerd. Sinds medio 2003 brengt
Spectrum een vergelijkbare kalender op de
markt, eveneens onder de naam Taalkalen-
der. De inhoud van de kalender is niet ont-
leend aan die van de SDU. Het gevorderde
verbod met recall wordt afgewezen. De Vzr.
oordeelt dat het merk Taalkalender geen
onderscheidend vermogen heeft. Het beroep
op inburgering van dit merk door SDU faalt.
Zelfs als het merk al enig onderscheidend
vermogen heeft gehad, wordt dit begrip
thans door het publiek opgevat als soort-
naam voor een kalender waarin taalkwesties
aan de orde komen en niet als een verwijzing
naar de uitgeverij die dit op de markt brengt.
Vzr. Rb. Zwolle 30 oktober 2003, Microsoft vs.
Omega,
www.rechtspraak.nl (LJN-nr. AM7945)
Telecommunicatie · Naamnummers
Microsoft vordert dat Omega wordt veroor-
deeld te bewerkstelligen dat de naamnum-
mers 0800-microso en 0900-microso bij de
OPTA op naam van Microsoft worden gezet.
Zij stelt daartoe dat deze nog niet in gebruik
genomen naamnummers geen andere zin-
volle betekenis kunnen opleveren dan de
naam `Microsoft'. Aldus zou inbreuk worden
gemaakt op haar merk- en/of handelsnaam-
rechten. De vordering wordt afgewezen. De
reservering van de naamnummers impli-
ceert niet zonder meer een dreigende
inbreuk op de merken en handelsnaam van
Microsoft. Gedaagde heeft expliciet ver-
klaard dat hij geenszins van plan is om zich
te afficheren als Microsoft. Gedaagde heeft
gemotiveerd en onweersproken aangevoerd
dat hij een reclamecampagne wil gaan voe-
ren waarin de lettercombinatie `microso'
betekenis verkrijgt, zoals o.a. in de slogan
`voor al uw microsores bel de microsoof'.
Met dergelijke woorden wordt geen inbreuk
gemaakt op de rechten van Microsoft.
Ktr. Amsterdam 3 april 2003, Schirmeister vs.
SBS,
AMI 2003-5, nr. 16 m. nt. P.B. Hugenholtz
Citaatrecht · Actuele gebeurtenis · Art. 15,
15a en 16a Auteurswet
Het programma De Waarheid van SBS, waar-
in een bekende Nederlander andere bekende
Nederlanders confronteert met berichten
over hen in de roddelpers is geen nieuwspro-
gramma of actualiteitenrubriek, maar een
amusementsprogramma. Onderwerp van de
vertoonde foto's noch de inhoud van het ver-
toonde artikel kan worden aangemerkt als
een actuele gebeurtenis in de zin van art. 16a
Auteurswet. Het tonen van foto's bij het tijd-
schriftartikel in de uitzending valt onder het
citaatrecht, maar dan dient wel voldaan te
zijn aan de voorwaarde dat de maker van de
foto's wordt vermeld.
WIPO Arbitration and Mediation Center 17 okto-
ber 2003, Consitex vs. Gerolanda, www.wipo.int
Domeinnaamarbitrage
Op 17 oktober jl. is de eerste uitspraak gewe-
zen door het WIPO Arbitration and Media-
tion Center in een zaak over een .nl domein-
naam. Sinds 29 januari 2003 bestaat de
mogelijkheid om in een domeinnaamgeschil
in plaats van de gang naar de rechter te
maken een klacht in te dienen bij dit arbitra-
geinstituut. In de onderhavige zaak heeft de
arbiter de overdracht bevolen van de
domeinnaam ermenegildozegna.nl aan de
eisende merkhouder. Aan deze domeinnaam
was door gedaagde een website gekoppeld
met o.a. pornografische verwijzingen.
Binnenland
Wijziging Telecommunicatiewet
Het wetsvoorstel tot wijziging van de Tele-
communicatiewet en enkele andere wetten
in verband met de implementatie van een
zestal Europese richtlijnen dat tezamen een
geheel nieuw ONP-kader vormt, is door de
Tweede Kamer aangenomen. In deze Kamer
heeft het van 17 juni tot en met 28 oktober
2003 amendementen, gewijzigde amende-
menten en nader gewijzigde amendemen-
Mediaforum 2004-1
10
ten geregend. Ook de regering kwam met de
nodige wijzigingen. Zij legde op 22 septem-
ber 2003 een tweede (nr. 21), en op 1 oktober
2003 een derde nota van wijziging (nr. 22)
over. De parlementaire behandeling van het
wetsvoorstel vond plaats op 21 en 22 oktober
2003. Een week later, op 28 oktober 2003,
volgde de stemming over de amendementen
en de afzonderlijke onderdelen van het voor-
stel. De Tweede Kamer nam 9 amendemen-
ten (nrs. 36, 37 Herdruk, 39, 41, 43, 44, 45, 47
en 49) en een motie (nr. 35) aan, terwijl de
regering al eerder twee amendementen (nrs.
14 en 15) had overgenomen. Hierop werd een
Kamerstuk vastgesteld (nr. 50) met daarin
het wetsvoorstel zoals het luidde na de daar-
in tot en met 28 oktober 2003 aangebrachte
wijzigingen. Vervolgens stelde de regering
bij brief van 3 november 2003 (nr. 51) nog
enige, voornamelijk redactionele wijzigin-
gen voor, die een dag later zonder stemming
door de Kamer werden aangenomen. Het
wetsvoorstel zelf werd met algemene stem-
men aanvaard, waarna het gewijzigde voor-
stel van wet aan de Eerste Kamer gezonden
kon worden.
Kamerstukken II 2002/03, 28 851, nr. 8-10 en 14-17;
Kamerstukken II 2003/04, 28 851, nr. 18-51; Kamer-
stukken I 2003/04, 28 851, nr. A; Handelingen II
2003/04, p. 755-775, p. 779-805, p. 934-936 en p. 1177.
Zie ook Mediaforum 2003-6, p. 202 en 2003-10, p. 330.
Ontwikkeling publieke omroep
Staatssecretaris Van der Laan van OCW heeft
op 14 november 2003 in het kader van de
mediabegroting een brief aan de Tweede
Kamer gestuurd over de ontwikkeling van
de publieke omroep. Daarin schetst zij aller-
eerst het financiële kader voor de periode
2004-2008. Vervolgens gaat zij in op de ont-
wikkelingen bij de publieke omroep. De
staatssecretaris belicht die programmatische
aangelegenheden en beleidsonderwerpen
waarop zij de publieke omroep in het bijzon-
der zal aanspreken. Zij geeft aan voorne-
mens te zijn om door middel van prestatie-
afspraken met de publieke omroep concrete
en zichtbare resultaten te realiseren. Aan het
eind van de brief gaat de staatssecretaris in
op de overige voornemens voor radio, televi-
sie en nieuwe diensten en op de ontwikke-
lingen en voornemens van de andere media-
instellingen.
Kamerstukken II 2003/04, 29 200 VIII, nr. 78.
Vergelijkende toets verdeling frequenties
De vaste commissie voor Economische
Zaken heeft naar aanleiding van twee brie-
ven van de staatssecretaris van OCW over de
vergelijkende toets voor de verdeling van
commerciële radiofrequenties een aantal
vragen gesteld aan de regering. Deze vragen
zijn met de door de regering gegeven ant-
woorden op 10 november 2003 als Kamer-
stuk vastgesteld. In de antwoorden van de
regering is onder meer te lezen dat er
momenteel bij de ministeries van EZ en
OCW en bij het Agentschap Telecom 96
bezwaarschriftprocedures en 66 gerechtelij-
ke procedures met betrekking tot zero base
aanhangig zijn. Daarbij zijn inbegrepen de
gerechtelijke
procedures,
met
name
betreffende diverse verlengingsbesluiten,
die sinds 1996 aanhangig zijn. Van deze pro-
cedures hebben 74 bezwaarschriftprocedu-
res en 10 gerechtelijke procedures betrek-
king op de afgelopen vergelijkende toets en
de thans lopende vervolgverdeling van nog
niet verdeelde frequenties. Voor wat betreft
deze vervolgverdeling meldt de regering dat
de vervolgtoets naar verwachting in de loop
van november zal kunnen worden afgerond.
Voor het onverdeeld gebleven landelijke
kavel A8, bestemd voor klassieke en/of jazz-
muziek, zijn zeven aanvragen ingediend.
Onder de aanvragers bevinden zich partijen
die zich richten op een van beide of beide
muzieksoorten.
Kamerstukken II 2003/04, 24 095, nr. 155.
Beveiliging gegevens over aftappen
Bij koninklijk besluit van 28 oktober 2003
heeft de regering het Besluit beveiliging
gegevens aftappen telecommunicatie vast-
gesteld. Deze algemene maatregel van
bestuur bevat regels die betrekking hebben
op door aanbieders van openbare telecom-
municatienetwerken of openbare telecom-
municatiediensten te treffen beveiligings-
maatregelen ten aanzien van gegevens over
het aftappen en opnemen van telecommuni-
catie. Het gaat hierbij om de beveiliging van
gegevens die aan de aanbieders worden vers-
trekt om uitvoering te kunnen geven aan een
taplast, maar ook om de beveiliging van
informatie die aanbieders zelf verstrekken
aan de tot aftappen bevoegde instanties. De
algemene maatregel van bestuur kent een
aantal kernelementen:
de verschillende aspecten waarop de
door de aanbieder te treffen beveili-
gingsmaatregelen zich dienen te rich-
ten, worden geëxpliciteerd;
er wordt een bijlage verschaft met ver-
plicht te treffen beveiligingsmaatrege-
len;
aanbieders worden verplicht een beveili-
gingsplan op te stellen;
aanbieders worden verplicht uitsluitend
gescreend personeel in te schakelen bij
de uitvoering van taplasten en verzoe-
ken om informatie en dienen er tevens
voor te zorgen dat deze personen de ver-
eiste geheimhouding betrachten;
aangegeven wordt welke maatregelen
genomen moeten worden bij ongeoor-
loofde inbreuken op de vertrouwelijk-
heid;
er wordt een regeling gegeven voor de
situatie dat door een aanbieder werk-
zaamheden zijn uitbesteed aan een der-
de (`outsourcing').
Het Besluit beveiliging gegevens aftappen
telecommunicatie zal op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip in werking treden.
Stb. 2003, 472.
Gebruik frequentieruimte
Bij besluit van 15 oktober 2003 heeft minis-
ter Brinkhorst van EZ de sinds 15 december
1998 geldende Regeling aanvraag en toela-
ting vergunningen op volgorde van binnen-
komst of bij wijze van voorrang ingetrokken
en een nieuwe Regeling vastgesteld. Deze
nieuwe Regeling is de Regeling aanvraag en
toelating vergunningen voor het gebruik
van frequentieruimte. De regels die betrek-
king hebben op in het frequentieplan aange-
wezen frequentieruimte die al dan niet teza-
men met bij ministeriële regeling aan te
wijzen categorieën van radiozendapparaten
voor een in het frequentieplan aangegeven
bestemming door een ieder mag worden
gebruikt, zijn in een aparte Regeling onder-
gebracht. Deze Regeling gebruik van fre-
quentieruimte zonder vergunning is even-
eens bij besluit van 15 oktober 2003
vastgesteld. Beide regelingen zijn op 29
oktober 2003 in werking getreden.
Stcrt. 2003, 207, p. 18 en 211, p. 18
Wireless Local Loop
In Mediaforum 2003-10, p. 330 werd reeds
melding gemaakt van de uitgifte van frequen-
tieruimte voor Wireless Local Loop. In ver-
band met deze uitgifte verschenen eind
augustus 2003 twee besluiten van de minister
van Economische Zaken in de Staatscourant,
te weten de Bekendmaking frequentie-uitgif-
te voor gebruik WLL en de Regeling aanvraag-
procedure en veiling gebruiksrecht frequen-
tieruimte voor WLL. Beide besluiten zijn door
de minister bij besluit van 17 oktober 2003
gewijzigd. De wijzigingen houden verband
met nieuwe inzichten, die noodzaken tot ver-
andering van de aan de WLL-vergunningen
verbonden voorschriften en beperkingen.
Ook zijn twee nieuwe ontwerpvergunningen
in de Staatscourant gepubliceerd.
Stcrt. 2003, 204, p. 13.
3FM en Rob Stenders
In antwoord op schriftelijke vragen van het
kamerlid Bakker (D66) schrijft staatssecreta-
ris Van der Laan van OCW dat het niet waar is
dat de Raad van Bestuur van de NOS geld
beschikbaar heeft gesteld aan de VARA om DJ
Rob Stenders voor 3FM te behouden. De Raad
heeft juist in een persbericht van 21 oktober
2003 laten weten dat hij niet van plan is om
extra middelen in te zetten in verband met de
lopende salarisonderhandelingen voor DJ's
op 3FM. Deze opstelling past volgens de
staatssecretaris uitstekend in het streven van
het kabinet om topinkomens in de publieke
en de semi-publieke sector te beheersen.
Aanhangsel Handelingen II 2003/04, nr. 324.
Gratis internet voor onderwijsinstellin-
gen
De kamerleden Van Dam en Tichelaar (PvdA)
hebben schriftelijke vragen gesteld aan
minister Brinkhorst van EZ over de aanbie-
ding van gratis internet aan onderwijsinstel-
lingen door KPN. In zijn antwoorden geeft
de minister onder meer aan dat de NMa en
de OPTA van mening waren dat dit aanbod
niet in strijd was met de Mededingingswet
of de Telecommunicatiewet. De voorzienin-
genrechter te 's-Gravenhage dacht daar ech-
ter anders over en oordeelde op 12 november
2003 dat KPN zijn aanbod moest opschorten
omdat het strijdig was met de Mededin-
gingswet (zie hierboven onder `recht-
spraak'). KPN heeft aangekondigd zijn aan-
bod aan de uitspraak van de rechter te zullen
aanpassen en tevens in hoger beroep te zul-
len gaan. De minister wacht de uitspraak in
hoger beroep af.
Aanhangsel Handelingen II 2003/04, nr. 326.
Integriteit publieke omroep
Het kamerlid Bakker (D66) heeft tijdens het
mondelinge vragenuurtje van 4 november
2003 vragen gesteld aan de staatssecretaris
van OCW over de integriteit bij de publieke
omroep. In haar antwoorden geeft staatsse-
cretaris Van der Laan onder andere aan dat zij
zich met de vragensteller zorgen maakt over
de transparantie van de publieke middelen,
de rechtmatigheid van de uitgaven, de inte-
griteit van de omroepen en de naleving van
de verplichting in de Mediawet om 25% van
de programma's die de omroep laat maken
uit te zetten bij onafhankelijke, externe pro-
ducenten. De staatssecretaris meldt dat zij
van plan is om op korte termijn en in overleg
met de Raad van Bestuur te komen tot een
integriteitscode. Mogelijk kan deze code
zelfs een wettelijke basis krijgen.
Handelingen II 2003/04, p. 1168-1170.
Mediaforum 2004-1
11
Satirische televisieprogramma's
Tijdens het mondelinge vragenuurtje van 11
november 2003 heeft het kamerlid Vergeer
(SP) vragen gesteld over satirische televisiep-
rogramma's. Haar vragen hadden betrek-
king op uitlatingen van premier Balkenende
en minister Donner van Justitie, waarin bei-
de bewindslieden zich bezorgd toonden
over satires betreffende het Koninklijk Huis.
Het korte debat naar aanleiding van de vra-
gen had een vrij luchtig karakter. Zo wilde
mevrouw Vergeer van de premier weten of
hij nog steeds van mening was dat hij niet
goed werd geïmiteerd in het programma
Kopspijkers. De premier kon daarop naar
eigen zeggen geen antwoord geven aange-
zien het kabinet geen beoordelaar van satire
is. Het kamerlid Herben (LPF) viel op door-
dat hij zich tooide met een rode clownsneus,
waarmee de premier hem overigens compli-
menteerde.
Handelingen II 2003/04, p. 1441-1448.
Besluiten Bedrijfsfonds voor de Pers (1)
Het Bedrijfsfonds voor de Pers heeft besloten
een krediet van
294.000,- beschikbaar te
stellen aan het weekblad KidsWeek. Kids-
Week is een tijdschrift dat is bedoeld voor
jongeren van 11 tot 15 jaar en dat aandacht
besteedt aan nieuws, actualiteit, kunst, cul-
tuur, sport en media. Het beschikbaar gestel-
de bedrag is bedoeld voor een promotiecam-
pagne die tot doel heeft een stijging in de
betaalde oplage te realiseren. Het Bedrijfs-
fonds heeft ook steun verleend aan het Cen-
traal Bureau voor Courantenpubliciteit
(Cebuco). Een bedrag van
30.000,- is
beschikbaar gesteld voor een onderzoek dat
tot doel heeft de haalbaarheid van de stan-
daardisatie van de kleur in de krant te beoor-
delen. Naar het oordeel van het Bedrijfs-
fonds zal het onderzoek de bedrijfstak als
geheel ten goede komen, onder meer omdat
het een bijdrage levert aan de concurrentie-
positie van de bedrijfstak en daarmee aan de
instandhouding van de pluriformiteit. Ten-
slotte heeft het Bedrijfsfonds besloten de
aanvraag van Spiegel Historiael voor het
gelijknamige blad af te wijzen. Spiegel His-
toriael is een maandblad dat tracht een brug
te slaan tussen enerzijds de geschiedweten-
schap en de archeologie en anderzijds de niet
wetenschappelijk actieve belangstellenden
voor het verleden. Naar de mening van het
Bedrijfsfonds kan geen steun worden ver-
leend, aangezien het blad niet voldoet aan de
voorwaarde dat het in belangrijke mate
nieuws, analyse, commentaar en achter-
grondinformatie over een gevarieerd deel
van de maatschappelijke actualiteit bevat.
Stcrt. 2003, 207, p. 24.
Besluiten Bedrijfsfonds voor de Pers (2)
Het Bedrijfsfonds voor de Pers heeft besloten
een krediet van
50.000,- beschikbaar te
stellen aan Uitgeverij UCNL voor de website
Spunk. Spunk is een dagelijks on-line maga-
zine voor en door jongeren van tussen de 14
en 19 jaar. Het magazine bestaat onder meer
uit columns, fora, recensies, artikelen en
weblogs. Het beschikbaar gestelde krediet is
bedoeld om wekelijks politieke animaties te
kunnen maken en om bedrijven en instellin-
gen bewust te maken van de mogelijkheid
om via het magazine jongeren te bereiken.
Het besluit om de aanvraag toe te wijzen is
gebaseerd op artikel 4 van de Tijdelijke sub-
sidieregeling minderhedenbladen en jour-
nalistieke internet-informatieproducten (zie
Mediaforum 2002-9, p. 291). Het Bedrijfsfonds
heeft tevens besloten een uitkering van
42.500,- beschikbaar te stellen voor een
onderzoek naar het bereik van cultuurge-
bonden media in Nederland. Het onderzoek
is bedoeld om inzicht te verschaffen in de
mediaconsumptie van Turken, Marokka-
nen, Surinamers en Antillianen en in het
gebruik van de belangrijkste cultuurgebon-
den media.
Stcrt. 2003, 221, p. 10.
Verschenen
S. ten Hoove,
Grenzen in de journalistiek. Uit-
spraken Raad voor de Journalistiek 1987-2003,
Amsterdam: Cramwinckel 2003; ISBN 90
757 27 461; 213 pp.;
25,-.
Mediaforum 2004-1
12
Opzet: in deze intensieve cursus staat het verwerven van een actu-
eel en praktijkgericht inzicht in de regulering van de telecommuni-
catiesector centraal
Doelgroep: geïnteresseerden die op professioneel gebied met het
telecommunicatierecht in aanraking (zullen) komen. In beginsel
beschikken zij al over enige kennis van het vakgebied.
Cursusleiders: Prof. mr. E.J. Dommering, hoogleraar Informatierecht
aan de Universiteit van Amsterdam, directeur van het Instituut voor
Informatierecht en advocaat/partner bij Stibbe,Amsterdam
Dr. N.A.N.M. van Eijk, universitair hoofdonderzoeker verbonden aan
het Instituut voor Informatierecht, adviseur bij Rabobank Interna-
tional te Utrecht en bij Nauta Dutilh te Amsterdam.
De docenten van de cursus zijn afkomstig uit zowel de wetenschap
als de praktijk. Zij hebben gemeen dat zij allen beschikken over een
jarenlange ervaring met regulering van de telecommunicatiesector.
Programma
vrijdag 23 januari
Inleiding telecommunicatierecht
Inleiding Telecommunicatiewet
vrijdag 30 januari
Inleiding in de technische aspecten van de
telecommunicatiesector
vrijdag 6 februari
Telecommunicatie en mededinging
Toezicht op de telecommunicatiesector
vrijdag 13 februari
Toegangsvraagstukken
vrijdag 20 februari
Fysieke infrastructuur
Draadloze infrastructuur
vrijdag 27 februari
Privacy in de telecommunicatie
Consumentenbescherming
Aftappen
vrijdag 5 maart
Communicatienetwerken voor omroepdoel-
einden
Nummers en domeinnamen
Cursusprijs:
3.750, inclusief cursusmateriaal, consump-
ties, lunches en afsluitende borrel; er wordt
geen BTW in rekening gebracht.
Locatie:
Hotel The Grand,Amsterdam
Studiepunten:
35 voor Permanente Opleiding Advocatuur
Aantal deelnemers: maximaal 20
Inlichtingen
Instituut voor Informatierecht
Universiteit van Amsterdam
www.ivir.nl
Aanmelding
Eggens Instituut voor Juridisch
Postacademisch Onderwijs
Universiteit van Amsterdam
Tel: 020-525 3407
e-mail: pao@jur.uva.nl
website: www.jur.uva.nl/eggens
PAO- Cursus Het nieuwe telecommunicatierecht
Telecommunicatie is een belangrijk element in onze informatiesamenleving waar steeds meer juristen mee in aanraking komen.Telecommu-
nicatiewetgeving is een gecompliceerd rechtsgebied dat bovendien voortdurend in beweging is. De ingewikkelde regelgeving geldt nauwelijks
vijf jaar maar is nu als gevolg van een herzien Europees kader opnieuw aan een forse wijziging toe. De cursus, die voor de zesde maal
wordt gehouden, beoogt een praktische en grondige inleiding in dit rechtsgebied te geven.
Aan de hand van de Telecommunicatiewet en het nieuwe Europese kader voor de regulering van de communicatiesector zullen alle belang-
rijke juridische aspecten van het telecommunicatierecht aan de orde komen. De recente aanpassingen in de wet zullen daarbij uitgebreid
worden besproken. Zodoende wordt een breed inzicht in de materie verkregen. Om de inzichtelijkheid van het telecommunicatierecht ver-
der te vergroten zal tevens aandacht worden besteed aan de onderliggende telecommunicatietechniek.
Nr 1
Steur vs. Nederland
EHRM 28 oktober 2003 (Application no. 39657/98)
This judgment will become final in the circumstances set out in Article 44 § 2 of
the Convention. It may be subject to editorial revision.
In the case of Steur v. the Netherlands
The European Court of Human Rights (Second Section), sitting as a
Chamber composed of:
Mr J.-P. Costa,
President, Mr L. Loucaides, Mr C. Bîrsan, Mr K. Jung-
wiert, Mr V. Butkevych, Mrs W. Thomassen, Mrs A. Mularoni,
jud-
ges, and Mrs S. Dollé, Section Registrar,
Having deliberated in private on 18 June 2002 and 7 October 2003,
Delivers the following judgment, which was adopted on the last-
mentioned date:
PROCEDURE
1. The case originated in an application (no. 39657/98) against the
Kingdom of the Netherlands lodged with the European Commission
of Human Rights ("the Commission") under former Article 25 of the
Convention for the Protection of Human Rights and Fundamental
Freedoms ("the Convention") by a Netherlands national, Mr Peter M.
Steur ("the applicant"), on 25 November 1997.
2. The applicant, a lawyer practising in Oegstgeest, Netherlands, pre-
sented his own case. The Netherlands Government ("the Gover-
nment") were represented by their Agent, Mrs J. Schukking of the
Ministry of Foreign Affairs.
3. The applicant alleged, in particular, that there had been a violation
of his rights under Article 10 in that a statement which he had made
in his professional capacity and in the course of judicial proceedings
had led to a disciplinary complaint against him being upheld.
4. The application was transmitted to the Court on 1 November 1998,
when Protocol No. 11 to the Convention came into force (Article 5 § 2
of Protocol No. 11).
5. The application was allocated to the First Section of the Court
(Rule 52 § 1 of the Rules of Court). Within that Section, the Chamber
that would consider the case (Article 27 § 1 of the Convention) was
constituted as provided in Rule 26 § 1.
6. On 1 November 2001 the Court changed the composition of its Sec-
tions (Rule 25 § 1). This case was assigned to the newly composed
Second Section (Rule 52 § 1).
7. By a decision of 18 June 2002, the Court declared the application
partly admissible.
8. The Government, but not the applicant, filed observations on the
merits (Rule 59 § 1).
THE FACTS
I. THE CIRCUMSTANCES OF THE CASE
9. The applicant is a Netherlands national, born in 1951 and living in
Oegstgeest. He is a practising lawyer (
advocaat en procureur). He is not
represented before the Court.
10. On 26 November 1992, the social security investigating officer
(
sociaal rechercheur) Mr W. took and recorded a statement from one Mr
B., a person of Surinamese origin who was suspected of having
unjustly received social security benefits and, in this context, of
having committed forgery. Mr B. was then alone with Mr W. and did
not have the assistance of either a lawyer or an interpreter.
11. Subsequently, Mr B. was prosecuted for social security fraud. In
addition, civil proceedings were instituted against him by the social
security authorities for the recovery of the excess benefits paid to
him. The applicant acted as Mr B.'s counsel in both sets of procee-
dings.
12. In the civil proceedings, the applicant stated, in so far as relevant:
"The statement recorded in writing by Mr W. cannot have been obtained in any
other way than by the application of pressure in an unacceptable manner in
order to procure incriminating statements, the significance of which was not or
not sufficiently understood by Mr B. given the absence of an interpreter."
This passage appears in pleading notes submitted to the Regional
Court of The Hague at a hearing held on 27 June 1994.
13. After having learned of this statement in May 1995, Mr W. filed a dis-
ciplinary complaint within the meaning of Article 46c of the Act on the
Legal Profession (
Advocatenwet) against the applicant to the Dean (deken)
of the local Bar Association (
Orde van Advocaten). He complained that the
applicant's unfounded insinuations had tarnished his professional
honour and good reputation, that the applicant had transgressed the
limits of decency, and that the applicant had accused him obliquely of
having committed perjury in drawing up the record concerned.
14. Following an exchange of correspondence, the Dean forwarded
Mr W.'s complaint to the Disciplinary Council (
Raad van Discipline) of
The Hague.
15. In its decision of 1 July 1996, following adversarial proceedings,
the Disciplinary Council rejected as unfounded the complaint that
the applicant had, in veiled terms, accused Mr W. of perjury. It did,
however, consider that the applicant, by contending that Mr W. had
exerted unacceptable pressure on Mr B., had given a qualification
that was not supported by any facts. It concluded that the applicant
had thus transgressed the limits of acceptable behaviour and failed to
observe the standards expected from a lawyer ("...
de grenzen van het toe-
laatbare overschreden en heeft hij in strijd gehandeld met hetgeen een behoorlijk
advocaat betaamt"). Noting the nature and the limited degree of
seriousness of the applicant's conduct in question, the Disciplinary
Council considered it sufficient to declare the complaint of Mr W.
partially well-founded without imposing any sanction.
16. The applicant lodged an appeal with the Disciplinary Appeals Tri-
bunal (
Hof van Discipline). He submitted that Mr B. had not had the
assistance of a lawyer before he signed his written statement despite
having asked for a lawyer to be present, that no interpreter had been
present at the interrogation, that Mr B. was a drug addict and had
told him that pressure had been brought to bear. The applicant also
pointed to a statement taken by the investigating judge (
rechter-com-
missaris) from Mr B. on 5 December 1994, which was in the following
terms:
"In reply to the question why I stated to the police that I had lived together with
my ex-wife during the relevant period (...) I say that I was pressured during that
interrogation.
This pressure consisted of kicking against the table and kicking motions in my
direction. I was also verbally abused.
When it came to signing the statement I asked for the chief, but he was said to
have already gone home. I then asked for a lawyer because I wanted an interpre-
ter to come and read my statement to me. The police said, however, that no lawy-
er could come. So in the end I just signed that statement."
17. The applicant argued that in defending his client he should be free
to conclude, as he had, that his client's confession could only have
resulted from unacceptable pressure brought to bear by the investi-
gating officer. It would then have been for the court to which this
conclusion was presented to decide whether or not it was proven that
such unacceptable pressure had in fact been exercised. It was however
not for a disciplinary tribunal to find that a statement made at a trial
in defence of his client was unacceptable because it had not been suf-
ficiently verified.
18. In its decision of 26 May 1997, following adversarial proceedings,
the Disciplinary Appeals Tribunal rejected the applicant's appeal and
upheld the decision of 1 July 1996 in its entirety.
19. It noted that, in the civil proceedings involving Mr B., the allega-
tion at issue had been made in the applicant's submissions during the
first instance proceedings as well as in the proceedings on appeal
before the Hague Regional Court (
arrondissementsrechtbank) (in the lat-
ter proceedings in the course of a hearing held on 27 June 1994). It did
not find it established that, at the material time, the applicant had in
fact been informed by Mr B. that he found that unacceptable pressure
had been exerted on him when Mr W. took his statement. It further
noted that the applicant's contention had remained wholly unsub-
stantiated at the material time.
Mediaforum 2004-1
13
Jurisprudentie nr
.1
20. The Disciplinary Appeals Tribunal agreed with the Disciplinary
Council that a lawyer was not permitted to express reproaches of the
present kind without any factual support, which implied that a lawy-
er, prior to raising such allegations, must seek information from his
client as to the circumstances constitutive of the unacceptable pres-
sure allegedly exerted.
II. RELEVANT DOMESTIC LAW AND PRACTICE
21. Article 46 of the Act on the Legal Profession provides as follows:
"Advocates shall be subject to disciplinary proceedings regarding any act or
omission which is in breach of the due care they ought to exercise as advocates
vis-à-vis those whose interests they look after, or ought to look after, any breach
of the Regulations of the National Bar, and any act or omission not befitting a
respectable advocate. This disciplinary justice is dispensed in the first instance
by the Disciplinary Councils, and on appeal by the Disciplinary Appeals Tri-
bunal, which is also the highest instance."
22. A complaint against an advocate is submitted to the Dean of the
local Bar Association (Article 46c § 1), who shall investigate it (Article
46c § 2). He may forward it to the Supervisory Board (
Raad van Toezicht)
for further action (Article 46 § 3).
23. If a friendly settlement cannot be reached, the matter is referred to
the Disciplinary Council by the Dean of the Bar Association (or the
Supervisory Board as the case may be), either at the request of the
complainant or
ex officio (Article 46c § 3 and Article 46d).
24. The sanctions available to the Disciplinary Councils and the Dis-
ciplinary Appeals Tribunal are a mere admonition, a reprimand, a
suspension from practising for a period not exceeding one year, and
disbarment (Article 48).
25. Guidance on the nature of an "act or omission not befitting a
respectable advocate" is found in the Rules of Conduct for Advocates
(
Gedragsregels voor advocaten), the most recent version of which dates
from 1992. Rule 1 reads as follows:
"Advocates should behave in such a way that confidence in the profession or in
their own exercise of the profession is not harmed."
THE LAW
I. ALLEGED VIOLATION OF ARTICLE 10 OF THE CONVENTION
26. The applicant complained that the decision of the Disciplinary
Appeals Tribunal implied that, during trial proceedings, a lawyer was
not allowed to conclude from facts known to him that unacceptable
pressure had been exerted on his client. He alleged a violation of his
right to freedom of expression, as guaranteed by Article 10 of the Con-
vention, which, in relevant part, provides as follows:
"1. Everyone has the right to freedom of expression. This right shall include free-
dom to hold opinions and to receive and impart information and ideas without
interference by public authority and regardless of frontiers. ...
2. The exercise of these freedoms, since it carries with it duties and responsibili-
ties, may be subject to such formalities, conditions, restrictions or penalties as
are prescribed by law and are necessary in a democratic society ... for the protec-
tion of the reputation or rights of others, ... ."
The Government denied that this provision had been violated.
A. Existence of an interference
27. The Government argued that the applicant had not been subject
to any "formalities, conditions, restrictions or penalties" of a nature
to prevent him from adequately representing the interests of his
client, Mr B. He had been able to make what statements he saw fit,
including the statement that his client had been put under unaccep-
table pressure by the social security investigating officer. The Discip-
linary Council and the Disciplinary Appeals Tribunal had merely
found the applicant in violation of his duty to ensure that his state-
ments had a proper basis in fact. They had not even imposed any sanc-
tion on the applicant.
28. The applicant submitted no argument on this point.
29. The Court acknowledges that no sanction was imposed on the
applicant not even the lightest sanction, a mere admonition. Nonet-
heless, the applicant was censured, that is, he was formally found at
fault in that he had violated the applicable professional standards. This
could have a discouraging effect on the applicant, in the sense that he
might feel restricted in his choice of factual and legal arguments when
defending his clients in future cases. It is therefore reasonable to consi-
der that the applicant was made subject to a "formality" or a "restric-
tion" on his freedom of expression. The Court would draw a parallel to
its findings in the case of
Nikula v. Finland, (no. 31611/96, 21 March 2002).
In that case, the Finnish Supreme Court had in fact waived the sentence
imposed on the applicant but this did not prevent the Court from fin-
ding that Article 10 was applicable (loc. cit., § 30).
30. It follows that the Court may make the same finding in the pre-
sent case.
B. Whether Article 10 of the Convention has been violated
31. It was not in dispute that the decisions complained of were "pre-
scribed by law" and that they were intended to protect "the reputa-
tion or rights of others". Discussion centred on whether they could be
considered "necessary in a democratic society" in pursuit of the said
legitimate aim.
32. The applicant, in his observations submitted at the admissibility
stage, argued in the first place that his statement that Mr B. had been
placed under unacceptable pressure had been based on objective cir-
cumstances and was supported by a statement made by Mr B. to the
investigating judge. Consequently, the Disciplinary Appeals Tribun-
al ought not to have found the applicant at fault for the sole reason
that he had not been able to quote his client's statement in support
already when he first made the allegation in question.
33. More generally, he expressed the view that in a democratic State
an advocate should be entitled, at all stages of proceedings, to make
any argument possible based on information obtained from his
client.
34. The Government, relying on
Peree v. the Netherlands (dec.),
no. 34328/96, replied that it was not the Court's task, in exercising its
supervisory function, to take the place of the national authorities, but
rather to review under Article 10 the decisions they had taken pursuant
to their power of appreciation. They also prayed in aid
Wingerter v. Ger-
many (dec.), no. 43718/98, in which the Court had dismissed as manifest-
ly ill-founded the complaint of a lawyer reprimanded for a statement in
written appeal submissions dismissing judges, public prosecutors and
lawyers in a particular locality collectively as incompetent.
35. Turning to the facts of the case, the Court notes that the applicant
was found to have committed a disciplinary offence by stating that
his client had apparently been pressured by a police officer, Mr W.,
into signing a confession of wrongdoing. The confession in question
had been obtained in a criminal investigation for social security
fraud, and was relied on by the competent authorities in parallel civil
proceedings for recovering from the applicant's client the moneys
paid in excess of his entitlements. It was in these latter proceedings
that the applicant made the impugned statement.
36. In its above-mentioned
Nikula judgment, the Court stated the
applicable principles as follows (loc. cit., §§ 4445, case-law referen-
ces omitted):
"44. In exercising its supervisory jurisdiction, the Court must look at the impug-
ned interference in the light of the case as a whole, including the content of the
remarks held against the applicant and the context in which she made them. In
particular, it must determine whether the interference in question was `propor-
tionate to the legitimate aims pursued' and whether the reasons adduced by the
national authorities to justify it are `relevant and sufficient'. In doing so, the
Court has to satisfy itself that the national authorities applied standards which
were in conformity with the principles embodied in Article 10 and, moreover,
that they based themselves on an acceptable assessment of the relevant facts.
45. The Court reiterates that the special status of lawyers gives them a central
position in the administration of justice as intermediaries between the public
and the courts. Such a position explains the usual restrictions on the conduct of
members of the Bar. Moreover, the courts the guarantors of justice, whose role
is fundamental in a State based on the rule of law must enjoy public confiden-
ce. Regard being had to the key role of lawyers in this field, it is legitimate to
expect them to contribute to the proper administration of justice, and thus to
maintain public confidence therein (...)."
37. The special duties of lawyers led the Court to conclude in the same
judgment that, in certain circumstances, an interference with coun-
sel's freedom of expression in the course of a trial might raise an issue
under Article 6 of the Convention with regard to the right of an accu-
sed client to receive a fair trial (
loc. cit., § 49).
Mediaforum 2004-1
14
Jurisprudentie nr
.1
38. Earlier, the Court pointed out that the special nature of the profes-
sion practised by members of the Bar must be considered. In their
capacity as officers of the court they are not only subject to restric-
tions on their conduct, as pointed out in the
Nikula judgment (see
paragraph 36 above); they also benefit from exclusive rights and pri-
vileges which may vary from jurisdiction to jurisdiction among
them, usually, a certain latitude regarding arguments used in court
but their conduct must be discreet, honest and dignified (
Casado Coca
v. Spain, judgment of 24 February 1994, Series A no. 285-A, p. 19, § 46).
39. The Court notes that the applicant's criticism during the trial was
aimed at the manner in which evidence was obtained by an investiga-
ting officer exercising his powers to interrogate the applicant's client
in a criminal case and while the latter was in custody. As the Court has
noted with reference to public prosecutors (see
Nikula, cited above, §
50), the difference between the positions of an accused and an investi-
gating officer calls for increased protection of statements whereby an
accused criticises such an officer. This applies equally in this case,
where the way in which such evidence was gathered was criticised in
civil proceedings in which that evidence was to be used.
40. It is clear that the applicant's statement was of a nature to discre-
dit a conscientious police officer such as Mr W. claimed to be. Howe-
ver, the Court reiterates in this context that the limits of acceptable
criticism may in some circumstances be wider with regard to civil ser-
vants exercising their powers than in relation to private individuals
(see Nikula, cited above, § 48).
41. Although it cannot be said that civil servants are deprived of all
protection against offensive and abusive verbal attacks in relation to
the exercise of their duties (cf.
Janowski v. Poland [GC], no. 25716/94,
§ 33, ECHR 1999-I), it has to be taken into account that in the present
case the criticism was strictly limited to Mr W.'s actions as an investi-
gating officer in the case against the applicant's client, as distinct
from criticism focusing on Mr W.'s general professional or other
qualities. Moreover, the criticism was confined to the courtroom and
did not amount to a personal insult. The applicant's submission was
based on the fact, as apparent, that his client had not fully understood
his incriminating statement, given the absence of an interpreter
during the interrogation. The submission was entirely consistent
with a later statement which the applicant's client made to the inves-
tigating judge on 5 December 1994 (see paragraph 16 above), and thus
before Mr W. lodged his complaint against the applicant and before
the Disciplinary Council and the Disciplinary Appeals Tribunal con-
sidered the case.
42. The Court notes in this context, firstly, that the domestic discipli-
nary authorities did not attempt to establish the truth or falsehood of
the impugned statement and, secondly, that they do not at any time
seem to have addressed the question whether it was made in good
faith; in other words, the applicant's honesty in acting as he did was
never called into question.
43. In these circumstances the Court is not convinced by the argu-
ment of the Disciplinary Appeals Tribunal that the mere fact that the
applicant was able to cite information obtained from his client only
after making the impugned statement made his action blameworthy.
44. It is true that no sanction was imposed on the applicant but, even
so, the threat of an
ex post facto review of his criticism with respect to
the manner in which evidence was taken from his client is difficult to
reconcile with his duty as an advocate to defend the interests of his
clients and could have a "chilling effect" on the exercise of his profes-
sional duties (see,
mutatis mutandis, Nikula, § 54).
45. In the Court's view, therefore, no sufficient reasons have been
shown to exist for the interference in question. The restriction on the
applicant's right to freedom of expression therefore fails to answer
any "pressing social need".
46. There has accordingly been a violation of Article 10 of the Conven-
tion.
II. APPLICATION OF ARTICLE 41 OF THE CONVENTION
47. Article 41 of the Convention provides:
"If the Court finds that there has been a violation of the Convention or the Pro-
tocols thereto, and if the internal law of the High Contracting Party concerned
allows only partial reparation to be made, the Court shall, if necessary, afford
just satisfaction to the injured party."
48. The applicant did not submit any claims for just satisfaction. The
Court, for its part, sees no reason to examine the question of awar-
ding just satisfaction of its own motion (see, among other authorities,
the Nasri v. France judgment of 13 July 1995, Series A no. 320-B, p. 26,
§ 49; more recently, Stambuk v. Germany, no. 37928/97, 17 October
2002, § 59).
FOR THESE REASONS, THE COURT UNANIMOUSLY
1.
Holds that there has been a violation of Article 10 of the Convention;
2.
Holds that it is not necessary to apply Article 41 of the Convention in
the present case.
Done in English, and notified in writing on 28 October 2003, pursu-
ant to Rule 77 §§ 2 and 3 of the Rules of Court.
S. Dollé J.-P. Costa Registrar President
Noot
Germ Kemper.
Mr. G. J. Kemper is advocaat te Amsterdam en redacteur van dit blad.
1. De Nederlandse advocaat mr. Steur stond zijn cliënt B. bij in een
civiele procedure. De inzet was terugvordering van uitkeringen die B.
ten onrechte zou hebben genoten. Een door B. tegenover rechercheur
W. afgelegde belastende verklaring speelde daarbij een rol, en mr.
Steur betoogde dat die verklaring niet op behoorlijke wijze tot stand
was gekomen omdat onaanvaardbare druk door W. zou zijn uitgeoe-
fend. Bovendien zou de betekenis niet tot B. zijn doorgedrongen
omdat er bij het verhoor geen tolk aanwezig was geweest. W. diende
vervolgens tegen mr. Steur een tuchtklacht in omdat hij onheus was
bejegend. De klacht van W. werd door de Raad van Discipline
gegrond bevonden, zonder overigens dat aan mr. Steur een maatregel
werd opgelegd, welke uitspraak door het Hof van Discipline werd
bevestigd. Mr. Steur had volgens de tuchtrechter een oordeel over het
gedrag van W. gegeven dat niet door feiten werd ondersteund. Het
EHRM acht aldus een schending aanwezig van artikel 10 EVRM. Het
Hof stelt voorop dat ambtenaren niet vogelvrij zijn, als het gaat om
kritiek op de wijze waarop zij een functie uitoefenen,
1
maar dat het
hier gaat om kritisch commentaar met betrekking tot de rol van W. in
de zaak tegen B. Dat is iets anders dan kritiek die zich richt op de
beroepsuitoefening in algemene zin van W. Bovendien moet in de
beschouwing worden betrokken dat de gewraakte bewoordingen in
een rechtszaal werden uitgesproken en ook niet als beledigend kon-
den worden opgevat. Het EHRM acht het bovendien van belang dat
bij de Raad van Discipline noch bij het Hof van Discipline de vraag
onder ogen was gezien of er een kern van waarheid zat in de door mr.
Steur, op gezag van zijn cliënt, gemaakte observatie en dat de goede
trouw van mr. Steur niet ter discussie stond. Aan zijn oprechtheid
behoefde dus kennelijk niet te worden getwijfeld. Aldus was mr.
Steur binnen de grenzen gebleven die het EHRM al eerder had
getrokken voor de vrijheid van de advocaat om impopulaire bood-
schappen uit te dragen.
2
Advocaten spelen immers een belangrijke rol
in de rechtspleging op grond waarvan onder meer tuchtrechtelijke
beperkingen voor hun optreden kunnen gelden en hun optreden
`discrete, honest and dignified' dient te zijn. Daartegenover geldt dat
zij bijzondere rechten en privileges hebben waaronder een zekere
vrijheid met betrekking tot de door hen in rechte te presenteren argu-
menten. Een beperking van die vrijheid zou, zoals het EHRM in
rechtsoverweging 37 vaststelt, op gespannen voet kunnen komen te
staan met het door artikel 6 EVRM gegarandeerde recht op een eerlijk
proces.
Mediaforum 2004-1
15
Jurisprudentie nr
.1
1
Janowski tegen Polen, EHRM 21 januari 1999, No. 25716/94.
2 Zie de door het EHRM aangehaalde uitspraken Nikula tegen Finland, EHRM
21 maart 2002,
Mediaforum 2002 nr. 6. pag. 208-212 (van een inleiding voorzien
door Dirk Voorhoof) en Casado Coca tegen Spanje, EHRM 24 februari 1994,
NJ
1994/518 met noot EJD.
2. In de kern heeft het hier besliste geval het meest weg van Jersild.
3
Verspreiding van op zichzelf onrechtmatige informatie wordt
beschermd door artikel 10 lid 2 EVRM, indien die verspreiding een
functie heeft en de verspreider de juistheid van de feitelijke informa-
tie of de daaraan verbonden kwalificatie niet uitdrukkelijk over-
neemt maar een zekere afstand bewaart. Dat uitgangspunt getrans-
planteerd naar het advocatenberoep levert op dat een advocaat in de
uitoefening van zijn functie in beginsel geacht wordt het standpunt
van een cliënt te vertolken, waarmee de nodige afstand tot de inhoud
zelf is genomen en de boodschapper zijn boodschap kennelijk niet
voor eigen rekening neemt, terwijl het verspreiden van die informa-
tie ook nog een redelijk doel dient, namelijk het bijdragen aan een
eerlijk proces. Het verdient daarbij opmerking dat daarmee de zaak
nog niet geheel rond is: uit de overweging van het EHRM met betrek-
king tot de juistheid van de geuite beschuldigingen en de vermoede
goede trouw van mr. Steur mag worden afgeleid dat de advocaat niet
klakkeloos door mag geven wat zijn cliënt hem vertelt. Er valt een
zekere instemming van het EHRM te proeven met Gedragsregel 30
van de voor de advocatuur geldende Gedragsregels 1992. Daarin
wordt voorgeschreven dat de advocaat zich onthoudt van het vers-
trekken van feitelijke gegevens waarvan hij weet, althans behoort te
weten, dat die onjuist zijn. Dat voorschrift nu vindt zijn fundament
in de in het voorgaande al aangestipte overweging van het EHRM dat
de advocaat een belangrijke rol in de rechtsbedeling speelt en de eisen
van
fair trial met zich meebrengen dat hij de ruimte moet hebben om
argumenten ten gunste van zijn cliënt voor te dragen.
Min of meer als detail stip ik nog aan dat het EHRM er betekenis aan
hecht dat de gewraakte bewoordingen werden uitgesproken in een
zitting en niet buiten de zittingszaal zijn gekomen (" ... confined to
the courtroom..."). Zou de zaak anders worden indien er een journa-
list in de zaal zit en publiceert over het gevoerde verweer, wanneer de
advocaat dat verweer in een interview of op een persconferentie toe-
licht, of wanneer de advocaat een exemplaar van zijn pleitnota ter
beschikking stelt? In de Nikula-zaak
4
speelde een en ander in die zin
een rol, dat het EHRM in de beschouwing betrok dat in de rechtszaal
de voorzitter ter plekke zonodig corrigerend kan optreden en in de
Schöpfer-zaak
5
waarin een tuchtrechtelijke sanctie wél toelaatbaar
werd geacht, had de advocaat in kwestie een persconferentie belegd
om zijn gal te spuwen over wangedrag van de Zwitserse justitie.
3. Nog een detail. In de Nikula-zaak werd uitdrukkelijk overwogen
dat, bij potentieel onrechtmatige uitlatingen in de rechtszaal, het de
voorzitter van het rechterlijk college is die voor correctie en nuance-
ring kan zorgen, terwijl daarnaast de disciplinaire weg de meest geëi-
gende weg wordt genoemd om in de uitoefening van het beroep
begane misslagen te volgen. Uit het hier gepubliceerde arrest blijkt,
voor zoveel nodig, dat de tuchtrechter in dat geval niet vrij spel heeft
maar wel degelijk artikel 10 EVRM in zijn beschouwingen moet
betrekken.
4. Dan is er nog een laatste opmerking te maken, met een wat bredere
strekking. In de zaak-Schöpfer werd de door de Zwitserse tuchtrech-
ter opgelegde boete, 500 Zwitserse francs, van geringe omvang geoor-
deeld ("Having regard also to the modest amount of the fine imposed
on the applicant....") wat bijdroeg aan het oordeel dat art. 10 EVRM
niet was geschonden. Zowel in Nikula als in deze zaak, rechtsoverwe-
ging 29, wordt vastgesteld dat ook een oordeel dat zich beperkt tot de
vaststelling dat onjuist is gehandeld en waaraan geen maatregelen
worden verbonden, als een "interference" op de vrijheid van
meningsuiting moet worden aangemerkt omdat aldus toch de
betrokkene in toekomstige gevallen zich beperkt kan voelen in de
keuze van zijn argumenten.
Mediaforum 2004-1
16
Jurisprudentie nr
.1
3 Jersild tegen Denemarken, EHRM 29 september 1994,
NJ 1995/387 met noot
EJD en Kn. Zie ook Thoma tegen Luxemburg, EHRM 29 maart 2001, NJ
2002/159 met noot EJD.
4 t.a.p.
5 Schöpfer tegen Zwitserland, EHRM 20 mei 1998,
NJ 1999/711 met noot EJD,
Mediaforum 1998 7/8 pag.79 t/m 90 met noot Germ Kemper.
Nr 2
Bloemen vs.Audax Publishing B.V.
Rechtbank Amsterdam
Vonnis in kort geding van 13 oktober 2003, gewezen in de zaak met
rolnummer KG 03/1908 OdC van:
Karin Bloemen, wonende te Amsterdam,
eiseres bij dagvaarding van 19 september 2003,
procureur mr. J.W. Versteeg,
tegen:
de besloten vennootschap AUDAX PUBLISHING B.V., gevestigd te
Amsterdam,
gedaagde,
procureur mr. K. Gilhuis.
VERLOOP VAN DE PROCEDURE
Ter terechtzitting van 1 oktober 2003 heeft eiseres, verder te noemen
Bloemen, gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan
dit vonnis gehechte dagvaarding. Gedaagde, verder te noemen Au-
dax, heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de ge-
vraagde voorziening.
Na verder debat hebben partijen vonnis gevraagd.
GRONDEN VAN DE BESLISSING
1. In dit vonnis wordt uitgegaan van de volgende feiten.
a. Bloemen is (onder meer) zangeres en actrice. Zij is in Nederland
bekend bij een groot publiek. Audax is uitgeefster van het weekblad
"Weekend".
b. Bloemen verbleef in juli 2003 voor een vakantie te Jamaica.
c. In Weekend nummer 37 van 10 september 2003 is op pagina's 42 en
43 een fotoreportage van Bloemen met ontbloot lichaam geplaatst,
met de koppen "Wat niemand mocht zien" en "Karin Bloemen als Eva,
maar zonder vijgeblad". De tekst bij de foto's verhaalt dat Bloemen
tijdens een korte vakantie op Jamaica genoot van een naaktvakantie.
Op de voorpagina van Weekend is één van de foto's uit de reportage
afgebeeld met als onderschrift "Karin Bloemen als Eva... maar zonder
vijgeblad!"
d. De betreffende foto's zijn afdrukken van een DVD opname, ge-
maakt door een Nederlandse tourist, die de foto's aan Weekend heeft
verkocht.
2. Bloemen vordert kort gezegd rectificatie van de fotoreportage
in Weekend, op de wijze als in het petitum van de dagvaarding ver-
meld, op straffe van een dwangsom, alsmede een voorschot op scha-
devergoeding van
30.000,=.
3. Aan haar vorderingen heeft Bloemen ten grondslag gelegd dat
Audax door het publiceren van de foto's onrechtmatig jegens haar
heeft gehandeld. Met de publicatie is inbreuk gemaakt op haar per-
soonlijke levenssfeer, eer en menselijke integriteit. Het hotel te
Jamaica waar zij verbleef heeft twee privé-stranden, een familie-
strand en een klein naaktstrand. Het naaktstrand, waar zij zich
bevond, is niet bereikbaar vanaf het familiestrand en ligt helemaal
verscholen in het groen. In die beslotenheid bevond Bloemen zich en
waande zij zich onbespied. Audax heeft zich heel goed gerealiseerd
dat de mate van intimiteit zodanig was dat daarop geen inbreuk
gemaakt zou mogen worden. Immers, als kop heeft zij boven het arti-
kel geplaatst `Wat niemand mocht zien'. De foto's hebben geen enkele
nieuwswaarde en blijkbaar heeft publicatie ervan uitsluitend plaats
gevonden om het ontblote lichaam van Bloemen tegen haar zin tot
een bezienswaardigheid te maken. Een belangenafweging tussen het
recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en het belang
van Audax bij het recht op vrijheid van meningsuiting moet in het
voordeel van Bloemen uitvallen nu de fotoreportage geen enkele
nieuwswaarde heeft. Met de publicatie wordt eveneens inbreuk
gemaakt op haar portretrecht, aldus Bloemen.
Bloemen heeft belang bij bekendmaking van de naam en adresgege-
vens van degene die de foto's aan Weekend heeft geleverd, zodat zij de
afgifte daarvan kan vorderen en niet op een later moment weer
geconfronteerd wordt met publicatie van deze foto's.
4. Audax heeft de gestelde onrechtmatige daad en de vorderingen op
zich gemotiveerd betwist.
Het staat een persmedium vrij, aldus Audax, om zowel meningen als
feiten te publiceren in elke denkbare vorm, zelfs als de inhoud schok-
kend of beledigend is. Er bestaat geen rangorde tussen het recht op de
bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de vrijheid van
meningsuiting. Aan welk recht voorrang moet worden verleend
hangt af van de omstandigheden van elk individueel geval. Ook in
het kader van Bloemens beroep op haar portretrecht dient een belan-
genafweging plaats te vinden. In dat kader dient in aanmerking
genomen te worden dat het gebruikelijk is dat in familie- en
glamour- tijdschriften vakantiefoto's van bekende persoonlijkheden
worden afgedrukt, veelal in situaties waarin zij nauwelijks gekleed
zijn. Bloemen is een bekende Nederlander. Het is vaste jurispruden-
tie dat public figures een grotere tolerantie moeten opbrengen ten
aanzien van datgene wat over hen wordt gepubliceerd dan de door-
snee burger. Dat het naaktstrand waarop Bloemen zich bevond een
privé-strand is, wordt uitdrukkelijk betwist. De privacy van een
bekende Nederlander op een publiek toegankelijk strand is geringer
dan de privacy in eigen woonhuis of tuin. Verder blijkt uit een inter-
view in Nouveau, aldus Audax, dat Bloemen niet afwijzend zou staan
tegenover naaktfoto's van haar in een maandblad. Ook in de film `Pas
toen ik' is zij naakt verschenen. Het is dus niet zo dat vóór de publica-
tie in Weekend nog nooit afbeeldingen van Bloemens naakte lichaam
openbaar waren gemaakt. Als er al sprake is geweest van inbreuk op
de privacy van Bloemen dan was deze gering: de foto's zijn onscherp
en decent. Van toewijzing van de vordering zou een precedentwer-
king uitgaan.
5. Ten aanzien van de vorderingen op zich heeft Audax het volgende
aangevoerd. Voor rectificatie van publicaties is slechts plaats wanneer
onjuiste feiten gepubliceerd zijn. Een fotoreportage leent zich niet
goed voor rectificatie. Het afdwingen van excuses, zoals door Bloe-
men, gevorderd, is niet mogelijk. Toewijzing van de gevorderde zin-
snede dat Audax zich voortaan zal onthouden van verdere inbreuk op
de privacy van Bloemen zou neerkomen op preventieve censuur. De
gevorderde grootte van de rectificatie is absurd en de gevorderde
plaats van de rectificatie is disproportioneel. Gebruikelijk is, aldus
Audax, dat rectificerende teksten op dezelfde pagina worden gepu-
bliceerd als waar het te rectificeren artikel stond gepubliceerd. Ook
de vordering om de aankondiging van de rectificatie op te nemen op
de voorpagina is disproportioneel. Niet in te zien valt waarom de zet-
proef van de rectificatietekst eerst ter goedkeuring aan de raadsman
van Bloemen gezonden dient te worden. Als Audax veroordeeld
wordt tot rectificatie, zal zij dat doen in de vorm waartoe zij veroor-
deeld wordt. Ook toewijzing van de voorwaarde dat Audax zich zal
dienen te onthouden van enige verdere publicatie omtrent Bloemen
in hetzelfde nummer is te vergaand. Audax heeft reeds toegezegd de
foto's niet nogmaals openbaar te maken of te (doen) verspreiden. Dit
aanbod wordt in rechte herhaald. De door Bloemen gevorderde open-
baarmaking van de identiteit van de anonieme bron van Audax die
haar de foto's heeft aangeboden, komt niet voor toewijzing in aan-
merking. Anonimiteit is door Audax toegezegd. Audax beroept zich
op haar journalistieke verschoningsrecht. Bij het recht van vrije
nieuwsgaring en daaruit volgend het recht op journalistieke bronbe-
scherming bestaat een zeer zwaarwegend publiek belang. Door de
Hoge Raad der Nederlanden en in navolging daarvan de lagere recht-
spraak is het journalistieke zwijgrecht ten aanzien van de identiteit
van bronnen consequent in Nederland erkend, met uitzondering van
de zaak Voskuil. Het gaat echter in deze zaak niet om de voorkoming
van een zwaar misdrijf of een vergelijkbaar belang.
Tenslotte heeft Audax aangevoerd dat Bloemen niet heeft gesteld of
aangetoond dat zij een specifiek spoedeisend belang heeft bij toeken-
ning van een voorschot op schadevergoeding. De hoogte van het
voorschot is onvoldoende onderbouwd. De materiële schade is op
geen enkele wijze aangetoond of nader onderbouwd. De hoogte van
de gevorderde schadevergoeding is buitensporig hoog gelet op de
jurisprudentie ter zake. De gevorderde buitengerechtelijke kosten
zijn niet dan wel hoger dan gerechtvaardigd. Vóór dagvaarding zijn
slechts twee korte briefjes aan Audax geschreven.
Beoordeling van het geschil:
6. Bij de beoordeling van het onderhavige geschil dient het belang
van Bloemen bij de bescherming van haar persoonlijke levenssfeer te
worden afgewogen tegen het belang van Audax bij persvrijheid en
vrijheid van meningsuiting.
Tussen deze grondrechten bestaat geen rangorde. Aan de hand van de
omstandigheden van het geval dient te worden nagegaan welk
grondrecht zwaarder weegt.
Mediaforum 2004-1
17
Jurisprudentie nr
.2
7. Onbetwist is dat Bloemen als een `public figure' dient te worden
beschouwd. Juist is dat dit meebrengt dat de persoon in kwestie zich
grotere inbreuken op zijn privé-leven dient te laten welgevallen dan
de doorsnee burger. Het betekent echter niet dat een `public figure'
buiten zijn privé domein van huis en tuin niet ook recht op privacy
heeft. Het antwoord op de vraag of het nu al dan niet een privé-strand
betrof waar Bloemen zich op bevond is dan ook niet doorslaggevend.
In elk geval betrof het een nogal afgesloten plek, waar Bloemen zich
onbespied waande. De inbreuk op de privacy is in de gegeven omstan-
digheden ook voor een public figure aanzienlijk groter dan van
iemand die zich in badpak vertoont. Daarnaast valt niet in te zien
welk publiek belang wordt gediend met de publicatie van de naaktfo-
to's van Bloemen, anders dan het wekken van een zekere hilariteit
over Bloemen's blote lichaam. De nieuwswaarde van de reportage,
inhoudende dat Bloemen naakt recreëert, is op zichzelf gering. Het
publiceren van de foto's is dan ook blijkbaar het eigenlijke doel van
de publicatie.
Hieraan doet niet af dat Bloemen zich vijf jaar geleden in een inter-
view niet afwijzend heeft opgesteld naar aanleiding van de vraag of
zij naakt zou willen poseren voor een maandblad alsmede van het feit
dat in een uitgebrachte film blijkbaar een naaktscène met Bloemen
voorkomt. Dat zijn immers geheel andere situaties, waarin zijzelf
kan bepalen hoe en wanneer zij zal worden afgebeeld in haar profes-
sionele leven, terwijl het hier gaat om haar privé vakantie.
Het verweer van Audax dat als er al sprake is van inbreuk op de priva-
cy van Bloemen deze gering is omdat de foto's onscherp zouden zijn,
wordt niet onderschreven. De foto's zijn voldoende scherp om Bloe-
men te herkennen. Ware dat niet zo geweest, had Audax immers ook
geen belangstelling gehad voor het aankopen van de foto's.
Gelet op voornoemde omstandigheden wordt geoordeeld dat het
recht van Bloemen op bescherming van haar persoonlijke levenssfeer
in dit geval zwaarder weegt dan het recht van Audax bij persvrijheid.
De publicatie wordt dan ook onrechtmatig jegens Bloemen geacht.
8. Rectificatie van een fotoreportage is in zoverre mogelijk dat het
oordeel van de rechter omtrent de onrechtmatigheid van die reporta-
ge kan worden gepubliceerd in de vorm van een rectificatie. Deze
vorm wordt geschikt geacht als middel om de schade te beperken.
Het verweer van Audax dat excuses niet in rechte kunnen worden
afgedwongen is juist. Met inachtneming hiervan wordt dit onderdeel
toegewezen als hierna vermeld.
9. Gebruikelijk is in de geschreven pers dat rectificaties op één van de
eerste pagina's van het betreffende mediamiddel worden opgeno-
men. Een rectificatie ter grootte van een kolom van 8 x 10 cm op pagi-
na 3 wordt daartoe afdoende geacht. Nu op de voorpagina van Week-
end nr. 37 de desbetreffende fotoreportage is aangekondigd, dient
thans ook op de voorpagina van het nummer waarin de rectificatie
gepubliceerd wordt, verwezen te worden naar die rectificatie op pagi-
na 3, en wel als volgt: `Rectificatie Karin Bloemen. Zie pagina 3'. Deze
tekst dient net zo groot te zijn als het onderschrift bij de foto van
Bloemen op de voorpagina van nr. 37, in dezelfde kleurstelling, rood
op wit.
10. Het voorafgaand aan publicatie ter goedkeuring tonen van de zet-
proef van bovenbedoelde rectificatie en aankondiging aan de raads-
man van Bloemen wordt onnodig geacht.
11. Het zich onthouden van verdere publicatie in hetzelfde nummer
van Weekend over Bloemen strekt gelet op het recht van vrije
meningsuiting te ver.
12. Audax heeft aangevoerd dat zij reeds heeft toegezegd zich te zul-
len onthouden van verdere openbaarmaking en verspreiding van de
gemaakte foto's en dat het hierop gerichte onderdeel van de vorde-
ring derhalve overbodig is. Bloemen heeft er echter belang bij zich
daarvan via het gevraagde verbod te verzekeren.
13. Opdat Audax ook feitelijk die mogelijkheid niet meer zal hebben,
zal de vordering tot afgifte door Audax van al de bij haar in het bezit
zijnde (kopieën van de) foto's, genomen op Jamaica in de week van 2
tot en met 9 juli 2003 waarop Bloemen is geportretteerd, negatieven
en/of digitale versies van de foto's aan de raadsman van Bloemen op
zijn kantoor, eveneens worden toegewezen.
14. Het in artikel 10 lid 1 EVRM neergelegde recht van vrijheid van
meningsuiting en de daaruit voor de persvrijheid voortvloeiende
waarborgen brengen mee, dat een journalist in beginsel gerechtigd is
zijn bronnen geheim te houden. Een bevel tot openbaarmaking van
die bronnen is slechts dan gerechtvaardigd, wanneer is voldaan aan
de voorwaarden van lid 2 van artikel 10 EVRM. Daartoe is in de eerste
plaats voorwaarde dat het bevel een basis heeft in het nationale recht
en dat het een doel dient als genoemd in laatstgenoemde bepaling.
Dit is het geval, nu het hier gaat om de bescherming van rechten van
anderen (artikel 10 lid 2 EVRM), die zijn neergelegd in de artikelen
162 juncto artikel 106 lid 1 aanhef en onder b BW (recht op schadever-
goeding indien in eer of goede naam geschaad of op andere wijze in
de persoon aangetast). Wil het gevraagde bevel tot het noemen van de
bron kunnen worden toegewezen, dan zal het bovendien in een
democratische samenleving noodzakelijk moeten zijn om deze rech-
ten van anderen (in dit geval van Bloemen) te beschermen. Voor de
beoordeling of deze noodzaak hier aanwezig is, dient een afweging te
worden gemaakt tussen het publieke belang van persvrijheid in dit
geval en het belang van Bloemen bij verdere bescherming van haar
privacy. Het belang dat Bloemen stelt bij de bekendmaking van de
bron van Audax te hebben is in het bijzonder dat zij vreest dat degene
die de foto's heeft gemaakt opnieuw tot publicatie daarvan (eventueel
via een ander medium) zal overgaan en dat op die manier een herha-
ling van de inbreuk op haar privacy dreigt. Die vrees van Bloemen
wordt reëel geacht, nu degene, die die foto's heeft gemaakt, daarbij
blijkbaar een wellicht financieel oogmerk heeft zonder daarbij
enig respect voor haar privacy te tonen, hetgeen ook voor Audax dui-
delijk moet zijn geweest. Daartegenover verdient de bron en het
belang dat bij de bescherming van die bron bestaat in de gegeven
omstandigheden een mindere bescherming. Op zichzelf is de
nieuwswaarde dat Bloemen naakt in de zon zit al betrekkelijk gering.
Bovendien springt in het oog dat het bij de reeks afgedrukte foto's
vooral gaat om een bewuste inbreuk op de privacy van Bloemen en
niet zozeer om het niet zo belangwekkende feit dat zij naakt
recreëert. Bloemen heeft dan ook belang bij deze vordering, omdat zij
eventuele herpublicatie door de bron niet kan voorkomen zonder
diens naam te weten.
15. Bloemen heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij schade, anders
dan immateriële schade, heeft geleden. Gelet op de bestaande juris-
prudentie met betrekking tot het toekennen van voorschotten op
immateriële schadevergoeding in geval van onrechtmatig geachte
publicaties komt een immateriële schadevergoeding van
2.500,= redelijk voor. Dit bedrag dient te worden beschouwd als
voorschot op hetgeen in een eventuele bodemprocedure zal worden
toegewezen. Voor het overige zal de gevorderde schadevergoeding
worden afgewezen.
16. Het verweer van Audax dat de gevorderde buitengerechtelijke
kosten niet gerechtvaardigd zijn, nu slechts sprake is van twee brief-
jes vóór dagvaarding, treft doel. Niet gesteld noch gebleken is dat
sprake is geweest van andere buitengerechtelijke handelingen. De
kosten verbonden aan het schrijven van twee briefjes moeten, nu een
geding is gevolgd, worden aangemerkt als betrekking hebbende op
verrichtingen waarvoor de in de artikelen 237 e.v. van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering bedoelde kosten een vergoeding
plegen in te sluiten. De voorzieningenrechter zal dit deel van de vor-
dering dan ook afwijzen.
17. De dwangsommen worden, in de voorkomende gevallen, gema-
tigd en gemaximeerd als na te melden.
18. Audax zal als de op hoofdpunten in het ongelijk gestelde partij
worden veroordeeld in de kosten van deze procedure aan de zijde van
Bloemen gevallen.
BESLISSING IN KORT GEDING
De voorzieningenrechter:
1. Veroordeelt Audax om na betekening van dit vonnis in het eerstvol-
gende nummer van Weekend een rectificatie op pagina 3 van dat
nummer op te laten nemen, ter grootte van een kolom van 8 x 10 cm,
waarvan de inhoud luidt: "RECTIFICATIE. De voorzieningenrechter
van de rechtbank te Amsterdam heeft bij vonnis van 9 oktober 2003
geoordeeld dat de fotoreportage over Bloemen in nr. 37 van Weekend
onrechtmatig was, omdat deze een onevenredige inbreuk op haar pri-
vacy maakt", waarbij op de voorpagina van hetzelfde nummer van
Weekend de tekst "Rectificatie Bloemen. Zie pagina 3" wordt opge-
nomen, in dezelfde lettergrootte als het onderschrift bij de foto van
Bloemen op de voorpagina van nr. 37, in de kleurstelling rood op wit,
op straffe van een dwangsom van
1.000,- voor iedere week dat Week-
end in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen.
2. Veroordeelt Audax zich ervan te onthouden om de van Bloemen in
de week van 2 tot en met 9 juli 2003 op Jamaica gemaakte foto's ver-
der openbaar te maken of te (doen) verspreiden, op straffe van een
dwangsom van
1.000,- voor elke overtreding van deze verplichting.
Mediaforum 2004-1
18
Jurisprudentie nr
.2
3. Gebiedt Audax aan Bloemen de naam en adresgegevens bekend te
maken van degene(n) die haar de betreffende foto's ter beschikking
heeft gesteld, op straffe van een dwangsom van
1.000,= voor iedere
dag dat Audax in gebreke blijft om daaraan te voldoen, met een maxi-
mum van
10.000,-.
4. Gebiedt Audax al de bij haar in het bezit zijnde (kopieën van de)
foto's, genomen op Jamaica in de week van 2 tot en met 9 juli 2003
waarop Bloemen is geportretteerd, negatieven en/of digitale versies
van de foto's aan de raadsman van Bloemen af te (doen) geven op zijn
kantoor aan de P.C. Hooftstraat 154 te Amsterdam, op straffe van een
dwangsom van
1.000,- voor iedere dag dat Audax in gebreke blijft
daaraan te voldoen, met een maximum van
10.000,-.
5. Veroordeelt Audax aan Bloemen te voldoen een bedrag van
2.500,- (zegge tweeduizend vijfhonderd euro).
6. Veroordeelt Audax in de kosten van dit geding, tot heden aan de
zijde van Bloemen begroot op
681,16 aan verschotten, waaronder
600,- wegens vastrecht en op 703,- aan salaris procureur.
7. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
8. Wijst het meer of anders gevorderde af.
Gewezen door mr. R. Orobio de Castro, vice-president van de recht-
bank te Amsterdam, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
maandag 13 oktober 2003, in tegenwoordigheid van de griffier.
Noot
Gerard Schuijt
Prof. mr. G.A.I. Schuijt is hoofddocent aan de Universiteit van Amsterdam en
bijzonder hoogleraar mediarecht aan de Universiteit Leiden.
Ook `public figures' hebben recht op bescherming van hun persoon-
lijke levenssfeer en net als gewone mensen óók buiten de grenzen van
eigen huis en tuin, dus ook in een openbaar park (Vondelpark!), op of
boven de openbare weg (Wastelandparty!) en op het naaktstrand. Het
risico dat men bij zulke gelegenheden loopt, is dat men gezien kan
worden door een aantal mensen. Dat aantal kan variëren van een
handjevol tot pakweg honderd of tweehonderd, maar dat zijn dan
meestal mensen van gelijkgestemde zin: vrijlustige parkbezoekers,
Wastelandpartygangers en naaktbaders. Men hoeft er niet per se van
uit te gaan dat de geïllustreerde entertainmentpers overal aanwezig
is, foto's maakt en die publiceert. Het is allemaal niet absoluut als hier
staat, want er kan bij `public figures' altijd iets van een publiek belang
bij komen kijken en er kan altijd enige publieke relevantie zijn om
door het publiceren van foto's bekendheid te geven aan hun optreden
in het openbaar. Het belang van de privacy dient daarom te worden
afgewogen tegen het belang van de bekendmaking (vrijheid van
meningsuiting) en dan gaan omstandigheden meespelen, zoals hoe
intiem was de situatie waarin men werd gefotografeerd, was men
`open en bloot' of `uitdagend' de openbaarheid ingestapt of waande
men zich juist onbespied, in welke mate wordt bekendheid gegeven
aan de gemaakte foto's, dus hoe groot is de oplage van het desbe-
treffende medium, in welke context de foto's werden gepubliceerd en
welk belang werd met de publicatie gediend. Dat Karin Bloemen zich
op een openbaar naaktstrand en niet op een privé-strand bevond toen
een of andere toerist met zijn dvd-camera heimelijk opnamen van
haar maakte, is dus terecht op zichzelf niet doorslaggevend geoor-
deeld. Ook overigens acht ik het resultaat van de belangenafweging
door de voorzieningenrechter juist (r.o. 6 en 7).
Een fotoreportage kan worden gerectificeerd, al is `rectificatie' niet
het juiste woord, want er worden geen feiten rechtgezet. Het oordeel
van de rechter dat Weekend onrechtmatig heeft gehandeld moet wor-
den gepubliceerd. Deze voorziening is geschikt om de schade te
beperken (r.o. 8 tot 11. Let vooral ook op r.o. 11). Dat is dus niet gegrond
op 6.167 BW, maar `gewoon' op 6.162, alsmede op Rechtsvordering
art. 254 lid1.
Het portretrecht beschermt niet tegen het maken van een portret en
ook niet tegen het bestaan van een portret. Soms kan er echter aanlei-
ding zijn om bij wege van voorziening een bevel te geven de foto's en
negatieven etc. af te geven teneinde herhaling van de onrechtmatige
publicatie te voorkomen (zoals bijv. ook het geval was met betrekking
tot de door de EO met verborgen camera gemaakte opnamen in een
abortuskliniek (Hof Amsterdam 28 november 1996, KG 1997, 359;
Mediaforum 1997-2, p. B28) en zie mijn noot bij het getatoueerd por-
tret op een mannenborst (Rb. Groningen 31 mei 2002.
AMI 2002-5, p.
192)). De Voorzieningenrechter beveelt ook hier afgifte.
Tijdens de NJB-salon op 24 oktober jl. werd dit toen recent - vonnis
door menigeen als voorbeeld genoemd hoe slecht het in ons land
gesteld is met onze immateriële schadevergoedingen bij perspublica-
ties. Karin kreeg
2.500,- als voorschot. De vraag is of we dit nog wel
met 2,20371 mogen vermenigvuldigen om tot vijf en half duizend
gulden te komen. Net als in de horeca en in vele andere branches zou
ook in de rechtspraak de euro zo langzamerhand wel op de vroegere
gulden gesteld mogen worden. Maar zelfs zonder dat is het bedrag
aan de lage kant. Anderzijds moet men bedenken, dat dergelijke
bedragen worden gerelateerd aan de tarieven voor andere immaterië-
le schadevergoedingen, zoals bijvoorbeeld bij letselschade. Boven de
5000 zit men al gauw in de categorie smartengeld bij ernstig licha-
melijk letsel. Daarover meer in A. J. Verhey,
Vergoeding van immateriële
schade wegens aantasting in de persoon, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2002
(door mij besproken in
Mediaforum 2003-2, p.50-51).
Tot zover zou bovenstaand vonnis niet écht interessant zijn, ware het
niet dat Karin Bloemen ook eiste dat Weekend de naam bekend
maakt van de persoon die de dvd-opnamen gemaakt en geleverd
heeft. Zij vreest anders herhaling bij andere media. Weekend beroept
zich echter op de bronbescherming van de journalist. De Voorzienin-
genrechter acht het belang van Bloemen zwaarder dan dat van de
bronbescherming. Met name op dit punt is door Weekend hoger
beroep ingesteld, dus we krijgen deze zaak nog terug. De vragen die
hier m.i. aan de orde zijn, is of de situatie hier dezelfde is als wanneer
de bron van de journalist een lasteraar is en de benadeelde geen
genoegen wil nemen met alleen een sanctie tegen de journalist (of
zijn blad), maar ook de lasteraar de mond wil snoeren. Dat was de
situatie waarin het Tweede Kamerlid Bram van der Lek de actie
ondernam, welke leidde tot HR 11 november 1977,
NJ 1978, 399 (KGB-
affaire). Toen oordeelde de Hoge Raad dat de stelling dat aan een
journalist verschoningsrecht toekomt in haar algemeenheid niet kan
worden aanvaard. Daarvan kwam de HR, zij het enigszins tegen zijn
zin, terug in de zaak Dohmen en Langenberg vanwege het inmiddels
door het EHRM uitgesproken Goodwin-arrest (EHRM 27 maart 1996,
NJ 1996, 577 en Mediaforum 1996-5; HR 10 mei 1996, NJ 1996, 578 en
Mediaforum 1996-6). Van belang voor deze vraag is de conclusie van de
A-G Koopmans in de zaak Dohmen en Langenberg. De tweede vraag
die m.i. aan de orde komt, is of de belangen van Bloemen tegenover
dat van de bronbescherming wel zo zwaar moeten wegen nu Bloe-
men genoegdoening heeft gekregen door de veroordeling van Week-
end en de daarmee verbonden sancties. De bron en zijn eventuele
nieuwe afnemers weten nu bij voorbaat dat een nieuwe publicatie
van de foto's onrechtmatig zal zijn. Anders gezegd, levert het belang
van Bloemen in dit geval `an overriding requirement in the public
interest' (Goodwin) op om een uitzondering op de bronbescherming
te maken.
Mediaforum 2004-1
19
Jurisprudentie nr
.2
De jurist-journalist Sanne ten Hoove heeft de uitspra-
ken van de Raad voor de Journalistiek uit de jaren
1987-2003 gerubriceerd en geanalyseerd. Aan de hand
daarvan schetst hij een stelsel van normen, waaraan
de media in Nederland hun dagelijks handelen kunnen
toetsen. Kúnnen toetsen, want niet alle media zijn
altijd even gelukkig met de uitspraken van de Raad,
zeker niet als die negatief uitvallen. Ook aan de roerige
geschiedenis van de Raad schenkt dit boek aandacht.
Deze studie, gemaakt in opdracht van de Stichting
Raad voor de Journalistiek, is tot stand gekomen met
financiële steun van het Bedrijfsfonds voor de Pers en
inhoudelijke steun van de Rijksuniversiteit Groningen.
214 pagina's, ingenaaid, isbn 9075727461, prijs
29,50
(incl btw, excl. verzendkosten)
Verkrijgbaar via de boekhandel of rechtstreeks bij:
Otto Cramwinckel Uitgever
Herengracht 416
1017 BZ Amsterdam
T. 020-6276609
F. 020-6383817
e-mail: info@cram.nl.
Bestellen via de website is ook mogelijk: www.cram.nl
Grenzen in de
journalistiek
Uitspraken Raad voor de Journalistiek 1987-2003
Sanne ten Hoove
Mediaforum 2003 - 3
3
maart 2003
vijftiende jaargang
Frequentiebeleid:
een aflopende zaak?
Jilles van den Beukel
De financiering van de publieke
omroep in Europa
Paul Kreijger
Jurisprudentie 13-19
Nr. 13 Hof Den Haag 15 november 2002,
Vergaring IP-adres door politie m.nt. A.H.
Ekker · Nr. 14 Hof Den Haag 18 november
2002, Uitlatingen imam m.nt. A.J. Nieuwen-
huis · Nr. 15 Rb. Haarlem 5 december 2002,
IJmond TV vs. CvdM m.nt. J. van den Beukel
· Nr. 16 Vzr. Rb. Arnhem 27 januari 2003,
Sporttotalisator vs. Ladbrokes m.nt. K.J.M.
Mortelmans · Nr. 17 Vzr. Rb. Rotterdam 29
november 2002, Mobiele aanbieders vs.
OPTA m.nt. A.T. Ottow · Nr. 18 Rb. Rotter-
dam 5 december 2002, Netwise vs. NTS
m.nt. M.Voulon · Nr. 19 Arbitragehof
(België) 6 november 2002, Belgische staat
vs. Franse Gemeenschap m.nt. P.Valcke en
C. Uyttendaele
Mediaforum is een uitgave van de Vereniging voor Media- en
Communicatierecht (vmc), en verschijnt tien maal per jaar.
Bestuur vmc: Prof. mr. J.J.C. Kabel (voorzitter), Dr. N.A.N.M.
van Eijk (vice-voorzitter), Mr. J.J. Feenstra (penningmeester),
Mr. C. van Boxtel (secretaris), Mr. C.E. Drion, Mr. J.F. Haeck,
Mr. F. Kuitenbrouwer en Mr. H.M.C. Zeinstra.
www.communicatierecht.nl
Mediaforum wordt in opdracht van de vmc uitgegeven
door Otto Cramwinckel Uitgever.
Citeertitel:
Mediaforum
(bijv.:
Mediaforum
2003-3,
p. 125-130; bij jurisprudentie Mediaforum 2003-3, nr. 25)
issn:
0924 - 5057
Redactie
Mr. J. van den Beukel, Mr. R.D. Chavannes, Mr. M.J. Geus,
Mr. A.W. Hins, Mr. G.J. Kemper (voorzitter), Prof. mr. K.J.M.
Mortelmans, Mr. A.J. Nieuwenhuis, Mr. A.T. Ottow, Prof. mr.
H.J. de Ru, en Mr. C.J. Flentrop-Turner (eindredactie).
Correspondent België
Prof. dr. D. Voorhoof
Redactiesecretariaat
Voor inlichtingen over het aanleveren van kopij en
andere redactionele aangelegenheden kan contact op-
genomen worden met Mr. C. J. Flentrop-Turner, Univer-
siteit van Amsterdam, Instituut voor Informatierecht,
Rokin 84, 1012 kx Amsterdam, fax: 020-525 3033, e-mail:
flentropAjur.uva.nl
Opmaak
De Elementen vof, Amsterdam
Abonnementen & Lidmaatschap
Abonnementen worden per jaargang (januari-december)
afgesloten. Facturering vindt plaats jaarlijks in het eerste
kwartaal. Opzegging dient te geschieden uiterlijk op
1 december van het lopende abonnementsjaar, bij
niet-tijdige opzegging wordt het abonnement automa-
tisch voortgezet.
Leden vmc: Abonnement inbegrepen bij het lidmaat-
schap.
Kosten lidmaatschap inclusief
abonnement
69,50 per lid per kalenderjaar (studenten 34,50;
rechtspersoon
140,-). Opzegging uiterlijk 1 december.
Aanmelding, opzegging, adres- of naamswijziging van
leden schriftelijk of per e-mail opgeven bij: Administra-
tiekantoor Van Eijk, Vlasstraat 11, 5712 RP Someren,
e-mail: adm.eijkAwxs.nl
Niet-leden:
95,- per kalenderjaar. Opgave nieuw abon-
nement, opzegging (uiterlijk 1 december), adreswijzi-
ging e.d. schriftelijk bij Otto Cramwinckel Uitgever,
Herengracht 416, 1017 bz Amsterdam, tel: 020-627 6609,
fax: 020-638 3817, e-mail: infoAcram.nl
Losse nummers: verkrijgbaar bij de gespecialiseerde
boekhandel, of te bestellen bij Otto Cramwinckel Uit-
gever
, Herengracht 416, 1017 bz Amsterdam; prijs
8,85.
Het verlenen van toestemming tot publicatie in dit tijdschrift
strekt zich tevens uit tot het in enige vorm elektronisch
beschikbaar stellen.
© 2003 Vereniging voor Media- en Communicatierecht
Mediaforum
Tijdschrift voor Media-
en Communicatierecht
Twaalfde jaargang, nummer 1 Januari 2000
Vijftiende jaargang
nummer 3
maart 2003
Inhoud
81
Opinie
Frequentiebeleid: een aflopende zaak?
Jilles van den Beukel
82
Artikel
De financiering van de publieke omroep
in Europa
Paul Kreijger
88
Documentatie
Rechtspraak
Binnenland
Agenda
Verschenen
Jurisprudentie
92
Nr. 13 Hof Den Haag 15 november 2002,
Vergaring IP-adres door politie m.nt. A.H.
Ekker
95
Nr. 14 Hof Den Haag 18 november 2002,
Uitlatingen imam m.nt. A.J. Nieuwenhuis
96
Nr. 15 Rb. Haarlem 5 december 2002, IJmond
TV vs. CvdM m.nt. J. van den Beukel
99
Nr. 16 Vzr. Rb. Arnhem 27 januari 2003,
Sporttotalisator vs. Ladbrokes m.nt. K.J.M.
Mortelmans
104 Nr. 17 Vzr. Rb. Rotterdam 29 november 2002,
Mobiele aanbieders vs. OPTA m.nt. A.T.
Ottow
109 Nr. 18 Rb. Rotterdam 5 december 2002, Net-
wise vs. NTS m.nt. M.Voulon
112 Nr. 19 Arbitragehof (België) 6 november
2002, Belgische staat vs. Franse Gemeen-
schap m.nt. P.Valcke en C. Uyttendaele
Verkeersgegevens
Een juridische en technische inventarisatie
L.F. Asscher en A.H. Ekker, redactie
Met medewerking van:
R.Hes, A.H. Ekker en B.J. Koops
Verslag van een workshop over verkeersgevens
georganiseerd door het IViR en het College
Bescherming Persoonsgegevens. Allereerst de
technische aspecten van verkeersgegevens, de
technische (on)mogelijkheid van een onderscheid
tussen inhoud en verkeersgegevens.
Vervolgens een bijdrage over een aantal publiek-
rechtelijke aspecten, zoals de wenselijkheid van
constitutionele bescherming van verkeersgegevens.
Dan volgt de strafvorderlijke kant van verkeers-
gegevens, onder welke omstandigheden en op
welke voorwaarden mogen verkeersgegevens
gebruikt worden in het strafproces.
Tot slot een samenvatting van de tijdens de
workshop gevoerde discussie alsmede een mogelijke
agenda voor toekomstig onderzoek en debat.
Uitgave van het Instituut voor Informatierecht,
Universiteit van Amsterdam.
108 pagina's, ing, ISBN 90 75727 364, prijs
17.
Verkrijgbaar via de boekhandel of:
Otto Cramwinckel Uitgever
Herengracht 416
1017 BZ Amsterdam
telefoon 020-627 66 09
fax 020-638 38 17
e-mail: info@cram.nl
url: www.cram.nl
&
in maart verschijnt:
Omroep & Commercie 2000-2002
mr Marcel Dellebeke, mr Jan J.C. Kabel (red.)
O&C 2000-2002 bevat:
· alle adviezen, beschikkingen en rechterlijke uitspraken in procedures bij
het Commissariaat voor de Media (over de periode 1 mei 2000 tot en met
31 december 2002),
· een overzicht en beschrijving van alle overige relevante beschikkingen van
het Commissariaat (over de periode 1 mei 2000 tot en met 31 december 2002),
· de door het Commissariaat gehanteerde beleidslijnen e.d. (per 1 januari 2003),
· een selectie van de relevante bepalingen van de Mediawet en het Mediabesluit
(zoals van kracht op 1 januari 2003), met daarbij ook de voorgestelde wijzigin-
gen in deze bepalingen,
· cumulatieve registers.
ISBN 90 757 27 488, 410 pagina's ingenaaid, ca 40 euro.
Verkrijgbaar via de boekhandel of rechtstreeks bij:
Otto Cramwinckel Uitgever
Herengracht 416
1017 BZ Amsterdam
telefoon 020-627 66 09
fax 020-638 38 17
e-mail: info@cram.nl
url: www.cram.nl
In deze serie verschenen eerder zeven bundels vanaf 1988.
Voor meer informatie: zie onze website.
Mediaforum 2003-3
81
Frequentiebeleid:
een aflopende zaak?
Opinie
Jilles van den Beukel
M
obiele operator O
2
wordt wellicht overgenomen door con-
current Vodafone. Bij het lezen van dit recente
nieuwsbericht moest de oplettende lezer onmid-
dellijk denken aan de gevolgen voor de UMTS-vergunning van
O
2
. Voor het veilen van de UMTS-vergunningen heeft de over-
heid als eis gesteld dat een vergunninghouder maximaal één
vergunning mocht verwerven, teneinde te voldoen aan het cri-
terium `daadwerkelijke mededinging' ex artikel 3.6 TW. Deze
verwervingseis wordt door de overheid ook ingeroepen wan-
neer een verstrekte vergunning dreigt over te gaan naar een
bestaande vergunninghouder. Indien een overname toch
wordt doorgezet, moeten de partijen een UMTS-vergunning
van de hand doen. Er rest hen niets anders dan het `terugge-
ven' van de UMTS-vergunning aan de overheid wanneer er
geen koper op de markt gevonden kan worden.
Kan de overheid in zo'n geval de vergunning (tijdelijk) op de
plank leggen? In 2008 komt nieuw spectrum vrij voor UMTS-
gebruik. Wellicht vindt men het beter om in 2008 het dan
beschikbare spectrum voor UMTS bij elkaar te voegen en te
verdelen. Voor deze benadering zijn momenteel artikel 10 van
de huidige Vergunningenrichtlijn en artikel 7 van de nieuwe
Machtigingsrichtlijn
1
(ná 24 juli dit jaar) van belang. Deze
bepalingen stellen aan een beperking van het aantal vergun-
ningen een zware motiveringseis. Het toepassingsgebied van
deze bepalingen is echter niet eenduidig. Hebben zij ook
betrekking op een herverdeling van een vergunning nadat
eenmaal het aantal vergunningen voor een bestemming is
vastgesteld? Zo ja, dan moet de overheid objectieve redenen
hebben voor het op de plank leggen van een vergunning. De
vraag in de markt naar frequenties alsmede de concurrentie-
verhoudingen zullen hierin een rol van gewicht spelen. In dit
verband zijn de zaken over de verdeling van de radiofrequenties
mede van belang: de rechter heeft `onnodig dan wel onevenre-
dig lang ongebruikt laten van frequenties' als onrechtmatig
betiteld.
2
Hierbij moet worden opgemerkt dat de radiomarkt
een prangende vraag naar frequenties kent.
Stel: de overheid gaat over tot herverdeling van een UMTS-
vergunning. Hoe moet de verdeling plaatsvinden? Artikel 3.3,
zevende lid Tw schrijft voor dat een vergelijkbare procedure
moet worden gevolgd wanneer er nog vergunninghouders
zijn in dezelfde bestemming waarin de vergunning, die ver-
deeld moet worden, zich bevindt. Deze bepaling beoogt tege-
moet te komen aan de beginselen van non-discriminatie en
rechtszekerheid. Dit lijkt op het eerste gezicht te betekenen
dat een verdeling van de vergunning moet geschieden via een
veiling. Er rijzen een paar vragen. Hoe om te gaan met de
ministeriële regelingen voor de oorspronkelijke veiling? Gel-
den deze regelingen onverkort voor een nieuwe veiling? Wat
betekent dit voor de duur van de vergunning? Moet die dezelfde
looptijd van 15 jaar hebben of moet die op hetzelfde moment
aflopen als de bestaande vergunningen met dezelfde uitrolver-
plichtingen? Onder welke voorwaarden doen de bestaande
vergunninghouders mee aan de veiling? Er rijzen vragen over
non-discriminatie en rechtszekerheid in materiële zin. Als
een veiling anno 2003 zou plaatsvinden is de kans groot dat er
een veel lager bedrag wordt geboden dan tijdens de veiling
anno 2000. De zogenaamde
snapshot value van een UMTS-
vergunning is door allerlei oorzaken lager dan toen. De proce-
dure moge wellicht vergelijkbaar zijn, de uitkomst van een
veiling zal hoogstwaarschijnlijk niet vergelijkbaar zijn.
Al deze vragen doemen op omdat het frequentiebeleid tradi-
tioneel steunt op de gedachte dat het spectrum door de over-
heid wordt beheerd waarbij het algemeen belang voorop staat.
Hieruit vloeit voort dat er geen volledige eigendomsrechten
maar beperkte gebruiksrechten worden verstrekt aan partijen
die spectrum willen hebben. Op die manier kan de overheid
eisen stellen aan het gebruik. Tijdelijkheid van een gebruiks-
recht is een belangrijk uitgangspunt: dat houdt de mogelijk-
heid van een andere bestemming of een andere gebruiker
open. Hoewel deze opzet flexibiliteit beoogt, pakt zij inflexi-
bel uit. Een gebruiker is niet vrij in het veranderen van de
bestemming van de frequenties, hij is niet vrij in het verlaten
van de markt (dat wil zeggen, hij is niet vrij in het verkopen
van zijn vergunning), zijn vergunning loopt bijvoorbeeld af op
een ongelukkig tijdstip wat investeringen betreft, etc. Moet
het frequentiebeleid fundamenteel anders? Tijdens een semi-
nar van DGTP dat onlangs werd gehouden heeft Martin Cave
gepleit voor een meer eigendomsrechtelijke benadering van
het frequentiebeleid. Hij stelt bijvoorbeeld dat uitrolverplich-
tingen tot een minimum beperkt moeten worden, dat we spe-
culatief gedrag maar voor lief moeten nemen. Standaarden
zouden meer door de markt moeten worden bepaald. Handel
in frequenties (
spectrum trading) zou vergemakkelijkt moeten
worden.
Dat een UMTS-vergunninghouder gedwongen kan zijn om
zijn vergunning tóch in te leveren terwijl er wel een koper is,
mag gerust een economische
inefficiency genoemd worden. Dat
de vergunningen voor radiofrequenties al jaren steeds weer
worden verlengd toont aan dat de greep van de politiek op het
frequentiebeleid te groot is. Misschien zijn deze problemen
op te lossen via een meer eigendomsrechtelijke benadering,
maar een publiekrechtelijke regeling kan ook soelaas bieden.
Hierbij valt te denken aan regels over de afloop van vergunnin-
gen waarbij de belangen van vergunninghouders, nieuwe
gegadigden en eindgebruikers evenwichtig worden afgewo-
gen.
1
Vergunningenrichtlijn: Richtlijn 97/13,
PbEG 7 mei 1997, L117/15; Machtigings-
richtlijn: Richtlijn 2002/20,
PbEG 24 april 2002, L108/21.
2Zie Veronica e.a. vs. Minister EZ,
Mediaforum 2002, nr. 46, par. 2.5.2.2; N. van
Eijk, `Geen frequenties voor onruststokers',
Mediaforum 2002/11-12, p. 352.
Mediaforum 2003-3
82
Voorgeschiedenis
Sinds 1992 is in een aantal bij de Commissie ingediende
klachten de verenigbaarheid van financiering van publieke
omroepen met de regels in het EG Verdrag inzake staatssteun
aan de orde gesteld.
2
De eerste positieve beschikking op dit
terrein dateert van 1996.
3
Na diverse veroordelingen van de
Commissie door het Gerecht van Eerste Aanleg wegens stilzit-
ten, en het bij het Verdrag van Amsterdam overeengekomen
Protocol betreffende het publieke-omroepstelsel in de lid sta-
ten (`het protocol'), is de Commissie actiever geworden.
4
Nog
in 1998 sprak een meerderheid van de lidstaten zich uit tegen
de vaststelling van algemene richtsnoeren en vóór een indivi-
duele benadering. Inmiddels heeft de Commissie diverse
klachten in behandeling genomen, een aantal procedures
ingeleid en enkele beschikkingen gegeven.
5
Ook buiten het
kader van concrete procedures zijn meer algemene uitgangs-
punten geformuleerd. Zo wordt in de vijfde overweging van
Richtlijn 2000/52/EG tot wijziging van de Transparantiericht-
lijn de publieke omroep genoemd.
6
Ook de bijlage bij de recen-
te Mededeling van de Commissie inzake de diensten van alge-
meen belang in Europa gaat in op de publieke omroep.
7
Op 17 oktober 2001 kon de Commissie dan toch een medede-
ling over haar beleid op dit politiek gevoelige en moeilijke
terrein aankondigen. Die mededeling verscheen op 15 novem-
ber 2001 in het
Publicatieblad.
De mededeling
Inleidende hoofdstukken
Na enkele inleidende paragrafen in het eerste hoofdstuk,
wijdt de mededeling in het tweede hoofdstuk algemene over-
wegingen aan de rol van de publieke omroep
8
waarin het bij-
zondere karakter van de omroep wordt benadrukt, onder ver-
wijzing naar de laatste Mededeling betreffende de diensten
van algemeen belang in Europa,
9
het protocol en de resolutie
van de Raad van 25 januari 1999 betreffende de publieke
omroep.
10
Gelet op de specifieke kenmerken van de omroepsec-
tor, is een openbare opdracht gelegitimeerd die de omroep in
staat stelt een breed scala aan programma's te kunnen blijven
aanbieden gelegitimeerd. Interessant is overigens de aanslui-
tende opmerking dat ook commerciële omroeporganisaties
(`van welke er een aantal onderworpen is aan openbare dienst-
De financiering van de publieke
omroep in Europa: nieuw beleid
van de Europese Commissie
Op 15 november 2001 werd de `Mededeling van de Commissie betreffende
de toepassing van de regels inzake staatssteun op openbare omroepen'
gepubliceerd.
1
In deze mededeling formuleert de Commissie de uitgangspun-
ten voor haar beleid bij de toepassing van de Europese staatssteunregels op
overheidsfinanciering van publieke omroepen. Inmiddels heeft de Commis-
sie in relatief korte tijd de mededeling al een aantal maal toegepast. Meer
beschikkingen zullen binnen afzienbare tijd volgen. De exacte juridische sta-
tus van de mededeling is door het Ferring-arrest van het Hof van Justitie
onzeker, maar niettemin verdient de mededeling alle aandacht. Het is
namelijk nog maar de vraag of het beleid van de Commissie in alle opzich-
ten gunstig uit zal pakken voor de financiering van de Nederlandse publieke
omroep. Die vraag is bovendien actueel, nu de Commissie niet alleen oor-
deelde of nog moet oordelen over de situatie in Griekenland, het Verenigd
Koninkrijk, Denemarken en België, maar inmiddels ook een klacht over de
financiering van de Nederlandse publieke omroep in behandeling heeft.
Paul Kreijger*
*
Mr. P. J. Kreijger is advocaat te Amsterdam.
1
PbEG 2001, C 320/5. Zie tevens het persbericht terzake van 17 oktober 2001,
IP/01/1429.
2Voor een uitgebreide verkennende bijdrage over staatssteun in de Nederlandse
omroepsector verwijs ik graag naar K.J.M. Mortelmans en M. Wezenbeek-Geuke,
`Staatssteun in de Nederlandse omroepsector en de artikelen 92-93 EG
Verdrag',
Mediaforum 1997-7/8, p. 104-112.
3
Zaak NN 141/95,
PbEG 1997, C 67, RTP-Portugese omroep. Zie het 26
e
Mededin-
gingsverslag van de Commissie (1996), § 78
4
Zie over de totstandkoming en inhoud van het protocol: H.M.C. Zeinstra en
H.C. van der Plas, `Het Protocol bij het Verdrag van Amsterdam inzake de
financiering van publieke omroepen',
Mediaforum 1997-9, p. 124-127.
5
Zie het 29
e
Mededingingsverslag van de Commissie (1999), p. 286 288. Zie
tevens H.S. J. Albers, `Publieke televisie: wie zal dat betalen?',
NTER nr. 3, maart
2000, p. 54-57.
6
Richtlijn 2000/52/EG van de Commissie van 26 juli 2000 tot wijziging van
Richtlijn 80/723/EEG betreffende de doorzichtigheid in de financiële betrek-
kingen tussen lidstaten en openbare bedrijven,
PbEG 2000, L 193/75.
7
PbEG 2001, C 17/4 (p. 22).
8
§ 5-14 van de mededeling.
9
COM (2000) 580 def., p. 35.
10
PbEG 1999, C 30/1.
Mediaforum 2003-3
83
verplichtingen') een rol kunnen spelen bij de uitvoering van
de doelstellingen van het protocol.
11
Het derde hoofdstuk noemt de relevante regelgeving: de
regels inzake staatssteun (artikelen 87 en 88 EG, waaronder de
`cultuurexceptie' van artikel 87 lid 3 onder d EG), de uitzonde-
ring voor diensten van algemeen economisch belang (artikel
86 lid 2 EG en artikel 16 EG), de rol van de Gemeenschap op
cultureel gebied (artikel 151 EG), de Richtlijn Televisie zonder
Grenzen en de Transparantierichtlijn.
12
Het vierde hoofdstuk beziet of overheidsfinanciering van
openbare omroepen (bestaande dan wel nieuwe) staatssteun
is; de weinig verrassende conclusie is dat doorgaans sprake zal
zijn van staatssteun in de zin van artikel 87 lid 1 EG, al zal dit
van zaak tot zaak onderzocht moeten worden en mede afhan-
kelijk zijn van het specifieke karakter van de financiering.
13
In
een aparte paragraaf stelt de Commissie dat alle overheids-
middelen die aan een bepaalde onderneming worden overge-
dragen, dus ook die ter vergoeding voor de nettokosten ver-
bonden aan openbare dienstverplichtingen, staatssteun zijn.
Deze stelling is moeilijk verenigbaar met het na publicatie van
de mededeling gewezen
Ferring-arrest van het Hof van Justitie,
waarover hierna meer.
Het vijfde hoofdstuk behandelt de uitzonderingen op het ver-
bod op staatssteun in artikel 87 lid 2 en 3 EG, maar noemt feite-
lijk alleen artikel 87 lid 3 onder d EG, de `cultuurexceptie' voor
steunmaatregelen ter bevordering van cultuur en de instand-
houding van het culturele erfgoed.
14
De mededeling gaat uit van
een restrictieve interpretatie van het hier bedoelde begrip `cul-
tuur'. Nu bij verlening van steun aan openbare omroepen door-
gaans niet wordt onderscheiden tussen de (onder andere in het
protocol genoemde) culturele, sociale en democratische behoef-
ten van de samenleving, is deze uitzondering in de regel niet
van toepassing. Daarmee resteert in het kader van de medede-
ling de beoordeling van de verenigbaarheid van staatssteun op
grond van de uitzonderingsbepaling van artikel 86 lid 2 EG.
Beoordeling van steun op grond van artikel 86 lid 2 EG
Hoofdstuk 6, de kern van de mededeling, gaat in op de vraag
wanneer financiering van publieke omroepen onder de uit-
zondering van artikel 86 lid 2 valt.
15
Uit de restrictieve inter-
pretatie daarvan door het Hof van Justitie volgt, aldus de
mededeling, een aantal voorwaarden voor toepassing:
i) de betrokken dienst moet een dienst van algemeen eco-
nomisch belang zijn en duidelijk als zodanig zijn
omschreven door de lidstaat (
omschrijving);
ii) de betrokken onderneming moet door de lidstaat uit-
drukkelijk belast zijn met de verlening van de dienst
(
toewijzing);
iii) toepassing van de mededingingsregels uit het Verdrag
(in casu het verbod op staatssteun) moet de vervulling
van de bijzondere taken verhinderen en de ontheffing
van die regels mag het belang van de Gemeenschap niet
onevenredig hinderen (
evenredigheid).
Omschrijving van de openbare opdracht
De mededeling verlangt een `officiële' omschrijving van de
openbare opdracht, maar die omschrijving mag, gelet op het
specifieke karakter van het omroepstelsel, inhoudelijk ruim
zijn. De opdracht om een evenwichtige en gevarieerde pro-
grammering aan te bieden en toch een bepaald percentage van
het publiek aan te trekken overeenkomstig het protocol, is
aanvaardbaar. De opdracht mag ook diensten omvatten die
geen `programma's' zijn, voorzover daarmee aan dezelfde
maatschappelijke behoeften wordt voldaan. Bij uitbreiding
van de opdracht met nieuwe diensten dient deze overeenkom-
stig te worden aangepast. De Commissie stelt hier overigens
dat haar rol op dit punt beperkt blijft tot controle bij `kennelij-
ke fouten'. Daarvan is sprake ingeval de opdracht activiteiten
noemt waarvan redelijkerwijs niet kan worden aangenomen
dat deze (in de woorden van het protocol) voldoen aan de cul-
turele, sociale en democratische behoeften van de samenle-
ving. De mededeling noemt expliciet het voorbeeld van e-
commerce. De mededeling benadrukt verder de belangen van
de Commissie, de nationale autoriteiten en niet-overheidsbe-
drijven bij een zo exact mogelijke omschrijving van de
opdracht.
Toewijzing en toezicht
De opdracht moet door middel van een officiële beschikking
(wetgeving, contract of aanbesteding) worden verleend. De
tenuitvoerlegging van de opdracht dient te worden gecontro-
leerd door een specifieke autoriteit of instantie, met name
wanneer bepaalde kwaliteitsnormen worden opgelegd. De
keuze voor een toezichtmechanisme en de beoordeling of aan
gestelde kwaliteitsnormen wordt voldaan, is aan de lidstaten.
De Commissie merkt wel op dat alleen een toezichthoudende
instantie die onafhankelijk is van de gecontroleerde onderne-
mingen doeltreffend lijkt te zijn.
Financiering van de omroep en de evenredigheidstest
De Commissie herhaalt dat de lidstaten vrij zijn in hun keuze
voor de wijze van financiering (bijvoorbeeld een combinatie van
overheidsbijdrage met reclamegeld, zoals wij deze ook in
Nederland kennen), zolang deze de belangen van de Gemeen-
schap niet onevenredig benadeelt. In dit verband wordt gewe-
zen op de Transparantierichtlijn, die ook op omroeporganisa-
ties van toepassing is en hen verplicht een gescheiden
boekhouding te voeren, voorzover zij zowel diensten van alge-
meen economisch belang als andere activiteiten uitoefenen.
Hierbij merkt de Commissie op dat het voeren van een geschei-
den boekhouding voor wat betreft de uitgavenkant in de
omroepsector moeilijk doenlijk kan zijn. Kosten die volledig
zijn toe te rekenen aan activiteiten die onder de openbare dienst-
verlening vallen, maar die ook aan commerciële activiteiten ten
goede kunnen komen, hoeven niet over beide te worden omge-
slagen. Als voorbeelden worden genoemd de kosten van een
programma dat past binnen de publieke taak, maar dat tevens
aan anderen wordt verkocht, en de kosten voor het werven van
kijkers, die tevens de werving van reclame ten goede komen.
11 In dit verband is het onderwerp programmafinanciering, ongeacht het al dan
niet publieke karakter van de omroep, interessant. De staatssecretaris van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen heeft in diens brief van 29 november
2002 aan de Tweede Kamer aangegeven dat het huidige kabinet grote bezwa-
ren heeft tegen dergelijke programmafinanciering: `Als commerciële omroe-
pen geïnteresseerd zijn in het uitzenden van culturele programma's, dan die-
nen zij deze zelf te financieren.'
Kamerstukken II, 2002/2003, 28 600 VIII, nr. 94
12§ 15 van de mededeling.
13 § 17-24 van de mededeling.
14 § 25-27 van de mededeling.
15 § 28-62 van de mededeling. Art. 86 lid 2 EG luidt als volgt:
`De ondernemingen
belast met het beheer van diensten van algemeen economisch belang of die het karakter dra-
gen van een fiscaal monopolie, vallen onder de regels dit Verdrag, men name onder de mede-
dingingsregels, voor zover de toepassing daarvan de vervulling, in feite of in rechte, van de
hun toevertrouwde bijzondere taak niet verhindert. De ontwikkeling van het handelsverkeer
mag niet worden beïnvloed in een mate die strijdig is met het belang van de Gemeenschap.'
Mediaforum 2003-3
84
Bij de beoordeling van de evenredigheid van de steun is uit-
gangspunt dat overheidsfinanciering doorgaans nodig is voor
de vervulling van de openbare dienstverplichtingen, maar
niettemin mag de steun niet meer bedragen dan de nettokos-
ten van de openbare opdracht. Daarbij moet ook rekening
worden gehouden met andere rechtstreekse of indirecte
inkomsten uit het vervullen van de openbare dienst. Daar-
naast kondigt de Commissie aan bij de beoordeling van de
steun rekening te zullen houden met de nettowinst die activi-
teiten buiten het kader van de openbare dienst halen uit acti-
viteiten binnen het kader van de openbare dienst (hierbij valt
te denken aan de opbrengsten van verkoop van publieke pro-
gramma's of de opbrengsten van aan deze programma's gere-
lateerde internetactiviteiten). Ook kondigt de Commissie aan
te zullen nagaan of de steunverlening leidt tot ongerechtvaar-
digde mededingingsbeperkingen (kruissubsidiëring van
commerciële activiteiten).
Het arrest Ferring
Een aantal weken na publicatie van de mededeling wees het
Hof van Justitie arrest in de zaak
Ferring.
16
Deze Franse zaak
betrof een vrijstelling op de heffing op verkoop van genees-
middelen voor bepaalde groothandelaren in medicijnen, ter
compensatie voor de op deze groothandelaren rustende ver-
plichting tot openbare dienstverlening. Deze groothandela-
ren moeten op grond daarvan namelijk een zodanige voorraad
geneesmiddelen aanhouden dat ten allen tijde aan een bepaal-
de vraag kan worden voldaan. Concurrenten die wél aan de
heffing waren onderworpen, stelden nu dat de vrijstelling een
door artikel 87 lid 1 EG verboden steunmaatregel is.
Het Hof oordeelde echter dat de vrijstelling geen staats-
steun in de zin van artikel 87 lid 1 EG is, voorzover daarmee
(slechts) de extra kosten van de openbare dienstverlening wor-
den gecompenseerd. Artikel 86 lid 2 EG wordt zo van een uit-
zondering (`weliswaar staatssteun in de zin van artikel 87 lid 1
EG, maar gerechtvaardigde staatssteun') tot een lex specialis
(`geen staatssteun in de zin van artikel 87 lid 1 EG binnen gren-
zen van artikel 86 lid 2 EG'). Het Gerecht van Eerste Aanleg
benaderde deze vraag anders in het arrest
FFSA uit 1997,
17
waarin het artikel 86 lid 2 EG wel uitlegde als een uitzonde-
ring op artikel 87 lid 1 EG. In deze opvatting zijn vergoedin-
gen voor openbare dienstverlening dus steeds staatssteun en
daarmee ook steeds voorwerp van de procedurele (controle-
rende) bevoegdheden die de Commissie op grond van de
staatssteunregels heeft.
18
Het is dan aan de Commissie om in
het kader van haar controle op staatssteun te oordelen of die
staatssteun gerechtvaardigd is uit hoofde van artikel 86 lid 2
EG. Het
Ferring-arrest ontneemt de Commissie echter deze
controlerende rol op overheidscompensatie van openbare
dienstverplichtingen door de steunregels daarop, behoudens
`overcompensatie', in het geheel niet van toepassing te achten.
Barents noemt het arrest
Ferring een onduidelijk arrest.
Indien de betaling door de overheid geen steunmaatregel in
de zin van artikel 87 lid 1 EG is, dan is deze regel niet van toe-
passing en daarmee logischerwijze evenmin de uitzondering
op die regel in artikel 86 lid 2 EG.
De verhouding tussen artikel 87 lid 1 EG en de uitzondering
(of lex specialis?) van artikel 86 lid 2 EG is onderwerp van een
aantal zaken die thans bij het Hof van Justitie aanhangig zijn
en waarin inmiddels is geconcludeerd. In zijn eerste conclusie
voor de zaak
Altmark Trans GmbH heeft AG Léger het Hof voor-
gesteld terug te komen op
Ferring.
20
Ook AG Léger wijst er op
dat
Ferring tot de onlogische consequentie leidt dat artikel 86
lid 2 EG nooit van toepassing zal kunnen zijn. In zijn conclusie
voor de zaak
GEMO
21
stelt AG Jacobs voor de
Ferring-benade-
ring alleen te handhaven voor die gevallen waarin een duide-
lijk verband bestaat tussen de financiering en de duidelijk
omschreven publieke taak. In haar conclusie voor de zaak
Enirisorse SpA doet AG Stix-Hackl hetzelfde voorstel.
22
Het
belang van deze kwestie wordt nog eens benadrukt door de
heropening van de behandeling van de zaak
Altmark Trans
GmbH en de tweede conclusie van AG Léger van 14 januari
2003 in deze zaak. Hierin handhaaft hij zijn eerdere opvatting
en wijst hij de door AG Jacobs voorgestelde genuanceerde
benadering van de hand, onder meer omdat deze voor wat
betreft de financiering van publieke omroepen tot onduide-
lijkheid zou leiden.
23
De consequenties van het Ferring-arrest
voor de mededeling
De consequenties van
Ferring voor de mededeling lijken, in
ieder geval in potentie, niet gering. De mededeling formuleert
het beleid van de Commissie bij de toepassing van de uitzon-
dering van artikel 86 lid 2 EG. Echter, op grond van
Ferring
komt de Commissie aan die toepassing helemaal niet toe
zolang de overheidsfinanciering binnen de grenzen van arti-
kel 86 lid 2 EG blijft. De regels voor staatssteun, inclusief de
controlerende bevoegdheden van de Commissie, zijn dan vol-
gens
Ferring immers niet van toepassing. Bovendien heeft arti-
kel 86 lid 2 EG rechtstreekse werking (zoals aanvaard in de
rechtspraak van het Hof van Justitie), zodat de toepasselijk-
heid van artikel 86 lid 2 EG in principe helemaal niet afhanke-
lijk is van beleid van de Commissie.
24
Heeft de mededeling dan
nog wel enige waarde?
Mogelijk biedt artikel 86 EG de Commissie toch een zelf-
standige grondslag voor optreden. De slotzin van artikel 86
lid 2 EG stelt als voorwaarde dat de toepassing van deze uit-
zondering de ontwikkeling van het handelsverkeer niet mag
beïnvloeden in een mate die strijdig is met het belang van de
Gemeenschap. In de literatuur is de vraag gesteld of de natio-
nale rechter wel in staat is om deze inschatting te maken en of
hiertoe niet veel eerder een beschikking van de Commissie ex
artikel 86 lid 3 EG geschikt is.
25
Als dit inderdaad aangenomen
moet worden, zoals ook AG Tizzano doet in diens conclusie
voor
Ferring,
26
dan zou de Commissie ook na
Ferring in ieder
geval nog altijd op basis van artikel 86 lid 3 EG kunnen bepa-
len of de uitzondering van artikel 86 lid 2 EG van toepassing is
16
HvJ EG 22 november 2001, zaak C-53/00, Jur. 2001, I-9067.
17 GvEA 27 februari 1997, zaak T-106/95,
Jur. 1997, II-229. Het Gerecht bevestigde
deze visie in het arrest van 10 mei 2000, zaak T-46/97, Jur. 2000 II-2125,
SIC/Commissie (het ging hier om het beroep van de hiervoor genoemde beschik-
king van de Commissie inzake de Portugese omroep).
18 Vgl. R. Barents, `Nieuwe ontwikkelingen in de rechtspraak en wetgeving over
staatssteun',
SEW 1999, nr. 12, p. 442-456.
19 R. Barents, `Uitspraken van het Hof van Justitie en het Gerecht van Eerste Aan-
leg',
EU-jurisprudentie Deel 2, 2001, Kluwer 2002, p. 111. Zie tevens P.J.G. Kapteyn
en P. VerLoren van Themaat,
Introduction to the law of the European Communities,
third edition, Kluwer International 1998, p. 934.
20 Conclusie van 19 maart 2002 in zaak C-280/00.
21 Conclusie van 30 april 2002 in zaak C-126/01.
22 Conclusies van 7 november 2002 in gevoegde zaken C-34/01 t/m C-38/01.
23 § 48 van de (tweede) conclusie van 14 januari 2003 in zaak 280/00.
24 Uiteraard is dit weer wel het geval indien andere bepalingen van het verdrag
op basis waarvan de Commissie kan optreden aan de orde zouden zijn.
25 P. Craig, G. De Búrca,
EU Law, third edition, Oxford University Press 2003,
p. 1163; A. Jones, B. Sufrin,
EC Competition Law, Oxford University Press 2001,
p. 470.
Mediaforum 2003-3
85
en zo dus nog een grondslag hebben om beleid te voeren. Dit
is echter bepaald geen uitgemaakte zaak.
27
AG Léger stelt in
zijn eerste conclusie voor de zaak
Altmark Trans GmbH dat het
Hof van Justitie in het
Ferring-arrest would appear to have rende-
red pointless the efforts taken by the competent authorities to define
Community policy in the area of public sector financing. Wanneer de
Ferring-jurisprudentie gehandhaafd blijft, dan zal de juridi-
sche status van de mededeling er niet duidelijker op worden.
In haar Verslag over de stand van de werkzaamheden in ver-
band met de richtsnoeren betreffende staatssteun en diensten
van algemeen economisch belang ten behoeve van de Europese
Raad in Kopenhagen, kondigt de Commissie aan dat in
afwachting van de arresten van het Hof in de zaken
Altmark
Trans GmbH en GEMO over het vraagstuk van de vergoedingen
voor de openbare dienst geen document kan worden uitge-
werkt dat voldoende rechtszekerheid biedt. Vermoedelijk zou
ook de mededeling nog wel even op de plank zijn blijven lig-
gen als het arrest
Ferring wat eerder zou zijn gewezen.
Toch kan niet zomaar worden geconcludeerd dat de mede-
deling nu helemaal in de lucht hangt. Immers, in gevallen
waarin op voorhand duidelijk is dat de financiering verder
gaat dan enkele compensatie van de kosten van publieke
dienstverlening, zijn de staatssteunregels van toepassing voor
wat betreft het bedrag van die overcompensatie. De Commis-
sie kan ten minste nog stellen dat haar bevoegdheid begint
waar volgens haar eigen mededeling artikel 86 lid 2 EG niet
meer van toepassing is.
De toepassing van de mededeling
door de Commissie
Inmiddels heeft de Commissie de mededeling al in een aan-
tal zaken toegepast. Bij beschikking van 13 februari 2002 oor-
deelde de Commissie over het voornemen van de Belgische
overheid tot steunverlening aan lokale televisiestations in de
Franse Gemeenschap in België.
28
Ook de voorgenomen wets-
wijziging met daarin de omschrijving van de openbare dienst-
verplichting van de lokale omroepen werd in dit verband
beoordeeld. Volgens de Commissie zijn de voorgenomen bet-
alingen in principe staatssteun zijn in de zin van artikel 87 lid
1 EG. Ondanks de geringe omvang en het beperkt bereik van
de betreffende omroepen is de Commissie van mening dat er
in elk geval potentieel effect op de handel tussen lidstaten uit-
gaat. De taakomschrijving van de omroepen is te ruim voor
toepasselijkheid van de cultuurexceptie van artikel 87 lid 3
onder d, zodat de beoordeling op grond van artikel 86 lid 2 EG
en de mededeling resteert. De Commissie vindt de omschrij-
ving van de openbare dienstverplichting vrij ruim nu deze
meer omvat dan de uitzending van uitsluitend lokale gebeur-
tenissen. Niettemin wordt de omschrijving aanvaard nu deze
wel beperkt is tot het verzorgen van programma's met het oog
op het verstrekken van informatie, het bieden van amuse-
ment, het bevorderen van de culturele ontwikkeling en de
permanente educatie. Ook de formele toewijzing van de ver-
plichting en het controlemechanisme voldoen aan de eisen
van de mededeling. De financiering is niet onevenredig, nu
deze slechts leidt tot onvermijdelijke marktverstoringen (ver-
lies van kijkers door concurrenten, concurrentie bij de inkoop
van programma's) en de kans op vermijdbare marktversto-
ringen gering is. De programma's zijn lokaal en zullen niet
gauw (inter)nationaal verkocht worden. De reclamemarkt
waarop deze omroepen actief zijn is eveneens lokaal.
Opvallend is dat de Commissie het ten tijde van de beschik-
king inmiddels gewezen
Ferring-arrest geheel links laat liggen
en de staatssteunregels ten volle toepast. Opvallend is ook dat
de Commissie weliswaar oordeelt, aan de hand van de mede-
deling, dat artikel 86 lid 2 EG in casu van toepassing is, maar
vervolgens niettemin de steun verenigbaar verklaart met de
gemeenschappelijke markt. Dit oordeel, dat naar zijn aard de
uitkomst is van een procedure ex artikel 88 EG, is bij toepasse-
lijkheid van artikel 86 lid 2 EG niet mogelijk. De beschikking
is mede interessant voor de Nederlandse lokale en regionale
omroepen; het lijkt er op dat deze in de visie van de Commis-
sie niet, of niet zonder meer, op grond van hun geringe bereik
kunnen ontsnappen aan de regels van staatssteun.
29
Wel kan
het (mogelijk) lokale karakter van de markten waarop de
omroepen actief zijn een ander oordeel rechtvaardigen dan in
het geval van nationale publieke omroepen.
Op 22 mei 2002 oordeelde de Commissie dat bij de financie-
ring van negen nieuwe digitale kanalen van de BBC geen spra-
ke was van staatssteun.
30
Na te hebben vastgesteld dat de
financiering in principe binnen de definitie van staatssteun
valt, concludeert de Commissie vervolgens aan de hand van de
mededeling dat de financiering slechts de kosten van de open-
bare dienstverlening compenseert en derhalve geen staats-
steun is. De plannen van de BBC vallen binnen haar wettelijke
taakomschrijving en zijn te beschouwen als diensten van alge-
meen economisch belang aldus de Commissie, nu het publie-
ke omroepen is toegestaan diensten te ontwikkelen die geen
`programma's' zijn in de traditionele zin (§ 34 Mededeling).
De Commissie heeft wel enige kritiek op de wijze van goed-
keuring van de plannen. De verantwoordelijke
Secretary of State
berichtte de BBC bij brief geen bezwaar te hebben tegen
de plannen, zonder dat er verder nog een formeel beschikking
of wetswijziging aan te pas kwam. De Commissie merkt hier-
over op:
However, the Commission regrets that the conditions of the entrust-
ment of the new digital channels haven't been precisely and clearly
defined in the relevant legal documents, being the Agreement and
the Charter, which describe the public service obligations of the BBC.
The Commission considers that a clear and precise identification of
the activities covered by the public service remit, and the conditions
under which such activities have to be performed, is important for
non-public service operators, so that they can plan their activities. A
formalisation of the letter of approval of 13 September 2001 in the
above mentioned legal documents would increase the transparency
of the activities covered by the public service remit of the BBC.
De Commissie concludeert tenslotte dat de financiering niet
onevenredig is ten opzichte van de openbare dienstverplich-
ting van de BBC, zodat geen sprake is van staatssteun. De
Commissie volgt hier dus wél de redenering in het
Ferring-
arrest. Nu de Britse overheid de voorgenomen maatregelen al
op 19 oktober 2001 had aangemeld, heeft de Commissie niette-
min over de zaak kunnen oordelen; achteraf kan geconclu-
deerd worden dat aanmelding bij de huidige stand van zaken
mogelijk overbodig was geweest. Overigens is kort na deze
beschikking bekend geworden dat de BBC samen met de com-
26 Zie voetnoot 45 bij deze conclusie.
27 In § 92 van diens eerste conclusie voor
Altmark Trans GmbH lijkt AG Léger
bijvoorbeeld te stellen dat art. 86 lid 3 EG alleen betrekking heeft op art. 86
lid 1 EG.
28
Beschikking van 13 februari 2002, Steunmaatregel 548/2001, C (2002) 446 fin.
29 Hoewel invloed op de handel tussen lidstaten in staatssteunzaken in de regel
snel wordt aangenomen, is deze invloed in dit verband toch niet altijd als een
vanzelfsprekendheid gezien, vgl. K. J.M. Mortelmans en M.Wezenbeek-Geu-
ke, a.w., 2.2.3.
30 Beschikking van 22 mei 2002, Steunmaatregel N 631/2001, C (2002) 1886 fin.
Mediaforum 2003-3
86
merciële satellietzender BskyB de zendvergunning verworven
heeft van de failliete zender ITV Digital, naar aanleiding waar-
van de vraag is gerezen in hoeverre dit nog verenigbaar is met
de publieke taakopdracht van de BBC.
31
De Commissie heeft een klacht in behandeling inzake de
financiering van de Griekse publieke omroep en kondigde in
juli 2002 aan de desbetreffende maatregelen te toetsen aan de
mededeling.
32
Bij persbericht van 21 januari 2003 maakte de
Commissie bekend dat zij een onderzoek opent naar de finan-
ciering door de Deense overheid van de publieke zender TV2
in de periode 1995-2002, nu de Commissie het voorlopige
standpunt inneemt dat hier sprake is van overcompensatie in
de zin van de mededeling.
33
Overigens illustreert ook deze
zaak dat de Commissie zich door het
Ferring-arrest niet uit het
veld heeft laten slaan.
Last but not least: ook de Holland Media
Groep heeft inmiddels bij de Commissie een klacht neer-
gelegd inzake de financiering van de publieke omroep in
Nederland.
Consequenties voor het Nederlandse
publieke bestel?
Welke implicaties heeft de mededeling en met name de drie
belangrijkste toetsingselementen (omschrijving en toewij-
zing van de publieke taak, toezicht, evenredigheid van de
financiering) nu voor het Nederlandse publieke bestel?
Omschrijving en toewijzing van de publieke taak
De, overigens pas in 2000 geïntroduceerde, algemene taak-
omschrijving van de publieke omroep in artikel 13c van de
Mediawet lijkt te voldoen aan de eisen van de mededeling. De
omschrijving van de in het derde lid van artikel 13c Mediawet
bedoelde neventaken lijkt nog door de beugel te kunnen, nu
de term `neventaken' is beperkt tot alternatieve wijze van aan-
bod en verspreiding van programmamateriaal en de medede-
ling (§ 34) accepteert dat de taakomschrijving ook diensten
omvat die geen programma's in traditionele zin zijn. Voor wat
betreft de in artikel 57a Mediawet bedoelde nevenactiviteiten
lijkt mij dat de omschrijving daarvan zich ten minste op de
rand bevindt van wat de mededeling acceptabel acht. Immers,
de mededeling vereist bij verruiming van de taakopdracht
met nieuwe diensten niet alleen een aanpassing van die
opdracht, maar ook een zo nauwkeurig mogelijke omschrij-
ving, mede ten behoeve van niet-overheidsbedrijven met het
oog op de planning van hun activiteiten. Dat het de Commis-
sie met dit vereiste ernst is, blijkt uit voornoemde beschikking
inzake de digitale televisie- en radiokanalen van de BBC.
Tegen deze achtergrond zijn bijvoorbeeld vraagtekens te
plaatsen bij de recente plannen van de publieke omroep inzake
het internet. Op 21 november 2001 schreef toenmalig Staats-
secretaris Van der Ploeg aan de Tweede Kamer extra geld ter
beschikking te willen stellen aan de publieke omroep voor
investeringen in de ontwikkeling van internetactiviteiten en
themakanalen.
34
Het zou hier gaan om neventaken in de zin
van artikel 13c lid 3 Mediawet, die uit de omroepmiddelen
mogen worden bekostigd.
35
Inmiddels zijn de plannen door de publieke omroep nader
uitgewerkt in het Gezamenlijk Plan Internet 2002 e.v. van 28
maart 2002.
36
Dit plan omschrijft de voorgenomen internet-
activiteiten in zeer algemene termen en niet uitputtend. Niet-
temin lijkt duidelijk dat onderdelen van het Gezamenlijk Plan
de definitie van `neventaken' uit de Mediawet, (verre) te buiten
gaan.
37
Zo wil de publieke omroep op het terrein van elektro-
nische programmagidsen (`EPG')
38
een `sterke concurrentie-
positie' opbouwen eventueel in samenwerking met de com-
merciële omroep (!), zijn er plannen voor o.a. `omroep-
overstijgende gezondheidssites' en ruim opgezette
`infotain-
ment' sites en wordt gesproken over aansluiting bij het initia-
tief van de TROS om `tegenwicht' te bieden aan commerciële
initiatieven op het gebied van entertainment en game sites,
opdat de publieke omroep ook op het gebied van amusement
een sterke positie op het web zal veroveren.
Voor zover deze activiteiten het begrip `neventaken' te bui-
ten gaan, zijn zij niet (of niet voldoende duidelijk) opgeno-
men in de omschrijving van de publieke taak, laat staan dat de
brief van de staatssecretaris als een formele beschikking dien-
aangaande kan worden aangemerkt. Dit is op zichzelf al in
strijd met de mededeling, zoals ook blijkt uit het standpunt
van de Commissie in de hiervoor geciteerde BBC beschikking.
Het alsnog in de officiële taakomschrijving opnemen van deze
activiteiten levert echter niet veel op wanneer daarmee een
`kennelijke fout' in de zin van de mededeling (§ 36) begaan
wordt. En de kans daarop is groot, nu de mededeling juist
e-commerce nadrukkelijk noemt als een activiteit waarvan
normaal niet redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze
voldoet aan, in de termen van het protocol, `de culturele, socia-
le en democratische behoeften van de samenleving'. Zoals
Kabel al opmerkte is `de vraag [...] helaas niet of de omroepen
iets moois moeten fabriceren op het web, maar of zij daar gelet
op hun publieke taak wat te zoeken hebben.'
39
Toezicht
Recentelijk heeft Hins in dit blad gewezen op de centrale rol
die in de Mediawet (in de artikelen 98a t/m 111) is toebedeeld
aan de Raad van Bestuur van de NOS bij de financiële controle
op de publieke omroepen.
40
Gezien aard en samenstelling van
deze Raad van Bestuur (de samenstelling daarvan wordt uit-
eindelijk door de publieke omroepen zelf bepaald) is de, mijns
inziens terechte, conclusie van Hins dat hiermee niet wordt
voldaan aan het in de mededeling gestelde vereiste van
onaf-
hankelijk toezicht. Een denkbare tegenwerping is dat het in
31 `Digitale tv-zender in handen BBC',
NRC Handelsblad, 4 juli 2002.
32 Antwoord van commissaris Bolkestein van 29 juli 2002 op een vraag vanuit
het Europees Parlement,
PbEG 2002, C 301 E/224. Een beschikking was op het
moment van het schrijven van dit artikel nog niet beschikbaar.
33 `State aid probe into possible overcompensation for Danish public service
broadcaster TV2', persbericht van 21 januari 2003, IP/03/91. Over de klacht van
HMG was op het moment van schrijven van dit artikel geen persbericht van de
Commissie voorhanden.
34
Kamerstukken II 2001-2002, 28 000 VIII, nr. 19. Zie ook `Omroepen krijgen 43
miljoen extra',
NRC Handelsblad 22 november 2001 en `Publieke omroep inves-
teert wel in onzeker internet',
NRC Handelsblad 23 november 2001.
35 Weliswaar stelt de staatssecretaris in deze brief dat de wettelijk geregelde
financiering uit de omroepmiddelen geen onderdeel is van de concurrentie-
toets, dit laat uiteraard de mogelijke toepassing van de staatssteunregels
onverlet.
36 Integraal beschikbaar op www.omroep.nl.
37 Ik merk nog op dat het Commissariaat van de Media in de Notitie Neventaken
Publieke Omroep 2002 bij de beoordeling van internetdiensten (§ 2.3) mijns
inziens uitgaat van een ruimere definitie van `neventaken' dan de Mediawet
zelf, nu het Commissariaat het vereiste dat het moet gaan om alternatieve wij-
zen van aanbod en verspreiding van programmamateriaal zonder wettelijke
basis en dus ten onrechte lijkt los te laten.
38 In dit verband kan ik niet nalaten te wijzen op het, gezien de saga rond de pro-
grammagegevens nogal saillante, detail dat het Gezamenlijk Plan de website
van
De Telegraaf aanhaalt en afbeeldt als illustratie voor de eigen plannen!
39 J. J.C. Kabel, `Publieke omroep op het web: oneerlijke overheidsconcurrentie?',
JAVI nr. 2, september 2002, p. 61-62.
40 A.W. Hins, `De NOS als boswachter',
Mediaforum 2002-7/8, p. 231.
Mediaforum 2003-3
87
deze paragraaf van de mededeling slechts gaat om toezicht op
de naleving van programmavoorschriften en kwaliteitsnor-
men, op welk terrein in Nederland het wel onafhankelijke
Commissariaat van de Media bevoegd is. Dit lijkt mij niet
overtuigend, niet alleen omdat deze aspecten mij moeilijk van
elkaar te scheiden lijken, maar ook omdat de financiële voor-
schriften evenzeer behoren tot `de formele bepalingen tussen
de overheid en de onderneming die met de uitvoering van die
dienst wordt belast', waarop het onafhankelijk toezicht vol-
gens de mededeling betrekking moet hebben. Overigens ver-
eist de Commissie in de hiervoor aangehaalde BBC beschik-
king een adequaat toezicht op het correct en volgens de regels
aanwenden van de steun.
Evenredigheid van de financiering
De mededeling stelt voorop dat de staatssteun niet meer
mag bedragen dan `de nettokosten van de openbare opdracht,
waarbij ook rekening wordt gehouden met andere rechtst-
reekse of indirecte inkomsten afkomstig van het vervullen van
de openbare dienst'. Een interessante vraag is of inkomsten uit
nevenactiviteiten hieronder vallen, nu die nevenactiviteiten
op grond van artikel 57a lid 1 onder b Mediawet immers aan de
hoofdtaak gerelateerd moeten zijn en op grond van artikel 57c
Mediawet ten goede moeten komen aan de publieke dienst-
verlening. Voeg daarbij artikel 109a Mediawet, dat de omroe-
pen in principe verplicht om het aan hen ter beschikking
gestelde geld voor zover dat de kosten van de publieke dienst-
verlening te boven gaat (overcompensatie?), te reserveren ten
behoeve van de publieke taak (en dit geld dus niet terugvloeit
naar de Staat). Voeg daarbij ook het gegeven dat de totale
omvang van de rijksomroepbijdrage vastligt. Ontstaat zo dan
niet het beeld van een gefixeerde en stijgende rijksomroepbij-
drage aan de publieke omroep als geheel, waarvan de omvang
niet wordt beïnvloed door `andere rechtstreekse of indirecte
inkomsten afkomstig van het vervullen van de openbare
dienst' in de zin van de mededeling? Dreigt hier niet in elk
geval in potentie het gevaar van een onvermijdelijke overcom-
pensatie van de publieke taak in de zin van de mededeling en
is de rijksomroepbijdrage daarmee niet een onevenredige
vorm van financiering?
Conclusie
Na een lange aanloop krijgen praktijk en beleid van de Com-
missie bij de toepassing van de staatssteunregels op de finan-
ciering van publieke omroepen in Europa een volwassen
omvang. De mededeling neemt hierbij uiteraard een cen-
trale plaats in. Weliswaar is de onzekerheid over de juridische
status van de mededeling naar aanleiding van het arrest
Ferring nog niet opgehelderd, de mededeling is ook bij die
onzekerheid een factor van wezenlijk belang en geeft bepaald
aanleiding de financiering van de Nederlandse publieke
omroep kritisch tegen het Europeesrechtelijke licht te houden
de Commissie is er tenslotte, op verzoek van HMG, al mee
bezig!
Mediaforum 2003-3
88
Rechtspraak
Van rechtspraak aangeduid met een
is bij het redactiesecretariaat schriftelijk een
kopie te bestellen. Kosten:
0,50 per pagina,
met een minimum van
7,- per bestelling.
Faxtoeslag
11,50. Prijzen zijn exclusief BTW.
Integraal in de Jurisprudentiebijlage:
J
EHRM 16 april 2002, Cola Est vs. Frankrijk,
NJCM-Bulletin 2003-1, p. 37-44 m. nt. A.Q.C. Tak
Privacy rechtspersonen · Art. 8 EVRM
In het licht van de hedendaagse omstandighe-
den moet art. 8 EVRM aldus worden geïnter-
preteerd dat onder bepaalde omstandigheden
ook rechtspersonen daaraan bescherming
kunnen ontlenen waar het betreft hun
bedrijfsruimten en -terreinen.
EHRM 17 december 2002, A vs. Verenigd
Koninkrijk,
www.echr.coe.int (appl. nr. 00035373/
97)
Belediging · Parlementaire onschend-
baarheid · Toegang tot de rechter
Tijdens een debat in het House of Commons
noemt de Conservatieve parlementariër
Michael Stern een vrouw met haar gezin met
naam en toenaam en adres als asociale huur-
ders. Dat komt in diverse kranten terecht met
foto van de vrouw. De vrouw wordt vervol-
gens bedreigd en bestookt met haatbrieven.
De zaak die de vrouw tegen Stern wil begin-
nen stuit op de parlementaire immuniteit. De
vrouw klaagt bij het EHRM dat haar recht op
toegang tot de rechter is geschonden. Het Hof
aanvaardt dat de parlementaire onschend-
baarheid een legitiem doel dient, de bescher-
ming van de vrijheid van meningsuiting en
de scheiding van de machten tussen wetgever
en rechter. Mede gezien de omstandigheid
dat de meeste lidstaten alsmede de parlemen-
taire vergadering van de Raad van Europa zelf
immuniteit toekennen aan parlementariërs
kan deze onschendbaarheid niet worden
gezien als een disproportionele inbreuk op
het recht op toegang tot de rechter.
EHRM 28 januari 2003, Peck vs. Verenigd
Koninkrijk,
www.echr.coe.int
(appl.
nr.
00044647/98)
Artikel 8 EVRM · Respect voor privé-leven
· Openbaarmaking foto's en beelden
Klager liep in augustus 1995 in zwaar depres-
sieve staat met een mes in zijn hand door het
centrum van Brentwood. Hij heeft daar
geprobeerd zelfmoord te plegen door zijn
polsen door te snijden. Zijn handelingen (met
uitzondering van zijn poging tot zelfmoord)
werden echter gefilmd door een bewakings-
camera van het Closed Circuit Television
(CCTV) systeem. De toezichthouder, die de
beelden op zijn scherm zag, waarschuwde
daarop de politie, die klager meenam naar het
bureau. Tegen klager werd geen aanklacht
ingediend. Vervolgens verschenen na oktober
1995 foto's van klager, afkomstig van het
CCTV-materiaal, in diverse kranten. Boven-
dien had de gemeenteraad van Brentwood
beelden van klager, afkomstig van het CCTV-
materiaal, afgestaan aan een lokale televisie-
zender en aan de BBC, die het materiaal ver-
werkte in het door 9.2 miljoen mensen
bekeken programma `Crime Beat'. Klager
meent dat door deze gang van zaken artikel 8
EVRM geschonden is, niet omdat hij door het
bewakingssysteem gefilmd is (dat had zijn
leven gered), maar omdat beelden van zijn
handelingen openbaar zijn gemaakt. Er is
volgens het Hof sprake van een ernstige
inmenging in klagers recht op respect voor
zijn privé-leven. Klager liep weliswaar over de
openbare weg, maar nam niet deel aan een
openbare samenkomst en was geen public
figure. Volgens het Hof is het algemeen aan-
vaard dat de audiovisuele media een veel gro-
tere impact hebben dan de geschreven media.
Tenslotte zijn de beelden van klager niet vol-
doende geanonimiseerd en hebben sommige
familieleden, vrienden en collega's hem her-
kend. Zijn handeling is openbaar gemaakt in
veel grotere mate dan hij redelijkerwijs had
kunnen voorzien. De inmenging kan niet
noodzakelijk worden geacht in een democra-
tische samenleving. Schending van artikel 8
EVRM. Ook artikel 13 EVRM is geschonden,
daar aan klager geen daadwerkelijk rechts-
middel ter beschikking stond.
EHRM 13 februari 2003, Çetin e.a. vs. Turkije,
www.echr.coe.int (appl. nr. 40160/98)
Artikel 10 EVRM · Publicatieverbod ·
Noodtoestand
Op 1 februari 1997 heeft de prefect van de
departementen waar de noodtoestand was
afgekondigd aan het dagblad Ülkede Gün-
dem een publicatieverbod opgelegd. Later
werd ook aan opvolgers van deze krant (diver-
se dag- en weekbladen) een dergelijk verbod
opgelegd. Klagers, destijds werkzaam als
journalist bij genoemd dagblad, menen dat
door deze gang van zaken artikel 10 EVRM
geschonden is. Het Hof in Straatsburg stelt
vast dat de Turkse wetgeving aangaande de
noodtoestand zeer ruim geformuleerd is en
aan de prefect van een gebied waar de nood-
toestand geldt zeer verstrekkende bevoegd-
heden toekent om publicatieverboden op te
leggen. Dergelijke preventieve beperkingen
zijn niet reeds op zichzelf in strijd met het
Verdrag, maar moet wel passen in een juri-
disch kader dat zeer strikt is voor wat betreft
de afbakening van het verbod en de effectivi-
teit van de rechterlijke controle tegen eventu-
eel misbruik. Het Hof constateert vervolgens
dat het handelen van de prefect in een gebied
waar de noodtoestand geldt, aan een dergelij-
ke rechterlijke controle ontsnapt. Verder is
het publicatieverbod niet gemotiveerd, zodat
onduidelijk is waarom het nu precies is opge-
legd. De beperking kan niet noodzakelijk
worden geacht in een democratische samenle-
ving. Schending van artikel 10 EVRM.
HvJ EG 6 februari 2003, NOS vs. Sena,
www.curia.eu.int (zaak C-245/00)
Naburige rechten · Billijke vergoeding
De Hoge Raad heeft bij arrest van 9 juni 2000
(zie
Mediaforum 2000-7/8, nr. 44 m.nt. D. J.G.
Visser) vragen van uitleg gesteld aan het Hof
van Justitie terzake van het begrip billijke
vergoeding in de richtlijn over naburige
rechten. De Hoge Raad vroeg onder meer of
het in art. 8 lid 2 gebezigde begrip `billijke
vergoeding' een communautair begrip is en
zo ja naar welke maatstaven de vergoeding
dient te worden vastgesteld. Het Hof van
Justitie oordeelt dat het begrip in alle lidsta-
ten op dezelfde wijze moet worden uitge-
legd en zo moet worden toegepast dat elke
lidstaat op zijn grondgebied de meest rele-
vante criteria vaststelt om er voor te zorgen
dat dit communautaire begrip wordt geëer-
biedigd. Het staat het Hof echter niet aan om
zelf de criteria voor een billijke vergoeding
vast te stellen of algemene en vooraf bepaal-
de grenzen te stellen voor de vaststelling
daarvan. Het door het Gerechtshof Den
Haag eerder in deze procedure voorgestelde
model is niet in strijd met enig beginsel van
het gemeenschapsrecht.
Hof Amsterdam 7 november 2002, XS4ALL vs.
Deutsche Bahn,
NJ 2003, 54
Bevel websitehouder te noemen · Verwij-
dering website · E-commerce richtlijn
Zie
Mediaforum 2003-1, nr. 6 m.nt. A.H. Ekker
Hof Arnhem 21 januari 2003, Buitenreclame vs.
Gemeente Ede,
www.rechtspraak.nl (LJN-nr.
AF3647)
Buitenreclame
De gemeente is gerechtigd aan één bedrijf
exclusief het recht te gunnen tot het plaatsen
en exploiteren van driehoeksreclameborden
in de gemeente op basis van een overeen-
komst. De gemeente is daarbij gehouden aan
de algemene beginselen van behoorlijk
bestuur. De gemeente heeft na een voldoende
zorgvuldige belangenafweging gekozen voor
een concurrent van appellante met als argu-
ment dat diens stalen borden beter pasten bij
de andere objecten in de openbare ruimten.
Gelet op de ruime mate van beleidsvrijheid en
de gevolgde procedure kan niet worden
gezegd dat de gemeente onrechtmatig heeft
gehandeld jegens appellante.
Hof 's-Gravenhage 15 november 2002 , NJ 2003, 23,
nr. 13 m.nt. A.H. Ekker
J
IP-adres
·
Opsporingsbevoegdheden
politie · Artikel 8 EVRM
Hoger beroep in een kinderpornozaak. De
advocaat van de verdachte voert als verweer
aan de onrechtmatige verkrijging van het IP-
adres en daarmee besmetting van het verder
verkregen bewijs. Het hof overweegt dat de
politie ter verkrijging van het IP-adres van de
computer van de verdachte, waarin kinder-
pornografisch materiaal was opgeslagen,
heeft gehandeld op basis van artikel 2 Politie-
wet en de algemene opsporingsbevoegdheid
van artikel 141 Sr. Het door een particulier
naar aanleiding van een verzoek van de poli-
tie vrijwillig aan deze verstrekken van een IP-
onder redactie van
Laurens Dragstra, Lars Huisman, Annetje Ottow en Gerard Schuijt
Met medewerking van Willemijn Heeringa
D o c u m e n t a t i e
Mediaforum 2003-3
89
adres van een computer waarmee men verbin-
ding heeft, is op zich niet onrechtmatig.
Omdat de verdachte zich onder een IP-adres
zonder enige beveiliging publiek heeft gema-
nifesteerd, is de bekendmaking aan de politie
van het IP-adres door een surfende particulier
nadat de politie daarom had gevraagd, niet
meer dan een zeer beperkte inbreuk van zijn
persoonlijke levenssfeer. De grondslag van
artikel 2 Politiewet en de algemene opspo-
ringsbevoegdheden is voor deze zeer beperk-
te inbreuk toereikend en artikel 8 EVRM is
niet geschonden. Veroordeling verdachte.
Hof 's-Gravenhage 18 november 2002 (El Moum-
ni),
NJ 2003, 24, nr. 14 m.nt. A. J. Nieuwenhuis
J
Discriminerende belediging · Vrijheid
van godsdienst
Zie
Mediaforum 2003-1, p. 22
Rb. Amsterdam 4 september 2002, Uitgevers &
Freelancers vs. Knipselkranten,
AMI 2003-1,
nr. 2 m. nt. J.H. Spoor
Elektronische knipseldiensten · Auteurs-
recht · Databankenrecht
Zie
Mediaforum 2002-10, p. 323
Rb. Amsterdam 14 januari 2003, SBS vs. CvdM,
www.rechtspraak.nl (LJN-nr. AF3259)
Sluikreclame · Art. 71g Mediawet · Art. 52j
Mediabesluit
Aan het eind van het programma Breekijzer
werd een tekst in beeld gebracht met een tele-
foonnummer van de Breekijzer Hulplijn,
waarbij een voice over te horen was met o.m.
`Wilt u juridisch advies over uw problemen,
dan kunt u bellen met de Breekijzer Hulplijn;
deze service kost
1,50 per minuut'. Het Com-
missariaat voor de Media heeft SBS daarvoor
een boete opgelegd van
20.000,-. De Rb. ver-
werpt het beroep van SBS dat art. 52j Mb
onverbindend is door te verwijzen naar de
beslissing van ABRvS 8 januari 2003 (zie
Mediaforum 2003-2, p. 57). Over de mededeling
oordeelt de rechter dat ook zelfpromotie als
reclame dient te worden aangemerkt. Dat SBS
niet het oogmerk had om reclame te maken
doet daar niet aan af. De uiting was geschikt
om een positieve houding van het publiek ten
opzichte van Breekijzer Hulplijn en de door
haar aangeboden diensten te bevorderen.
Rb. Haarlem 5 december 2002, IJmond TV vs.
Commissariaat voor de Media,
nr. 15 m.nt. J.
van den Beukel
J
Mediawet · Doorgifte programma's ·
Bevoegdheid Commissariaat
De rechtbank overweegt dat de wetgever bij
de totstandkoming van artikel 82k, lid 2
Mediawet het primaat heeft willen leggen bij
de programmaraden en de handhavings-
ruimte van het Commissariaat voor de Media
heeft willen beperken tot die gevallen waarin
door de aanbieder van het omroepnetwerk
van het advies van de programmaraad wordt
afgeweken. Deze situatie doet zich niet voor.
Rb. Haarlem 16 januari 2003 (strafzaak),
www.rechtspraak.nl (LJN-nr. AF3654)
Decodering televisiezender
De politierechter veroordeelt een uitgever
van een computertijdschrift, die in zijn tijd-
schrift een artikel heeft gepubliceerd waarin
stapsgewijs wordt beschreven hoe een geco-
deerde televisiezender is te kraken opdat
deze op de computer kan worden ontvangen
zonder abonnementsgeld te betalen. Hier-
mee heeft verdachte haar lezers op zijn
minst op het idee gebracht, zo niet aange-
spoord om op onrechtmatige wijze van de
diensten van de televisiezender gebruik te
maken.
Rb. Haarlem 29 januari 2003, Lens vs. Tema &
Oosterwijk,
www.rechtspraak.nl
(LJN-nr.
AF3492)
Belediging · Rectificatie
Artikel over eiser in het door gedaagde uit-
gegeven blad
Johan. Daarin wordt gezegd dat
eiser zaakwaarnemer is geweest van voetbal-
ler Rick Hilgers en dat deze door hem zijn
interesse in voetbal verloren heeft. Dat is
door het blad gerectificeerd, omdat eiser
geen zaakwaarnemer van genoemde voet-
baller is geweest. De thans geëiste rectificatie
wordt afgewezen nu het belang er aan is
komen te vervallen. Al is de woordelijke
tekst van de reeds geplaatste rectificatie niet
gelijkluidend aan de geëiste rectificatie, de
strekking ervan is nagenoeg dezelfde. Met
betrekking tot de gevorderde verklaring
voor recht oordeelt de Rb. dat het blad
onrechtmatig heeft gehandeld gelet op het
beledigende van de mededeling die het blad
had kunnen en moeten verifiëren.
Rb. Maastricht 3 februari 2003, LBG-Beheer B.V.
& BTC Telecom Center vs. Vodafone Libertel
NV,
www.rechtspraak.nl (LJN-nr. AF4136)
Telecommunicatie · Agentuurovereen-
komst · Benaderen abonnees
Het is in strijd met de regels en in strijd met
de redelijkheid en billijkheid, welke partijen
jegens elkaar in acht dienen te nemen als
Libertel gebruik maakt van gegevens die
haar door BTC worden verstrekt, teneinde
tot afwikkelen van een abonnementsaan-
vraag te geraken, doorjuist die (potentiële)
klanten rechtstreeks te benaderen om niet
bij BTC doch bij Libertel te contracteren.
Ook is daarmee in strijd, indien Libertel
klanten, die door BTC zijn aangebracht en
ten aanzien waarvan BTC nog provisie zou
kunnen realiseren in verband met een moge-
lijke verlenging van een afgesloten abonne-
ment, rechtstreeks zou benaderen om die
klanten te bewegen rechtstreeks met haar
zaken te doen. Immers in die gevallen is de
bemiddeling nog niet afgerond. Een derge-
lijke strijdigheid is ook aanwezig, indien
Libertel afhandeling van aanvragen voor een
abonnement bewust vertraagt, teneinde de
klant van BTC in die zin te bewerken, dat hij
rechtstreeks zaken doet met Libertel. BTC
wordt toegelaten tot het leveren van bewijs.
Zie tevens Rb. Maastricht 6 februari 2002,
www.rechtspraak.nl (LJN-nr. AF4165) en Rb.
Maastricht 29 januari 2003, www.recht-
spraak.nl (LJN-nr. AF4168).
Vzr. Rb. Amsterdam 9 januari 2003, Brown vs.
RTL
Onrechtmatige uitingen · Portretrecht
Mededelingen van een gast, de journalist Bart
Middelburg, in het tv-programma Barend &
Van Dorp over eisers vroegere betrokkenheid
bij het criminele circuit. Het gesprek ging
niet over eiser, maar over Middelburgs boek
over misdaadjournalistiek en eiser kwam
slechts zijdelings ter sprake waarbij geen din-
gen zijn gezegd die in het verleden niet al
volop en veelvuldig gezegd zijn. Het feit dat
eiser tijdens de uitzending enige seconden is
getoond maakt dit niet anders nu het portret
van eiser al langer bekend is bij het publiek
met name door zijn optreden als tv-presenta-
tor. De programmamakers hebben niet
onrechtmatig gehandeld jegens eiser.
Vzr. Rb. Amsterdam 23 januari 2003, Van Paridon
vs. Felicitas
Auteursrecht · Plagiaat · Recall · Rectifi-
catie
Van Paridon heeft het boek
Op vakantie met
baby's, peuters en kleuters geschreven en geeft
twee keer per jaar een blad over ditzelfde
onderwerp uit. Felicitas is de uitgever van de
bladen
Groter Groeien, Ouders van Nu en Kinde-
ren. In januari heeft Felicitas de bijlage Gezin
en Vakantie meegesealed bij deze tijdschrif-
ten. In deze bijlage zijn op 10 pagina's delen
van door Van Paridon geschreven teksten
overgenomen. Het staat vast dat er sprake is
van auteursrechtinbreuk. De Vzr. wijst de
gevorderde recall van de bijlage toe, waar
Felicitas echter niet aan hoeft te voldoen
indien zij
25.000,- betaalt. De gevorderde
rectificatie wordt beperkt toegewezen;
alleen plaatsing in de drie gewraakte tijd-
schriften zelf bevolen.
Vzr. Rb. Amsterdam 10 februari 2003, Regionale
Omroep Noord-Holland vs. UPC,
www.recht-
spraak.nl (LJN-nr. AF4272)
Toegang tot de kabel · Advies Program-
maraad · Must carry-regel
De Algemene Programmaraad is er vanuit
gegaan dat de voorgenomen fusie tussen
AT5 en RTVNH doorgang zou vinden en
heeft op basis daarvan gezamenlijk een
must-carry kanaal toegekend. Alleen al bij
wijze van ordemaatregel moet vastgehou-
den worden aan het advies op basis van de
veronderstelde fusie totdat een nieuw te
geven advies is tot stand gekomen. Gelet op
het aanmerkelijke publieke belang van de
aangesloten kijkers dient het belang van
AT5 daaraan ondergeschikt te worden
gemaakt. De kortgeding rechter dient zich
in een geval als dit uiterst terughoudend op
te treden en in het bijzonder niet op de stoel
van de programmaraad te gaan zitten zolang
daarvoor niet een dringende noodzaak op
het vlak van openbare orde of goede zeden
aanwezig is.
Vzr. Rb. Arnhem 3 december 2002, Jan Pieter Bal-
kenende vs. Stichting Liever,
KG 2003, 20
Domeinnaam · Onrechtmatige daad
Zie
Mediaforum 2003-2, nr. 9 m.nt. A. Tsout-
sanis
Vzr. Rb. Arnhem 27 januari 2003, De Lotto vs.
Ladbrokes,
nr. 16 m.nt. K. J. M. Mortelmans
J
Gokken op Internet · Bevoegdheid · Toe-
passelijk recht
Aan De Lotto zijn, als enige in Nederland,
vergunningen verleend voor het organiseren
van lotto's, sportprijsvragen en instantlote-
rijen. Het Engelse Ladbrokes biedt via haar
website www.ladbrokes.com de mogelijk-
heid om deel te nemen aan diverse, sportge-
relateerde, kansspelen. De Lotto vordert dat
Ladbrokes wordt geboden het aan Neder-
landse ingezetenen in Nederland onmogelijk
te maken deel te nemen aan bepaalde kans-
spelen. De Vzr. is op grond van de EEX-veror-
dening bevoegd kennis te nemen van de vor-
dering, omdat het schadebrengende feit zich
mede voordoet in Arnhem. Nederlands recht
is van toepassing op grond van de Wet Con-
flictenrecht Onrechtmatige Daad. Nu Lad-
brokes geen vergunning heeft voor de litigi-
euze gokdiensten, handelt zij in strijd met
artikel 1 Wet op de Kansspelen. Deze bepa-
ling strekt niet tot bescherming van het
belang van De Lotto. Toch handelt Ladbrokes
onrechtmatig jegens haar, nu zij zich een
substantiële voorsprong heeft verschaft op
De Lotto die immers aan veel meer eisen
moet voldoen. De vordering van De Lotto
wordt toegewezen.
Vzr. Rb. Haarlem 7 februari 2003, Vishandelaren
vs. Gooi- & Eemlander,
www.rechtspraak.nl
(LJN-nr. AF4133)
Rectificatie
Publicatie in de Gooi- en Eemlander over vis-
handelaren in Bunschoten-Spakenburg die
cocaïne zouden verstrekken aan kinderen.
De krant heeft op eigen initiatief in een vol-
gende publicatie verduidelijkt dat het gaat
om visfileerbedrijven en niet om de
vis(detail)handel. Nu redelijkerwijze niet
kan worden volgehouden dat het gewraakte
artikel (mede) betrekking heeft op de vishan-
delaren en voorzover daaromtrent onduide-
lijkheid mocht zijn ontstaan, heeft de krant
reeds voldoende gerectificeerd. Gevraagde
rectificatie geweigerd.
Vzr. Rb. Rotterdam 29 november 2002, Dutchtone
e.a. vs. OPTA,
nr. 17 m.nt. A.T. Ottow
J
Telecommunicatie · Bevoegdheid OPTA ·
Mobiele terminatingtarieven
Zie
Mediaforum 2002-2, p. 56
Vzr. Rb. Rotterdam 5 december 2002, Netwise vs.
NTS,
KG 2003, 15, nr. 18 m.nt. M. Voulon
J
Spam · Voorwaarden website
Zie
Mediaforum 2003-2, p. 56
Vzr. Rb. Rotterdam 20 januari 2003, Veronica vs.
Staatssecretaris EZ,
www.rechtspraak.nl (LJN-
nr. AF3135)
Frequentiebesluit · Verdeling frequen-
ties commerciële omroepen · Bekendma-
king
Veronica maakt bezwaar tegen de Bekend-
making van 24 december 2002 omdat daarin
geen termijn wordt genoemd waarvoor de
vergunning wordt verleend noch een
ingangsdatum. De bekendmaking is niet in
overeenstemming met de uitspraak van de
Vzr. van 11 oktober 2002 (zie
Mediaforum
2002-11/12, p. 361). De Vzr. bepaalt dat de
Staatssecretaris de in de bekendmaking van
24 december 2002 bedoelde vergunningen
met ingang van 1 juni 2003 in gebruik dient
te geven voor een periode van acht jaar.
Vzr. Rb. Zutphen 20 december 2002, Bolletje vs.
Tempels, KG 2003, 26
Aantasting van eer en goede naam ·
Onrechtmatige uitlatingen
Zie
Mediaforum 2003-2, p. 56
Ktr. Rb. Zutphen 14 november 2002, X vs. Y,
www.rechtspraak.nl (LJN-nr. AF1078)
Belediging · Aansprakelijkheid radio-
zender
Radiozender wordt gedagvaard wegens uit-
latingen van diskjockey in een door produc-
tiebedrijf geproduceerd programma. De
diskjockey leest e-mails voor van luisteraars
over een diskjockey van een discotheek, die
de presentator van de radiozender imiteert
en in een kwaad daglicht stelt. Dagvaarding
tegen de radiozender is niet ontvankelijk
omdat hij geen zeggenschap heeft over de
diskjockey die niet bij hem maar bij de pro-
ducent in dienst is. Overigens zijn de uitla-
tingen niet beledigend gezien het gedrag en
optreden van de discotheek-diskjockey.
ABRvS 21 augustus 2002, Oranje vs. Minister
van Justitie,
Ars Aequi 2003-1, p. 37-42 m. nt.
L. J.A. Damen; ook AB 2003, 42 m.nt. P. J. Stolk
Art. 11 WOB · Intern beraad · Aangifte
tegen J. Zorreguieta
Zie
Mediaforum 2002-10, p. 324
ABRvS 15 januari 2003, X vs. Minister van justi-
tie,
www.rechtspraak.nl (LJN-nr. AF2907)
WOB · Privacy
Het recht van openbaarmaking ingevolgde de
WOB dient uitsluitend het publieke belang
van een goede en democratische bestuursvoe-
ring. Daarom kan ten aanzien van de open-
baarheid geen onderscheid worden gemaakt
naar gelang de persoon of de oogmerken van
de verzoeker. Bij de belangenafweging op
grond van artikel 10, tweede lid en onder e en
g worden dan ook betrokken het algemene of
publieke belang bij openbaarmaking van de
gevraagde informatie en de door de relatieve
weigeringsgronden te beschermen belangen,
maar niet het specifieke belang van de verzoe-
ker. De weigering tot inzage in processen-ver-
baal inzak een aangifte van smaad door appel-
lant was overigens niet terecht. Niet valt in te
zien dat door de openbaarmaking afbreuk
wordt gedaan aan de persoonlijke levenssfeer
van betrokkenen.
CBB 8 januari 2003, KPN Telecom vs. Denda,
www.rechtspraak.nl (LJN-nr. AF2794)
Telecommunicatie · Prejudiciële vraag
HvJ EG · Abonneegegevens
Het CBB verzoekt het HvJ EG antwoord te
geven op de vraag of onder `relevante infor-
matie' in artikel 6, lid 3 van Richtlijn
98/10/EG tevens andere gegevens dan de
NAW-gegevens dienen te worden verstrekt
waarover de organisaties (in casu KPN Tele-
com) beschikken, zoals extra vermelding van
een beroep, van een andere naam, in een
andere gemeente of van mobiele telefoon-
nummers. Daarnaast wordt de vraag gesteld
welke vergoeding tegenover de verstrekking
dient te staan. Dienen slechts de marginale
kosten te worden vergoed voor de verstrek-
king van de NAW-gegevens en voor de ver-
strekking van andere gegevens een vergoe-
ding die strekt tot dekking van de kosten,
waarvan de verstrekker van deze gegevens
aantoont dat hij deze heeft gemaakt om de
gegevens te verkrijgen c.q. te verstrekken?
Arbitragehof 6 november 2002, Belgische staat vs.
Franse Gemeenschap,
nr. 19 m. nt. P. Valcke
J
Art. 35 en 127 Belgische Grondwet ·
Omroepdiensten
Antwoord op de prejudiciële vraag van de
Raad van State inzake het geschil tussen de
Belgische staat en de Franse Gemeenschap
inzake art. 19
quater van het decreet van de
Franse Gemeenschap van 17 juli 1987 over de
audiovisuele sector. De vraag was of dit arti-
kel de artikelen 35 en 127 van de Grondwet
en artikel 4 lid 6 van de bijzondere hervor-
mingswet schendt voorzover het artikel
bepaalt dat de Franse Gemeenschap vergun-
ning kan verlenen voor andere diensten via
de kabel dan de radio- en televisieprogram-
ma's die bestemd zijn voor het publiek in het
algemeen of een deel ervan, dus ook o.m.
voor diensten op individuele aanvraag en
interactieve diensten. De Belgische staat
stelde zich op het standpunt dat de Franse
Gemeenschap uitsluitend bevoegdheid toe-
komt met betrekking tot de omroepdien-
sten. Uit het feit dat het technische aspect
van de uitzending van een programma niet
bepalend kan zijn voor de gemeenschapsbe-
voegdheid en dat door het individuele ver-
zoek op zich geen afbreuk wordt gedaan aan
de algemene bestemming van de program-
ma's indien die voor het publiek of voor een
deel ervan zijn bestemd, vloeit voort dat arti-
kel 19
quater niet in strijd is met de grondwet
indien het betrekking heeft op diensten die
voor het publiek in het algemeen bestemde
informatiegegevens verstrekken.
Binnenland
Herverdeling radiofrequenties
Bij brief van 12 februari 2003 hebben de staats-
secretarissen Van Leeuwen (OCW) en Wijn
(EZ) de Tweede Kamer geïnformeerd over het
advies van de onafhankelijke adviescommis-
sie over de uitwerking van de vergelijkende
toets voor de verdeling van commerciële
radiofrequenties. Met het advies van de com-
missie, dat is uitgebracht op 3 februari 2003, is
volgens de beide bewindslieden een systema-
tiek tot stand te brengen die een adequate
basis biedt om de vergelijkende toets te gaan
uitvoeren. In het eerste deel van de brief wor-
den de verschillende onderdelen van het
advies besproken. Het betreft hier opmerkin-
gen over de programmatische/inhoudelijke
toetsing, over de bedrijfsplantoetsing, over
beperkingen die worden gesteld aan een com-
binatie van biedingen, de voor- en nadelen
van het eenmalig gesloten bodsysteem en de
verdere werkwijze. Vervolgens geven de
bewindslieden een algemene beschrijving van
de systematiek van de vergelijkende toets na
het advies van de commissie. Hierin is onder
andere te lezen dat de aanvragers voor de vier
ongeclausuleerde kavels uitsluitend worden
getoetst op hun bedrijfsplan. Bij de (vijf)
geclausuleerde landelijke kavels en de niet-
landelijke kavels worden zowel de program-
matische voornemens als het bedrijfsplan
getoetst. Door middel van een globaal waar-
deringssysteem wordt onderscheid gemaakt
tussen de aanvragers. Een aanvrager die een
Mediaforum 2003-3
90
Mediaforum 2003-3
91
min (-) krijgt voor zijn bedrijfsplan of pro-
grammatische voornemens wordt reeds om
die reden een vergunning geweigerd. Aanvra-
gers voor ongeclausuleerde kavels kunnen
daarnaast een nul (0) of een plus (+) scoren
voor hun bedrijfsplan. Aanvragers voor
geclausuleerde kavels een niet-landelijke
kavels krijgen voor hun programmatische
voornemens en hun bedrijfsplan een afzon-
derlijke beoordeling (0 of +), zodat hun eind-
waardering 00, 0+, +0 of ++ is. Vervolgens
wordt tussen alle aanvragers een rangorde
vastgesteld. Tussen aanvragers met dezelfde
eindwaardering zal de rangorde worden vast-
gesteld aan de hand van het uitgebrachte
financiële bod. Is ook dit gelijk, dan volgt een
loting. Na vaststelling van de rangorde volgt
de toewijzing van de kavels. Aan het einde van
de brief gaan de bewindslieden nog in op een
uitspraak van de voorzieningenrechter te Rot-
terdam d.d. 20 januari 2003 (zie elders in deze
rubriek onder `rechtspraak'). Deze bepaalde
dat aan de bekendmaking van 24 december
2003 (zie
Mediaforum 2003-2, p.57) dient te
worden toegevoegd dat de vergunningen per
1 juni 2003 voor een periode van 8 jaar in
gebruik zullen worden gegeven. De bewinds-
lieden geven aan deze aanpassing op korte
termijn te zullen realiseren. Tevens zullen zij
een nadere aanvangsdatum van de uitgifte-
procedure bepalen. Die zou op 3 maart 2003
moeten worden gesteld.
Kamerstukken II 2002/03, 24 095, nr. 119.
Uitzendrechten eredivisie
Het Commissariaat voor de Media heeft
getoetst of de NOS en de STER bij het verwer-
ven van de uitzendrechten van eredivisie-
wedstrijden hebben gehandeld in overeen-
stemming
met
de
Mediawet,
het
Mediabesluit en de statuten van de STER.
Over dit oordeel heeft staatssecretaris Van
Leeuwen (OCW) op 20 januari 2003 een brief
aan de Tweede Kamer gestuurd. In de brief is
te lezen dat bij de biedingsprocedure (in
2000) voor de uitzendrechten van de eredivi-
siewedstrijden door de Eredivisie NV en de
clubs aan geïnteresseerde partijen kenbaar is
gemaakt dat naast een financiële vergoeding
ook een pakket aan diensten van zendge-
machtigden werd gevraagd. De NOS heeft
vervolgens, als geïnteresseerde partij, een
bod gedaan en tevens de STER verzocht om
het gevraagde pakket van diensten te leve-
ren. Hierop heeft de STER op 16 april 2002
een overeenkomst gesloten met de Eredivisie
NV. De overeenkomst hield in dat aan de Ere-
divisie NV en haar officiële partners per voet-
balseizoen zendtijd ter beschikking werd
gesteld. Het Commissariaat is van mening
dat de NOS en de STER voldoende hebben
kunnen onderbouwen dat zij overeenkom-
stig hun taken en doelstellingen hebben
gehandeld. Artikel 26 lid 1 Mw verbiedt de
STER niet om in bijzondere gevallen om niet
zendtijd ter beschikking te stellen. De dien-
sten van de STER hebben het mogelijk
gemaakt dat de NOS de uitzendrechten van
de samenvattingen van de eredivisiewedstrij-
den heeft verworven. Hiermee is de NOS in
de gelegenheid gesteld te voldoen aan haar
wettelijke taakopdracht (artikel 16 lid 1 sub d
Mb). De grote nieuws- en amusementswaar-
de van de sport speelt hierbij een grote rol.
Tenslotte geldt dat de STER bij het aanbie-
den van het dienstenpakket een aantal voor-
waarden heeft bedongen, welke waarborgen
dat de reguliere reclamebestedingen niet zul-
len afnemen. De ter beschikking gestelde
zendtijd mag niet worden gebruikt voor
reguliere campagnes en bovendien geldt dat
de reclameboodschappen die in deze zend-
tijd worden uitgezonden duidelijk te onder-
scheiden moeten zijn van de overige regulie-
re
reclameboodschappen.
Aan
beide
voorwaarden is ook daadwerkelijk voldaan.
Kamerstukken II 2002/03, 28 600 VIII, nr. 114.
T-DAB vergunning voor de NOS
Bij besluit van 15 januari 2003 is aan de NOS
een vergunning verleend voor het gebruik
van frequentieruimte ten behoeve van T-
DAB (digitale radio). T-DAB staat voor Terre-
strial Digital Audio Broadcasting en is een
systeem van aardse digitale omroeptechnolo-
gie, gebaseerd op de standaard ETSI 300 401.
De vergunning treedt in werking op 1 febru-
ari 2003 en geldt tot en met 31 augustus 2010.
Stcrt. 2003, 16, p. 8.
Reprorecht
Bij koninklijk besluit van 14 januari 2003 is
bepaald dat de Wet van 28 maart 2002 tot
wijziging van de Auteurswet 1912 inzake het
reprografisch verveelvoudigen (zie
Mediafo-
rum 2002-6, p. 217) in werking treedt met
ingang van 1 februari 2003. Het koninklijk
besluit regelt verder de inwerkingtreding
van een tweetal algemene maatregelen van
bestuur. Het betreft hier het Besluit van 27
november 2002, houdende vaststelling van
de vergoeding voor reprografisch verveel-
voudigen en vaststelling van de vrijstelling
van de opgaveplicht en het Besluit reprogra-
fisch verveelvoudigen. Deze AMvB's treden
eveneens per 1 februari 2003 in werking.
Stb. 2002, 574 en 575; Stb. 2003, 21.
Visumverlening journalisten ex-Joego-
slavië
De kamerleden De Graaf en Bakker (D66),
alsmede de leden Koenders en Van Oven
(PvdA) hebben schriftelijke vragen gesteld
over problemen met de verstrekking van visa
aan journalisten uit voormalig Joegoslavië
die verslag willen doen van het Joegoslavië-
Tribunaal.
Minister
De
Hoop-Scheffer
(BuZa) geeft in zijn antwoorden aan dat hij
van mening is dat Nederland dergelijke
journalisten zo veel mogelijk moet facilite-
ren. Om deze reden wordt doorgaans op
visumaanvragen voor kort verblijf van jour-
nalisten uit ex-Joegoslavië reeds binnen
enkele dagen beslist. Er hebben zich inder-
daad problemen voorgedaan met een Bosni-
sche journalist. Deze diende een machtiging
tot voorlopig verblijf aan te vragen, omdat
hij langer dan drie maanden in Nederland
verbleef. De betrokken journalist heeft
inmiddels een mvv-aanvraag ingediend en
de mvv is hem korte tijd later verleend. Ter-
wijl de aanvraag in behandeling was, is hem
een visum voor vier dagen met territoriale
geldigheid (tot de Benelux) verstrekt. De
minister vindt dat Nederland alles in het
werk heeft gesteld om het voor journalisten
uit voormalig Joegoslavië mogelijk te maken
verslag te doen van het Joegoslavië-Tribu-
naal. Hij betreurt het dat door vragenstellers
en betrokkenen kwalificaties als `schijnbare
willekeur' en `censuur' zijn gebruikt.
Aanhangsel Handelingen II 2002/03, nr. 614 en 615.
Afluisteren computercommunicatie
In antwoord op schriftelijke vragen van het
kamerlid De Wit (SP) bevestigt minister
Donner van Justitie dat hij kennis heeft
genomen van een artikel in de Washington
Post, waarin te lezen is dat het Amerikaanse
Information Awareness Office is begonnen
met de ontwikkeling van een mondiaal sys-
teem voor het afluisteren van computercom-
municatie. De regering beschikt volgens de
bewindsman echter niet over gegevens hier-
omtrent, anders dan uit de media. Het sys-
teem zal gebruikt worden om de inhoud van
`data warehouses' en via netwerken aange-
sloten computers te controleren op mogelij-
ke aanwijzingen voor terroristische dreigin-
gen. De Nederlandse overheid is in elk geval
niet van plan van door dit systeem vergaarde
informatie gebruik te maken. Tenslotte
meldt de bewindsman dat de effecten van
het systeem op de bescherming van privé-
gegevens van burgers niet in te schatten zijn.
Ook weet hij niet of er een verband bestaat
tussen het Echelon afluistersysteem en het
systeem van het Information Awareness
Office.
Aanhangsel Handelingen II 2002/03, nr. 669.
Steun van Bedrijfsfonds voor de Pers
Het Bedrijfsfonds voor de Pers heeft besloten
om financiële steun toe te kennen aan
Katholiek Nieuwsblad. Een bedrag van
340.648,- wordt beschikbaar gesteld om
een abonneewervingsactie uit te voeren. Het
besluit om de uitkering te verstrekken is
gebaseerd op artikel 130 lid 4 Mediawet.
Stcrt. 2003, 17, p. 20.
Agenda
IViR International Copyright Law Sum-
mer Course 7-12 juli 2003, De Rode Hoed,
Keizersgracht 102, Amsterdam, Nederland.
Docenten: dr. D. Gervais, dr. L. Guibault, prof.
P.B. Hugenholtz, prof. Th. de Boer, Ms. Perl-
mutter, prof. P. Jaszi, prof. V. Korah.
Inhoud:
alle belangrijke aspecten van het auteurs-
recht
Doelgroepen: advocaten, adviseurs en
andere personen met een (beroepsmatig)
belang bij het auteursrecht gebied.
Onder-
wijstaal: Engels Prijs:
2,800,- inclusief cur-
sus materiaal, zes lunches, welkomst diner
en sluiting receptie.
Inlichtingen/registratie:
Instituut voor Informatierecht, Ms. Anja
Dobbelsteen, tel. 020-5253406, fax: 020-
5253033,
email:
ivirAivir.nl,
website:
http://www.ivir.nl
Expert meeting `Media in dynamische
interactie met overheid, markt en bur-
gers'.
Het Studiegenootschap Canada, Jean Mon-
net European Centre of Excellence `Europe-
an Centre for the Interdisciplinary Assess-
ment of Initiatives for Public Governance',
de Katholieke Universiteit Nijmegen en
Universiteit Antwerpen, 28 maart 2003; loca-
tie: Universiteit Antwerpen (UFSIA), Hof
van Lierse, Prinsstraat 13, 2000 Antwerpen.
Sprekers: Jo Bardoel, Petty Bozonelos, Leen
d'Haenens, Per Jauert, Lou Lichtenberg, Bart
Pattyn, Marc Raboy, David Taras, Luc van
Liedekerke, Hans Verstraeten, Christina von
Wackerbart.
Aanmeldingen aan Susanne Samu-
elsz, Secretariaat Vakgroep Communicatie-
wetenschap, Katholieke Universiteit Nijme-
gen per e-mail (s.samuelszAmaw.kun.nl),
per fax (024-3613073) of schriftelijk (Postbus
9104, 6500 HE Nijmegen);
info: bardoelA
pscw.uva.nl,
j.bardoelAmaw.kun.nl
of
l.dhaenensAmaw.kun.nl.
Verschenen
Gerard Schuijt & Dirk Visser,
Portretrecht voor
iedereen, Amsterdam: Mets & Schilt 2003, 160
p.
geïllustr.;
ISBN
90
5330
361
8;
15,-
Mediaforum 2003-3
92
Jurisprudentie nr
.1
3
Nr 13
Vergaring IP-adres door politie
Gerechtshof 's-Gravenhage 15 november 2002
Arrest gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politie-
rechter in de arrondissementsrechtbank te Middelburg van 28 sep-
tember 2001 in de strafzaak tegen de verdachte:
[naam verdachte],
geboren te [plaats] op [datum].
1. Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de
terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting
in hoger beroep van dit hof van 1 november 2002.
2. Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inlei-
dende dagvaarding, waarvan een kopie in dit arrest is gevoegd.
3. Procesgang
In eerste aanleg is de inleidende dagvaarding voor zover het betreft
het eerste, derde en vierde gedachtestreepje nietig verklaard. Voorts
is de verdachte terzake van het overige tenlastegelegde vrijgespro-
ken.
De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
4. Geldigheid van de inleidende dagvaarding
De inleidende dagvaarding voldoet voor zover het betreft het eerste,
derde en vierde gedachtestreepje niet aan de in artikel 261, eerste lid
van het Wetboek van Strafvordering gestelde eis van opgave van het
feit. Als zodanig kan immers niet gelden de enkele vermelding in die
onderdelen van het tenlastegelegde dat sprake was van opnamen of
afbeeldingen van ontuchtige handelingen (met een of meer jongen(s)
en/of meisje(s) die de leeftijd van zestien jaren nog niet hadden
bereikt).
Daarom dient de inleidende dagvaarding, ten aanzien van het eerste,
derde en vierde gedachtestreepje, nietig te worden verklaard.
5. Beoordeling van het vonnis
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof
zich daarmee niet verenigt.
6. Verweer aangaande onrechtmatige verkrijging van bewijs
De raadsman van de verdediging acht de wijze waarop de politie het
IP-adres van de computer van de verdachte heeft verkregen onrecht-
matig en bepleit vrijspraak aangezien het ook verder verkregen
bewijs door de onrechtmatige verkrijging van het IP-adres is besmet
en derhalve van gebruik in een bewijsvoering moet worden uitgeslo-
ten.
6.1 Feitelijke gang van zaken
De volgende gang van zaken is aannemelijk geworden. Getuige De B.
heeft bij een surftocht op 3 juni 2000 binnen Zeelandnet een niet
beveiligde computer aangetroffen, genaamd `Computer'. De getuige
kon de bestanden in deze computer zonder enige belemmering of
waarschuwing openen en bekijken. Ook de internetprovider had
geen beveiliging opgeworpen. Toen de getuige bestanden op deze
`Computer' opende, constateerde hij, dat zich daar hoeveelheden sek-
sueel getinte afbeeldingen bevonden, die hij gezien de leeftijd van
afgebeelde personen kinderpornografisch van aard achtte. De getui-
ge nam daarop contact op met de politie en deed mededeling van zijn
bevinding. In aansluiting daarop werd hem van de zijde van de poli-
tie gevraagd opnieuw contact op te nemen met de politie in de per-
soon van de rechercheur computercriminaliteit, H. J. de V. zodra hij
weer in verbinding zou staan met de bewuste computer met vermoe-
delijk kinderpornografisch materiaal. Aldus geschiedt op 6 juni
2000. Rechercheur De V. vraagt getuige De B. bij die gelegenheid tele-
fonisch welk IP-adres de bewuste computer heeft. Als De B. te kennen
geeft dat niet te weten en hij evenmin weet hoe hij daar achter kan
komen, geeft rechercheur De V. telefonisch de procedure door om het
gevraagde IP-adres op het scherm te krijgen. Deze procedure behelst
de volgende handelingen: tijdens een verbinding op de (doorgaans
linksonder) op het scherm zichtbare windowsknop `Start" te klikken,
vervolgens op `Uitvoeren...' klikken, dan typen `command' en vervol-
gens na het verschijnen van de dosprompt het commando invoeren:
`netstat -an'. De opdrachten gelden telkens zonder de hier ter marke-
ring gebezigde aanhalingstekens. Getuige De B. voert de instructie
van de rechercheur uit en op zijn scherm verschijnt dan een reeks cij-
fers zijnde het IP-adres van de computer waarmee De B. contact heeft
opmaakt: 212.92.85.171. De handelingen die door de rechercheur zijn
aangegeven, brengen getuige De B. niet binnen de computer waar-
mee hij contact heeft, maar maken het slechts mogelijk de status van
de netwerkverbindingen van zijn eigen computer zichtbaar te
maken. Ook zonder raadpleging van bestanden is bij verbinding met
een andere computer in een netwerk op een dergelijke wijze het IP-
adres van zo'n computer zichtbaar te maken. Getuige De B. geeft ver-
volgens de nummers van het IP-adres door aan rechercheur de V., en
bevestigt op grond van diens voorafgaande waarneming dat de com-
puter, waarmee hij verbinding had op het moment dat dit IP-adres
zichtbaar werd, het verdachte materiaal in bestanden aanwezig had.
Rechercheur De V. kon met een daartoe strekkend verzoek van de offi-
cier van justitie de NAW-gegevens van de persoon die volgens het
abonnement bij het IP-adres van de bewuste computer hoorde, ach-
terhalen; het betrof de in deze zaak terechtstaande verdachte. Getui-
ge De B. heeft, afgezien van eventuele automatische registratie van
gegevens in zijn computer, zelf geen materiaal `gedownload' uit de
computer van de verdachte; andere relevante gegevens dan hiervoor
omschreven zijn door getuige De B. dan ook niet aan de politie vers-
trekt. De inbeslagneming van de bestanden met de afbeeldingen, die
in de telastelegging zijn vermeld, heeft later plaatsgevonden tijdens
een doorzoeking op 13 juni 2000 onder leiding van de de rechter-com-
missaris.
Het hof overweegt omtrent deze gang van zaken als volgt.
Aan de orde is de waardering in rechte van de verkrijging van een
Internet Protocol-adres (IP-adres) door de politie. Het hof zal de
kwestie aan de hand van de volgende punten behandelen:
1. Definitie en betekenis: IP-adres.
2. Vergaring van gegevens door de politie: Wettelijke regeling verkrij-
ging van een IP-adres ten behoeve van rechtshandhaving in het alge-
meen en strafvordering in het bijzonder.
3. Wettelijke grondslag voor de verkrijging van het IP-adres in casu.
4. Toetsing van de handelwijze van de politie aan artikel 8 EVRM.
5. Geen sprake van 138a Sr (`computervredebreuk')
6. Conclusie.
1. Definitie. Het hof verstaat onder een IP-adres een adres dat wordt
gebruikt voor het adresseren van aansluitingen in een netwerk, zoals
beschreven in RFC 791 en RFC 1884 van de Internet Engineering Task
Force (IETF) (zie: artikel 1 sub g en m van de Regeling aftappen open-
bare telecommunicatienetwerken en -diensten,
Stcrt. 30 mei 2001,
107). Er is een onderscheid tussen dynamische en statische IP-adres-
sen. Aangezien hier slechts sprake is van een statisch IP-adres, komt
dit onderscheid hierna niet aan de orde. Voor de opsporing is het IP-
adres van betekenis, omdat daarmee (bijvoorbeeld) op een daartoe
strekkend verzoek van de officier van justitie de aanbieder (provider)
de NAW-gegevens behorende bij de aansluiting kan vinden en vers-
trekken.
2. Vergaring van gegevens door de politie. De voor de handhaving van
de rechtsorde nodige gegevens verkrijgt de politie op grond van arti-
kel 2 van de Politiewet (bijvoorbeeld:
NJ 2002/301 HR 12 februari
2002). Ten behoeve van gegevensvergaring tijdens de opsporing van
strafbare feiten heeft de politie een algemene bevoegdheid gebaseerd
op artikel 1 j
o
141 Wetboek van Strafvordering. Naast deze algemene
opsporingsbevoegdheid bestaan bijzondere wettelijke regelingen
voor de verkrijging van inlichtingen aangaande telecommunicatie
en/of geautomatiseerde werken in netwerken, neergelegd in het Wet-
boek van Strafvordering en in de Telecommunicatiewet. Voorts kan
gewezen worden op de Wet bescherming persoonsgegevens (en voor-
heen de Wet op de persoonsregistraties). De bijzondere regelingen
leveren het volgende beeld op: er wordt onderscheid gemaakt in a.
gevoelige inhoudelijke gegevens, b. verkeersgegevens en c. gebruikers-
gegevens (ook wel identificerende gegevens genoemd: zie in dit ver-
band
Gegevensvergaring in strafvordering. Rapport van de Commissie Strafvor-
derlijke gegevensvergaring in de informatiemaatschappij (Commissie-Mevis),
mei 2001). Ad a. Voor onderzoek naar gegevens in geautomatiseerde
werken geldt de regeling van artikel 125 i Wetboek van Strafvordering.
Die regeling geeft een bevoegdheid aan de rechter-commissaris in de
context van een gerechtelijk vooronderzoek en ziet met name op het
Mediaforum 2003-3
93
Jurisprudentie nr
.1
3
beschikbaar krijgen van gegevens voor inhoudelijk onderzoek. Ad b.
Verkeersgegevens kunnen in geval van ontdekking op heterdaad of
in geval van verdenking van een misdrijf omschreven in artikel 67,
eerste lid dan wel verdenking van het misdrijf van artikel 138a Wet-
boek van Strafrecht door de officier van justitie in het belang van het
onderzoek worden gevorderd op basis van artikel 126n Wetboek van
Strafvordering bij de telecommunicatieaanbieder. Een IP-adres kan
een verkeersgegeven zijn in de zin van artikel 126 n Wetboek van
Strafvordering. Ad c. Een IP-adres kan ook informatie betreffen die
nodig is om verkeersgegevens te kunnen vorderen. Daarop ziet arti-
kel 13.4 eerste lid van de Telecommunicatiewet, dat bepaalt dat aan-
bieders van telecommunicatienetwerken en openbare telecommuni-
catiediensten verplicht zijn aan de autoriteiten de informatie te
verstrekken die noodzakelijk is om die autoriteiten in staat te stellen
de bij de wet in het belang van strafvordering (...) geregelde bevoegd-
heden (...) tot het vorderen van verkeersgegevens te kunnen uitoefe-
nen. Daaronder valt `het aan een gebruiker verleende nummer', zoals
een IP-adres. Daarnaast kon tot 1 september 2001 (datum invoering
Wet bescherming Persoonsgegevens) in het kader van de Wet per-
soonsregistraties op basis van artikel 11 tweede lid, op grond van een
dringende en gewichtige reden, voor zover de persoonlijke levens-
sfeer van de geregistreerde daardoor niet onevenredig wordt
geschaad, informatie op verzoek van de officier van justitie worden
verstrekt (zie hieromtrent: TK 2001-2002, 28059, nr. 3 p. 15 en 16). De
vraag of deze laatstgenoemde wijze van vrijwillige verstrekking door
telecommunicatieaanbieders ook kan plaatsvinden onder de werking
van artikel 8 onderdeel e j
o
artikel 43 van de Wet bescherming Per-
soonsgegevens met toepassing van het noodzakelijkheidscriterium
behoeft hier geen nader onderzoek. De korte aanduiding van de wet-
telijke context van verkrijging van gegevens aangaande computers in
netwerken ten behoeve van strafvordering geeft aan dat de wetgever
onderscheid maakt tussen de niet eenvoudig verkrijgbare inhoudelij-
ke gegevens, verkeersgegevens en gebruikersgegevens. De wettelijke
regeling stelt hogere eisen aan de verkrijging van gegevens ten
behoeve van strafvordering naar mate de inbreuk op de persoonlijke
levenssfeer groter is. Een IP-adres dient gerekend te worden tot de
gebruikersgegevens in de hiervoor bedoelde zin. Hoewel gebruikers-
gegevens (bijvoorbeeld: nummers en NAW-gegevens) in het alge-
meen niet sterk privacy-gevoelig zijn dient toch nagegaan te worden
of de verkrijging van dergelijke gegevens, indien al in overeenstem-
ming met overige regelgeving, wellicht toch in strijd komt met arti-
kel 8 EVRM. Zo kan bij een telefoonnummer sprake zijn van een
geheim nummer, waardoor de gebruiker te kennen geeft een per-
soonlijk belang te hebben bij het niet bekend zijn van zijn nummer.
3. Wettelijke grondslag in casu. De wijze waarop in dit geval het IP-
adres van de computer van de verdachte is verkregen, is geschied op
basis van de Politiewet en door uitoefening van de algemene opspo-
ringsbevoegdheid. Het door een particulier naar aanleiding van een
verzoek van de politie vrijwillig aan deze verstrekken van een IP-
adres van een computer waarmee men verbinding heeft, is op zich
niet onrechtmatig. De instructie van de getuige door de politie over
de wijze waarop hij het IP-adres van de computer waarmee hij in ver-
binding stond op zijn scherm kon krijgen, betreft een eenvoudige
reeks van handelingen die bij uitvoering op zichzelf geen bijzondere
inbreuk met zich brengt op de privacy van een ander. Het gebruikte
`netstat commando' geeft immers de status van feitelijke bestaande
netwerkverbindingen weer van de computer waarin die opdracht
wordt uitgevoerd, in casu de computer van de getuige. Het gaat niet
om een bijzondere gecompliceerde technische ingreep of een gehei-
me methode, maar om het toepassen van een commando, dat in de
gewone handboeken inzake MS-DOS staat omschreven. Een redelijke
uitleg van de hiervoor beschreven gang van zaken brengt met zich,
dat het verzoek van de rechercheur opnieuw telefonisch contact met
hem op te nemen wanneer de getuige verbinding zou hebben met de
computer van de verdachte, door de getuige kon worden opgevat als
een verzoek van de politie om die verbinding op enig moment met-
terdaad te zoeken ten behoeve van voor de opsporing benodigde
gegevens. Er is niet verzocht gegevens op te slaan. Van enigerlei vorm
van stelselmatige of onrechtmatige gegevensvergaring door getuige
De B. of door de politie is geen sprake. Het verzoek van de politie
heeft er slechts toe gestrekt de computer van de getuige zodanig in
beeld te brengen, dat het IP-adres van de verdachte kon worden vast-
gelegd. Met inachtneming van hetgeen hierna onder punt 5 wordt
aangegeven is dat naar het oordeel van het hof proportioneel correct
handelen ter handhaving van de rechtsorde en ter opsporing van
strafbare feiten.
4. Toetsing aan artikel 8 EVRM. In de onderhavige zaak is niet
gesteld, noch anderszins aannemelijk geworden, dat de verdachte
voor zijn aanwezigheid op Zeelandnet een dynamisch toegewezen,
voor anderen dan de aanbieder geheim IP-adres heeft gevraagd, daar-
gelaten of dat daar in die tijd mogelijk was. De verdachte heeft voorts
geen voorzieningen ter beveiliging van zijn computerbestanden aan-
gebracht, zodat hij zijn bestanden openstelde voor degenen die op
het Zeelandnet toegang hadden. Gebleken is immers dat op dat
moment ook Zeelandnet geen beveiliging bood tegen dergelijke
bezoeken in onbeveiligde computers in het netwerk. De verdachte
heeft zich onder een IP-adres aldus publiek gemanifesteerd (expo-
sure), zodat de bekendmaking aan de politie van het IP-adres door
een op het Zeelandnet surfende particulier nadat de politie daarom
had gevraagd, reeds daarom niet meer dan een zeer beperkte schen-
ding oplevert van zijn persoonlijke levenssfeer.
5. Geen sprake van 138a Sr (`computervredebreuk'). De handelingen
van de getuige De B. leveren ten aanzien van de internetprovider Zee-
landnet of ten aanzien van de computer van de verdachte geen `com-
putervredebreuk' in de zin van 138a Wetboek van Strafrecht op. De
getuige heeft immers geen beveiliging doorbroken en is evenmin
door een bijzondere technische ingreep binnengedrongen in de com-
puter van de verdachte. De politie heeft bij de opsporing dan ook
geen profijt getrokken van strafbaar handelen van een getuige.
6. Conclusie. De politie heeft ter verkrijging van het IP-adres van een
computer waarin volgens een aangever kinderpornografisch materi-
aal was opgeslagen gehandeld op basis van artikel 2 van de Politiewet
en de algemene opsporingsbevoegdheid van artikel 141 Wetboek van
strafvordering. Aangezien de vastlegging van een IP-adres een niet
meer dan zeer beperkte inbreuk van de persoonlijke levenssfeer van
de verdachte oplevert is deze grondslag toereikend. Er is geen sprake
van schending van artikel 8 EVRM. Het verweer wordt verworpen.
7. Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten-
lastegelegde heeft begaan op de wijze als is vermeld in de hierna inge-
voegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt.
Hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De
verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen,
zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandel-
de ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de ver-
dediging.
8. Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenver-
klaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de
bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverkla-
ring.
De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling
van het arrest met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit arrest
gehechte bijlage worden opgenomen.
9. Nadere overweging
Door de verdediging is gesteld, dat een aanzienlijk aantal afbeeldin-
gen en namen van mappen, zoals die ook op de tenlastelegging staan
vermeld, de verdachte onbekend voorkwamen, zodat die mogelijker-
wijs door derden op zijn computer waren gezet.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt. De verdachte heeft erkend
met behulp van zijn computer op aanzienlijke schaal kinderporno te
hebben gedownload. Hij erkent ook zijn computer bewust zo te heb-
ben ingesteld (namelijk met een `zoekrobot'), dat hem kinderporno-
grafische afbeeldingen uit nieuwsgroepen zouden worden toegezon-
den, die vervolgens automatisch in zijn computer zouden worden
opgeslagen. Hij legde in dat opzicht een (obsessieve) verzamelwoede
aan de dag. De computer was onbeveiligd aangesloten op Zeelandnet,
waardoor de bestanden zonder enige belemmering door derden via
dat net geraadpleegd konden worden. Enigerlei aanwijzing dat der-
den tegen zijn wil op zijn computer bestanden hebben gedeponeerd
is er niet. Dat hij niet alle aangetroffen afbeeldingen herkent en een
aantal namen van mappen evenmin doet in het licht van het voor-
gaande in samenhang met de overige bewijsmiddelen aan de bewe-
zenverklaring van tentoonstellen en in voorraad hebben van kinder-
pornografie dan ook niets af.
10. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
Een afbeelding of een gegevensdrager, bevattende een afbeelding
van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd
van zestien jaren nog niet heeft bereikt, is betrokken, openlijk ten-
toonstellen en in voorraad hebben, meermalen gepleegd.
11. Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaar-
heid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
12. Strafmotivering
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep
zal worden vernietigd en dat de verdachte terzake van het tenlastege-
legde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur
van twee maanden, voorwaardelijk, met een proeftijd voor de duur
van twee jaren.
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van
de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op
grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de ver-
dachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De
verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het in voorraad hebben
van kinderpornografische afbeeldingen op zijn computer en het
openlijk tentoonstellen van die afbeeldingen via Zeelandnet. De
afbeeldingen konden door gebruikers van Zeelandnet zonder enige
belemmering worden bekeken. Dit zijn ernstige feiten, waarmee het
vervaardigen van kinderpornografie en het verspreiden ervan in
stand wordt gehouden en begunstigd. Het hof is dan ook van oordeel
dat in beginsel een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van
gerechtvaardigd is.
Echter, het hof heeft rekening gehouden met de omstandigheden,
waaronder dat de verdachte handelde ter compensatie van psychische
spanningen en dat hij geen seksuele bijbedoelingen had, zoals ook
blijkt uit het zich in het dossier bevindende voorlichtingsrapport van
de Stichting Reclassering Nederland, in het arrondissement Middel-
burg, d.d. 5 april 2001. De verdachte heeft zelf stappen ondernomen
om zijn persoonlijke problematiek op te lossen met hulp van derden.
Gelet op deze omstandigheden is het hof van oordeel dat mede uit
oogpunt van speciale preventie volstaan kan worden met een voor-
waardelijke gevangenisstraf van na te melden duur.
13. Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57 en 240b (oud) van
het Wetboek van Strafrecht.
Beslissing
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Verklaart de inleidende dagvaarding nietig voorzover het betreft het
eerste, derde en vierde gedachtestreepje in het tenlastegelegde.
Verklaart bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde, zoals hierbo-
ven omschreven, heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastege-
legd en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare
feiten oplevert.
Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
TWEE MAANDEN.
Beveelt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd,
tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de ver-
dachte zich vóór het einde van de proeftijd van TWEE JAREN aan een
strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Dit arrest is gewezen door mrs. Silvis, Mos-Verstraten en Abels, in bij-
zijn van de griffier mr. Hol. Het is uitgesproken op de openbare
terechtzitting van het hof van 15 november 2002.
Noot
Anton Ekker*
In deze procedure staat de vraag centraal of sprake is van onrechtma-
tig verkregen bewijs wanneer door een getuige op verzoek en instruc-
tie van de politie een IP-adres wordt doorgegeven dat verwijst naar
een plaats op het Internet waar strafbare informatie te vinden is. Het
hof komt tot een ontkennend antwoord. Deze conclusie ligt mijns
inziens voor de hand. Het achterhalen van een IP-nummer is een rela-
tief eenvoudige handeling waarbij geen toegang wordt verkregen tot
de computer van de verdachte, zodat ook geen sprake is van het door-
breken van een beveiliging. Bovendien was het IP-nummer in dit
geval een openbaar gegeven (zie r.o. 3). Deze omstandigheden lijken
voldoende om het oordeel te rechtvaardigen dat van een ongeoorloof-
de beperking op het recht op privacy in casu geen sprake is.
Een korte opmerking dient te worden gemaakt over de juridische
kwalificatie van het IP-nummer. Het hof worstelt duidelijk met dit
probleem en met de vraag hoe de privacygevoeligheid van een IP-
nummer moet worden bepaald. Daarom zoekt het aansluiting bij de
wettelijke regelingen voor de verkrijging van inlichtingen aangaan-
de telecommunicatie in het Wetboek van Strafvordering en de Tele-
communicatiewet door de rechter-commissaris of de officier van jus-
titie. Het hof gaat in op het onderscheid tussen gevoelige
inhoudelijke gegevens, verkeersgegevens en gebruikersgegevens dat
in de genoemde regelingen wordt gemaakt en komt tot de conclusie
dat een IP-nummer moet worden gekwalificeerd als een `gebruikers-
gegeven' (zie r.o. 2). Vervolgens wordt overwogen dat gebruikersgege-
vens zoals nummers, NAW-gegevens en het IP-nummer in het alge-
meen niet sterk privacygevoelig zijn. Deze redenering lijkt mij wat
kort door de bocht. De privacygevoeligheid van een IP-nummer
hangt sterk af van de context waarin het wordt opgeslagen, verwerkt
en doorgegeven. Bevindt een IP-nummer zich in de bestanden van
een telecomoperator dan zal het bovendien in de meeste gevallen
moeten worden aangemerkt als een verkeersgegeven (zie over dit
begrip R. Hes, A.H. Ekker en B. J. Koops,
Verkeersgegevens. Een juridische
en technische inventarisatie, Amsterdam: Otto Cramwinckel Uitgever
2003). Er is dan sprake van een niet-openbaar gegeven zodat vrijgave
een grotere impact heeft op de privacy van de betrokkenen. Het hof
komt dus te makkelijk tot de conclusie dat een IP-nummer een
gebruikersgegeven is en overweegt ten onrechte dat een gebruiksge-
geven in het algemeen niet sterk privacygevoelig is. Hoewel het eind-
oordeel van het hof juist is had de motivering op dit punt beter
gekund.
Mediaforum 2003-3
94
Jurisprudentie nr
.1
3
* mr. A. H. Ekker werkt als projectonderzoeker bij het Instituut voor Informatie-
recht van de Universiteit van Amsterdam.
Mediaforum 2003-3
95
Jurisprudentie nr
.1
4
Nr 14
Uitlatingen imam
Gerechtshof te 's-Gravenhage 18 november 2002
Arrest gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de recht-
bank te Rotterdam van 8 april 2002 in de strafzaak tegen
Khalil El Moumni, geboren te Beni Mansour (Marokko) op 1 juli 1941.
1. Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de
terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting
in hoger beroep van 4 november 2002.
Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-
generaal en van hetgeen door de verdachte en diens raadsvrouw naar
voren is gebracht.
2. Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte terzake van het tenlastegelegde vrij-
gesproken, met beslissingen omtrent de vorderingen van de bena-
deelde partijen als vermeld in het vonnis. De benadeelde partijen
hebben zich niet op de voet van artikel 421 lid 3 van het Wetboek van
Strafvordering in hoger beroep gevoegd.
De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
3. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging
De verdediging heeft gesteld dat het openbaar ministerie niet-ont-
vankelijk is in zijn vervolging op de gronden die zijn weergegeven in
de aan het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep van 4 novem-
ber 2002 gehechte pleitnota.
Het hof verwerpt dit verweer. De enkele omstandigheid dat in verge-
lijkbare zaken tot in hoogste rechterlijke instantie is geoordeeld, ont-
neemt het openbaar ministerie niet zijn op grond van het opportuni-
teitsbeginsel toekomende beleidsvrijheid om tot vervolging van een
verdachte over te gaan. Temeer niet in een zaak als deze, waarin blij-
kens het requisitoir in eerste aanleg de officier van justitie zich als
doel van de vervolging heeft gesteld `te voorkomen dat discriminatoi-
re uitlatingen in onze samenleving worden gedaan en duidelijkheid
te verkrijgen omtrent de grenzen van het recht.' Meer in het bijzon-
der heeft de officier van justitie daarbij de vraag aan de orde willen
stellen of in casu verdachte met zijn uitlatingen (ontoelaatbaar) ver-
der is gegaan dan zijn geloofsovertuiging hem voorschreef. Door de
verdachte terzake te vervolgen, heeft het openbaar ministerie niet
gehandeld in strijd met wettelijke of verdragsbepalingen dan wel
met enig algemeen beginsel van een goede procesorde.
4. Beoordeling van het vonnis
De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het hof niet
gebracht tot andere beslissingen dan die van de eerste rechter, zodat
het vonnis waarvan beroep dient te worden bevestigd, zij het met
aanvulling en verbetering van gronden.
5. Motivering van de vrijspraak
Ook naar het oordeel van het hof is niet bewezen hetgeen aan de ver-
dachte is tenlastegelegd. De verdachte moet hiervan overeenkom-
stig de vordering van de advocaat-generaal worden vrijgesproken.
De (gewijzigde) tenlastelegging heeft betrekking op fragmenten uit
het interview van de verdachte, zoals uitgezonden door het televisie-
programma Nova op 3 mei 2001. Zo al deze fragmenten op zichzelf
beschouwd, los van de context, als beledigend zouden zijn aan te
merken, dan zou zulks niet tot een veroordeling van de verdachte lei-
den op grond van het volgende.
Het hof is van oordeel dat vorenbedoelde fragmenten, waarvan
genoegzaam is gebleken dat zij door een aantal personen als aan-
stootgevend zijn ervaren, niet op zichzelf bezien moeten worden
doch in samenhang met de overige inhoud van het interview, waarbij
met name moet worden gelet op de strekking daarvan. Die context en
de daaruit blijkende kennelijke bedoeling ontneemt in elk geval,
naar het oordeel van het hof, het mogelijk beledigende karakter aan
deze fragmenten. Het hof kent in dit verband in het bijzonder bete-
kenis toe aan het feit dat de gewraakte fragmenten dienden ter aan-
duiding van de in de islamitische geloofsovertuiging van de verdach-
te verankerde opvatting omtrent het zondige karakter van de homo-
seksuele levenswijze, gelijk hierna wordt toegelicht.
De getuige-deskundige prof. dr. mr. R. Peters (o.a. bijzonder hoogle-
raar islam) heeft op 1 november 2001 een rapport in de onderhavige
zaak uitgebracht. Hij heeft geconcludeerd dat verdachte zijn uitlatin-
gen kon baseren op teksten van de Koran en op uitspraken van de
profeet, d.w.z. op fundamentele geschriften, waaraan verdachte zijn
godsdienstige overtuiging (mede) ontleent. Een tweede deskundige,
prof. dr. E. Platti (hoofddocent islam en christendom) heeft in een
door hem uitgebracht rapport van 25 oktober 2002 geconcludeerd
dat het rapport van voornoemde deskundige Peters `homoseksuali-
teit benadert vanuit het traditionele standpunt van de islamitische
wet en van daaruit een perfecte weergave is van het traditionele
standpunt van moslimjuristen.'
Mede in het licht van de conclusies van genoemde deskundigen is het
hof van oordeel dat de in de tenlastelegging weergegeven uitlatingen
zijn aan te merken als een weergave van een in de islamitische gods-
dienst verankerde geloofsopvatting van verdachte.
Gezien de in de grondwet en internationale verdragen verankerde
vrijheid van godsdienst stond het verdachte vrij zijn op zijn geloofs-
overtuiging stoelende opvattingen omtrent homoseksualiteit uit te
dragen. De wijze waarop hij dat deed valt naar het oordeel van het hof
binnen de grenzen van het aanvaardbare. Bij dit oordeel heeft het hof
laten meewegen dat het door verdachte in het interview gebezigde
woord `marat' in de visie van verdachte niet moet worden vertaald
met ziekte (zoals dat in de Nova-uitzendig is gebeurd), maar dat een
juiste vertaling is `afwijking' of `opvoedingsziekte'. De reeds genoem-
de getuige-deskundige Peters heeft ter terechtzitting in eerste
instantie bevestigd dat het woord `marat' niet moet worden vertaald
met ziekte en dat het woord moet worden opgevat in overdrachtelij-
ke zin.
Nu er naar het oordeel van het hof geen sprake is van in strafrechtelij-
ke zin beledigende uitlatingen dient de verdachte van het tenlastege-
legde te worden vrijgesproken.
Gelet op het vorenoverwogene, alsmede op de omstandigheid dat de
verdachte in een niet uitgezonden gedeelte van het interview onder
meer ook te kennen gaf dat de islam verbiedt anderen lastig te vallen
en dat de moslim respect moet geven aan iedereen, dient de verdach-
te tevens te worden vrijgesproken van de tenlastelegging voorzover
inhoudende dat de verdachte kort omschreven heeft aangezet tot
haat en/of discriminatie van homoseksuelen.
6. Beslissing
Het hof:
Bevestigt met aanvulling en verbetering van gronden het vonnis
waarvan beroep.
Dit arrest is gewezen door mrs. Verheij, Oosterhof en Reinking, in bij-
zijn van de griffier mr. Conté. Het is uitgesproken op de openbare
terechtzitting van het hof van 18 november 2002.
Noot
Aernout Nieuwenhuis*
1. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank (
Mediaforum 2002, 192-
193) bevestigd, maar met aanvulling en verbetering van gronden. In
deze noot zij kort ingegaan op een aantal verschillen tussen de uit-
spraak van het hof en de rechtbank. Zo leek de rechtbank het uit-
gangspunt te hanteren dat `uitlatingen die een godsdienstige
opvatting direct uitdrukken' in beginsel geen strafrechtelijke bele-
diging op kunnen leveren. Het hof geeft de aanvullende overwe-
ging dat de wijze waarop El Moumni `zijn op zijn geloofsovertui-
ging stoelende opvattingen' uitdroeg binnen de grenzen van het
aanvaardbare bleef.
2. Daarmee lijkt de bedoeling van de wetgever op dit punt recht
gedaan. Uit de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel dat
*
Mr. A. J. Nieuwenhuis is werkzaam bij de leerstoelgroep staats- en bestuurs-
recht van de Universiteit van Amsterdam, is gelieerd aan het Instituut voor
Informatierecht aldaar en is redacteur van dit blad.
groepsbelediging wegens hetero- of homoseksualiteit in de straf-
wet opnam, blijkt dat de wetgever niet bedoelde een verbod in te
voeren op het als zondig bestempelen van homoseksualiteit. De in
het
NJB gevoerde discussie over de vraag of de rechter in de Van Dij-
ke zaak de wet aan de Grondwet zou hebben getoetst of deze
slechts grondrechtsconform heeft uitgelegd, is zo beschouwd dus
minder opportuun (F.M.C. Vlemminx, `Mogen in deze tijden sym-
pathieën zwaarder wegen dan constitutionele zuiverheid?',
NJB
2002, p. 1696-1699; daarop reactie L.F.M. Besselink, NJB 2002,
2245).
3. De grenzen van het aanvaardbare lijken overigens betrekkelijk
ruim te zijn. Men vergelijke het arrest van de Hoge Raad van 14
januari 2003 (rechtspraak.nl LJN AE7632, zie ook documentatie
vorige nummer
Mediaforum). De verdachte had in dit geval in een
religieus geïnspireerd betoog tegen homoseksualiteit onder meer
gesproken over `vieze en vuile zonden'.
4. Het hof heeft in het proces tegen El Moumni een extra getuige-des-
kundige laten rapporteren. In diens rapport wordt gewezen op het
traditionele standpunt van de islamitische wet en van moslimjuris-
ten. Dat vormt een extra argument voor de conclusie dat de
gewraakte uitlatingen een weergave van de geloofsopvatting vor-
men. Deze redenering moge begrijpelijk zijn; het rapport sugge-
reert daarmee tevens dat de uitlatingen niet alleen bedoeld zijn als
advies aan de individuele (on)gelovige, die zich om zijn eigen zie-
lenheil bekommert, maar juist ook een streven kunnen uitdrukken
regels op te leggen. De uitlating dat homoseksualiteit schadelijk is
voor de Nederlandse samenleving wees ook in die richting.
5. Nu is het niet mijn bedoeling de uitlatingen al interpreterende
onder de strafwet te brengen. Wel komt als vanzelf de vraag naar
voren of de vrijheden van godsdienst en meningsuiting voldoende
gewicht zouden hebben om een expliciet pleidooi voor de invoe-
ring van discriminerende regelgeving het strafbare karakter te ont-
nemen. Het enkele feit dat de spreker anderszins heeft gezegd dat
niemand lastig gevallen mag worden, lijkt mij daarvoor onvol-
doende.
6. Het aangehaalde rapport van de getuige-deskundige is een aanwij-
zing te meer dat de gewraakte uitlatingen niet alleen onderdeel
vormen van een moraal-theologische uiteenzetting, maar tegelij-
kertijd van de maatschappelijke en politieke discussie. Er zij her-
haald dat extra bescherming van godsdienstig geïnspireerde
standpunten binnen een democratische discussie moeilijk aan-
vaardbaar is.
7. De democratische discussie zou overigens nog schever getrokken
worden indien op grond van het in het geding zijnde artikel 137c Sr
tegelijkertijd aan gelovigen ook in de maatschappelijke discussie
een grotere bescherming wordt gegeven tegen belediging. Indien
men het
Preminger-arrest van het EHRM (EHRM 20 september 1994,
NJ 1995, 366) als goed recht beschouwd, lijkt daar overigens op
Europees niveau weinig bezwaar tegen. Het is niet onmogelijk dat
de Nederlandse rechter dergelijke kwesties zal moeten gaan beoor-
delen omdat godsdienst in de politieke en maatschappelijke dis-
cussie een belangrijker rol lijkt te gaan spelen.
Mediaforum 2003-3
96
Jurisprudentie nr
.1
4
Nr 15
IJmond TV vs. CvdM
Rechtbank Haarlem 5 december 2002
Uitspraak in de zaak van:
IJmond TV C.V., gevestigd te Velsen-Noord, eiseres, gemachtigde: mr.
A.H. Wijnberg, advocaat te Groningen,
tegen
het Commissariaat voor de Media, verweerder, gemachtigde: mr.
G.H.L. Weesing, advocaat te Amsterdam,
derde partij N.V. Casema, gevestigd te Den Haag,
1. Ontstaan en loop van het geding
Bij besluit van 13 maart 2001 heeft verweerder het aan hem gerichte
verzoek van eiseres van 21 november 2000 om aan N.V. Casema (hier-
na: Casema) de bindende aanwijzing te geven de doorgifte van het
programma van eiseres naar de aangeslotenen op haar omroepnet-
werk in Beverwijk, Castricum, Heemskerk en Uitgeest onder de hui-
dige voorwaarden of andere vergelijkbare redelijke voorwaarden
voort te zetten na 1 december 2000, afgewezen.
Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 24 april 2001 bezwaar
gemaakt.
Bij besluit van 28 augustus 2001 heeft verweerder het bezwaar onge-
grond verklaard.
Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 9 oktober 2001, aangevuld
bij brief van 12 november 2001, beroep ingesteld.
Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezon-
den en een verweerschrift ingediend.
Het beroep is behandeld ter zitting van 22 oktober 2002, alwaar
namens eiseres is verschenen [naam man], bijgestaan door de
gemachtigde voornoemd. Verweerder heeft zich ter zitting doen ver-
tegenwoordigen door H.F. Ottenhof, bijgestaan door de gemachtigde
voornoemd. Namens Casema waren aanwezig [naam personen].
2. Overwegingen
2.1. Op 23 november 1998 heeft eiseres met Casema een kabeldistribu-
tieovereenkomst voor de duur van een jaar gesloten voor de doorgifte
van haar programma op de omroepnetwerken in de desbetreffende
gemeenten. Deze overeenkomst liep van rechtswege af op 1 december
1999 en is aansluitend met 12 maanden verlengd tot 1 december 2000.
Daarbij deelde eiseres het kanaal met Discovery Channel en Kinder-
net. Bij brief van 12 april 2000 heeft Casema eiseres bericht dat na 1
december 2000 een combinatie met Discovery Channel niet meer
mogelijk is, maar dat een 24-uurs-optie bespreekbaar is, tegen nader
overeen te komen voorwaarden.
2.2. Bij brief van 4 mei 2000 heeft eiseres bevestigd dat de overeen-
komst ten aanzien van de doorgifte van het programma van eiseres
zou aflopen op 1 december 2000 en dat partijen de intentie uitspra-
ken om de overeenkomst nadien voort te zetten op basis van 24 uur
per dag, onder het voorbehoud dat de programmaraad IJmond
Noord (hierna de programmaraad) de toestemming daartoe zou ver-
lenen.
2.3. Op 2 oktober 2000 heeft de programmaraad terzake zijn advies
uitgebracht. Het advies omvat de invulling van 34 programma's,
onderverdeeld in een wettelijk minimumpakket van 15 programma's
plus twee vensterkanalen van Casema (tezamen het basispakket vor-
mend) en een pluspakket van 17 televisieprogramma's. De program-
maraad heeft aan Casema geadviseerd het programma van IJmond
TV niet (meer) op te nemen in het basispakket of het standaardpakket
wegens het amateuristische karakter van het programma. Blijkens
het advies van de programmaraad is dit door de programmaraadle-
den bij de presentatie van IJmond TV aan de orde gesteld en is na de
presentatie die indruk niet weggenomen maar zelfs bevestigd. De
programmaraad is wel van mening dat een lokaal gericht programma
in het programmapakket moet worden opgenomen, maar geeft hier-
bij de voorkeur aan Nieuws TV, mede vanwege de goed gedocumen-
teerde teletekst. In het advies is Nieuws TV opgenomen in het wette-
lijk minimumpakket.
Mediaforum 2003-3
97
Jurisprudentie nr
.1
5
2.4. Bij brief van 16 november 2000 heeft Casema (in correctie op haar
beëindigingbrief van 17 oktober 2000) eiseres meegedeeld dat de
doorgifte van eiseres' programma niet met ingang van 28 november
2000 wordt beëindigd maar per 1 december 2000.
2.5. Vervolgens heeft eiseres bij brief van 21 november 2000 aan ver-
weerder verzocht aan N.V. Casema de bindende aanwijzing te geven
de doorgifte van het programma van IJmond T.V. onder de huidige
voorwaarden voort te zetten. Eiseres heeft dit verzoek om een bin-
dende aanwijzing gebaseerd op het vervallen artikel 82l van de
Mediawet (Mw) en in bezwaar haar verzoek nader genuanceerd, in
die zin dat is bedoeld verweerder te verzoeken om handhaving van de
artikelen 82i en 82k Mw.
2.6. Eiseres stelt zich kort weergegeven op het standpunt dat ver-
weerder in strijd met artikel 3:9 Algemene wet bestuursrecht (Awb)
en artikel 82k, vijfde lid, Mw heeft nagelaten te onderzoeken of de
leden van de programmaraad deskundigheid bezaten. Eiseres meent
voorts dat het besluit voor vernietiging in aanmerking komt wegens
een motiveringsgebrek. Het advies van de programmaraad verschaft
namelijk geen inzicht in de gronden waarop het advies gebaseerd is.
Weliswaar is op pagina 3 en 4 van het advies een overzicht gegeven
van de uitgangspunten en selectiecriteria die aan het advies ten
grondslag liggen, maar bij de gemaakte keuzes is niet gemotiveerd
hoe selectie met inachtneming van deze uitgangspunten en criteria
heeft plaatsgevonden, aldus eiseres.
2.7. Verweerder heeft, voorzover hier van belang, zowel in het primai-
re besluit als in het bestreden besluit overwogen dat een aanbieder
van een programma, i.c. IJmond TV, zelfstandig een verzoek op grond
van artikel 82k Mw kan indienen. Verweerder acht zich bevoegd een
oordeel te geven over de vraag of er voor Casema zwaarwichtige rede-
nen zijn, die voor haar aanleiding zouden moeten zijn van het advies
van de programmaraad af te wijken. Van zwaarwichtige redenen die
Casema hadden moeten nopen tot afwijking van het advies van de
programmaraad, was volgens verweerder geen sprake. Vervolgens
kan verweerder op grond van hetgeen is aangevoerd niet de conclusie
trekken dat de Programmaraad onvoldoende deskundig is of onvol-
doende representatief. Ook de selectiecriteria en uitgangspunten van
de programmaraad zijn helder, aldus verweerder.
2.8. In artikel 134, eerste lid, Mw is bepaald dat het Commissariaat
voor de Media is belast met de bestuursrechtelijke handhaving van
het bepaalde bij of krachtens:
a. de hoofdstukken III tot en met VI, met uitzondering van de artike-
len 18 tot en met 24, 31 tot en met 38, en 40 tot en met 41, 41b en 41c;
b. de artikelen 107 tot en met 108e, 109, 109a, tweede lid, 109b, tweede
lid, 109c en 109e;
c. hoofdstuk XI.
2.9. Op grond van artikel 135, eerste lid, Mw kan het Commissariaat
voor de Media aan de aanbieder van een omroepnetwerk een bestuur-
lijke boete van ten hoogste f 50.000,- per overtreding opleggen.
2.10. Artikel 82i, eerste en tweede lid, Mw luidt als volgt.
1. De aanbieder van een omroepnetwerk zendt onverkort, onge-
wijzigd en gelijktijdig met de oorspronkelijke uitzending naar
alle aangeslotenen op het omroepnetwerk ten minste vijftien
televisieprogramma's voor de algemene omroep en ten minste
vijfentwintig radioprogramma's voor algemene omroep uit,
waaronder in ieder geval:
a. de programma's van de instellingen die zendtijd hebben ver-
kregen voor landelijke omroep;
b. de programma's van de instelling die zendtijd heeft verkre-
gen voor regionale omroep, bestemd voor de provincie waar-
binnen het omroepnetwerk zich bevindt;
c. de programma's van de instelling die zendtijd heeft verkre-
gen voor lokale omroep, bestemd voor de gemeente waarbin-
nen het omroepnetwerk zich bevindt;
d. de televisieprogramma's van de Nederlandstalige landelijke
Belgische openbare omroepdienst;
e. twee radioprogramma's van de Nederlandstalige landelijke
Belgische openbare omroepdienst.
2. Indien op eenzelfde kanaal van een omroepnetwerk niet
gelijktijdig verschillende programma's voor algemene omroep
worden uitgezonden, worden deze programma's voor de toepas-
sing van het eerste lid als een programma aangemerkt.
2.11. In artikel 82k Mw is, voorzover hier van belang, het volgende
bepaald:
1. In gemeenten waar een omroepnetwerk aanwezig is, stelt de
gemeenteraad een programmaraad in die de aanbieder van het
omroepnetwerk adviseert welke programma's voor algemene
omroep hij krachtens artikel 82i ten minste uitzendt naar alle
aangeslotenen op het omroepnetwerk.
2. De aanbieder van een omroepnetwerk kan slechts om zwaar-
wichtige redenen afwijken van het advies, bedoeld in het eerste lid.
3. De aanbieder van een omroepnetwerk kan de programmaraad
voorts een advies vragen over de overige programma's voor alge-
mene omroep die hij uitzendt naar alle aangeslotenen op het
omroepnetwerk.
4. Onverminderd artikel 82i, gaat de programmaraad in zijn
advisering uit van een pluriforme samenstelling van het pakket
programma's voor algemene omroep, rekening houdend met de
in de gemeente levende maatschappelijke, culturele, godsdien-
stige en geestelijke behoeften.
5. De leden van de programmaraad worden benoemd door de
gemeenteraad van de gemeente waar het omroepnetwerk aanwe-
zig is. Voor benoeming komen in aanmerking personen die des-
kundig zijn op het terrein waarop de programmaraad adviseert.
De programmaraad heeft een zodanige samenstelling dat hij
representatief is voor de belangrijkste in de gemeente voorko-
mende maatschappelijke, culturele, godsdienstige en geestelijke
stromingen. De gemeenteraad bepaalt de omvang van de pro-
grammaraad. Leden van de gemeenteraad kunnen geen zitting
hebben in de programmaraad.
6. Indien een aantal omroepnetwerken is gekoppeld en daardoor
feitelijk als één omroepnetwerk functioneert, wordt met betrek-
king tot die gekoppelde omroepnetwerken één programmaraad
ingesteld door de onderscheiden gemeenteraden samen. Het
vijfde lid is van overeenkomstige toepassing.
2.12. Ingevolge artikel 82i Mw zijn aanbieders van omroepnetten ver-
plicht aan alle aangeslotenen op de kabel een minimumpakket aan te
bieden van ten minste 15 televisieprogramma's voor algemene
omroep. Van het wettelijk minimumpakket maken in ieder geval deel
uit de in dat artikel onder a tot en met e genoemde (zogenaamde
must
carry) zenders. Over de samenstelling van (het restant van) het mini-
mumpakket wordt een advies uitgebracht door de Programmaraad,
die is ingesteld op grond van het hiervoor aangehaalde artikel 82k,
eerste lid. Uit artikel 82k, tweede lid, Mw volgt dat het advies van de
Programmaraad zeer zwaar weegt. Slechts om zeer zwaarwichtige
redenen kan de kabelbeheerder van dit advies afwijken. Op grond van
artikel 82k, derde lid, Mw kan de programmaraad, zoals hier is
gebeurd, ook om advies worden gevraagd over het feitelijk aangebo-
den basispakket. Het advies over het surplus heeft echter niet hetzelf-
de zwaarwegende karakter als het advies over het verplichte deel van
het basispakket.
2.13. Tegen voormelde achtergrond staat ter beoordeling of verweer-
der terecht op grond van de onder 2.7 weergegeven motivering heeft
besloten niet tot handhaving over te gaan van het bepaalde in de arti-
kelen 82k en 82i Mw.
2.14. Tussen partijen is niet in geschil dat verweerder in ieder geval
bevoegd is te oordelen over het al dan niet opleggen van een bestuur-
lijke boete aan de netwerkaanbieder op de voet van artikel 135, eerste
lid, en 134, eerste lid, jo. 82k, tweede lid, Mw, indien de netwerk-
aanbieder is afgeweken van het advies van de Programmaraad.
Thans ligt evenwel de vraag voor of die bevoegdheid tot bestuurs-
rechtelijke handhaving op grond van het bepaalde in artikel 82k,
tweede lid, Mw zo ver strekt dat dat ook zou kunnen resulteren in het
opleggen van een bestuurlijke boete aan de netwerkaanbieder in
gevallen waarin de netwerkaanbieder handelt overeenkomstig het
advies. Verweerder is in dit verband van mening dat de tekst van arti-
kel 82k, tweede lid, Mw zodanig ruim dient te worden geïnterpre-
teerd, dat vorenstaande vraag positief dient te worden beantwoord.
2.15. De rechtbank deelt voormeld standpunt van verweerder niet. De
handhavingsbevoegdheid van verweerder is blijkens de redactie van
artikel 82k, tweede lid, Mw beperkt tot de norm dat de aanbieder van
omroepnetwerken uitsluitend wegens zwaarwichtige redenen mag
afwijken van het advies van de programmaraad inzake het mini-
mumpakket. In dit geval wordt echter in de beslissing van Casema
om IJmond niet in het minimumpakket op te nemen het advies van
de programmaraad gevolgd. Naar het oordeel van de rechtbank dient
dan ook te worden geconcludeerd dat er in dit geval voor verweerder
niets viel te handhaven.
2.16. Verweerders verwijzing naar de beleidsregels inzake afwijken
door aanbieder van een omroepnetwerk van programmaraadadvies
Mediaforum 2003-3
98
Jurisprudentie nr
.1
5
(
Staatscourant 2 november 2001, nr. 213), waarin ter voorkoming van
dubbele procedures ook de mogelijkheid wordt geboden voor de pro-
gramma-aanbieder om een verzoek om handhaving bij het Commis-
sariaat in te dienen als hij in zijn belangen wordt getroffen doordat
conform het advies zijn programma niet in het wettelijk minimum-
pakket wordt opgenomen, maakt het vorenstaande niet anders.
2.17. In dit verband verwijst de rechtbank nog naar de volgende passa-
ge in Nota naar aanleiding van het verslag bij de totstandkoming van
artikel 82k Mw (EK, 1996-1997, 24 808, nr. 227b, p.5): `Het Commissa-
riaat voor de Media is belast met het toezicht op de naleving van de
bepalingen in de Mediawet, ook met betrekking tot kabelexploitan-
ten. De adviesbevoegdheid van de programmaraad is geregeld in arti-
kel 82k van de Mediawet. De kabelexploitant kan slechts om zwaar-
wegende redenen afwijken van het advies. (...) Indien de
kabelexploitant op onterechte gronden wenst af te wijken van het
advies is de samenstelling van het programmapakket op ondeugde-
lijke gronden geschied en kan dit worden getoetst door het Commis-
sariaat. (...) Een programma-aanbieder die uiteindelijk niet in het
programmapakket wordt opgenomen of waaraan onredelijke eisen
gesteld worden, kan tot het moment dat artikel 82l van de Mediawet
vervalt (volgens het geldende KB uiterlijk 1 januari 1998) een beroep
doen op het Commissariaat. Hij kan ook gebruik maken van de pro-
cedurele mogelijkheden die de mededingingswetgeving biedt'. Uit
deze passage kan naar het oordeel van de rechtbank eveneens worden
afgeleid dat de wetgever bij de totstandkoming van artikel 82k, twee-
de lid, Mw het primaat heeft willen leggen bij de programmaraden
en de handhavingsruimte voor verweerder heeft willen beperken tot
de gevallen waarin van het advies wordt afgeweken.
2.18. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het bestreden
besluit, door de gehanteerde toepassing van artikel 134 Mw j
o
de arti-
kelen 82i en 82k Mw, lijdt aan een motiveringsgebrek, zodat het
besluit niet in stand kan blijven wegens strijd met artikel 7:12 Awb, en
het beroep gegrond is.
2.19. Verweerder heeft in het bestreden besluit als conclusie evenwel
terecht zijn standpunt gehandhaafd, dat het verzoek om handhaving
diende te worden afgewezen, zij het op onjuiste gronden. Nu de eind-
uitkomst van het bestreden besluit op zichzelf niet als onjuist kan
worden bestempeld, ziet de rechtbank aanleiding om met toepassing
van artikel 8:72, derde lid, Awb, te bepalen dat de rechtsgevolgen van
het vernietigde besluit geheel in stand blijven.
2.20. Voorts bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling
ten aanzien van verweerder.
3. Beslissing
De rechtbank
3.1. verklaart het beroep gegrond;
3.2. vernietigt het bestreden besluit van 28 augustus 2001;
3.3. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand
blijven;
3.4. veroordeelt het Commissariaat voor de Media in de door eiseres
gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal
644,-, te betalen
door het Commissariaat voor de Media aan eiseres;
3.5. gelast dat het Commissariaat voor de Media het door eiseres
betaalde griffierecht van
204,20 aan haar vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.F.W. Brouwer, voorzitter en mrs.
J.F. Miedema en D. Samkalden, leden, in tegenwoordigheid van mr.
S.O. Vos, als griffier en uitgesproken in het openbaar op 5 december
2002 in tegenwoordigheid van de griffier.
(...)
Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State, postbus 20019, 2500 EA
Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het
indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk lig-
gend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.
Noot
Jilles van den Beukel
IJmond TV is het slachtoffer van een advies van de programmaraad
over de samenstelling van het wettelijke basispakket. Het program-
ma van IJmond TV wordt namelijk niet langer in het advies over het
basispakket opgenomen. IJmond TV laat het er niet bij zitten en
vraagt het Commissariaat voor de Media om een bindende aanwij-
zing te geven aan de kabelexploitant Casema teneinde de doorgifte
van IJmond TV voort te zetten. IJmond TV stelt daarbij dat het Com-
missariaat moet onderzoeken of de programmaraad de deskundig-
heid bezit, die in artikel 82k, vijfde lid, MW wordt vereist. Tevens
stelt IJmond TV dat de programmaraad onvoldoende heeft aangege-
ven op welke gronden het advies is opgesteld, waardoor er sprake zou
zijn van een motiveringsgebrek.
Het Commissariaat besluit dat van een onvoldoende deskundigheid
van de programmaraad niets is gebleken. Ook vindt het Commissari-
aat dat de beleidscriteria van de programmaraad helder zijn. Interes-
sant punt van deze kwestie is de rol van de kabelexploitant. Deze had
het advies van de programmaraad opgevolgd en de doorgifte van
IJmond TV gestaakt. Volgens artikel 82k, tweede lid, MW mag een
kabelexploitant wél afwijken van een advies van de programmaraad
indien er zwaarwichtige redenen voor zijn.
1
Casema was kennelijk in
dit geval van mening dat er geen redenen waren om van het advies af
te wijken. De principiële vraag die hier speelt is of het Commissariaat
bevoegd is om tot toetsing van zwaarwichtige redenen over te gaan
indien een kabelexploitant een advies opvolgt. In een opener van dit
blad heeft Hins reeds eerder verdedigd dat het Commissariaat deze
bevoegdheid niet heeft.
2
Het Commissariaat mag alleen toetsen wan-
neer een kabelexploitant een advies van de programmaraad niet
volgt. Het Commissariaat mag zich niet zelfstandig een bevoegdheid
toekennen. De Rechtbank Haarlem heeft in deze zaak dezelfde rede-
nering gevolgd als Hins. Het Commissariaat is buiten zijn bevoegd-
heden getreden.
Inmiddels is er een wetsvoorstel tot wijziging van de Mediawet inge-
diend dat een wijziging van artikel 82k bevat.
3
In dit wetsvoorstel
wordt de wettelijke regeling van de programmaraden gewijzigd. Een
belangrijke doelstelling is het verbeteren van de kwaliteit en de trans-
parantie van de programmaraden en de besluiten van deze raden.
Ook wordt de rol van de kabelexploitant ten opzichte van het advies
van een programmaraad anders geformuleerd. Zoals in het boven-
staande is beschreven mág een kabelexploitant volgens de huidige
wettekst afwijken van een advies indien er zwaarwichtige redenen
zijn. In de voorgestelde tekst móet een kabelexploitant een advies
opvolgen tenzij er zwaarwichtige redenen zijn. Volgens de MvT
wordt hiermee verduidelijkt dat het Commissariaat sancties kan
opleggen zowel in het geval van afwijken van een advies als in het
geval van opvolgen van een advies.
De nieuwe formulering is nog steeds niet duidelijk over de bevoegd-
heid van het Commissariaat, hoewel de MvT anders suggereert. Wel-
iswaar is een negatieve formulering omgezet in een positieve maar de
inhoudelijke norm is gelijk gebleven: een kabelexploitant moet in
beginsel een advies van een programmaraad opvolgen. Daarom is het
niet zonneklaar dat het wél opvolgen van een advies ook door een
sanctie kan worden getroffen. Hiernaast ben ik van mening dat de
regering de oplossing van het probleem bij de verkeerde partij neer-
legt. Indien een programma-aanbieder het oneens is met een advies
van een programmaraad, moet hij toch niet worden doorverwezen
naar de kabelexploitant. De kabelexploitant wordt op deze manier
opgezadeld met een probleem dat eigenlijk door de programmaraad
wordt veroorzaakt. Bovendien is de programma-aanbieder hierbij
niet echt gebaat. De zwaarwichtige redenen, op grond waarvan een
kabelexploitant mag afwijken van een advies, zijn restrictief gefor-
muleerd en komen voort uit de belangen van een kabelexploitant en
niet uit die van een programma-aanbieder.
Overigens neemt de regering de door haar ingestelde programmara-
den sowieso niet serieus. Zij schrijft letterlijk: een kabelexploitant
kan zich in het laatstgenoemde geval (JvdB: het opvolgen van een
advies) dus niet achter het advies van een programmaraad `verschui-
len'. Kennelijk is het niet de bedoeling dat de adviezen van een pro-
grammaraad, weliswaar bedoeld om bindend te zijn, automatisch
1
Zie over de definitie van zwaarwichtige redenen
Mediaforum 2003/1, nrs. 2 en 3,
m.nt. J. van den Beukel.
2 A.W. Hins, `Kompetenz-Kompetenz',
Mediaforum 2002/1, p. 1.
3 TK 2002-2003, 28 639, nrs. 1-3.
Mediaforum 2003-3
99
Jurisprudentie nr
.1
6
worden opgevolgd. En de kabelexploitant heeft een zelfstandige
plicht tot het onderzoeken van redenen tot afwijken, althans zo lijkt
de consequentie van deze zinsnede te zijn.
Mij dunkt dat een programma-aanbieder, die het niet eens is met een
besluit van een programmaraad, een mogelijkheid tot heroverwe-
ging door de programmaraad moet hebben. Wellicht is het een oplos-
sing dat de wet verplicht tot het opnemen van een heroverwegings-
procedure in het reglement van de programmaraad. Een andere
(bestuursrechtelijke) mogelijkheid is het aanmerken van een besluit
van de programmaraad als een besluit in de zin van de AwB waarte-
gen bezwaar en beroep open staat. In deze variant zou bovendien het
Commissariaat als de beroepsinstantie kunnen worden aangewezen.
Daarnaast kan ook het huidige vierde lid van artikel 82k een rol spe-
len. Deze bepaling schrijft voor dat het basispakket een pluriforme
samenstelling moet hebben. Dit geeft de mogelijkheid aan het Com-
missariaat om een advies inhoudelijk te toetsen. Dit kan enige soelaas
bieden aan een programma-aanbieder die klaagt dat zijn programma
niet in een advies voor het basispakket is opgenomen. In zo'n geval
moet worden getoetst of een programmaraad terecht heeft besloten
dat een bepaalde programma-aanbieder niet bijdraagt aan de pluri-
formiteit. Nu is natuurlijk een inhoudelijke toetsing van een advies
van een programmaraad een hachelijke zaak. In extreme gevallen is
dit wellicht wél te doen. Een advies, waarin uitsluitend programma's
over natuur worden opgenomen in het basispakket, zal de plurifor-
miteitstoets redelijkerwijze niet doorstaan. Een advies waarin lokaal
programma A voor lokaal programma B wordt verwisseld is echter
minder gemakkelijk aan het begrip pluriformiteit te toetsen. Dan
gaat het met name om een juiste afweging van belangen door een
programmaraad. Daarom is een transparante besluitvorming door
programmaraden van groot belang. Gelukkig gaat het wetsvoorstel
daar ook over.
Nr 16
Sporttotalisator vs. Ladbrokes
Vzr. Rechtbank Arnhem 27 januari 2003
Vonnis in kort geding in de zaak van
de stichting Stichting De Nationale Sporttotalisator, gevestigd te
's-Gravenhage, eiseres, procureur mr. J.M. Bosnak, advocaten mr.
J.C.H. van Manen en E.M. van Gelderen te Amsterdam,
tegen
1. de vennootschap naar buitenlands recht Ladbrokes Ltd., gevestigd
te Watford, Verenigd Koninkrijk,
2. de vennootschap naar buitenlands recht Ladbrokes International
Ltd., gevestigd te Europort, Gibraltar, gedaagden, procureur mr.
J.C.N.B. Kaal, advocaten mr. K.A. J. Bisschop en P.G. van der Putt te
Amsterdam.
Partijen worden hierna ook aangeduid als De Lotto (eiseres), Lad-
brokes (gedaagden gezamenlijk).
Het verloop van de procedure
De Lotto heeft gedaagden tezamen met Mario Patrick Exploitatie-
maatschappij B.V. (hierna: Patrick) ter zitting in kort geding doen
dagvaarden en gevorderd als weergegeven in de dagvaarding. Al voor
de zitting is door De Lotto met Patrick een regeling getroffen. De Lot-
to heeft de vordering ten aanzien van Patrick ter zitting ingetrokken.
De Lotto heeft ter zitting haar eis ten aanzien van Ladbrokes gewij-
zigd, zoals hierna zal worden geformuleerd, waartegen Ladbrokes
zich niet heeft verzet.
Ladbrokes heeft geconcludeerd tot weigering van de gevorderde
voorzieningen. De advocaten van partijen hebben de zaak over en
weer bepleit overeenkomstig de door hen overgelegde pleitnotities.
Daarbij hebben zij producties in het geding gebracht. Ten slotte heb-
ben partijen vonnis gevraagd.
De vaststaande feiten
De Lotto is een stichting die als doelstellingen heeft het verwerven
van gelden door het organiseren van kansspelen en het verdelen van
deze gelden naar instellingen van algemeen belang.
Op grond van de Wet op de Kansspelen (Wok) mogen kansspelen
alleen worden georganiseerd als hiervoor door de overheid een ver-
gunning is verleend. Aan De Lotto zijn, als enige in Nederland, door
het Ministerie van Justitie en het Ministerie van VWS vergunningen
verleend voor het organiseren van lotto's, sportprijsvragen en
instantloterijen.
Ladbrokes is gevestigd in het Verenigd Koninkrijk. De website
www.ladbrokes.com staat op naam van gedaagde 2 en wordt geëxp-
loiteerd door gedaagde 1. De website Ladbrokes.nl stond oorspronke-
lijk op naam van Patrick. Na daartoe gesommeerd te zijn heeft Patrick
deze site overgedragen aan Ladbrokes. Op dit moment worden er
geen activiteiten met behulp van deze site ontwikkeld.
Ladbrokes houdt zich bezig met het spelen van sportieve wedden-
schappen. Ladbrokes is marktleider op het gebied van bookmaking,
oftewel weddenschappen door middel van notering. Ladbrokes biedt
via haar website Ladbrokes.com de mogelijkheid om deel te nemen
aan diverse kansspelen, die hoofdzakelijk sportgerelateerd zijn. Ook
is het mogelijk om via een telefoonnummer aan de door Ladbrokes
aangeboden kansspelen deel te nemen.
Het geschil
De Lotto vordert kort weergegeven dat Ladbrokes wordt gelast
deelname aan de volgende kansspelen: sportwedstrijden, lotto's en
instantloterijen, die door Ladbrokes via internet, telefoon of anders-
zins, rechtstreeks dan wel door middel van een op enigerlei wijze met
(één of meer) aan Ladbrokes verbonden (rechts)persoon, zonder ver-
gunning in Nederland worden aangeboden, voor ingezetenen van
Nederland in Nederland onmogelijk te maken, op dezelfde wijze als
voor ingezetenen van de Verenigde Staten. Ook vordert De Lotto dat
het Ladbrokes zal worden verboden enige van haar kansspelen aan te
bieden op een website met een .nl-adres. De Lotto vordert een en
ander op straffe van verbeurte van dwangsommen.
Mediaforum 2003-3
100
Jurisprudentie nr
.1
6
Subsidiair vordert De Lotto dat Ladbrokes wordt gelast het bevorde-
ren aan Nederlandse ingezetenen in Nederland van deelname aan de
kansspelen sportwedstrijden, lotto's en instantloterijen, die door
Ladbrokes, rechtstreeks dan wel door middels van een op enigerlei
wijze met (één of meer) Ladbrokes verbonden (rechts)persoon, wor-
den aangeboden, te (doen) staken, eveneens op straffe van verbeurte
van dwangsommen.
De Lotto heeft haar standpunt gemotiveerd, terwijl Ladbrokes tegen
de vorderingen gemotiveerd verweer heeft gevoerd. In het navolgen-
de zullen de standpunten van partijen over en weer, voor zover rele-
vant voor de beoordeling van het geschil, nader worden uiteengezet.
De beoordeling van het geschil
1. Bevoegdheid
Ambtshalve wordt geoordeeld dat de voorzieningenrechter te Arn-
hem bevoegd is van onderhavig geschil kennis te nemen. Aan die
beoordeling ligt het bepaalde in de EEX-verordening (EG 44/2001
van 22 december 2000, in werking getreden 1 maart 2002), alsmede
het bepaalde in artikel 102 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
(Rv) ten grondslag. De bevoegdheidsregels van de EEX-verordening
zijn van toepassing nu verweerder is gevestigd in een lidstaat van de
EU. Deze regels zijn voorts techniekonafhankelijk, zodat ze daarmee
ook van toepassing zijn op geschillen uit onrechtmatige daad die via
internet tot stand zijn gekomen.
Artikel 5 lid 3 van de EEX-verordening bepaalt dat bevoegd is het
gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voor-
gedaan.Onder de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft
voorgedaan kan worden verstaan de plaats van de veroorzakende
gebeurtenis of de plaats waar de schade is ingetreden. Vallen deze
niet samen dan mag eiser kiezen. (HvJ EG 30 november 1976). De Lot-
to heeft derhalve voor de Nederlandse rechter kunnen kiezen en op
grond van het bepaalde in artikel 102 Rv is de (voorzieningenrechter
van de) rechtbank in Arnhem bevoegd van onderhavig geschil kennis
te nemen.
2. Toepasselijk recht
De E-commerce Richtlijn ( Richtlijn 2000/31/EG, L 178/1 van het Euro-
pees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juri-
dische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met
name de elektronische handel, in de interne markt) gaat uit van het
zogenaamde
Country of Origin beginsel. Deze richtlijn is op grond van
artikel 1 lid 5 aanhef en sub d echter niet van toepassing op gokactivi-
teiten, waarbij een geldbedrag wordt ingezet, zoals loterijen en wed-
denschappen.
Nu deze richtlijn niet van toepassing is, dient aan de hand van de
algemene regels van het Nederlandse IPR te worden beoordeeld naar
welk recht de gestelde onrechtmatige gedragingen moeten worden
beoordeeld.
Het Nederlandse IPR, welk recht gecodificeerd is in de op 1 juni 2001
in werking getreden Wet Conflictenrecht Onrechtmatige Daad
(WCOD), kent geen speciale geschreven of ongeschreven verwijzings-
regels voor de aan het Internet gerelateerde onrechtmatige daad. In
het Nederlandse IPR geldt als hoofdregel dat vorderingen uit
onrechtmatige daad in beginsel worden beheerst door het recht van
het land waar de onrechtmatige daad heeft plaatsgevonden (artikel 3
lid 1 WCOD).
Als zodanig geldt het land waar de onrechtmatige daad schadelijk
uitwerkt (artikel 3 lid 2 WCOD). Zowel op grond van deze hoofdregel
als op grond van de `marktregel' van artikel 4 lid 1 WCOD voor geval-
len van oneerlijke mededinging is in elk geval op de primair door De
Lotto gestelde onrechtmatige gedraging van Ladbrokes (het aanbie-
den van kansspelen in Nederland aan Nederlandse ingezetenen)
Nederlands recht van toepassing.
3. Strijd met de Wet op de Kansspelen
Artikel 1 van de Wok verbiedt onder meer, kort gezegd, het aanbieden
in Nederland van een kansspel, tenzij daarvoor een vergunning is
verleend.
Het zonder vergunning aanbieden van een kansspel in Nederland is
een misdrijf op grond van de Wet van de Economische Delicten
(WED). Op dit moment mogen Nederlandse vergunninghouders
maar beperkt en onder strikte voorwaarden kansspelen aanbieden op
internet. Ook voor de Lotto gelden speciale voorwaarden voor het
mogen aanbieden van haar kansspelen op internet.
De door Ladbrokes aangeboden kansspelen: lotto's, instantloterijen
en sportwedstrijden, zijn kansspelen in de zin van de Wok, hetgeen
door Ladbrokes niet wordt betwist. Ze worden naar het oordeel van
de voorzieningenrechter door Ladbrokes in Nederland aangeboden.
Daarbij is van doorslaggevende betekenis geoordeeld dat Nederlan-
ders zich in Nederland via hun computer zonder enige beperking
kunnen aanmelden voor en kunnen meedoen aan de door Ladbrokes
op www.ladbrokes.com aangeboden kansspelen, waarbij het prijzen-
geld kan worden uitbetaald door overmaking op de Nederlandse
bankrekening van de betrokken deelnemer en dat Nederland uit-
drukkelijk is opgenomen in de lijst van landen waarvan ingezetenen
kunnen meedoen aan de kansspelen, terwijl de Verenigde Staten bij-
voorbeeld niet in dit lijstje zijn opgenomen. Dat de website van Lad-
brokes in het Engels is, doet aan bovenstaande conclusie niet af, reeds
omdat het Engels de algemeen erkende en gebruikelijke computer-
taal is.
Ladbrokes handelt dus in strijd met artikel 1 van de Wok.
4. Onrechtmatige daad
De Wok strekt tot bescherming van het publieke belang bij het inper-
ken van fraudegevoeligheid en excessieve goklust en dus niet tot
bescherming van het belang van De Lotto.
Met toepassing van de correctie-Langemeijer wordt echter overwo-
gen dat de overtreding van een norm die niet strekt tot bescherming
tegen schade zoals de benadeelde die heeft geleden, toch onrechtma-
tig kan zijn jegens de benadeelde.
Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als de overtreding van een norm
tevens in strijd is met een ongeschreven betamelijkheidsnorm die
strekt tot bescherming van het belang van de benadeelde, mits de
overtreder het belang kende of had behoren te kennen.
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is voorshands geoor-
deeld voldoende aannemelijk geworden dat Ladbrokes zich door het
zonder Nederlandse vergunning aanbieden van kansspelen in Neder-
land voor de Nederlanders een substantiële, onrechtmatige, voor-
sprong op De Lotto heeft verschaft.
De Wok en de aan De Lotto verstrekte vergunningen leggen aan De
Lotto bij het aanbieden van kansspelen strenge voorwaarden op, ter-
wijl Ladbrokes onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij op
grond van het Britse recht ook gehouden is aan zulke strenge voor-
waarden en vereisten te voldoen. Zo dient De Lotto een aanzienlijk
deel van haar opbrengsten te besteden aan goede doelen. Hoewel
Ladbrokes ook aan goede doelen schenkt, zoals zij stelt, is zij hiertoe
niet verplicht. Ook gelden voor De Lotto bijvoorbeeld beperkingen
met betrekking tot het aantal aan te bieden kansspelen en de maxi-
male inleg- en verliesbedragen, welke beperkingen voor Ladbrokes
niet gelden.
Dat het vooralsnog niet om hele grote aantallen deelnemers aan de
kansspelen via de site van Ladbrokes gaat, zoals Ladbrokes stelt, is
geen doorslaggevend argument om aan te nemen dat er om die reden
geen sprake zou (kunnen) zijn van een ongeoorloofde voorsprong.
Ladbrokes biedt immers nog maar een jaar haar kansspelen aan op de
website, zodat rekening moet worden gehouden met een sterke toe-
name van het aantal deelnemers.
Op grond van het hiervoor overwogene wordt geoordeeld dat Lad-
brokes onrechtmatig handelt jegens De Lotto.
5. Strijdigheid Wok met het Europees recht?
Is het op grond van de Nederlandse wetgeving uitsluiten van bepaal-
de aanbieders van kansspelen in strijd met het bepaalde in de artike-
len 29 en 49 van het EG verdrag en derhalve aan te merken als een ver-
boden beperking van het vrij verkeer van goederen en/of diensten?
Terecht stellen beide partijen dat het Hof van Justitie van de EG heeft
uitgemaakt (
Schindler, Läärä, Zennatti) dat gerechtvaardigde nationale
beperkingen op het vrij verkeer van goederen en diensten zijn toege-
staan, voor zover die beperkingen niet op ongeoorloofde wijze discri-
mineren tussen nationale en buitenlandse aanbieders van diensten.
Gerechtvaardigde redenen voor nationale beperkingen zijn bijvoor-
beeld consumentenbescherming, fraudebescherming, sociaal beleid
en bescherming van de maatschappelijke orde. Uitdrukkelijk zijn
uitgesloten het veilig stellen van economische belangen, zoals fond-
senwerving.
Aan de Wok liggen gerechtvaardigde nationale belangen ten grond-
slag, namelijk het in goede banen leiden van kansspelen door middel
Mediaforum 2003-3
101
Jurisprudentie nr
.1
6
van bescherming van de consument, het tegengaan van gokversla-
ving en het tegengaan van criminaliteit.
Voorshands geoordeeld is de Wok niet in strijd met de Europese wet-
geving en is deze wet ook niet discriminerend ten opzichte van bui-
tenlandse aanbieders van kansspelen, nu de Wok geldt voor alle aan-
bieders van kansspelen in Nederland.
Nu aan de hand van de voorliggende jurisprudentie voldoende vast
staat dat de Wok niet in strijd is met het EG recht, bestaat er geen aan-
leiding te voldoen aan het verzoek van Ladbrokes om deze vraag (vra-
gen) voor te leggen aan het Hof van Justitie van de EG.
6. Geografische beperkingen aan deelname is mogelijk
Ter zitting is komen vast te staan dat Ladbrokes over software
beschikt om ingezetenen van bepaalde landen van deelname via het
internet aan de door haar aangeboden kansspelen uit te sluiten, zoals
zij bijvoorbeeld heeft gedaan ten aanzien van de Verenigde Staten.
Aannemelijk is dat zij ook Nederlanders in Nederland kan uitsluiten
van deelname via haar site aan de door haar aangeboden kansspelen,
zodat zij door het door De Lotto gevorderde niet onevenredig in haar
belangen wordt geschaad.
7. De vorderingen van de Lotto
Primair vordert de Lotto dat Ladbrokes deelname aan de kansspelen
lotto, sportwedstrijden en instantloterijen, via internet, telefoon of
anderszins (...) dient te staken. Ten aanzien van het aanbieden van
genoemde kansspelen via internet zal op grond van het hiervoor
overwogene de vordering worden toegewezen, zij het op een wijze als
hierna bepaald. De gevorderde dwangsom zal aan een maximum
worden verbonden.
Ten aanzien van het aanbieden van kansspelen via de telefoon of
anderszins wordt overwogen dat in het kader van deze procedure
onvoldoende is komen vast te staan dat Ladbrokes zich schuldig
maakt aan het in Nederland voor ingezetenen van Nederland via de
telefoon of anderszins aanbieden van genoemde kansspelen. In dit
geding is onvoldoende duidelijk geworden of het 0800-telefoon-
nummer, dat door Ladbrokes ook gebruikt wordt om haar kansspe-
len aan te bieden, een Nederlands of een Engels nummer is, in hoe-
verre dit nummer vanuit Nederland kan worden gebeld en, indien dit
mogelijk is, in hoeverre dit aan Ladbrokes kan worden toegerekend.
Om hierin meer inzicht te verkrijgen is nader onderzoek vereist,
waarvoor deze procedure zich niet leent. De vordering dienaangaan-
de zal dan ook worden afgewezen.
Tevens vordert De Lotto dat Ladbrokes zal worden verboden de
genoemde kansspelen aan te bieden via de website met een nl. adres.
Ladbrokes heeft gesteld op dit moment geen kansspelen aan te bie-
den op Ladbrokes.nl. Zij heeft evenwel niet toegezegd dit ook in de
toekomst niet te zullen doen. De Lotto heeft dus ook in dit opzicht
recht en belang bij haar vordering.
Nu het primair gevorderde met betrekking tot het aanbieden van
kansspelen door middel van het internet zal worden toegewezen,
behoeft de subsidiaire vordering (het bevorderen aan deelname aan
die kansspelen) geen behandeling.
8. De vordering van Ladbrokes
Ladbrokes verzoekt zekerheidsstelling door De Lotto, voor het geval
achteraf zal komen vast te staan dat Ladbrokes ten onrechte de websi-
te voor Nederlanders heeft afgesloten.
De voorzieningenrechter acht geen termen aanwezig om aan dit ver-
zoek te voldoen, reeds omdat niet gesteld of gebleken is dat De Lotto
niet in staat zou zijn Ladbrokes de schade als gevolg van de tenuitvoer-
legging van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis te voldoen.
9. Proceskosten
Als de in het ongelijk gestelde partij zal Ladbrokes de kosten van deze
procedure dienen te dragen.
De beslissing
De voorzieningenrechter
1. gelast Ladbrokes binnen drie dagen na betekening van dit vonnis
deelname aan de door haar door middel van internet aangeboden lot-
to's, instantloterijen en sportwedstrijden, die op enigerlei wijze door
Ladbrokes, rechtsreeks dan wel door middel van een op enigerlei wijze
met (één of meer) Ladbrokes verbonden (rechts)persoon, zonder ver-
gunning in Nederland worden aangeboden, voor ingezetenen van
Nederland in Nederland onmogelijk te maken, op dezelfde wijze als
waarop dat is geschied ten aanzien van de ingezetenen van de Verenig-
de Staten van Amerika, zulks op straffe van een dwangsom van
10.000,- voor iedere dag (een gedeelte van een daarvan voor een gehe-
le gerekend) dat Ladbrokes, dan wel een op enigerlei wijze met Lad-
brokes verbonden (rechts)persoon, in strijd handelen met (enig onder-
deel van) dit gebod, met een maximum van
200.000,-, met dien
verstande dat genoemde dwangsom vatbaar is voor matiging door de
bodemrechter voor zover handhaving van de hiervoor opgelegde
dwangsom naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaan-
vaardbaar zou zijn, in aanmerking genomen de mate waarin aan de
veroordeling is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate van
verwijtbaarheid van de overtreding,
2. verbiedt Ladbrokes lotto's, instantloterijen en sportwedstrijden
aan te bieden via een website met een Nederlands (.nl)adres, waaron-
der het adres www.ladbrokes.nl, zulks op straffe van een dwangsom
van
10.000,- voor iedere dag (een gedeelte van een daarvan voor een
gehele gerekend) dat Ladbrokes, dan wel een op enigerlei wijze met
Ladbrokes verbonden (rechts)persoon, in strijd handelen met (enig
onderdeel van) dit gebod, met een maximum van
200.000,-, met
dien verstande dat genoemde dwangsom vatbaar is voor matiging
door de bodemrechter voor zover handhaving van de hiervoor opge-
legde dwangsom naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid
onaanvaardbaar zou zijn, in aanmerking genomen de mate waarin
aan de veroordeling is voldaan, de ernst van de overtreding en de
mate van verwijtbaarheid van de overtreding,
3. veroordeelt Ladbrokes in de kosten van deze procedure, tot aan
deze uitspraak aan de zijde van de Lotto bepaald op
703,36 voor
salaris en op
298,18 voor verschotten,
4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5. weigert het anders of meer gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.AE. Uniken Venema en in het open-
baar uitgesproken door mr. J.A.Z. Hooft Graafland in tegenwoordig-
heid van de griffier mr. I.A. van Gemert op 27-1-2003.
Noot
Kamiel Mortelmans*
1. Lotto heeft een vergunning in de zin van de Wet op de Kansspelen
(Wok) op het internetgokken in het `Thuis Casino'.
1
Ladbrokes, geves-
tigd in het Verenigd Koninkrijk, heeft geen Nederlandse vergunning,
maar voldoet wel aan de minder strenge Britse wetgeving. Via haar
website met .nl-adres wil Ladbrokes Nederlandse ingezetenen in
Nederland laten deelnemen aan kansspelen.
2. De Wok wordt via de Wet economische delicten strafrechtelijk
gehandhaafd. Deze wet strekt tot bescherming van het publieke
belang bij het inperken van fraudegevoeligheid en excessieve gok-
lust. Mij is niet bekend dat strafrechtelijk tegen Ladbrokes is opgetre-
den.
Bij het stilzitten van de strafrechter is er nog altijd het gewone recht,
met name de onrechtmatigedaadsactie.
In deze zaak treedt SNS/Lotto op tegen Ladbrokes. De Arnhemse
voorzieningenrechter is van oordeel dat, via de `correctie-Lange-
meijer',
2
de belangen van SNS/Lotto moeten worden beschermd. De
voorzieningenrechter beslist dan ook in het voordeel van SNS/Lotto,
zodat Ladbrokes haar .nl-adressen niet meer mag gebruiken.
3. De enige ontsnappingsroute
3
die Ladbrokes overbleef, was de strij-
digheid van artikel 1 van de Wok met de EG-bepalingen over het vrije
verkeer.
*
Prof. mr. K. J.M. Mortelmans is hoogleraar aan het Europa Instituut, Universi-
teit van Utrecht, en redacteur van dit blad.
1
Over de opkomst hiervan A. van 't Veer, `Interactief gokken in Nederland',
NJB
1995, p. 1561.
2 Zie HR 17 januari 1958,
Tandarts, NJ 1961, 568.
3 Het Securitel-lek, dat leidde tot de vernietiging van het bestreden besluit dat
Mediaforum 2003-3
102
Jurisprudentie nr
.1
6
Deze weg was door een Duitse onderneming, Schindler, reeds bewan-
deld in een zaak tegen de Postcodeloterij. In een vonnis van 14 febru-
ari 1997 in de zaak
Schindler/Postcodeloterij oordeelde de President van
de Arrondissementsrechtbank Den Haag dat het geenszins uitgeslo-
ten moet worden dat het bepaalde in de Wok in strijd is met de Euro-
pese regelgeving, omdat naar zijn oordeel de verbodsbepaling in arti-
kel 1, aanhef en sub b Wok een ongerechtvaardigd onderscheid maakt
tussen Nederlandse ondernemingen en ondernemingen gevestigd in
een andere lidstaat van de EG, en als zodanig is strijd is met artikel 49
EG.
Het dictum van dit vonnis is in hoger beroep bevestigd door het
Gerechtshof te Den Haag in een arrest van 19 november 1998. Het hof
neemt evenwel niet de motivering van de president over inzake de
mogelijke strijdigheid van de Wok met het EG-verdrag. Het Hof
Den Haag oordeelde dat Schindler weliswaar mogelijk in strijd met
de Wok handelt, maar dat de Postcodeloterij niet aannemelijk had
gemaakt dat de concurrentievoorsprong van Schindler haar schade
toebracht.
4
4. Deze uitspraak van Gerechtshof Den Haag in deze Nederlandse
Schindler-zaak is verbazingwekkend, omdat in 1994 het Hof van Jus-
titie, in de zaak die betrekking had op het weren van loterijactivitei-
ten van Schindler in het Verenigd Koninkrijk (Süddeutsche Klassen-
lotterie), de Britse kansspelenwetgeving sauveerde.
5
Het Hof van Justitie was in deze Britse
Schindler-zaak van oordeel dat
de nationale regeling gerechtvaardigd was door doelstellingen die
verband houden met de bescherming van de consument en van de
maatschappelijke orde. Het hof oordeelde verder dat, gelet op de bij-
zonderheden van loterijen, de nationale autoriteiten over voldoende
beoordelingsvrijheid beschikken om te bepalen wat noodzakelijk is
voor de bescherming van spelers, en meer in het algemeen, rekening
houdend met de sociale en culturele bijzonderheden van iedere lid-
staat, voor de bescherming van de maatschappelijke orde, zowel wat
de organisatie van loterijen en de omvang van de inleggelden betreft,
als met betrekking tot de bestemming van de opbrengsten ervan. In
die omstandigheden staat het aan de bedoelde autoriteiten om niet
alleen te beoordelen of het noodzakelijk is de loterijactiviteiten te
beperken, maar ook deze te verbieden, met dien verstande dat deze
beperkingen niet discriminerend mogen zijn.
6
Uit deze overwegingen van het Hof van Justitie in de Britse
Schindler-
zaak konden zeker argumenten gehaald worden om, in de veronder-
stelling dat artikel 1 Wok onder het verbod van artikel 49 EG viel,
deze bepaling in de Nederlandse
Schindler-zaak te sauveren.
Dit sauveren is wel gebeurd in een strafzaak waar de verdachte ver-
volgd werd wegens schending van artikel 1 Wok in relatie tot casino-
spelen. Verdachte stelde in hoger beroep dat deze bepaling in strijd
was met de `Europese regelgeving omtrent de mededinging'. In
hoger beroep verwierp het Hof Arnhem dit argument met een impli-
ciete verwijzing naar deze Britse
Schindler-zaak. Het Hof overwoog
`nu deze beperking (monopolie van Holland Casino, KM) haar recht-
vaardiging vindt in overwegingen van sociaal beleid en fraudebestrij-
ding, is de Wet op de kansspelen niet in strijd met de Europese regel-
geving omtrent mededinging'.
7
Het Hof Arnhem roept terecht
excepties in, maar het vergeet eerst aan te geven dat het in casu niet
gaat om het mededingingsrecht (artikel 82 EG), maar wel om het vrije
verkeer van diensten (artikel 49 EG). Het is overigens maar de vraag of
de verdachte deze laatste bepaling kon inroepen, omdat uit de feiten-
weergave niet duidelijk wordt dat hij diensten aanbiedt, dan wel dat
hij afkomstig is uit een ander EG-land. Als Nederlander kan hij op
deze verdragsbepaling geen beroep doen als hij geen gebruik heeft
gemaakt van het vrije verkeer.
8
5. Na deze Britse
Schindler-uitspraak heeft het Hof van Justitie in de
zaak Läärä
9
(speelautomaten) en de zaak
Zenatti
10
(weddenschappen
via internet) de lijn doorgetrokken waarbij aan de lidstaten wat kans-
spelenwetgeving betreft een ruime discretionaire marge wordt toe-
gekend.
Deze drie arresten worden in de Arnhemse zaak genoemd als argu-
ment om de geldigheid van artikel 1 van de Wok te bepleiten. De voor-
zieningenrechter overweegt dat
voorshands geoordeeld wordt dat de
Wok niet in strijd is met de Europese wetgeving. Het woord `voors-
hands' laat zien dat de rechter een slag om de arm houdt. Het kan zijn
dat dit de normale terughoudendheid is van een voorzieningenrech-
ter. Het is ook mogelijk dat deze rechter toch twijfels heeft over de
geldigheid van de Wok-regeling.
De vergunningseis, zoals opgenomen in de Wok, zal in het algemeen
gesauveerd kunnen worden met argumenten ontleend aan de arres-
ten
Schindler, Läärä en Zenatti. Toch zal per geval nagegaan moeten
worden of de vergunning terecht geweigerd is. Met andere woorden,
bij gebrek aan communautaire regelingen op dit vlak zal de rechter
moeten nagaan hoe de kansspelenwetgeving van het land van her-
komst zich verhoudt ten opzichte van de wetgeving in het land van
bestemming.
Dit onderzoek wordt summier, maar voor een voorlopige voorzie-
ning voldoende door de Arnhemse voorzieningenrechter verricht.
Hij geeft aan dat `Ladbrokes onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt
dat zij op grond van het Britse recht ook gehouden is aan zulke stren-
ge voorwaarden en eisen (als de Lotto in Nederland,
KM) te voldoen'.
De minder strenge eisen in het land van herkomst zijn, in de redene-
ring van de Arnhemse rechter, een rechtvaardiging om Ladbrokes, die
geen Wok-vergunning heeft, van de Nederlandse markt te weren. Op
deze wijze worden de consument/gokker en de maatschappelijke
orde beschermd.
De voorzieningenrechter maakt nog op een andere wijze gebruik van
de toepassingspraktijk in andere staten en brengt deze in verband
met de eigen zaak. Ter zitting was komen vast te staan dat Ladbrokes
over software beschikt om ingezetenen van bepaalde landen, bijvoor-
beeld de Verenigde Staten, uit te sluiten van deelname via het inter-
net aan de door haar aangeboden kansspelen. Met verwijzing naar
deze werkwijze beslist de voorzieningenrechter dat Ladbrokes in
Nederland dezelfde werkwijze moet toepassen.
6. De Arnhemse rechter legt de bewijslast bij Ladbrokes. Dit lijkt mij
correct, omdat deze onderneming veel beter dan de Nederlandse
tegenpartij en de Nederlandse rechter in staat is, informatie aan te
dragen over de normen die op haar van toepassing zijn vanuit het
rechtsstelsel waar zij gevestigd is.
In zaken waar de Wok strafrechtelijk gehandhaafd wordt (en dezelf-
de regel geldt voor een administratief vergunningensysteem), ligt dit
anders. Hier zal het OM of de vergunningverlenende instantie moe-
ten nagaan bij de collega's uit het desbetreffende land wat de inhoud
van de wetgeving ter zake is, welk (gedogend?) vergunningenbeleid
gevolgd wordt, enz. Deze regel van samenwerking tussen nationale
autoriteiten, die gebaseerd is op artikel 10 EG (gemeenschapstrouw),
is reeds toegepast in een aantal Nederlandse zaken (die evenwel niet
in de loterijsfeer spelen).
11
7. De rechtssituatie (weigeren vergunning of, in casu, verlenen voor-
lopige voorziening) wordt anders, indien de rechter te maken krijgt
met een onderneming die opereert vanuit een lidstaat die strengere
of even strenge eisen stelt aan kansspelen als de Nederlandse Wok. In
dit geval waarborgt de lidstaat van herkomst de bescherming van de
consument en van de maatschappelijke orde.
In de internationale internetwereld moet het voor elke rechter in
Europa mogelijk zijn te werken met een algemeen begrip van de nor-
male/waakzame consument die moet beschermd worden. In het
levensmiddelenrecht doet zich een vergelijkbare probleemstelling
voor en is het Hof van Justitie met werkbare indicaties gekomen.
12
gebaseerd was op de Wok (zie CBB 3 februari 1999, Amusementsautomaten van
de Werve en Meister tegen Minister van EZ,
AB 1999, 232 m.nt. JHvdV) is
gedicht, zie CBB 7 juni 2000, X tegen gemeente Spijkenisse, LJN-nr. AA9037.
4 Beide uitspraken zijn bij mijn weten niet gepubliceerd. Ik haal mijn informatie
uit E.A. van Vondelen, `Kansspelmonopolies houden alsnog stand',
SEW 2000,
p. 206.
5 Nu ik niet over de tekst van deze uitspraken beschik, zie noot 4, weet ik niet of
de argumentatie uit de Britse
Schindler niet is ingeroepen, dan wel verworpen.
6 Zaak C-275/92,
Schindler, Jur. 1994, I-1039, overweging 61. Hierover TvC 1994, p.
216, m.nt. Mortelmans. In de weergave van het MDW-standpunt van het Kabi-
net over kansspelen wordt deze non-discriminatietoets niet vermeld. Zie
Kamerstukken 24 036, nr. 180, p. 5, voetnoot 1.
7 Hof Arnhem 9 juli 2001,
Holland Casino, LJN-nr. AB2589.
8 Zie bijvoorbeeld CBB 27 oktober 1989, Hubertus-De Rijk,
SEW 1990, p. 320,
m.nt. Mortelmans. Zie ook conclusie van AG Tizzano van 11 februari 2003, zaak
C-6/01,
Anomar, nr. 20.
9 Zaak C-124/97.
Läärä, Jur. 1999, I-6067. Zie SEW 2001, p. 466, m.nt. Jans
10 Zaak C-67/98,
Zenatti, Jur. 1999, I-7289. Zie AAe 2000, p. 196, m.nt. Mortelmans;
SEW 2001, p. 466. m.nt. Jans; NTER, 2000, p. 7, m.nt. Van Haersolte.
11 Zie bijvoorbeeld ABRvS 17 december 1993,
SEW 1994, p. 456, m.nt. Temmink.
Meer in het algemeen, zie S.Prechal en L. Hancher,
Europees bewijsrecht: een ver-
kenning, Deventer, 2001.
12 K. J.M. Mortelmans en J.S. Watson, `The Notion of Consumer in Community
Law: a Lottery?',
TvC 1995, p. 229. Zie ook zaak C-210/96, Gut Springenheide,
Jur. 1998, I-4657.
Mediaforum 2003-3
103
Jurisprudentie nr
.1
6
Wat de bescherming van de maatschappelijke orde betreft, is een
algemene invulling niet zo makkelijk vast te stellen, omdat het bij
gokken vooral om de maatschappelijke orde van de lidstaat van
bestemming gaat. Bij internetgokken, dat in een virtuele mondiale
ruimte plaatsvindt, wordt de bescherming van de maatschappelijke
orde mogelijk anders ingevuld dan wanneer we te maken hebben met
kansspelautomaten die zich vlak bij een school bevinden.
Hoe het ook zij, de automatische conclusie (in het geval van gelijke of
strengere eisen): dat de vergunning geweigerd wordt, dan wel, indien
ze niet aangevraagd was, dat de onderneming uit de andere lidstaat
op de Nederlandse markt niet mag opereren, is dan mogelijk een
brug te ver. Dit niettegenstaande de overweging van het Hof van Jus-
titie in de zaak Läärä dat de lidstaten bij kansspelen over een ruime
discretionaire marge beschikken.
13
Gelet op de vergelijkbare garanties in de landen van herkomst en
bestemming, is het weigeren van toegang tot de markt aan de buiten-
landse onderneming mogelijk niet in overeenstemming met het pro-
portionaliteitsbeginsel dat een onderdeel uitmaakt van de algemene-
belangentoets. Wel proportioneel zou bijvoorbeeld kunnen zijn een
tijdelijke vergunning.
Ik baseer mij bij deze stelling op overweging 37 van het arrest van het
Hof van Justitie in de zaak
Zenatti. Volgens deze overweging dient de
nationale rechter na te gaan of de nationale wetgeving, gelet op haar
concrete toepassingsmodaliteiten, echt beantwoordt aan de doelstel-
lingen die haar kunnen rechtvaardigen en of de opgelegde beperkin-
gen niet onevenredig zijn aan deze doelstellingen.
14
Het argument dat meer of minder geld aan goede doelen wordt
besteed, waaraan de Arnhemse rechter refereert, vind ik van secun-
dair belang. Als het doorslaggevend zou zijn, dan kon in casu Lad-
brokes een kosten-batenanalyse toepassen, het bedrag van de schen-
kingen aan goede doelen afstrepen tegen de (potentiële) winst op de
Nederlandse markt en op deze wijze het recht op vrij verkeer kopen!
Deze relativering van de draagwijdte van de Arnhemse uitspraak is
van belang in het licht van de uitlatingen van de Lotto in de pers, dat
na deze Arnhemse zaak andere internetaanbieders van kansspelen
aangepakt zullen worden.
15
8. De Arnhemse rechter gaat na of hij bevoegd is. Hij baseert zich op
de kersverse EEX-verordening die in artikel 5, lid 3 bepaalt dat
bevoegd is het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit
zich heeft voorgedaan. Bij twijfel kan de eiser kiezen en Lotto/SNS
hebben voor Nederland gekozen.
In de
Zenatti-zaak was het Hof van Justitie, anders dan zijn AG,
16
om
de vraag naar de toepasselijke rechter heen gelopen..
9. De Gemeenschapswetgever heeft nog geen regeling goedgekeurd
die betrekking heeft op weddenschappen via internet. Zoals de Arn-
hemse rechter aangeeft, is de E-commerce richtlijn van 8 juni 2000
niet van toepassing op gokactiviteiten. Deze uitzondering illustreert
dat de Gemeenschapswetgever dit onderwerp voorlopig? in eigen
hand wil houden.
Het feit dat de nationale belastingautoriteiten (en de goede doelen)
altijd de winnaars zijn, zal hier niet vreemd aan zijn. Verder waren
een aantal instanties, zoals AG Fennelly in de zaak
Zenatti,
17
en de
NMa in de concentratiezaak
Lotto, Staatsloterij en Bankgiroloterij,
18
tot
voor kort (1999) van oordeel dat het niet zo'n vaart zou lopen met
internationaal internetgokken.
Ik had en heb sterke twijfels of dit standpunt houdbaar is, gezien het
intensief internetverkeer van gokgevoelige personen.
19
De recente
uitlatingen van de Lotto, dat ze na deze Arnhemse zaak zal optreden
tegen aanbieders uit andere landen (Duitsland en de Verenigde Sta-
ten), bevestigen mijn stelling dat wetgeving, mogelijk Europese en
liefst mondiale, gewenst is.
10. De Wok staat in de Haagse steigers. In het kader van de MDW-ope-
ratie wordt het kansspelenbeleid, ook via internet, onder de loep
genomen.
In 2000 werd het rapport `Nieuwe ronde, nieuwe kansen' afgerond.
Naar aanleiding hiervan heeft de regering haar standpunt naar de
Tweede Kamer gestuurd. Over kansspelen op internet vermeldt het
kabinet, eind 2000, dat het `op korte termijn één of twee internetpla-
za's zal toestaan voor Nederlandse vergunningenhouders voor lande-
lijke kansspelen en voor speelautomatenexploitanten'.
20
Uit de zaak
Ladbrokes kan worden afgeleid dat SNS over een vergunning
beschikt.
21
Uit de laatste voortgangsrapportage van de MDW-operatie (juni
2002) blijkt dat een wetswijziging voorbereid wordt die betrekking
heeft op de partiële wijziging van de Wok, welke inhoudt het aanbod
om kansspelen op internet voor
Nederlandse vergunninghouders voor
een beperkte periode toe te staan.
22
Het is maar de vraag of deze toelating beperkt kan blijven tot Neder-
landse vergunninghouders. Kansspelaanbieders uit lidstaten van de
EG met vergelijkbaar strenge regelingen maken, mijns inziens, een
kans op een (tijdelijke) vergunning. Duidelijkheid hierover is, op
basis van de huidige jurisprudentie, niet te geven. Zo bekeken is het
jammer dat het Hof Den Haag en het Hof Arnhem niet overgegaan
zijn tot het stellen van prejudiciële vragen. Bij de voorzieningenrech-
ter ligt deze actie minder voor de hand. Misschien wordt in een van
de aangekondigde
Lotto-zaken deze stap alsnog gezet en mogelijk
geven enkele hangende zaken over kansspelen (maar niet op internet)
bij het hof reeds enige indicatie.
23
Duidelijkheid is gewenst omdat de drie uitspraken van Nederlandse
rechters, die betrekking hebben op de relatie tussen de Wok en de EG-
bepalingen inzake het vrij verkeer van diensten, niet eensluidend
zijn. Nu de Nederlandse wetgever de Wok wil wijzigen, is het raad-
zaam te weten of de huidige (en geplande) regelgeving EG-conform
is. Het is gokwerk dit oordeel te baseren op zaken afkomstig uit ande-
re lidstaten, die niet of slechts onrechtstreeks betrekking hebben op
internetgokken.
13 Zaak C-124/97,
Läärä. Overweging 36. Zie verder conclusie van AG Tizzano van
11 februari 2003, zaak C-6/01,
Anomar, nrs. 77-78.
14 In het Schindler-arrest was het Hof van Justitie nog aan deze evenredigheids-
toets voorbij gegaan. Hierover K. J.M. Mortelmans,
TvC 1994, p. 221, nr. 8.
15
NRC 28 januari 2003, p.11.
16 Zie conclusie AG Fennelly, Jur. 1999, I-7302 nr. 13 en 33.
17 Zie conclusie AG Fennelly, Jur. 1999, I-7302, nr. 33.
18 Zaak 807, Besluit van de DG NMa van 13 oktober 1999.
19 Zie K. J.M. Mortelmans,
AAe 2000, p. 200, nr. 9.
20 Kamerstukken 24 036, nr. 180, p. 8.
21 Toen SNS deze vergunning nog niet had, verkreeg zij een voorlopige voorzie-
ning, Pres. Rb. Den Haag, 16 januari 2001,
SNS/Euroscratch, LJN-nr. AA9524
(krassen met de linkermuisknop!).
22 Kamerstukken 24 036, nr. 258, p. 71, Zevende voortgangsrapportage imple-
mentatie Marktwerking, deregulering en wetgevingskwaliteit.
23 Zaak C-6/01,
Anomar, conclusie van AG Tizzano van 11 februari 2003; zaak C-
42/02,
Lindman (hangende) en zaak C-243/01, Gambelli (hangende).
Nr 17
Mobiele aanbieders vs. OPTA
Vzr. Rechtbank Rotterdam 29 november 2002
Uitspraak naar aanleiding van de verzoeken om voorlopige voorzie-
ning als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in
verband met de procedures tussen
1. Dutchtone N.V., gevestigd te Den Haag, verzoekster in de procedu-
res met de reg.nrs. VTELEC 02/2675 en 02/3124 RIP (hierna: Dutchto-
ne), gemachtigde mr. M. J. Geus, advocaat te Den Haag,
2. O
2
Netherlands B.V., gevestigd te Amsterdam, verzoekster in de
procedures met reg.nrs. VTELEC 02/2679 en 02/3131 RIP (hierna: O
2
),
gemachtigde mr. T.M. Snoep, advocaat te Den Haag,
3. KPN Mobile The Netherlands B.V., gevestigd te Den Haag, verzoek-
ster in de procedure met reg.nr. VTELEC 02/2840 RIP (hierna: KPN
Mobile), gemachtigden mr. J. J.N. Bleeker en mr. Q. Kroes, beiden
advocaat te Amsterdam,
4. Vodafone Libertel N.V., gevestigd te Maastricht, verzoekster in de
procedures met de reg.nrs. VTELEC 02/2937 t/m 02/2946 en 02/2948
RIP (hierna: Vodafone), gemachtigde mr. J. J.F. Tillema, advocaat te
Amsterdam,
5. Ben Nederland B.V., gevestigd te Den Haag, verzoekster in de pro-
cedures met de reg.nrs. VTELEC 02/2949 t/m VTELEC 02/2956 RIP
(hierna: Ben), gemachtigde mr. A.F. van Eeken, advocaat te Den Haag,
6. Tele2 Nederland B.V., gevestigd te Amsterdam, verzoekster in de
procedures met reg.nrs. VTELEC 02/2970 en 02/2971 RIP (hierna:
Tele2), gemachtigde mr. A.S.M.L. Prompers, advocaat te Den Haag,
en
de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit, verweerder,
gemachtigden mr. A.B. van Rijn en mr. A. J. Boorsma, beiden advocaat
te Den Haag,
met als derden-partijen:
1. KPN Mobile in de procedures met de reg.nrs. VTELEC 02/2675 RIP,
VTELEC 02/2679 RIP, VTELEC 02/2937 RIP, VTELEC 02/2939 RIP,
VTELEC 02/2956 RIP, VTELEC 02/2970 RIP,
2. O
2
in de procedure met reg.nr. VTELEC 02/2840 RIP, VTELEC
02/2940 RIP, VTELEC 02/2942 RIP, VTELEC 02/2955 RIP,
3. KPN Telecom B.V., gevestigd te Den Haag, in de procedures met de
reg.nrs. VTELEC 02/2944 RIP, VTELEC 02/2953, VTELEC 02/2971 RIP,
VTELEC 02/3124 RIP, VTELEC 02/3131 RIP (hierna: KPN Telecom),
gemachtigde mr. P.V. Eijsvoogel, advocaat te Amsterdam,
4. Dutchtone in de procedure met de reg.nr. VTELEC 02/2949 RIP,
5. Versatel Nederland B.V. in de procedures met de reg.nr. VTELEC
02/2946 RIP,
VTELEC 02/2950 RIP, (hierna: Versatel), gemachtigde mr. E. J. Dom-
mering, advocaat te Amsterdam,
6. MCI Worldcom B.V. in de procedures met de reg.nrs. VTELEC
02/2945 RIP, VTELEC 02/2951 RIP (hierna: MCI Worldcom), gemach-
tigde mr. E. J. Dommering, advocaat te Amsterdam,
7. Tele2 in de procedures met de reg.nrs. VTELEC 02/2943 RIP, VTE-
LEC 02/2948 RIP, VTELEC 02/2952 RIP,
8. Vodafone in de procedures met de reg.nrs. VTELEC 02/2954 RIP,
9. Ben in de procedures met reg.nrs. VTELEC 02/2938 RIP, VTELEC
02/2941 RIP.
1. Ontstaan en loop van de procedure
Bij besluit van 9 april 2002 (met kenmerk G.16.01) heeft verweerder
op verzoek van KPN Mobile op grond van artikel 6.3 van de Telecom-
municatiewet (hierna: Tw) de regels vastgesteld die tussen haar en O
2
hebben te gelden ter zake van de tarieven die O
2
aan KPN Mobile
vraagt voor het termineren van het telefoonverkeer dat origineert op
het mobiele netwerk van KPN Mobile (de MTA-tarieven).
Tegen dit besluit hebben zowel O
2
als KPN Mobile bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 19 juli 2002 heeft verweerder de bezwaren gedeeltelijk
gegrond verklaard en kort weergegeven de regels vastgesteld die
tussen O
2
en KPN Mobile met ingang 1 december 2002 en 1 april 2003
hebben te gelden ter zake van de tarieven die O
2
aan KPN Mobile
vraagt voor het termineren van telefoonverkeer dat origineert op het
mobiele netwerk van KPN Mobile.
Tegen dit besluit hebben zowel O
2
als KPN Mobile beroep ingesteld,
bij de rechtbank geregistreerd onder nummers TELEC 02/2156 en
TELEC 02/2339.
Bij besluit van 10 september 2002 (met kenmerk G.36.02) heeft ver-
weerder op verzoek van KPN Telecom op grond van artikel 6.3 van de
Tw de regels vastgesteld die tussen haar en O
2
hebben te gelden met
ingang van 1 december 2002 en 1 april 2003 terzake van de tarieven die
O
2
aan KPN Telecom vraagt voor het termineren van telefoonverkeer
dat origineert op het netwerk van KPN Telecom dan wel origineert op
het netwerk van een derde aanbieder en via het netwerk van KPN Tele-
com aan O
2
voor afwikkeling wordt aangeboden (`transitverkeer').
Bij besluit van 10 september 2002 (met kenmerk G.03.02) heeft ver-
weerder op verzoek van KPN Mobile op grond van artikel 6.3 van de
Tw de regels vastgesteld die tussen haar en Dutchtone met ingang
van 1 december 2002 en 1 april 2003 hebben te gelden terzake van de
tarieven die Dutchtone aan KPN Mobile vraagt voor het termineren
van het telefoonverkeer dat origineert op het mobiele netwerk van
KPN Mobile.
Bij besluit van 10 september 2002 (G.34.02) heeft verweerder op ver-
zoek van KPN Telecom op grond van artikel 6.3 van de Tw de regels
vastgesteld die tussen Dutchtone en KPN Telecom met ingang van 1
december 2002 en 1 april 2003 hebben te gelden terzake van de tarie-
ven die Dutchtone aan KPN Telecom vraagt voor het termineren van
telefoonverkeer dat origineert op het netwerk van KPN Telecom dan
wel origineert op het netwerk van de derde aanbieder en via het net-
werk van KPN Telecom aan Dutchtone voor afwikkeling wordt aan-
geboden.
Bij besluit van 10 september 2002 (met kenmerk G.17.02) heeft ver-
weerder op verzoek van O
2
op grond van artikel 6.3 van de Tw de
regels vastgesteld die tussen haar en KPN Mobile met ingang van 1
december 2002 en april 2003 hebben te gelden terzake van de tarie-
ven die O
2
aan KPN Mobile vraagt voor het termineren van het tele-
foonverkeer op haar netwerk.
Bij besluit van 10 september 2002 (met kenmerk G.05.02) heeft ver-
weerder op verzoek van KPN Mobile op grond van artikel 6.3 van de
Tw de regels vastgesteld die tussen haar en Vodafone met ingang van
1 december 2002 en 1 april 2003 hebben te gelden terzake van de tarie-
ven die Vodafone aan KPN Mobile vraagt voor het termineren van
telefoonverkeer dat termineert op het mobiele netwerk van KPN
Mobile.
Bij besluit van 10 september (2002) (met kenmerk G13.02) heeft ver-
weerder op verzoek van Ben op grond van artikel 6.3 van de Tw de
regels vastgesteld die tussen Vodafone en Ben met ingang van 1
december 2002 en 1 april 2003 hebben te gelden terzake van de tarie-
ven die Vodafone aan Ben vraagt voor het termineren van telefoon-
verkeer dat origineert op het mobiele netwerk van Ben.
Bij besluit van 10 september 2002 (met kenmerk G.16.02) heeft ver-
weerder op verzoek van Vodafone op grond van artikel 6.3 van de Tw
de regels vastgesteld die tussen haar en KPN Mobile met ingang van 1
december 2002 en 1 april 2003 hebben te gelden terzake van de tarie-
ven die KPN Mobile aan Vodafone vraagt voor het termineren van
telefoonverkeer dat origineert op het mobiele netwerk van Vodafone.
Bij besluit van 10 september 2002 (met kenmerk G.21.02) heeft ver-
weerder op verzoek van O2 op grond van artikel 6.3 van de Tw de
regels vastgesteld die tussen haar en Vodafone met ingang van 1
december 2002 en 1 april 2003 hebben te gelden terzake van de tarie-
ven die Vodafone aan O2 vraagt voor het termineren van telefoonver-
keer dat origineert op het mobiele netwerk van O
2
.
Bij besluit van 10 september 2002 (met kenmerk G.25.02) heeft ver-
weerder op verzoek van Vodafone op grond van artikel 6.3 van de Tw
de regels vastgesteld die tussen haar en Ben met ingang van 1 decem-
ber 2002 en 1 april 2003 hebben te gelden terzake van de tarieven die
Mediaforum 2003-3
104
Jurisprudentie nr
.1
7
Ben aan Vodafone vraagt voor het termineren van telefoonverkeer dat
origineert op het mobiele netwerk van Vodafone.
Bij besluit van 10 september 2002 (met kenmerk G.26.02) heeft ver-
weerder op verzoek van Vodafone op grond van artikel 6.3 van de Tw
de regels vastgesteld die tussen haar een O
2
hebben te gelden met
ingang van 1 december 2002 en 1 april 2003 terzake van de tarieven
die O
2
aan Vodafone vraagt voor het termineren van telefoonverkeer
dat origineert op het mobiele netwerk van Vodafone.
Bij besluit van 10 september 2002 heeft (met kenmerk G.28.02) heeft
verweerder op verzoek van Tele2 op grond van artikel 6.3 van de Tw
de regels vastgesteld die tussen haar en Vodafone hebben te gelden
met ingang van 1 december 2002 en 1 april 2003 terzake van de tarie-
ven die Vodafone aan Tele2 vraagt terzake van het termineren van
telefoonverkeer dat origineert op het mobiele netwerk van Tele2.
Bij besluit van 10 september 2002 (met kenmerk G.35.02) heeft ver-
weerder op verzoek van KPN Telecom op grond van artikel 6.3 van de
Tw de regels vastgesteld die tussen haar en Vodafone hebben te gel-
den met ingang van 1 december 2002 en 1 april 2003 terzake van de
tarieven die Vodafone aan KPN Telecom vraagt voor het termineren
van telefoonverkeer dat origineert op het netwerk van KPN Telecom
dan wel origineert op het netwerk van een derde aanbieder en via het
netwerk van KPN Telecom aan Vodafone voor afwikkeling wordt aan-
geboden.
Bij besluit van 23 september 2002 (met kenmerk G.39.02) heeft ver-
weerder op verzoek van MCI Worldcom op grond van artikel 6.3 van
de Tw de regels vastgesteld die tussen haar en Vodafone hebben te
gelden met ingang van 1 december 2002 en 1 april 2003 terzake van de
tarieven die Vodafone vraagt aan MCI Worldcom voor het termineren
van telefoonverkeer dat origineert op het netwerk van MCI World-
com.
Bij besluit van 23 september 2002 (met kenmerk G. 49.02) heeft ver-
weerder op verzoek van Versatel op grond van artikel 6.3 van de Tw de
regels vastgesteld die tussen haar en Vodafone hebben te gelden met
ingang van 1 december 2002 en 1 april 2003 terzake van de tarieven
die Vodafone aan Versatel vraagt voor het termineren van telefoon-
verkeer dat origineert op het netwerk van Versatel.
Bij besluit van 17 oktober 2002 (met kenmerk G51.02) heeft verweer-
der op verzoek van Vodafone op grond van artikel 6.3 van de Tw de
regels vastgesteld die tussen haar en Tele2 hebben te gelden met
ingang van 1 december 2002 en 1 april 2003 terzake de tarieven die
Tele2 aan Vodafone vraagt voor het termineren van telefoonverkeer
dat origineert op het mobiele netwerk van Vodafone.
Bij besluit van 17 oktober 2002 (met kenmerk G52.02) heeft verweer-
der op verzoek van Dutchtone op grond van artikel 6.3 van de Tw de
regels vastgesteld die tussen haar en Ben met ingang van 1 december
2002 en 1 april 2003 hebben te gelden terzake van de tarieven die Ben
aan Dutchtone vraagt voor het termineren van telefoonverkeer dat
origineert op het netwerk van Dutchtone.
Bij besluit van 23 september 2002 (met kenmerk G44.02) heeft ver-
weerder op verzoek van Versatel op grond van artikel 6.3 van de Tw de
regels vastgesteld die tussen haar en Ben met ingang van 1 december
2002 en 1 april 2003 hebben te gelden terzake van de tarieven die Ben
aan Versatel vraagt voor het termineren van telefoonverkeer dat ori-
gineert op het mobiele netwerk van Versatel.
Bij besluit van 23 september 2002 (met kenmerk G.42.02) heeft ver-
weerder op verzoek van MCI Worldcom op grond van artikel 6.3 van
de Tw de regels vastgesteld die tussen haar en Ben met ingang van 1
december 2002 en 1 april 2003 hebben te gelden terzake van de tarie-
ven die Ben aan MCI Worldcom vraagt voor het termineren van het
telefoonverkeer dat origineert op het netwerk van MCI Worldcom.
Bij besluit van 10 september 2002 heeft (met kenmerk G.30.02) heeft
verweerder op verzoek van Tele2 op grond van artikel 6.3 van de Tw
de regels vastgesteld die tussen haar en Ben met ingang van 1 decem-
ber 2002 en 1 april 2003 hebben te gelden terzake van de tarieven die
Ben aan Tele2 vraagt voor het termineren van telefoonverkeer dat ori-
gineert op het netwerk van Tele2.
Bij besluit van 4 oktober 2002 heeft verweerder het besluit van 10 sep-
tember 2002 gewijzigd en de regels vastgesteld die tussen Tele2 en
Ben met ingang van 1 december 2002 en 1 april 2003 hebben te gelden
ter zaken van de tarieven die Ben aan Tele2 vraagt voor het termine-
ren van telefoonverkeer dat zowel op het mobiele als het vaste net-
werk van Tele2 origineert.
Bij besluit van 10 september 2002 (met kenmerk G.32.02) heeft ver-
weerder op verzoek van KPN Telecom op grond van artikel 6.3 van de
Tw de regels vastgesteld die tussen KPN Telecom en Ben met ingang
van 1 december 2002 en 1 april 2003 hebben te gelden terzake van de
tarieven die Ben aan KPN Telecom vraagt voor het termineren van
telefoonverkeer dat origineert op het mobiele netwerk van KPN Tele-
com dan wel origineert op het netwerk van een derde aanbieder en via
het netwerk van KPN Telecom aan Ben voor afwikkeling wordt aan-
geboden.
Bij besluit van 10 september 2002 (met kenmerk G.25.02) heeft ver-
weerder op verzoek van Vodafone op grond van artikel 6.3 van de Tw
de regels vastgesteld die tussen haar en Ben met ingang van 1 decem-
ber 2002 en 1 april 2003 hebben te gelden terzake van de tarieven die
Ben aan Vodafone vraagt voor het termineren van telefoonverkeer dat
origineert op het mobiele netwerk van Vodafone.
Bij besluit van 10 september 2002 (met kenmerk G.18.02) heeft ver-
weerder op verzoek van O
2
op grond van artikel 6.3 van de Tw de
regels vastgesteld die tussen haar en Ben met ingang van 1 december
2002 en 1 april 2003 hebben te gelden terzake van de tarieven die Ben
aan O2 vraagt voor het termineren van telefoonverkeer dat origineert
op het mobiele netwerk van O
2
.
Bij besluit van 10 september 2002 (met kenmerk G.04.02) heeft ver-
weerder op verzoek van KPN Mobile op grond van artikel 6.3 van de
Tw de regels vastgesteld die tussen haar en Ben met ingang van
1 december 2002 en 1 april 2003 hebben te gelden terzake van de tarie-
ven die Ben aan KPN Mobile vraagt voor het termineren van telefoon-
verkeer dat origineert op het mobiele netwerk van KPN Mobile.
Bij besluit van 10 september 2002 (met kenmerk G.06.02) heeft ver-
weerder op grond van artikel 6.3 van de Tw op verzoek van KPN
Mobile de regels vastgesteld die tussen haar en Tele2 met ingang van
1 december 2002 en 1 april 2003 hebben te gelden terzake van de tarie-
ven die Tele2 aan KPN Mobile vraagt voor het termineren van tele-
foonverkeer dat origineert op het mobiele netwerk van KPN Mobile.
Bij besluit van 10 september 2002 (met kenmerk G33.02) heeft ver-
weerder op verzoek van KPN Telecom op grond van artikel 6.3 van de
Tw de regels vastgesteld die tussen haar en Tele2 met ingang van
1 december 2002 en 1 april 2003 hebben te gelden terzake van de tarie-
ven die Tele2 aan KPN Telecom vraagt voor het termineren van het
telefoonverkeer dat origineert op het netwerk van KPN Telecom of
derde aanbieders.
Tegen deze besluiten (hierna: de bestreden besluiten) hebben ver-
zoeksters bezwaar gemaakt.
Voorts hebben verzoeksters de voorzieningenrechter verzocht voor-
lopige voorzieningen te treffen, inhoudende kort gezegd schor-
sing van de bestreden besluiten.
(...)
2. Overwegingen
2.1 Wettelijk kader
(...)
Artikel 6.1, eerste, derde en zesde lid, van de Tw luidt als volgt:
(...)
Artikel 6.3 van de Tw luidt als volgt:
(...)
Verweerder heeft op 28 maart 2002 vastgesteld `Beleidsregels
inzake regulering van mobiele terminating tarieven' (hierna: de
beleidsregels). In deze beleidsregels heeft verweerder het beleid
geformuleerd op basis waarvan hij het maximaal redelijke MTA
tarief heeft bepaald aan de hand waarvan hij de redelijkheid van
de door een mobiele aanbieder gehanteerde MTA tarieven zal
beoordelen.
Onderdeel 18 van de beleidsregels luidt als volgt:
Mediaforum 2003-3
105
Jurisprudentie nr
.1
7
`Wat een maximaal redelijk MTA tarief is, wordt bepaald aan
de hand van de omstandigheden samenhangend met de
mobiele terminating dienstverlening en met inachtneming
van de doelstelling van de Tw, in het bijzonder de bevorde-
ring van de bestendige mededinging op de telecommunica-
tiemarkt en de bescherming van de belangen van eindge-
bruikers. Voorst is het college bij de bepaling van maximaal
redelijke MTA tarieven gebonden aan het kader van de
Mededingingswet.'
Blijkens onderdeel 19 van de beleidsregels acht verweerder de volgen-
de omstandigheden doorslaggevend:
`i) de aard van de dienst `call termination',
ii) de feitelijke hoogte van de op dit moment geldende MTA
tarieven,
iii) de specifieke oorzaken onderliggend aan de hoogte van
de op dit moment geldende MTA tarieven, en
iv) de specifieke negatieve effecten van de hoogte van de op
dit moment geldende MTA tarieven.'
Onderdeel 31, tweede volzin, van de beleidsregels luidt:
`Het college relateert daarom op dit moment de onderhavige
invulling van het redelijkheidsbegrip aan de hoogte van de
MTA tarieven zoals gehanteerd door de in dit verband best
presterende mobiele aanbieders in Europa, die geen ver-
plichting tot kostenoriëntatie hebben.'
Blijkens de onderdelen 32, 33 en 34 van de beleidsregels acht verweer-
der het redelijk gezien de asymmetrie in de relatieve positie van de
mobiele aanbieders (KPN en Vodafone hebben een voorsprong van
enkele jaren onder andere met het uitrollen van hun netwerken en zij
hebben voor hun vergunning aanzienlijk minder kosten hoeven te
maken dan Dutchtone, Telfort thans O
2
en Ben) om bij de bepa-
ling van een maximaal redelijk MTA tarief vooralsnog een onder-
scheid te maken naar de relatieve positie van de mobiele aanbieders.
Verweerder zal de tarieven van de onderscheiden aanbieders deswege
gedifferentieerd beoordelen, waarbij verweerder zich zoals blijkt uit
de onderdelen 35 tot en met 37 van de beleidsregels zal richten op het
gemiddelde MTA tarief.
Omdat de terminating dienstverlening in relatief grote mate bij-
draagt aan de inkomsten van een mobiele aanbieder heeft verweerder
gekozen voor een zijns inziens geleidelijke aanpassing van het tarief-
niveau, waarbij voorzien is in een verlaging van het MTA tarief in
twee stappen. In de toekomst staat verweerder overigens een tariefni-
veau op basis van kostenoriëntatie voor ogen.
2.2 Feiten
(...)
2.3 Standpunten van partijen
Bij ieder afzonderlijk besluit heeft verweerder een bijlage gevoegd,
waarin het juridisch kader en de algemene overwegingen zijn opge-
nomen.
De onderdelen 26, 27 en 54 en 55 van deze bijlage luiden als volgt: (...)
2.4 Beoordeling
Krachtens artikel 6.3, eerste lid, van de Tw kan verweerder, kort
gezegd, op verzoek van een van de betrokken partijen regels stellen
indien partijen niet tot het sluiten van een interconnectie-overeen-
komst komen; krachtens het tweede lid van artikel 6.3 van de Tw
bestaat onder de aldaar aangegeven voorwaarden een soortgelijke
geschilbeslechtende bevoegdheid. Een en ander betreft in de eerste
plaats situaties van directe interconnectie waaraan door de wetge-
ver primair is gedacht en (zoals de voorzieningenrechter in zijn uit-
spraak van 1 mei 2002 met reg.nr. VTELEC 02/900 RIP heeft vastge-
steld) na gegeven ontheffing eveneens situaties van indirecte
interconnectie. Door de ontheffing gaan immers de regels van artikel
6.1 en 6.3 van de Tw ook voor vormen van indirecte interconnectie
gelden. Een expliciete verplichting voor marktpartijen om een even-
tueel geschil aan verweerder voor te leggen kent de Tw niet.
De voorzieningenrechter zal eerst ingaan op de meest algemene stel-
ling van verzoeksters kort gezegd dat verweerder zijn bevoegdheid
te buiten is gegaan door, te beginnen met de besluiten van 10 septem-
ber 2002, algemeen regulerend te gaan optreden. De voorzieningen-
rechter merkt allereerst op dat een bestuursorgaan dat wordt verzocht
om binnen een kort tijdsbestek min of meer gelijksoortige geschillen te
beoordelen veelal aan de hand van een tevoren vastgesteld beleid
deze geschillen uit een oogpunt van consistent beleid wel op (plusmi-
nus) dezelfde wijze dient te beslissen en dusdoende vrijwel onvermij-
delijk de facto in algemene zin `regulerend' te werk gaat. Het is ook niet
dit aspect van de besluitvorming dat bij de voorzieningenrechter de
meeste vragen oproept, maar de achtergrond en de grondslag ervan.
Artikel 6.3, eerste en tweede lid, van de Tw betreft het op aanvraag
beslechten van in wezen civielrechtelijke geschillen tussen op de
commerciële markt opererende partijen in de precontractuele fase
of erna door een bestuursorgaan. Verweerder heeft echter niet de
specifieke positie van de individuele partijen tot uitgangspunt geno-
men, maar heeft de facto een algemeen maximum tarief vastgesteld
en daarbij gedifferentieerd tussen de groep (relatieve) nieuwkomers
en degenen die volgens verweerder al een voorsprong op de markt
hadden opgebouwd, en zulks op grond van overwegingen in verband
met marktafbakening, het tegengaan van kruissubsidies en het
bevorderen van meer concurrentie.
Daargelaten of een dergelijke algemene bevoegdheid tot `mededin-
gingsrechtelijk' ingrijpen eerder aan de NMa zou behoren toe te
komen dan aan verweerder, een duidelijke basis daarvoor is in de arti-
kel 6.3, eerste lid, respectievelijk 6.3, tweede lid, van de Tw niet te vin-
den. Anders gezegd: voor een gebruik van de geschilbeslechtende
bevoegdheid als hier aan de orde dienen meer expliciete aankno-
pingspunten in de wet of de toelichtende stukken aanwezig te zijn
dan in casu voorhanden. Steun voor dit oordeel biedt tevens het gege-
ven dat de geschilbeslechting van het eerste en tweede lid van artikel
6.3 van de Tw slechts op aanvraag geschiedt; de wetgever heeft kenne-
lijk niet willen uitsluiten dat marktpartijen, zolang geen van hen een
geschil aan verweerder voorlegt, vrij zijn in het onderling vaststellen
van de interconnectievoorwaarden.
Verweerder heeft zich op een bepaalde passage uit de Memorie van
Toelichting bij de Tw beroepen ter ondersteuning van de stelling dat
het vragen van een excessief hoog tarief in strijd is met het bepaalde
in artikel 6.1, eerste lid, van de Tw. De voorzieningenrechter merkt
echter op dat het desbetreffende citaat ook kan slaan op de situatie
dat een partij, in de wetenschap dat haar wederpartij tot interconnec-
tie verplicht is, aan die partij een uitzonderlijk hoog (MTA-)tarief
vraagt, in die zin dat, zou de verplichting tot interconnectie niet
bestaan, geen interconnectie tot stand gekomen zou zijn. Of deze
laatste situatie zich voordoet kan niet in zijn algemeenheid worden
beantwoord, maar hangt af onder andere van de positie van de partij
aan wie de betaling van dat (hoge) tarief wordt gevraagd, van de ver-
houding tussen de betrokken partijen, van de vraag of tegenover het
gevraagde tarief andere, gunstige voorwaarden staan en zo ja, welke.
Naar dergelijke omstandigheden is door verweerder niet gekeken.
Met andere woorden: na een dergelijke op de situatie van de betrok-
ken partijen gericht onderzoek, kan er wel aanleiding bestaan tot het
vaststellen van een maximum tarief tussen die partijen indien ver-
weerder tot de conclusie komt dat een partij (evident) misbruik
maakt van het gegeven dat de wederpartij tot interconnectie ver-
plicht is. Daarbij verdient het opmerking dat gedurende vrij lange
tijd kennelijk zonder problemen interconnectie tegen de huidige
tarieven tot stand is gekomen.
In het licht van het voorgaande roept het tevens twijfel op dat verweer-
der beoogt om uiteindelijk tot kostenoriëntatie te komen. In het sys-
teem van de (huidige) Tw bestaat daarvoor slechts een basis ten aanzien
van aanbieders met een aanmerkelijke marktmacht en ook overigens
naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter alleen op
grond van een expliciete bepaling gesteld bij of krachtens wet.
Uit het voorgaande volgt dat betwijfeld kan worden of de bestreden
besluiten in stand zullen blijven.
Bovendien komt bij de hiervoor uitgesproken twijfel dat (de meeste)
verzoeksters in feite onweersproken hebben gesteld grote belan-
gen te hebben bij het treffen van een voorlopige voorziening op korte
termijn; deze belangen betreffen de grootte van de te lijden schade,
de onomkeerbaarheid ervan en de ingrijpende wijzigingen die zij op
korte termijn in hun bedrijfsstrategie en -administratie zouden moe-
ten aanbrengen.
Een en ander in aanmerking genomen ziet de voorzieningenrechter
voldoende aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening
als hierna vermeld.
Mediaforum 2003-3
106
Jurisprudentie nr
.1
7
De voorzieningenrechter ziet aanleiding met toepassing van artikel
8:82, vierde lid, van de Awb te bepalen dat het door verzoeksters
betaalde griffierecht door verweerder wordt vergoed en voorts ver-
weerder in de desbetreffende zaken te veroordelen in de proceskos-
ten, bestaande uit de kosten van door een derde beroepsmatig ver-
leende rechtsbijstand. Van overige kosten waarop een veroordeling in
de proceskosten betrekking kan hebben, is de voorzieningenrechter
niet gebleken.
Gelet op het voorgaande wordt als volgt beslist.
3. Beslissing
De voorzieningenrechter, recht doende:
wijst de verzoeken om voorlopige voorziening van (...) in de zaken bij
de rechtbank geregistreerd onder nrs. VTELEC 02/2675 en 02/3124
RIP toe, in die zin dat de besluiten van verweerder van 10 september
2002 (...) worden geschorst, (...).
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Riphagen als voorzieningenrech-
ter.
De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr. P. Hirschhorn als grif-
fier, uitgesproken in het openbaar op 29 november 2002.
Noot
Annetje Ottow*
In het kader van de geschilbeslechtende bevoegdheid van OPTA heeft
zich in de praktijk meerdere malen de vraag voorgedaan hoe ruim de
bevoegdheden van OPTA bij de beoordeling van het voorliggende
geschil zijn. Deze vraag heeft tot veel discussies geleid. Ook de onder-
havige uitspraak inzake een geschil over de mobiele terminating
tarieven zal het nodige stof doen opwaaien. In deze annotatie zal de
uitspraak worden geplaatst tegen de diverse opvattingen over de
bevoegdheden van OPTA en de eerdere uitspraken van de rechtbank
Rotterdam.
De geschilbeslechtende bevoegdheden van OPTA in de Tw
In de Telecommunicatiewet (`Tw') is op meerdere plaatsen een rol aan
OPTA toebedeeld voor geschillenbeslechting.
1
Dit betreft
limitatief
opgesomde gevallen: OPTA heeft geen algemene bevoegdheid tot het
oplossen van geschillen. OPTA kan in deze zaken slechts tot actie
overgaan
op verzoek van een telecommunicatieonderneming. OPTA
ontbeert de bevoegdheid om
op eigen initiatief (ambtshalve) maatrege-
len te treffen bij een vermeende overtreding van de Tw. Zo kan OPTA
bijvoorbeeld niet ambtshalve de interconnectietarieven van niet-aan-
gewezen telecommunicatieondernemingen op `redelijkheid' toetsen.
Of anders gezegd: OPTA heeft geen algemene bevoegdheid tot het
geven van een bindende aanwijzing, een bevoegdheid die bijvoor-
beeld de directeur DTe wel heeft bij het toezicht op de Elektriciteits-
wet.
2
OPTA kan deze toetsing slechts uitvoeren in het kader van een
aan het college voorgelegd geschil. Dit is slechts anders voor zover
OPTA een onderneming met aanmerkelijke marktmacht kan aanwij-
zen. De tarieven van deze aangewezen ondernemingen dient OPTA
(jaarlijks) ambtshalve te toetsen.
3
Ook in het huidige concept voor een
wijzigingsvoorstel Tw blijft deze systematiek van beperkte bevoegd-
heden van OPTA volledig gehandhaafd.
4
De onderhavige zaak over de
toetsing van de terminating tarieven van de (niet-aangewezen)
mobiele telecommunicatieondernemingen illustreert de gevolgen
van deze beperkte bevoegdheden van OPTA.
Gezien deze beperkte bevoegdheden is de praktijk herhaaldelijk de
vraag aan de orde gekomen waar de grenzen van deze bevoegdheden
liggen. Kunnen deze bevoegdheden
extensief worden geïnterpreteerd
of moeten deze
restrictief worden uitgelegd? In de beslissing op
bezwaar in het geschil O
2
vs. KPN Telecom, welk besluit in de onder-
havige zaak aan de orde was, formuleert OPTA in algemene zin
haar bevoegdheden als volgt:
`De telecommunicatiewet is een publiekrechtelijke wet die
publieke belangen beoogt te behartigen, te weten de bevordering
van bestendige mededinging op de telecommunicatiemarkt en
de bescherming van eindgebruikers. Een van de middelen die in
de Tw is opgenomen ten dienste van deze belangen is de inter-
connectieplicht (c.q. de plicht tot interoperabiliteit), neergelegd
in artikel 6.1 Tw. Blijkens de parlementaire geschiedenis handelt
een aanbieder in strijd met deze plicht, en derhalve aan de daar-
aan ten grondslag liggende genoemde publieke belangen, indien
hij onredelijk hoge tarieven hanteert. Bij beoordeling van de
redelijkheid van interconnectietarieven behoort het college
betreffende publieke belangen dan ook mee te wegen. (...)
Gelet hierop is het redelijkheidscriterium naar het oordeel van
het college zonder meer aan te merken als een publiekrechtelijke
norm die bovendien publiekrechtelijke invulling behoeft. (...),
gelet op de belangen van bevordering van bestendige mededin-
ging op de telecommunicatiemarkt en de bescherming van eind-
gebruikers, kan het college, als bestuursorgaan dat toezicht dient
te houden op de naleving van de Tw, in ieder geval wat betreft
mobiele interconnectietarieven, in redelijkheid niet louter kij-
ken naar hetgeen redelijk en billijk is tussen twee partijen.'
5
De rechterlijke toetsing van de bevoegdheden
Op welke wijze interpreteert de rechter de bevoegdheden van OPTA?
In de jurisprudentie valt een zekere cyclische beweging te ontdekken
van restrictief naar extensief en weer terug. In de zaak
Dutchtone nam
de voorzieningenrechter en later de rechtbank in de bodemzaak een
restrictief standpunt in ten aanzien van de bevoegdheid van OPTA
om regels te stellen bij een geschil over sitesharing (het delen van
antenne-opstelpunten). In dit geschil had OPTA in haar besluit KPN
Telecom ertoe verplicht aan Dutchtone de coördinaten van haar sites
ter beschikking te stellen. Door de voorzieningenrechter werd dit
besluit geschorst, aangezien hij meende dat hier sprake was van uit
concurrentieel oogpunt gevoelige informatie. Bij het ter beschikking
stellen zou onomkeerbare schade ontstaan.
6
De rechtbank meende
eveneens dat de bevoegdheid van OPTA tot het stellen van regels bij
een
sitesharing-geschil niet zover strekt als door OPTA werd voorge-
staan.
7
Juist op het moment van de cruciale fase in de opbouw van de
mobiele netwerken van de concurrenten van KPN Mobile, stond
OPTA door deze uitspraken met lege handen en kon zij de rechten
van nieuwe telecommunicatie-ondernemingen niet effectueren. Dit
heeft het CBB duidelijk ingezien in de uitspraak in het hoger beroep
van Dutchtone en OPTA.
8
Het CBB overweegt dat OPTA een zekere
beoordelingsvrijheid bezit, die de rechter slechts marginaal kan toet-
sen. In dezelfde lijn ligt de zaak KPN Telecom vs OPTA en MCI
WorldCom.
9
Ook in die zaak werden de bevoegdheden van OPTA
door de (voorzieningen)rechter
ruim beoordeeld.
Veel restrictiever interpreteerde de voorzieningenrechter onlangs de
bevoegdheden van OPTA in de geschillen die KPN Mobile tegen onder
meer O
2
aanhangig had gemaakt aangaande de zogenaamde mobiele
terminating tarieven. Naar aanleiding van het besluit van OPTA in het
geschil, verzocht O
2
(toen nog Telfort Mobiel geheten) om schorsing
van het besluit bij de voorzieningenrechter. In die zaak meende de
rechter dat nu geen sprake was van
directe interconnectie doch van
Mediaforum 2003-3
107
Jurisprudentie nr
.1
7
*
Mr. A.T. Ottow is als gastonderzoeker verbonden aan het Instituut voor
Informatierecht, Universiteit van Amsterdam. Tevens is zij advocaat-adviseur
bij Houthoff Buruma en redacteur van dit blad.
1
Dit betreft de volgende bepalingen van de Tw: de art. 3.11, lid 4 (site sharing),
5.3, lid 2 (gedoogplicht), 5.10 (medegebruik van voorzieningen), 6.3 (intercon-
nectie), 6.9, lid 2 (bijzondere toegang), 7.7 (huurlijnen), 8.6 (voorwaardelijke
toegang) en 8.7 (toegang tot de kabel). Over geschilprocedures: A.T. Ottow, `De
procedures bij OPTA: geen sinecure',
M&M 2000/1, p. 3-10.
2 Zie art. 5, lid 6 Elektriciteitswet, die bepaalt dat de directeur DTe bevoegd is tot
het geven van een bindende aanwijzing `in verband met de naleving van de
Elektriciteitswet'.
3 Zie art. 6.6, lid 4 Tw.
4 Hierbij wordt uitgegaan van het meest recente, beschikbare concept van 8
november 2002 ter wijziging van de Tw. Begin februari 2003 is een concept ter
advies naar de Raad van State verzonden. Niet bekend is of in dit laatste con-
cept op dit punt nog wijzigingen zijn aangebracht.
5 Beslissing op bezwaar van 19 juli 2002 inzake geschil KPN Mobiele vs. O
2
over
MTA-tarieven van O
2
(kenmerk: OPTA/JUZ/2002/201770 & OPTA /JUZ/
2002/201772), paragraaf 58, www.opta.nl.
6 Pres. Rb. Rotterdam 3 juni 1999,
KG 1999, nr. 245.
7 Rb. Rotterdam 13 september 2000, KPN Mobile vs. OPTA en Dutchtone
(zaaknr.: TELEC 99/2715-RIP en TELEC 99/2781-RIP), www.rechtspraak.nl.
8 CBB 25 april 2001, KPN vs. OPTA en Dutchtone ,
Mediaforum 2001-6, Jur. nr. 28,
m.nt. A.T. Ottow en
Computerrecht 2001/4, p. 207, m.nt. E. J. Dommering.
9 Vz. Rb.Rotterdam van 16 februari 2001, KPN Telecom/OPTA en MCI World-
Com, reg. nr. VTELEC 00/2530-SIMO, m.nt. R. van den Hoven van Genderen,
Computerrecht 2001/3, p. 159-163.
zogenaamde
indirecte interconnectie, OPTA niet bevoegd was tot het
beslechten van het geschil op grond van artikel 6.3 Tw. In de visie van
de rechter volgt uit de systematiek van de wet dat aan het stellen van
regels als bedoeld in artikel 6.3, lid 1 Tw eerst het verlenen van een ont-
heffing op grond van artikel 6.1, lid 3 Tw vooraf dient te gaan. Artikel
6.3 Tw werd niet zo ruim gelezen dat hieronder ook geschillen met
betrekking tot indirecte interconnectie zouden kunnen vallen, zonder
voorafgaande ontheffingsprocedures. Deze uitspraak had verstrek-
kende gevolgen, aangezien voor alle operators die (via het transitnet-
werk van KPN Telecom) met het mobiele netwerk van een mobiele
operator zijn verbonden, een ontheffing dienden aan te vragen. Dit
betreft tientallen (zo niet meer) ontheffingsverzoeken. Bovendien kon
OPTA pas tot de beoordeling van de mobiele terminating tarieven van
O
2
overgaan nadat zij een ontheffing had verleend. Dit alles had een
enorme administratieve omweg tot gevolg voor in feite een onbelang-
rijk detail. De rechter had zonder al teveel problemen de geschillenre-
geling ruimer kunnen interpreteren en kunnen aangeven dat vanzelf-
sprekend ook geschillen over indirecte interconnectie hieronder
vallen. De rechter heeft echter anders beslist.
Maar de lijdensweg van OPTA was nog niet afgelopen. O
2
(en andere
mobiele telecommunicatieondernemingen) vroegen opnieuw schor-
sing aan bij de voorzieningenrechter naar aanleiding van de besliss-
ingen op bezwaar door OPTA. In de te annoteren zaak schorst de
voorzieningenrechter opnieuw de besluiten. De uitspraak begint
veelbelovend, waar de rechter overweegt dat OPTA de bevoegdheid
heeft tot het stellen van beleidsregels. Bij de evaluatie van OPTA
benadrukte de Minister van Verkeer en Waterstaat nog dat `beleid bij
de verantwoordelijke vakminister' berust en er sprake is van slechts
beperkte discretionaire bevoegdheden bij OPTA.
10
OPTA zou zich in
deze visie slechts met uitvoering mogen bezig houden. Hierbij wordt
over het hoofd gezien dat het toezichtorgaan wel degelijk `beleid'
maakt en kan maken. Beleidsregels in de zin van artikel 1:3, lid 4 Alge-
mene wet bestuursrecht zijn niet alleen algemene regels die betrek-
king hebben op de (discretionaire) afweging van belangen, maar kun-
nen ook `de vaststelling van feiten en de uitleg van wettelijke
voorschriften' betreffen.
11
ZBO's kunnen derhalve wel degelijk beleid
ontwikkelen ter normering van de uitoefening van gebonden
bevoegdheden. Zij kunnen bijvoorbeeld via deze beleidsregels vage
wettelijke normen uitleggen en verder invullen. En dat is nu wat
OPTA in deze geschillen heeft gedaan. Deze `regulering' wordt in
beginsel door de rechter gesanctioneerd.
Maar vervolgens beperkt de rechter de bevoegdheden van OPTA aan-
zienlijk. De rechter meent dat voor de ruime beoordeling van bevoegd-
heden als door OPTA voorgestaan, meer expliciete aanknopingspun-
ten in de wet of de parlementaire geschiedenis aanwezig dienen te
zijn.
12
De rechter overweegt vervolgens dat de beoordeling dient af te
hangen van de `verhouding tussen de betrokken partijen' en niet in zijn
algemeenheid mag worden beantwoord. OPTA dient een op de partijen
gericht onderzoek te verrichten. Nu OPTA dat in de visie van de rechter
niet had gedaan, schorst de rechter het besluit van OPTA.
Deze beperkte uitleg van de bevoegdheden is mijn inziens in strijd met
de uitspraak van het CBB in de zaak Dutchtone, waar het CBB juist een
veel ruimere benadering volgde. Het is opvallend dat daar waar de
rechter nog eerder een duidelijke afweging van algemene belangen
13
aangaf die OPTA bij haar toetsing in ogenschouw kan en mag nemen
mede tegen de achtergrond van de doelstellingen van het telecommu-
nicatierecht de rechter nu een veel restrictievere benadering volgt
daar waar het de geschilbeslechtende bevoegdheid van OPTA betreft.
Hoewel op zich juist is dat het hier een geschil tussen twee partijen
betreft, kan dit gegeven niets afdoen aan de economische omstandig-
heid dat de situatie van de mobiele operators vergelijkend is en OPTA
op basis van een uitgebreid, economisch onderzoek via een geschil
algemene regels stelt die voor een groep operators gelijkluidend is. Een
dergelijke situatie deed zich ook voor in de
sitesharing-zaak van Dutcht-
one, waar OPTA via een geschil algemene regels formuleerde. Deze
werkwijze werd in die zaak wel door de rechter gesanctioneerd.
Niet kan worden ontkend dat een spanningsveld bestaat tussen de
algemene bevoegdheid van OPTA om beleidsregels te formuleren die
zij in een geschil zal toepassen aan de ene kant en de concrete toetsing
van deze regels in het betrokken geschil aan de andere kant. Doch in
de onderhavige zaak pakt de rechter met een hand af, wat hij juist eer-
der had toegestaan. Het eindresultaat is dat OPTA toch in vergaande
mate individueel onderzoek dient te verrichten bij de beoordeling
van een geschil. Wellicht is deze opstelling van de rechter mede inge-
geven door de wijze waarop OPTA haar besluit had gemotiveerd.
OPTA had het er wel erg dik bovenop gelegd dat zij een `marktbrede
benadering' volgde en zij de tarieven `niet separaat per (bilaterale)
interconnectierelatie' had beoordeeld.
14
Indien OPTA de motivering
iets handiger had aangekleed, had de beoordeling wellicht wel in
haar voordeel kunnen uitpakken.
Vervolgens doet zich de vraag voor of de materiële norm die de rech-
ter hanteert wel juist is. De rechter overweegt dat slechts sprake kan
zijn van een bijstelling van het tarief door OPTA indien de betrokken
partij door de tariefstelling ` (evident) misbruik maakt'. De tarieven
van O2 zouden dus pas als `onredelijk' kunnen worden gekwalifi-
ceerd indien deze als `een (evident) misbruik' zijn aan te duiden. Naar
mijn mening legt de rechter hierbij een te streng criterium aan bij de
vraag of de tarieven `onredelijk' zijn. Dit zou in feite neer komen op
het aantonen van `misbruik' in de zin van artikel 24 Mededingings-
wet. Dit kan niet de bedoeling zijn. Het misbruikcriterium is van toe-
passing in geval van ondernemingen met een economische machts-
positie. In de onderhavige zaak betreft het ondernemingen die niet
over een dergelijke positie beschikken. Bovendien dient in het kader
van de toetsing op grond van de Tw een zelfstandige beoordelings-
grond te worden vastgesteld aan de hand van het redelijkheidscriteri-
um. Daarbij spelen de doelstellingen van het telecommunicatierecht
in het licht van de genoemde rechtspraak een belangrijke rol.
OPTA heeft in de beslissing op bezwaar duidelijk aangegeven dat het
hierbij gaat om `de bevordering van bestendige mededinging' en de
`bescherming van eindgebruikers'. Met deze belangen kan geen reke-
ning worden gehouden bij toepassing van het misbruikcriterium.
15
Vervolgens doet zich de vraag voor of OPTA bij deze toetsing zover
mag gaan dat de tarieven het kostenoriëntatiebeginsel mag worden
toegepast. De rechter trekt dit naar mijn mening terecht in twijfel.
De toepassing van dit criterium op niet-aangewezen aanbieders is in
strijd met de wet en het hieraan ten grondslag liggende Europese
recht. Immers, in de systematiek van de wet wordt er van uitgegaan
dat dit strenge criterium slechts geldt voor de tarieven van de aanbie-
ders met aanmerkelijke marktmacht (op de markt voor vaste en
mobiele openbare telefoniedienst tezamen)
16
en als zodanig door
OPTA zijn aangewezen. Nu geen van de mobiele operators als zoda-
nig zijn aangewezen, kan OPTA hen niet de verplichting tot kosteno-
riëntatie opleggen.
Conclusie
Deze zaken illustreren doeltreffend wat de gevolgen zijn van het ont-
breken van een algemene aanwijzingsbevoegdheid van OPTA om op
eigen initiatief overtredingen van wettelijke normen aan de kaak te
stellen. OPTA is nu volledig afhankelijk van een geschil dat aan haar
wordt voorgelegd. Door de uitspraak van de rechter staat zij voorlo-
pig volstrekt machteloos. Dit ten koste van telecommunicatieonder-
nemingen en consumenten. Deze belangen speelden ten onrechte
geen enkele rol bij de toetsing door de rechter van de besluiten van
OPTA. De rechter dient bij de toetsing van besluiten van OPTA meer
oog voor deze economische gevolgen te hebben. Zelfs nu de mobiele
telecommunicatieondernemingen hun tarieven verder verhogen,
kan OPTA niets doen.
17
Mediaforum 2003-3
108
Jurisprudentie nr
.1
7
10 Brief van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat aan de Voorzitter van de
Tweede Kamer der Staten-Generaal van 9 juli 2001,
Kamerstukken II 2000-2001,
21 693, nr. 56, p. 18.
11 Hierop wordt ook gewezen door: J.W. van de Gronden & R.J.G.M. Widdersho-
ven, `Slotbeschouwing. Over onafhankelijk mededingingstoezicht, politieke
verantwoordelijkheid en het publieke belang', In: J.W. van de Gronden en
R.J.G.M. Widdershoven (eindredactie),
Mededingingsautoriteiten als zelfstandig
bestuursorgaan: onafhankelijk toezicht?, Deventer: Kluwer 2002, p. 147.
12 Nog onlangs overwoog de Rotterdamse rechter dat doordat in de wettekst geen
beperkingen ten aanzien van de toetsingsnormen door de wetgever waren
opgenomen, er geen reden was de bevoegdheid van OPTA restrictief uit te leg-
gen: Vgl. Rb. Rotterdam 29 november 2002, Versatel 3G vs. Staatssecretaris EZ,
overweging ten aanzien van artikel 7, lid 1 Regeling veiling, www.recht-
spraak.nl.
13 Tot de overwegingen behoren ook expliciet mededingingsrechtelijke overwe-
gingen volgens de rechter in de
MCI WorldCom zaak. Dit trekt de rechter nu juist
weer in twijfel waar hij aangeeft dat dergelijke algemene bevoegdheid tot
`mededingingsrechtelijk' ingrijpen bij de NMa thuis hoort.
14 Zie de van de beslissing op bezwaar, a.w., paragrafen 60-64.
15 De verschillen in benadering door OPTA en de NMa wordt besproken door
S.A.C.M Lavrijssen, `De samenwerking tussen de OPTA en de NMa in het mta-
dossier',
M&M 2003/1, p. 4-11.
16 Zie art. 6.6, lid 1 j
o
art. 6.4, lid 2 Tw.
17
NRC Handelsblad, 25 januari 2003, `Bellen duurder, OPTA machteloos'.
Nr 18
Netwise vs. NTS Computers
Technology
Rechtbank Rotterdam 5 december 2002
Vonnis in kort geding in de zaak van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Netwise
Publications B.V.,
gevestigd te Diemen, eiseres, procureur mr. F.A. Tromp, advocaat mr.
I.R.M. Goedings,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid N.T.S.
Computers Technology B.V., gevestigd te Rotterdam, gedaagde,
advocaat mr. A.M. Roepel.
Partijen worden hierna aangeduid als `Netwise' respectievelijk `NTS'.
1. Het verloop van het geding
De voorzieningenrechter heeft kennis genomen van de volgende
stukken:
dagvaarding d.d. 24 oktober 2002;
pleitnotities en producties van mr. Goedings;
pleitnotities van mr. Roepel.
De raadslieden van partijen hebben de respectieve standpunten toe-
gelicht ter zitting van 14 november 2002.
2. Het geschil
2.1
In dit kort geding vordert Netwise dat de voorzieningenrechter NTS
veroordeelt, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
het overnemen van e-mailadressen uit de E-mailgids (www.E-mail-
gids.com) te staken en gestaakt te houden;
de verkregen e-mailadressen c.q. adresgegevens uit de E-mailgids
(www. E-mailgids.com) uit haar bestanden te verwijderen en ver-
wijderd te houden en, Netwise daarvan bewijs te doen toekomen;
zich te onthouden van verdere inbreuken op intellectuele eigen-
domsrechten en het aan Netwise toekomende auteursrecht;
in de kosten van dit geding;
één en ander onder verbeurte van een dwangsom van
50.000,- voor
elke gedraging of handeling in strijd met de bovengenoemde vorde-
ringen. Aan deze vordering legt Netwise het volgende ten grondslag.
2.2
Netwise voert op het internet onder www.E-mailgids.com een
publiek toegankelijk register, die voor gebruikers gratis te raadple-
gen is. Netwise verkrijgt haar inkomsten door haar site te gebruiken
als reclamedrager. Aanbieders kunnen op iedere site tegen betaling
een zogenaamde banner plaatsen. Netwise garandeert haar gebrui-
kers dat hun adresgegevens niet worden gebruikt voor ongevraagde
reclame, zogenaamde `spam'.
2.3
Netwise heeft haar E-mailgids beschermd tegen spam door beveili-
gingen in te bouwen onder meer door het aantal opvolgende zoekop-
drachten te maximaliseren en het voeren van 1706 controleadressen
die naar niet bestaande gebruikers verwijzen. Voorts houdt het sys-
teem het aantal zoekacties per IP-adres bij. Als de zoekacties binnen
een korte tijd te hoog zijn wordt het IP-adres tijdelijk geblokkeerd
van verdere zoekacties.
2.4
Op maandag 2 september 2002 zijn verschillende IP-adressen afge-
sloten omdat het maximale aantal zoekopdrachten per uur was
bereikt. Analyse van de zoekopdrachten toonde aan dat er systema-
tisch adressen werden verzameld waar vervolgens grote hoeveelhe-
den reclame naar is verzonden. Na onderzoek van het IP-adres heeft
Netwise kunnen vaststellen dat dit aan NTS toebehoort. Voorts is
gebleken dat NTS op 26 april en 29 april 2002 de E-mailgids ook al
systematisch heeft leeggehaald door het zoeken op lettercombina-
ties.
2.5
NTS handelt onrechtmatig door met behulp van technische hulp-
middelen de gids leeg te roven waarna aan deze adressen grote hoe-
veelheden spam wordt gezonden. Door deze handelwijze handelt
NTS in strijd met de algemene voorwaarden (nader: voorwaarden)
van Netwise die uitdrukkelijk op de openingspagina van de E-mail-
gids zijn vermeld. Voorts handelt NTS in strijd met het Auteursrecht
en het Databankenrecht. Als gevolg van het handelen van NTS lijdt
Netwise schade, ondermeer bestaande uit het tijdelijk sluiten van
haar site, het aanbrengen van nieuwe beveiligingen waardoor de toe-
gankelijkheid is afgenomen. Sommatie en aanmaning ten spijt gaat
NTS door met dit onrechtmatig handelen, aldus Netwise.
2.6
NTS heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering van Net-
wise.
NTS is een bedrijf dat computers, computeronderdelen, printers etc
verkoopt. Tevens verzendt zij regelmatig e-mail berichten met recla-
me naar cliënten en potentiële cliënten. Voor het verzenden van mail-
berichten met reclame heeft NTS een eigen adressenbestand opge-
bouwd. NTS heeft in april 2002 de e-mail.com als telefoongids
gebruikt. Naar een aantal adressen verkregen uit de E-mailgids zijn
reclameberichten verstuurd. NTS ontkent dat hierbij sprake is
geweest van geautomatiseerd oogsten van adressen.
2.7
NTS betwist dat er tussen NTS en Netwise een overeenkomst tot
stand is gekomen zodat NTS niet is gebonden aan de voorwaarden
van Netwise. Voor zover een overeenkomst tot stand is gekomen dan
zijn deze voorwaarden vernietigbaar. Immers, toen NTS de site
bezocht was het niet noodzakelijk eerst kennis te nemen van deze
voorwaarden alvorens de site te raadplegen. NTS betwist bij gebrek
aan wetenschap de door Netwise in de dagvaarding geciteerde voor-
waarden. Deze voorwaarden wijken af van de voorwaarden die in
april en september 2002 op de site stonden. Daarbij merkt NTS op
dat de voorwaarden die thans op de site staan weer geheel anders lui-
den.
2.8
Netwise betwist dat op de verzameling e-mailadressen van Netwise
een auteursrecht rust. Immers, het gaat om een alfabetische rang-
schikking van adressen die niet berust op creatieve arbeid maar op
een noodzakelijk functioneel bepaalde ordening.
2.9
Voorts stelt NTS dat aan Netwise geen bescherming van de databan-
kenwet toekomt omdat deze wet alleen van toepassing is indien er
sprake is van een substantiële investering voor het verkrijgen, contro-
leren en/of rangschikken van de inhoud van de databank. Nu Net-
wise haar e-mailadressen verkrijgt doordat bezoekers van de site deze
zelf in de databank plaatsen is er geen substantiële investering voor
nodig. Voor zover de databankenwet wel van toepassing zou zijn dan
geldt dat Netwise toestemming heeft verleend aan NTS. Dit volgt uit
het feit de site van Netwise voor het publiek toegankelijk is zonder
een noemenswaardige beveiliging. De site van Netwise is inmiddels
beveiligd. Hieruit volgt dat Netwise erkent dat de beveiliging van
hun site niet goed was geregeld. Uit het voorgaande volgt eveneens
dat geen sprake kan zijn van onrechtmatig handelen van NTS.
2.10
Voorts stelt NTS zich op het standpunt dat de vordering van Netwise
onuitvoerbaar is omdat een groot aantal adressen uit de E-mailgids
niet meer te gebruiken zijn. Ook is het onmogelijk om te bepalen of
de adressen wel uit de E-mailgids komen.
3. De beoordeling
3.1
Tussen partijen is niet in geschil dat een bezoeker van de site die de E-
mailgids thans raadpleegt, gebonden is aan de door Netwise gehan-
teerde voorwaarden, dat die voorwaarden, kort gezegd, `oogsten' en
`spammen' verbieden, en dat het opzoeken van adressen en het ver-
zenden van reclame aan die adressen, zoals door NTS gedaan, activi-
teiten zijn die onder dat verbod vallen.
De vraag is derhalve of de huidige situatie relevant verschilt van de
situatie in april en september van dit jaar. NTS meent van wel; Net-
wise betwist dit.
NTS heeft in dit verband allereerst aangevoerd dat Netwise in april
en september niet dezelfde voorwaarden hanteerde als nu. De voor-
zieningenrechter acht het echter op grond van het verhandelde ter
zitting voorshands voldoende aannemelijk dat de voorwaarden in
Mediaforum 2003-3
109
Jurisprudentie nr
.1
8
ieder geval voor wat betreft het verbod op oogsten en spammen het-
zelfde zijn gebleven.
NTS heeft voorts aangevoerd dat zij niet gebonden was aan de alge-
mene voorwaarden daar haar, toen zij de site bezocht, niet is gevraagd
akkoord te gaan met die voorwaarden.
Vaststaat dat in tegenstelling tot nu, voorheen de gids geraadpleegd
kon worden zonder dat expliciet akkoord werd gegaan met de voor-
waarden. Anders dan NTS meent, leidt dat niet tot het oordeel dat die
voorwaarden niet van toepassing zijn. Zelfs indien moet worden aan-
genomen dat op de openingspagina van de site niet was vermeld
`door in deze gids te zoeken stemt u in met de voorwaarden', doch dat
slechts een button `voorwaarden' werd getoond en dat door het aan-
klikken van die button de voorwaarden konden worden geraad-
pleegd, moet worden aangenomen dat NTS door de gids te raadple-
gen zich aan die voorwaarden heeft gebonden. Immers, van een
professionele bezoeker van de site mag worden verwacht dat hij
begrijpt dat de `voorwaarden' waar hij op eenvoudige wijze kennis
van kan nemen, (onder meer) voorwaarden zijn die Netwise aan het
gebruik van de gids wenst te verbinden. Van NTS, die heeft gesteld
voor haar reclamedoeleinden gebruik te maken van bestanden zoals
door Netwise aangelegd, mag voorts worden verwacht dat zij ermee
bekend is dat beheerders van dergelijke bestanden niet altijd gediend
zijn van oogsten en spammen, zodat zij rekening moet houden met
een verbod op dat soort activiteiten in de gehanteerde voorwaarden.
Voorzover NTS zulks heeft bedoelen te stellen, is voorts onvoldoende
aannemelijk geworden dat pas kennis kon worden genomen van de
voorwaarden nadat de met die voorwaarden strijdige activiteiten
hadden plaatsgevonden.
Voorshands moet dan ook worden geoordeeld dat NTS door de gids
te gebruiken de voorwaarden van Netwise heeft geaccepteerd en uit
dien hoofde gebonden is aan die voorwaarden.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat ook in april en september van
dit jaar gold dat NTS geen adressen mocht oogsten om aan deze
adressen reclame te sturen. NTS heeft nog betwist geautomatiseerd
te hebben geoogst. Zij zou de adressen handmatig hebben verza-
meld. Wat hiervan zij, het gaat, ook volgens de opgave van NTS, om
een aanzienlijke hoeveelheid adressen, zodat het verzamelen ervan,
hoe het ook wordt genoemd, onder het genoemde verbod valt.
3.2
Met Netwise moet worden geoordeeld dat zij een gerechtvaardigd
belang heeft bij het naleven van voormeld verbod. Zij heeft onweer-
sproken gesteld dat zij zich tegenover degenen die zich in de gids
laten opnemen heeft verbonden hen tegen spam te beschermen. Het
is aannemelijk dat indien zij hier niet of onvoldoende in slaagt, het
minder aantrekkelijk wordt om in de gids te worden opgenomen en
dat de site daarmee ook minder aantrekkelijk wordt voor adverteer-
ders.
3.3
Gelet op het vorenstaande kunnen de vorderingen van Netwise in
beginsel worden toegewezen. In het midden kan dan ook blijven of
Netwise ter zake rechten kan doen gelden op grond van de Auteurs-
wet of de Databankenwet.
3.4
Het eerste onderdeel van het petitum kan worden toegewezen. Gelet
hierop heeft Netwise geen belang bij toewijzing van het vierde onder-
deel. Met betrekking tot het tweede (met uitzondering van de adres-
sen van september) en het derde onderdeel voorziet de voorzienin-
genrechter
aanzienlijke
executieproblemen.
Zonder
nadere
precisering, in die zin dat op een min of meer objectieve manier kan
worden vastgesteld op welke adressen de veroordelingen betrekking
hebben, kunnen deze vorderingen dan ook niet worden toegewezen.
De voorzieningenrechter gaat er vanuit dat in de lijn van hetgeen ter
zitting is besproken, partijen zullen trachten dit onderdeel van het
geschil in der minne te regelen, bij gebreke waarvan het Netwise
uiteraard vrijstaat zich met een nadere vordering tot de voorzienin-
genrechter te wenden.
3.5
De gevorderde buitengerechtelijke kosten zullen naar redelijkheid
worden vastgesteld op
1.000,-
3.6
De gevorderde dwangsommen zullen voor wat betreft het eerste
onderdeel van het petitum overeenkomstig de voorwaarden van Net-
wise worden gesteld op
435,- ( 1.000,-) per overtreding met een
maximum van
50.000,-, en voor wat betreft het tweede onderdeel
(de in september vergaarde adressen) op
2.500,- voor elke dag dat
NTS in gebreke blijft aan het bevel te voldoen, eveneens met een
maximum van
50.000,-.
3.7
De gevorderde uitvoerbaar verklaring van het vonnis op de minuut is
niet toewijsbaar omdat de griffier onmiddellijk na het uitspreken
van het vonnis een grosse daarvan doet afgeven aan Netwise.
3.8
NTS zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden ver-
oordeeld in de kosten van deze procedure.
4. De beslissing
De voorzieningenrechter,
beveelt NTS het overnemen (oogsten) van e-mailadressen uit de
E-mailgids (www.E-mailgids.com) te staken en gestaakt te houden,
op straffe van een dwangsom van
435,- , zulks met een maximum
van
50.000,-, voor iedere overtreding van dit bevel;
beveelt NTS de in de maand september 2002 verkregen e-mailadres-
sen c.q. adresgegevens uit de E-mailgids (www.E.mailgids.com) bin-
nen één week na betekenen van dit vonnis uit haar bestanden te ver-
wijderen en verwijderd te houden, en eiseres daarvan bewijs te doen
toekomen, op straffe van een dwangsom van
2.500,-, zulks met een
maximum van
50.000,-, voor elke dag dat NTS in gebreke blijft aan
het bevel te voldoen;
veroordeelt NTS in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de
zijde van Netwise begroot op
270,56 aan verschotten en op
705,- aan salaris voor de procureur;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.A. Rijperman, voorzieningenrech-
ter, in tegenwoordigheid van mr. D.G.M. Meijers, griffier.
Noot
Marten Voulon*
De geoorloofdheid van het verzenden van spam staat recentelijk in de
belangstelling.
1
Deze uitspraak lijkt daar op het eerste gezicht bij aan
te sluiten. Netwise biedt op haar website (www.E-mailgids.com) toe-
gang tot een databank met e-mailadressen. Deze databank dient als
een soort telefoongids of gouden gids waarmee een ieder naar e-mail-
adressen van personen of bedrijven kan zoeken. Er worden inkomsten
vergaard door op de site reclame te tonen. Netwise claimt dat NTS e-
mailadressen uit de databank heeft verzameld en vervolgens aan deze
adressen grote hoeveelheden spam heeft verstuurd. Netwise is hier
niet van gediend en vordert onder meer dat NTS wordt veroordeeld
het overnemen van e-mailadressen uit de databank te staken. NTS zou
bij het vergaren van de adressen met behulp van technische hulpmid-
delen deze adressen `oogsten'. Met oogsten wordt gedoeld op het
geautomatiseerd systematisch raadplegen van de databank om zo
zoveel mogelijk e-mailadressen eraan te onttrekken. NTS stelt dat zij
de databank als telefoongids heeft gebruikt en dat naar een aantal
adressen uit de databank reclameberichten zijn verstuurd. NTS ont-
kent dat zij geautomatiseerd de adressen heeft geoogst. Netwise
beroept zich ter staving van haar vorderingen op drie grondslagen:
haar auteursrecht, haar databankenrecht en de algemene voorwaar-
den die Netwise verbindt aan het gebruik van de databank en die het
oogsten en spammen van e-mailadressen verbieden (r.o. 2.5). De voor-
zieningenrechter wijst de vorderingen van Netwise gedeeltelijk toe op
Mediaforum 2003-3
110
Jurisprudentie nr
.1
8
*
Mr. M.B. Voulon is assistent in opleiding aan de Vrije Universiteit Amsterdam.
1
Zie niet alleen de uitspraken Hof Amsterdam 18 juli 2002,
Mediaforum 2002, nr.
31 (m.nt. Q. Kroes;
XS4ALL/Ab.Fab) en Vzr. Rb. Almelo 13 september 2002, Mediafo-
rum 2002, nr. 43 (m.nt. C.W. Noorda; Staat/Rath) maar ook de Europese Richtlijn
2002/58/EG betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescher-
ming van de persoonlevenssfeer in de sector elektronische communicatie (
PbEG
L 201/37). Voor een beschrijving van de richtlijn, zie C.W. Noorda, `Nieuwe Euro-
pese regels voor cookies en spam',
Mediaforum 2002-9, p. 272-277.
grond van de derde grondslag, te weten de algemene voorwaarden van
Netwise. Volgens de rechter kan in het midden blijven of Netwise
rechten kan doen gelden op grond van de Auteurswet of de Databan-
kenwet (r.o. 3.3). Deze uitspraak, en daarmee ook deze noot, ziet daar-
om uiteindelijk alleen op de vraag is of de algemene voorwaarden van
Netwise zodanig op haar website zijn gepresenteerd dat zij op geldige
wijze onderdeel van een overeenkomst met NTS zijn gaan uitmaken.
Met de `geldige opname van algemene voorwaarden in een overeen-
komst' doel ik op twee fasen: ten eerste de opname van de algemene
voorwaarden in de overeenkomst, ten tweede de informatieplicht
waar de gebruiker (van de algemene voorwaarden) aan dient te vol-
doen. Het niet voldoen aan de informatieplicht leidt tot vernietig-
baarheid van (een beding uit) de algemene voorwaarden.
Met betrekking tot de eerste fase geldt dat algemene voorwaarden
onderdeel worden van een overeenkomst door de aanvaarding van
een aanbod. De aanvaarding van een set algemene voorwaarden hoeft
niet op elk afzonderlijk beding te zien maar slechts op het complex
van algemene voorwaarden, art. 6:217 lid 1 j
o
232 BW.
2
In de onderha-
vige zaak acht de voorzieningenrechter NTS gebonden aan de alge-
mene voorwaarden van Netwise. De rechter stelt dat NTS zich zelfs
aan de algemene voorwaarden heeft gebonden indien moet worden
aangenomen dat er op de openingspagina van de website slechts een
button met de tekst `voorwaarden' werd getoond en dat door het aan-
klikken van deze button die voorwaarden konden worden geraad-
pleegd. Van een professionele bezoeker van de site mag volgens de
rechter worden verwacht dat hij begrijpt dat de voorwaarden waar hij
op eenvoudige wijze kennis van kan nemen, (onder meer) voorwaar-
den zijn die Netwise aan het gebruik van de gids wenst te verbinden.
Voorts mag volgens de rechter van NTS worden verwacht dat zij
ermee bekend is dat beheerders van bestanden als de E-mailgids niet
altijd gediend zijn van oogsten en spammen, zodat NTS als professio-
nele partij rekening moet houden met een verbod op dat soort activi-
teiten in de gehanteerde algemene voorwaarden (r.o. 3.1). Bij de
beoordeling van deze overwegingen van de rechter rijst de vraag hoe
de handelingen van Netwise en NTS in het systeem van het Burger-
lijk Wetboek zijn onder te brengen. Naar mijn mening zou het open-
baar aanbieden van de website door Netwise als een aanbod gezien
kunnen worden. Het gebruik van NTS van de site kan vervolgens als
aanvaarding van het aanbod worden gekwalificeerd. De inhoud van
de overeenkomst die zo ontstaat is kennelijk dat NTS de databank
mag raadplegen mits de voorwaarden die Netwise aan dit gebruik
stelt in acht worden genomen. De voorzieningenrechter redeneert
voor wat betreft het aanbod van Netwise kennelijk dat NTS de site
van Netwise als een aanbod met bovenstaande strekking had moeten
zien. Daarbij wordt terecht veel gewicht toegekend aan de omstan-
digheid dat NTS een professionele partij is en als zodanig op de hoog-
te zou moeten zijn van het feit dat beheerders als Netwise niet
gediend zijn van het oogsten en vervolgens spammen van e-mail-
adressen. De relatief snelle gebondenheid aan de algemene voorwaar-
den moet naar mijn mening vanuit die omstandigheid worden
bezien. Het is namelijk de vraag of het wenselijk is dat in andere
gevallen dan deze (bijvoorbeeld ingeval de wederpartij een consu-
ment is) ook zo'n snelle gebondenheid mag worden aangenomen. Dit
zou er toe leiden dat de bezoeker van een website gebonden raakt aan
min of meer verborgen `kleine lettertjes'.
In de tweede fase komt de informatieplicht van de gebruiker aan de
orde. Deze houdt in dat, ter compensatie van de snelle gebondenheid
die in de eerste fase plaatsvindt, de wederpartij (een beding uit) de
algemene voorwaarden kan vernietigen indien de gebruiker geen
redelijke mogelijkheid heeft geboden om van de algemene voorwaar-
den kennis te nemen. Er is sprake van een redelijke mogelijkheid
indien:
hetzij de algemene voorwaarden voor of bij het sluiten van de over-
eenkomst aan de wederpartij ter hand zijn gesteld;
hetzij, indien dit redelijkerwijs niet mogelijk is, voor of bij het slui-
ten van de overeenkomst aan de wederpartij bekend is gemaakt dat
de algemene voorwaarden ter inzage liggen, zijn gedeponeerd of bij
de gebruiker van de algemene voorwaarden ter inzage liggen, als-
mede dat zij op verzoek worden toegezonden.
Bovenstaande regeling omtrent de redelijke mogelijkheid tot kennis-
name, te vinden in art. 6:233 sub b j
o
234 lid 1 sub a en b BW, is een
gesloten, limitatief systeem.
3
Aan de mogelijkheden onder b) komt de
gebruiker pas toe indien ter hand stellen redelijkerwijs niet mogelijk
is. Naar aanleiding van deze strenge uitleg van de redelijke mogelijk-
heid tot kennisname wordt wel gesproken van een informatieplicht
ad absurdum: de informatieplicht zou te bezwarend zijn voor de
gebruiker van de algemene voorwaarden.
4
NTS beweert dat (voorzo-
ver er al een overeenkomst tot stand is gekomen) de algemene voor-
waarden vernietigbaar zijn (r.o. 2.7). Uit het woord `vernietigbaar'
zou afgeleid kunnen worden dat NTS zich beroept op het niet vol-
doen aan de informatieplicht door Netwise. NTS voert als argument
aan dat toen zij de site bezocht, het niet noodzakelijk was eerst ken-
nis te nemen van de algemene voorwaarden alvorens de site te raad-
plegen. Dit argument is zonder nadere motivering niet erg sterk:
bedoelt NTS te beweren dat er niet ter hand is gesteld, of doelt NTS,
ondanks de term `vernietigbaar', op de eerste fase van de gelding van
algemene voorwaarden? Hoe dan ook, de voorzieningenrechter
beperkt zich in dit geschil tot de eerste fase. Een eventuele vernietig-
baarheid wegens het niet voldoen aan de informatieplicht komt niet
aan de orde. De vraag hoe `terhandstelling' via een website dient te
geschieden, komt daarom helaas niet aan de orde. In de fysieke
wereld kan terhandstelling geschieden door het overhandigen of toe-
zenden van een exemplaar van de algemene voorwaarden.
5
Voor wat
betreft websites is er nog steeds geen uitsluitsel: dient de bezoeker
van een website langs de integrale tekst van de voorwaarden
`gedwongen' te worden of is het voldoende dat hij wordt gewezen dat
algemene voorwaarden van toepassing zijn waarna hij via een hyper-
link de algemene voorwaarden kan inzien? Misschien zijn beide
interpretaties wel misplaatst: de ratio achter het ter hand stellen is
onder meer dat de wederpartij een exemplaar van de algemene voor-
waarden onder zich dient te hebben. Bij een eventueel geschil kan de
wederpartij dit exemplaar raadplegen om haar rechtspositie te bepa-
len. Er wordt wel gesproken van het `dossierbelang'.
6
Bij beide boven-
staande interpretaties van het ter hand stellen heeft de wederpartij
echter nog geen exemplaar onder zich.
7
Daarvoor zal de wederpartij
zelf een extra handeling moeten verrichten, namelijk het opslaan van
de webpagina die de algemene voorwaarden bevat.
De wetgever is voornemens de informatieplicht nader te specificeren
voor wat betreft elektronische situaties. Het wetsvoorstel Aanpas-
singswet richtlijn inzake elektronische handel
8
introduceert in het
eerste lid van art. 6:234 BW hiertoe een derde `hetzij', namelijk sub c).
Op grond van deze nieuwe bepaling heeft, indien de overeenkomst
langs elektronische weg tot stand komt, de gebruiker een redelijke
mogelijkheid tot kennisname geboden, indien:
de algemene voorwaarden voor of bij het sluiten van de overeen-
komst aan de wederpartij langs elektronische weg ter beschik-
king zijn gesteld op een zodanige wijze dat deze door hem kun-
nen worden opgeslagen en voor hem toegankelijk zijn ten
behoeve van latere kennisneming of, indien dit redelijkerwijs
niet mogelijk is, voor de totstandkoming van de overeenkomst
aan de wederpartij heeft bekend gemaakt waar van de voorwaar-
den langs elektronische weg kan worden kennisgenomen, alsme-
de dat zij op verzoek langs elektronische weg of op andere wijze
zullen worden toegezonden.
Deze bepaling maakt duidelijk dat van de wederpartij de extra han-
deling van het opslaan van de voorwaarden geëist mag worden: de
algemene voorwaarden dienen zodanig te worden aangeboden dat
zij door de wederpartij kunnen worden opgeslagen en voor hem toe-
Mediaforum 2003-3
111
Jurisprudentie nr
.1
8
2
Zie ook: M.B.M. Loos,
Algemene voorwaarden. Beschouwingen over het huidige recht en
mogelijke toekomstige ontwikkelingen, Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2001,
p. 16-17.
3
Zie: HR 1 oktober 1999,
NJ 2000, 207 (m.nt. JH; Geurtzen/Kampstaal), HR 6 april
2001,
RvdW 2001, 74 (VNP Parkeersystemen/Havrij) en M.L. Webb & S.Y.Th.
Meijer, `Zijn de algemene voorwaarden toepasselijk?',
Advocatenblad 2002-2, p.
72-77.
4
T. Hartlief & R.P. J.L. Tjittes, `Kroniek van het vermogensrecht',
NJB 2001-31, p.
1461. Volgens Jongeneel en Cohen Tervaert dient de informatieplicht in de hui-
dige vorm te vervallen of hooguit te worden beperkt tot consumenten en dient
de gebruiker (in ieder geval tegenover niet-consumenten) te kunnen volstaan
met een verwijzing naar ter inzage liggende of gedeponeerde voorwaarden die
op verzoek worden toegezonden, R.H.C. Jongeneel en D. J. Cohen Tervaert,
`Beperk de informatieplicht bij algemene voorwaarden',
NJB 2002-44, p. 2189-
2190. Zie ook: R. de Moor, `De informatieplicht bij algemene voorwaarden
moet gehandhaafd blijven',
NJB 2003-7, p. 327-328, met naschrift van Jongeneel
en Cohen Tervaert.
5
M.B.M. Loos, a.w., p. 37.
6
M.B.M. Loos, a.w., p. 34-35.
7
Een eventuele kopie in de browser-cache daargelaten.
8
Kamerstukken II 2001/02, 28 197, nr. 2.
Nr 19
Belgische staat vs.
Franse Gemeenschap
Arbitragehof (België) van 6 november 2002
Arrest in zake: de prejudiciële vraag betreffende artikel 19quater van
het decreet van de Franse Gemeenschap van 17 juli 1987 over de
audiovisuele sector, zoals ingevoegd bij decreet van 19 juli 1991,
gesteld door de Raad van State.
I. Onderwerp van de prejudiciële vraag:
[...] `Schendt artikel 19
quater van het decreet van de Franse Gemeen-
schap van 17 juli 1987 over de audiovisuele sector, ingevoegd bij arti-
kel 12 [lees: 13] van het decreet van 19 juli 1991, in zoverre onder de
benaming `andere soorten van diensten dan de klankprogramma's of
de televisieprogramma's bestemd voor het publiek in het algemeen
of voor een deel ervan' (begrip gedefinieerd in het besluit van de
Franse Gemeenschapsregering van 25 november 1996 betreffende de
produktie van andere diensten op de kabel) diensten worden begre-
pen of kunnen worden begrepen waarvan de uitzending niet
bestemd is om rechtstreeks door het publiek in het algemeen te wor-
den ontvangen en inzonderheid diensten die op individuele aan-
vraag en/of op verzoek informatiegegevens verstrekken of nog door
interactiviteit gekenmerkte diensten met een `point-to-point'-com-
municatie, de artikelen 35 en 127, § 1, van de Grondwet en artikel 4,
6
o
, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der
instellingen?'
II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil
[...]
III. De rechtspleging voor het Hof
[...]
IV. In rechte
- A -
Memorie van de Ministerraad
A.1.1. Eerst dient in herinnering te worden gebracht dat het Parle-
ment van de Franse Gemeenschap op 4 januari 1999 een decreet hou-
dende wijziging van het decreet van 17 juli 1987 over de audiovisuele
sector en omzetting van de richtlijn 97/36/EG van 30 juni 1997 en de
richtlijn 95/47/EG van 24 oktober 1995 heeft aangenomen. Artikel 2
van het voormelde decreet is een aanvulling op artikel 1 van het
decreet van 17 juli 1987, meer bepaald door de toevoeging van een 23
o
met een definitie van het begrip `andere diensten' die volledig iden-
tiek is met de definitie die in het besluit van 25 november 1996 in aan-
merking werd genomen. Op 6 augustus 1999 heeft de Ministerraad
voor het Hof een beroep tot gedeeltelijke vernietiging van het voor-
melde decreet van de Franse Gemeenschap ingediend. De volgende
twee overwegingen van het arrest van het Hof nr. 109/2000 van 31
oktober 2000 verdienen de aandacht:
B.5.2. Behoudens de uitzondering waarin hij heeft voorzien, heeft de bij-
zondere wetgever de aangelegenheid van de radio-omroep en de televisie in
haar geheel naar de gemeenschappen overgeheveld. De gemeenschappen
zijn bevoegd om het statuut van de diensten voor radio-omroep en televisie
te bepalen en om regels uit te vaardigen inzake de programmatie en verde-
ling van de uitzendingen. Die bevoegdheid is niet gebonden aan een wijze
van uitzenden of overbrengen. Zij staat de gemeenschappen toe de techni-
sche aspecten van de overdracht te regelen die een accessorium zijn van de
aangelegenheid van de radio-omroep en de televisie.
B.5.4. Ook al is er als gevolg van de technische ontwikkeling sprake van een
vergaande convergentie tussen radio-omroep en andere vormen van telecom-
municatie, toch heeft de bijzondere wetgever enkel de radio-omroep en de tele-
visie als culturele aangelegenheid aan de gemeenschappen toevertrouwd.
De radio-omroep, die de televisie omvat, kan van de andere soorten van
telecommunicatie met name worden onderscheiden aan de hand van de
volgende kenmerken:
Radio-omroep is van nature een zaak van het uitzenden van radio- of
televisieprogramma's.
Een radio-omroepprogramma is bestemd voor het publiek in het alge-
meen of voor een deel ervan, zelfs wanneer op individueel verzoek
wordt uitgezonden. Noch een mededeling van een uitzender aan een
geïndividualiseerde ontvanger (point-to-point), ongeacht of het initia-
tief uitgaat van een uitzendstation, een televisiekijker of een luiste-
raar, noch een dienst die geïndividualiseerde informatie op verzoek
gankelijk zijn ten behoeve van latere kennisneming. Het is overigens
niet duidelijk hoeveel technisch vernuft daarbij van de wederpartij
verwacht mag worden. Zo kan alles wat op het internet staat per
definitie door de internetgebruiker worden opgeslagen. Het is alleen
de vraag of de gemiddelde internetgebruiker daartoe in staat is. De
algemene voorwaarden zouden daarom eigenlijk op zodanige wijze
moeten worden aangeboden dat de gemiddelde internetgebruiker in
staat is ze op te slaan. Tot slot kan er nog op worden gewezen dat uit
het nieuwe art. 6:234 lid 1 sub c voorts blijkt dat het ter beschikking
stellen soms redelijkerwijs niet mogelijk is. Er wordt dan gedacht aan
mobiel internet waarbij (het probleem kennelijk is dat) er slechts klei-
ne hoeveelheden tekst op een klein schermpje verschijnen.
9
Mediaforum 2003-3
112
Jurisprudentie nr
.1
8
9
Kamerstukken II 2001/02, 28 197, nr. 3, p. 60. Zie m.b.t. de presentatie van algeme-
ne voorwaarden op internet, waaronder WAP: M. Seelt & H.D. J. Jongen, `Het
van toepassing verklaren van algemene voorwaarden op via internet gesloten
overeenkomsten', V&O 2001-1, p. 2-5. Een vergelijkbare problematiek wordt
beschreven in I.M. Hotsma, `Mobiele communicatie en de informatieverplich-
tingen uit de Richtlijn Elektronische Handel',
Mediaforum 2001-9, p. 258-262.
Mediaforum 2003-3
113
Jurisprudentie nr
.1
9
levert, vallen onder de radio-omroep. De uitzending over de radio heeft
geen vertrouwelijk karakter. [...]
De Raad van State, waarvoor destijds al een beroep tot vernietiging
van het besluit van de Franse Gemeenschapsregering van 25 novem-
ber 1996 was ingesteld, heeft niet op dat arrest gereageerd en heeft
niettemin de hierboven vermelde vraag gesteld.
A.1.2. Nochtans biedt het voormelde arrest nr. 109/2000 van het Hof
de essentiële elementen voor de oplossing die aan de prejudiciële
vraag moet worden gegeven en die in de twee in A.1.1 geciteerde over-
wegingen werden herhaald. Het Hof heeft de diensten die aanleiding
geven tot
point-to-point-communicatie uit het begrip `radio-omroep'
uitgesloten: dergelijke diensten vallen dus buiten de bevoegdheid
van de Franse Gemeenschap. Die uitsluiting heeft een algemene
draagwijdte: ze zou bijvoorbeeld op de video op verzoek van toepas-
sing kunnen zijn.
Het arrest nr. 109/2000 is slechts de bevestiging van een uitsluiting
waarover al geen twijfel meer bestond vóór de uitspraak ervan. Het
arrest van het Hof is trouwens in overeenstemming met de ontwikke-
lingen in het Europees recht, waar het begrip `radio-omroep' strikt
wordt gedefinieerd. [...] Hieruit volgt dat de prejudiciële vraag beves-
tigend dient te worden beantwoord.
Memorie van de Franse Gemeenschapsregering
[...
A.2.3. De bevoegdheden die inzake radio-omroep bij artikel 127, § 1,
van de Grondwet en bij artikel 4, 6
o
, van de bijzondere wet van
8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen aan de gemeen-
schappen werden toegekend, moeten op ruime wijze worden geïnter-
preteerd overeenkomstig de arresten van het Hof nrs. 7/90 en 1/91. In
zijn arrest nr. 109/2000 heeft het Hof dezelfde principes herhaald.
Artikel 19
quater van het betwiste decreet, in zoverre het `andere soor-
ten van diensten dan de klankprogramma's of de televisieprogram-
ma's bestemd voor het publiek in het algemeen of voor een deel
ervan' beoogt, schendt de voormelde artikelen van de Grondwet of
van de bijzondere wet niet. De interpretatie die de Raad van State aan
die norm geeft, in zoverre ze betrekking zou hebben op diensten
waarvan de uitzending niet bedoeld is om door het publiek in het
algemeen te worden ontvangen, geeft aan het begrip `andere soorten
van diensten' een betekenis die dat begrip niet heeft.
In zijn arrest nr. 109/2000 heeft het Hof geoordeeld dat `een radio-
omroepprogramma [...] bestemd [is] voor het publiek in het algemeen
of voor een deel ervan, zelfs wanneer op individueel verzoek wordt
uitgezonden'.
Het Hof heeft eveneens geoordeeld dat `
om binnen de regelingsbevoegd-
heid van de gemeenschappen te kunnen vallen, [...] in ieder geval de door een
radio-omroep aangeboden dienst inpasbaar [moet] zijn in de activiteit van het
omroepen. Het gaat bij die activiteit substantieel om het oorspronkelijke uitzen-
den van programma's, bij wege van al dan niet gecodeerde signalen, bestemd om
door het publiek rechtstreeks te worden ontvangen. Omroepactiviteiten verlie-
zen evenwel niet hun aard omdat met de evolutie van de techniek aan de kijker
of luisteraar een ruimere mogelijkheid van eigen keuze zou worden geboden'
(B.5.4).
Het Hof heeft het criterium dat de dienst `bestemd' is voor het
publiek boven het criterium `de techniek van overdracht' verkozen
om het begrip `radio-omroep' te kenmerken.
[...]
A.4. Er dient eraan te worden herinnerd dat het onderscheid tussen
de begrippen `radio-omroep' en `telecommunicatie' moet worden
opgevat in het licht van de technische evolutie, zoals de Hoge Raad
voor de audiovisuele sector van de Franse Gemeenschap in zijn advies
nr. 163 van 15 december 1994 heeft onderstreept.
De woorden `publiek in het algemeen' moeten op redelijke wijze wor-
den opgevat. Zij veronderstellen, enerzijds, dat de uitzendingen in
geen enkel opzicht vertrouwelijk zijn en, anderzijds, dat die uitzen-
dingen potentieel toegankelijk zijn voor het publiek of voor een deel
ervan, zelfs wanneer die toegang bijvoorbeeld het bezit van een deco-
deertoestel vereist.
Wanneer het Hof in zijn arrest nr. 109/2000 gebruik maakt van de
begrippen `een mededeling van een uitzender aan een geïndividuali-
seerde ontvanger (
point-to-point)' of `een dienst die geïndividualiseer-
de informatie op verzoek levert', lijkt het Hof te verwijzen naar de
privé-communicatie waarvan de boodschap of de informatie voor een
welbepaalde en geïndividualiseerde natuurlijke of rechtspersoon
bestemd is. Weliswaar moet worden aanvaard dat
point-to-point-com-
municatie, die voor een welbepaalde persoon bestemd is, onder de
telecommunicatie valt; toch geldt dat niet voor de
point-to-point-com-
municatie waarvan de inhoud zonder enig onderscheid voor het
publiek in het algemeen bestemd is, zonder dat de inhoud wordt
bepaald op grond van overwegingen inzake de persoon van de adres-
saat ervan. Het criterium dat de uitzending voor het publiek bestemd
is, moet worden beoordeeld op het tijdstip van de uitzending en niet
op het tijdstip van de ontvangst.
Het is niet omdat een uitzending door een enkele persoon, op zijn
verzoek, wordt ontvangen dat het gaat om een `interpersoonlijke'
communicatie zo het uitgezonden programma voor het publiek of
voor een deel ervan bestemd is.
In zijn arrest nr. 109/2000 heeft het Hof uitdrukkelijk geoordeeld dat
een uitzending die voor het publiek in het algemeen of voor een deel
ervan bestemd is, ook al wordt op individueel verzoek uitgezonden,
onder de radio-omroep en dientengevolge onder de bevoegdheid van
de gemeenschappen valt.
Dat is wel degelijk het geval voor diensten op verzoek en inzonder-
heid voor video op verzoek: het gaat om een dienst die voor het
publiek in het algemeen bestemd is want de overgedragen inhoud
wordt niet bepaald op grond van overwegingen inzake de persoon
van de adressaat ervan, waarbij op individueel verzoek wordt uitge-
zonden. Een videodienst op verzoek of de verspreiding van een web-
pagina op het internet vallen onder de radio-omroep, aangezien de
inhoud duidelijk voor het publiek bestemd is. Het heeft weinig
belang of die dienst op individueel verzoek wordt verstrekt aange-
zien dat verzoek een stereotiep antwoord van de uitzender verlangt,
gelet op het niet-vertrouwelijke karakter van de overgedragen bood-
schap zelfs indien de uitzending per slot van rekening door slechts
één televisieontvanger wordt ontvangen (net zoals voor de traditio-
nele televisiediensten).
[...]
- B -
Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling en de draagwijdte van de pre-
judiciële vraag
B.1.1. Artikel 19
quater, dat bij artikel 13 van het decreet van 19 juli 1991
in het decreet van de Franse Gemeenschap van 17 juli 1987 over de
audiovisuele sector werd ingevoegd, bepaalt inzonderheid:
Onder de voorwaarden en volgens nadere regels die door de Executieve te
bepalen zijn, kan de Executieve aan de `Radio-Télévision belge de la Com-
munauté française (RTBF)' en aan de radio-omroepinstellingen de vergun-
ning verlenen voor het gebruik van de kabel voor andere soorten van dien-
sten dan de klankprogramma's of de televisieprogramma's bestemd voor
het publiek in het algemeen of voor een deel ervan. Deze diensten kunnen
de vorm hebben van signalen die geheel of gedeeltelijk gecodeerd zijn. Het
ontvangen ervan kan van een betaling afhankelijk gemaakt worden.
Onder door haar vast te stellen voorwaarden, kan de Executieve eveneens
aan maatschappijen die geen distributiemaatschappijen zijn de vergun-
ning verlenen voor het gebruik van de kabel voor andere soorten diensten
die zij bepaalt.
[...]
B.2.2. Het besluit van 25 november 1996 betreffende de produktie van
andere diensten op de kabel bepaalt:
Art. 1. [...] b) dienst: de andere radio-omroepdiensten in de zin van de leden
1 tot 3 van artikel 19quater van het decreet van 17 juli 1987 over de audiovi-
suele sector, te weten de andere diensten dan de klankprogramma's en de
televisieprogramma's bestemd voor het publiek in het algemeen of voor een
deel ervan, uitgezonden door de RTBF of een radio-omroepinstelling, met
het oog op de terbeschikkingstelling, al dan niet samen met dergelijke pro-
gramma's, van tekens, signalen, teksten, beelden, klanken of boodschappen
van alle aard, zonder onderscheid bestemd voor het publiek in het alge-
meen, voor een deel ervan of voor categorieën van het publiek, wanneer de
inhoud van de boodschap geen private correspondentie is. Vormen inzon-
derheid radio-omroepdiensten voor de toepassing van dit besluit:
1
o
de diensten voor thematische programma's of programma's bestemd
voor een specifiek publiek;
2
o
de diensten met toegevoegde waarde zoals televerkoop;
3
o
de teletekstdiensten;
4
o
de distributiediensten of de diensten op verzoek, die zich kenmerken
door interactiviteit, zoals:
de televisie met betaling per vertoning;
de quasi-video op verzoek;
de video op verzoek;
de programma's voor afstandsvorming.
Het betreft hier betaal- of gecodeerde diensten [...].
B.2.3. Artikel 142 van de Grondwet machtigt het Hof uitspraak te
doen over de schending, door een wet, een decreet of een ordonnan-
tie, van de bevoegdheidverdelende regels.
In de regel staat het niet aan het Hof doch aan de verwijzende rechter
om te bepalen welke normen van toepassing zijn op het aan hem
voorgelegde geschil. Te dezen is de Raad van State van oordeel dat het
gaat om artikel 19
quater van het voormelde decreet, dat als grondslag
dient voor het besluit van de Franse Gemeenschapsregering dat voor
de Raad van State wordt bestreden. Het Hof is bevoegd om te onder-
zoeken of artikel 19
quater, in de interpretatie die de Raad van State
eraan geeft, verenigbaar is met de bepalingen waarvan het Hof de
naleving verzekert.
Ten gronde
[...]
B.4.2. Behoudens de uitzondering waarin hij heeft voorzien, heeft de
bijzondere wetgever de aangelegenheid van de radio-omroep en de
televisie in haar geheel naar de gemeenschappen overgeheveld. De
gemeenschappen zijn bevoegd om het statuut van de diensten voor
radio-omroep en televisie te bepalen en om regels uit te vaardigen
inzake de programmatie en verdeling van de uitzendingen. Die
bevoegdheid is niet gebonden aan een wijze van uitzenden of over-
brengen. Zij staat de gemeenschappen toe de technische aspecten van
de overdracht te regelen als accessorium van de aangelegenheid van
de radio-omroep en de televisie.
Dienaangaande dient te worden opgemerkt dat sommige technie-
ken, zoals degene die wordt aangewend voor een mededeling van een
uitzender aan een geïndividualiseerde ontvanger (
point-to-point),
tegenwoordig evenzeer kunnen worden gebruikt voor de ontvangst
van traditionele radio-uitzendingen als voor de ontvangst van uit-
zendingen door andere telecommunicatievormen. Daaruit volgt dat
de door middel van die technieken uitgezonden programma's niet
noodzakelijk buiten de bevoegdheidssfeer van de gemeenschappen
vallen en dat de aangewende technieken niet noodzakelijk tot die-
zelfde bevoegdheid behoren.
B.4.3. In de bevoegdheidsverdeling tussen de federale Staat en de
gemeenschappen is `radio-omroep en televisie' aangewezen als een
culturele aangelegenheid in de zin van artikel 127, § 1, eerste lid, 1
o
,
van de Grondwet en hoort die kwalificatie als uitgangspunt van elke
interpretatie te worden genomen. Radio en televisie zijn als dragers
van klank en beeld uiteraard met telecommunicatie verbonden, doch
die technische binding kan niet wegnemen dat zij, in het Belgische
federale staatsbestel, als een culturele aangelegenheid aan de
gemeenschappen zijn toegewezen.
B.4.4. Ook al is er als gevolg van de technische ontwikkeling sprake
van een verregaande convergentie tussen radio-omroep en andere
vormen van telecommunicatie, toch heeft de bijzondere wetgever als
culturele aangelegenheid enkel de radio-omroep en de televisie aan
de gemeenschappen toevertrouwd.
De radio-omroep, die de televisie omvat, kan van de andere soorten
van telecommunicatie inzonderheid worden onderscheiden aan de
hand van de volgende kenmerken:
radio-omroep is een zaak van het uitzenden van radio- of televisiep-
rogramma's, bij wege van al dan niet gecodeerde signalen;
een radio-omroepprogramma is, vanuit het oogpunt van degene
die het uitzendt, bestemd voor het publiek in het algemeen of voor
een deel ervan, en heeft geen vertrouwelijk karakter, zelfs wanneer
op individueel verzoek wordt uitgezonden en ongeacht de techniek
die voor de uitzending ervan wordt gebruikt, met inbegrip van de
zogenaamde point-to-point-techniek die voorheen niet voor radio-
omroep werd aangewend. Een dienst die geïndividualiseerde en
door een vorm van vertrouwelijkheid gekenmerkte informatie
levert, valt daarentegen niet onder de radio-omroep.
Wat artikel 19quater van het in het geding zijnde decreet betreft
B.5. In de interpretatie die de Raad van State eraan geeft, beoogt arti-
kel 19
quater van het decreet, of kan het beogen, `diensten [...] waarvan
de uitzending niet bestemd is om rechtstreeks door het publiek in
het algemeen te worden ontvangen en inzonderheid diensten die op
individuele aanvraag en/of op verzoek informatiegegevens verstrek-
ken of nog door interactiviteit gekenmerkte diensten met een "point-
to-point"-communicatie'.
B.6. Uit het feit dat het technische aspect van de uitzending van een
programma niet bepalend kan zijn voor de gemeenschapsbevoegd-
heid en dat door het individuele verzoek op zich geen afbreuk wordt
gedaan aan de algemene bestemming van de programma's indien die
voor het publiek in het algemeen of voor een deel ervan zijn bestemd,
vloeit voort dat, indien artikel 19
quater van het decreet in die zin
wordt geïnterpreteerd dat het betrekking heeft op diensten die voor
het publiek in het algemeen bestemde informatiegegevens verstrek-
ken in de in B.4.4 gepreciseerde zin, de prejudiciële vraag ontken-
nend dient te worden beantwoord.
Om die redenen, het Hof, zegt voor recht: Artikel 19
quater van het
decreet van de Franse Gemeenschap van 17 juli 1987 over de audiovisu-
ele sector, ingevoegd bij artikel 13 van het decreet van 19 juli 1991,
schendt niet artikel 127, § 1, van de Grondwet, noch artikel 4, 6
o
, van de
bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.
Noot
De kwalificatie van interactieve informatiediensten als omroep:
loopt het Belgische Arbitragehof voor op Europa?
Peggy Valcke en Caroline Uyttendaele*
1. Achtergrond: De Belgische bevoegdheidsverdeling inzake
omroep en telecommunicatie
Aan het hier besproken arrest gaat een lange voorgeschiedenis van
bevoegdheidsconflicten tussen de Belgische federale
1
en gemeen-
schapsoverheden vooraf. Inzet van deze geschillen vormt telkens de
interpretatie van het omroepbegrip als bevoegdheidsonderscheidend
criterium. Het domein van de `radio-omroep en de televisie' berust
immers sinds de eerste staatshervorming van 1970-1971 als een cultu-
rele bevoegdheid bij de Vlaamse, Franse en Duitstalige Gemeen-
schappen (huidig artikel 127, § 1 G.W. en artikel 4, 6
o
B.W.H.I.).
2
De
telecommunicatie bleef daarentegen een federale materie. Het con-
cept `radio-omroep en televisie' werd door de grondwetgever nergens
gedefinieerd. Deze ging er blijkbaar vanuit dat het begrip duidelijk
was, en wou overigens de deur openlaten voor een evolutieve inter-
pretatie. Die duidelijkheid bleek evenwel een utopie te zijn, zodat het
Arbitragehof
3
meermaals moest ingrijpen in het gebakkelei tussen de
diverse bevoegdheidsniveaus.
4
Zo zorgde het hof in 1990-1991 voor een eerste `bevoegdheidsrechte-
lijke aardverschuiving in het medialandschap',
5
door duidelijk te stel-
len dat het volledige domein van de omroep, met inbegrip van de
tech-
nische aspecten en de toewijzing van de frequenties, naar de
Gemeenschappen (d.w.z. de regionale overheden) was overgeheveld.
Daarmee maakte het een einde aan het voorheen gehanteerde sys-
teem van de dubbele vergunningsplicht, dat inhield dat omroepen,
nadat ze reeds een inhoudelijke,
culturele erkenning vanwege de
Gemeenschappen hadden verkregen, zich nog tot de federale over-
heid moesten wenden voor een
technische (zend)vergunning.
De laatste jaren wordt de afbakening van het omroepbegrip op de
proef gesteld door de zogenaamde
convergentietendens in de informa-
tie- en communicatiesectoren. De grensvervaging tussen telecommu-
nicatie, omroep en informatietechnologie resulteert in innovatieve,
interactieve vormen van informatievoorziening, waardoor de klassie-
ke omroep in de toekomst nog slechts een fractie zal vormen van de
elektronische informatieverspreiding naar het publiek. De Vlaamse,
Franse en Duitstalige Gemeenschappen in België hebben ook op de
nieuwe informatiediensten die zich in de schemerzone tussen tele-
communicatie en omroep bevinden, hun stempel willen drukken.
Daartoe vaardigden zij regelingen uit voor de `nieuwe diensten' die
via de kabelnetwerken zouden worden verspreid (in Vlaanderen `tele-
visiediensten' geheten, in de Franse Gemeenschap `andere diensten').
Zij beroepen zich daarbij op een evolutieve interpretatie van het
omroepbegrip, en pleiten ervoor dat hun mediabevoegdheid zou
worden opgevat als betrekking hebbend op `het geheel van de elek-
Mediaforum 2003-3
114
Jurisprudentie nr
.1
9
* Drs. P. Valcke is assistente communicatierecht aan het ICRI-Faculteit Rechtsge-
leerdheid, KU Leuven. Dr. C. Uyttendaele is doctor in de rechten en experte
media-innovatie van de Vlaamse Gemeenschap; zij schrijft deze bijdrage echter
geheel op persoonlijke titel.
1
Bemerk dat in tegenstelling tot wat geldt in Duitsland, `federaal' in België niet
verwijst naar de deelregeringen (in de zin van overheden van de regio's, in casu
Gemeenschappen en Gewesten), maar wel naar het `nationale' niveau.
2 Bijzondere Wet tot Hervorming der Instellingen van 8 augustus 1980,
B.S. 15
augustus 1980.
3. I.e. het Belgische Quasi-grondwettelijke Hof, zie: Arbitragehof 2 februari 2000,
Mediaforum 2000-6, nr. 38 m.nt. P. Valcke.
4. Voor meer details: C. Uyttendaele,
Openbare informatie: Het juridisch statuut in een
convergerende mediaomgeving, Antwerpen: Maklu 2002, p. 53 e.v., en de verwijzin-
gen aldaar.
5. Cf. P. Peeters, noot onder Arbitragehof 25 januari 1990 en 7 februari 1991,
T.B.P.
1991, p. 410-415.
Mediaforum 2003-3
115
Jurisprudentie nr
.1
9
tronische informatievoorziening aan het publiek'.
6
De federale over-
heid heeft hier evenwel systematisch tegen gereageerd, onder andere
door de decretale regelingen voor de `nieuwe diensten' aan te vechten
voor de hoogste rechtscolleges van ons land.
Dat omroep een evolutief begrip is, wordt tevens geïllustreerd door
het huidige debat op het niveau van de Europese Unie omtrent de
definitie van `televisie-omroepen' in het kader van de herziening van
de Televisierichtlijn.
7
Het Europees Parlement dringt reeds lang aan
op een uitbreiding van het toepassingsgebied van deze richtlijn tot
andere audiovisuele diensten, het liefst parallel met een herziening
van de Richtlijn inzake elektronische handel,
8
zodat een coherente
aanpak van alle communicatiediensten kan worden bereikt.
9
In
dezelfde lijn is het Parlement voorstander van het opstellen van een
harde kern van beginselen die zouden gelden voor alle audiovisuele
diensten, los van de technieken die worden gebruikt voor de doorgifte
of verspreiding naar de gebruikers.
10
De Raad heeft op zijn beurt aan-
gegeven dat de Commissie bij de herziening van de televisierichtlijn
rekening moet houden met andere significante ontwikkelingen bin-
nen de omroepsector, met name de implicaties van nieuwe vormen
van doorgifte van audiovisuele inhoud, bijvoorbeeld interactieve
media.
11
Voorlopig lijkt de Commissie echter niet geneigd het onder-
scheid tussen `diensten van televisieomroeporganisaties', die bestemd
zijn voor het publiek en geregeld worden in de richtlijn televisie zon-
der grenzen, en `diensten van de informatiemaatschappij', die vers-
trekt worden op individueel verzoek en geregeld zijn in de richtlijn
inzake elektronische handel, opnieuw ter discussie te willen stellen.
12
Dat het Belgische Arbitragehof niet op Europa heeft gewacht om, in
het kader van de nationale bevoegdheidsverdeling, alvast de deur te
openen voor de kwalificatie van interactieve informatiediensten als
omroep, moge blijken uit het hier besproken arrest van 6 november
2002.
2. Arrest nr. 156/2002 van 6 november 2002
Het hierboven gepubliceerde arrest van 6 november 2002
13
vormt het
antwoord van het Arbitragehof op een prejudiciële vraag van de Raad
van State, in de procedure die de federale overheid indertijd had inge-
steld tegen het besluit van de Franse Gemeenschapsregering van
25 november 1996 (Besluit betreffende de productie van andere dien-
sten op de kabel, B.S. 14 februari 1997, ter uitvoering van artikel
19quater van het Decreet over de audiovisuele sector van 17 juli 1987,
B.S. 22 augustus 1987). Met de erg ruime definitie van `andere dien-
sten' in dit besluit, waarbij een aantal voorbeelden werden gegeven
zoals video op verzoek en programma's voor afstandsvorming (zie
boven, § B.2.2.), had de Franse Gemeenschap haar bevoegdheid over-
schreden, klonk het van federale zijde. De Raad verwierp het verzoek
om onmiddellijke schorsing van het besluit, in afwachting van een
uitspraak ten gronde, omdat geen zware en onherstelbare schade kon
worden bewezen (arrest nr. 67.290 van 2 juli 1997). Het besluit werd
dus voorlopig gesauveerd.
Toch nam de Franse Gemeenschap het zekere voor het onzekere:
met haar decreet
14
van 4 januari 1999 (
B.S. 11 februari 1999) voegde zij
dezelfde definitie van `andere diensten' evenwel zonder de bijbe-
horende voorbeelden in de tekst zelf (artikel 1, 23
o
) van het Decreet
over de audiovisuele sector in. De federale overheid diende deze
decretale begripsomschrijving nu rechtstreeks voor het Arbitrage-
hof aan te vechten (inmiddels bleef ook de vernietigingsprocedure
voor de Raad van State tegen het Besluit van 25 november 1996 han-
gende). Op 31 oktober 2000 sprak het hof zich in het voordeel van de
Franse Gemeenschap uit. Na een uiteenzetting van wat in zijn ogen
onder `omroep' verstaan kon worden, oordeelde het dat de decretale
definitie van `andere diensten' deze begripsomschrijving niet te bui-
ten ging (arrest nr. 109/2000, 31 oktober 2000,
B.S. 29 november
2000,
A&M 2001, 130-139). De relevante passages uit het arrest van
2000 zijn cursief geplaatst terug te vinden in de hierboven
gedeeltelijk weergegeven Memorie van de Ministerraad (zie § A.1.1.
met verwijzing naar §§ B.5.2. en B.5.4. uit arrest nr. 109/2000; de ont-
brekende laatste paragraaf uit B.5.4. is geciteerd in de Memorie van
de Franse Gemeenschapsregering, zoals verkort opgenomen onder §
A.2.3. e.v.).
Indertijd merkten wij reeds op dat de nogal cryptische omschrijving
van het hof in 2000 niet de verhoopte klaarheid bracht: beoogde het
hof nu wel of niet alle diensten aangeboden op basis van
point-to-
point-technologie uit te sluiten (zelfs al was de betrokken program-
ma-inhoud onmiskenbaar bestemd voor het grote publiek, bijvoor-
beeld video op aanvraag),
15
en wat betekende `inpasbaar in de
activiteit van het omroepen'?
16
Een vergelijking van de omroepdefinities in de arresten van 2000 en
2002 (§ B.4.4.), leert ons dat het hof zijn redenering uit 2000 groten-
deels aanhoudt, mits enige bijstelling (waarvan de verduidelijking
omtrent diensten op point-to-point-basis het meeste opvalt). Om van
omroep (als bevoegdheidsdomein van de Gemeenschappen) te kun-
nen spreken, gelden naar het oordeel van het Arbitragehof de volgen-
de criteria.
Radio-omroep is aan de gemeenschappen toegewezen als culturele aangelegen-
heid, en de betrokken bevoegdheid moet op technologieneutrale wijze beoor-
deeld worden: de kwalificatie als omroep is bijgevolg niet gebonden
aan een welbepaalde wijze van uitzenden of overbrengen; radio-
omroep en televisie zijn in de eerste plaats aan de Gemeenschappen
toegewezen als uitingen van cultuur, en niet als dragers die gebruik
maken van welbepaalde distributietechnieken of modaliteiten.
Nieuw in arrest nr. 156/2002 is dat het hof deze technologieneutrali-
teit nu consequent doortrekt (infra).
Het programma moet bestemd zijn voor het algemene publiek (of voor een deel
ervan): niet de uitzending, maar wel het betrokken programma (de
inhoud) moet gericht zijn op een algemeen publiek. Met andere
woorden, ook wanneer op individueel verzoek wordt uitgezonden
(interactiviteit), en er geen simultaniteit van ontvangst is, kunnen
informatiediensten die door de uitzender bestemd zijn voor een
onbepaald en potentieel onbeperkt aantal ontvangers als omroep
worden beschouwd (zelfs wanneer er in concreto slechts één ont-
vanger het programma effectief ontvangt).
Het programma mag geen geïndividualiseerde informatie leveren noch een
vertrouwelijk karakter hebben: deze voorwaarden waren in het arrest
van 2000 reeds aanwezig, maar worden nu door het hof als cumula-
tief aanzien. Het volstaat dus niet om boven een opgevraagd pro-
gramma de naam of andere gegevens te vermelden betreffende de
aanvrager (wat de boodschap strikt genomen individualiseert) om
6 Zie bijvoorbeeld: Vlaams minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en
Media (Dirk Van Mechelen),
Beleidsbrief Media 2002, oktober 2001, Parl. St. Vl.
Parl. 2001-2002, nr. 884/1, p. 55-56.
7. Artikel 1 onder a) Richtlijn 89/552/EEG van de Raad van 3 oktober 1989
betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke
bepalingen in de Lid-Staten inzake de uitoefening van televisie-omroepactivi-
teiten,
PbEG 1989 L 298/23 (gewijzigd door Richtlijn 97/36/EG van het Europees
Parlement en de Raad van 30 juni 1997 tot wijziging van Richtlijn 89/552/EEG
van de Raad betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuurs-
rechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake de uitoefening van televisie-
omroepactiviteiten,
PbEG 1997 L 202/60).
8. Richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000
betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatie-
maatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt (`Richt-
lijn inzake elektronische handel'),
PbEG 2000 L 178/1.
9. Resolutie van het Europees Parlement over het derde verslag van de Commissie
aan de Raad, het Europees Parlement en het Economisch en Sociaal Comité
over de toepassing van richtlijn 89/552/EEG `Televisie zonder grenzen'
(COM(2001) 9 C5 0190/2001 2001/2086(COS)), te raadplegen op: http://
www.europarl.eu.int.
10 Resolutie van het Europees Parlement over de mededeling van de Commissie
aan de Raad, het Europees Parlement, het Economisch en Sociaal Comité en het
Comité van de regio's - Beginselen en richtsnoeren voor het audiovisuele beleid
van de Gemeenschap in het digitale tijdperk (COM(1999) 657 - C5-0144/2000 -
2000/2087(COS))
11. Conclusies van de Raad van 19 december 2002 inzake de richtlijn `Televisie zon-
der grenzen',
PbEG 2003 C 13/1.
12. Vierde verslag van de Commissie aan de Raad, het Europees parlement, het
Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio s over de
toepassing van Richtlijn 89/552/EEG `Televisie zonder grenzen' (COM(2002)
0778 def.), te raadplegen op: http://europa.eu.int/eur-lex/
13 De arresten van het Arbitragehof zijn onverkort elektronisch te raadplegen op:
http://www.arbitrage.be.
14 Decreten, afkomstig van de Parlementen van de Gemeenschappen, hebben
dezelfde rechtskracht als federale wetten (besluiten daarentegen situeren zich
op het uitvoerende niveau). Toezicht op de grondwettelijkheid van besluiten
van de uitvoerende macht berust bij de Raad van State; een toetsing van de
grondwettelijkheid van wetten en decreten komt enkel toe aan het Arbitrage-
hof.
15 Dat de federale Ministerraad en de Franse Gemeenschapsregering er op dit
punt alvast een verschillende mening op nahielden, blijkt uit de hier gepubli-
ceerde passages uit hun memories (vergelijk §§ A.1.2. en A.4.).
16 Zie uitvoerig: C. Uyttendaele, J. Van Nieuwenhove en P. Valcke, `De aanzet van
het Arbitragehof tot een klaardere definitie van omroep',
A&M 2001, p. 130-139.
aan de kwalificatie als omroep te ontsnappen; de informatie moet
tevens gekenmerkt zijn door een vorm van vertrouwelijkheid.
Het bestemmingscriterium wordt aangevuld met een intentioneel criterium:
het hof verduidelijkt dat de bestemming van een programma voor
het brede publiek beoordeeld moet worden `
vanuit het oogpunt van
degene die het uitzendt'. De intentie van de zender is bijgevolg door-
slaggevend, niet het feit dat een breed publiek dit programma ook
effectief en simultaan ontvangt.
Het criterium van de inpasbaarheid in de activiteit van het omroepen vervalt:
leek het hof in 2000 nog te impliceren dat alleen nieuwe diensten
die door traditionele omroepen meegestuurd werden met hun klas-
sieke programma's, onder de bevoegdheid van de Gemeenschappen
vielen (zie de cursieve tekst hierboven in § A.2.3.), dan komt deze
voorwaarde nu te vervallen. Dit impliceert dat de Gemeenschappen
tevens regelingen kunnen uitwerken voor ondernemingen die
enkel deze `nieuwe diensten' aanbieden (bijvoorbeeld Internetra-
dio's).
De technologie-neutraliteit wordt volledig doorgetrokken: terwijl arrest nr.
109/2000 het point-to-point-begrip aangreep om bepaalde diensten
van de omroepbevoegdheid uit te sluiten, verduidelijkt het hof nu
dat de kwalificatie als omroepprogramma niet afhangt van de tech-
niek die voor de uitzending ervan wordt gebruikt; ook program-
ma's verspreid via `
de zogenaamde point-to-point techniek die voorheen
niet voor radio-omroep werd aangewend' kunnen binnen het omroepbe-
grip vallen (§ B.4.4., tweede streepje). Het hof had blijkbaar begre-
pen dat het op dit punt zijn uitspraak van 2000 diende bij te stellen,
want ook de verduidelijking in § B.4.2. (tweede gedeelte) is nieuw
ten opzichte van arrest nr. 109/2000. Enerzijds kunnen de Gemeen-
schappen, die al jarenlang een zo ruim mogelijke interpretatie van
hun omroepbevoegdheid voorstaan, deze evolutie alleen maar toe-
juichen; anderzijds zal de laatste zin van § B.4.2. ongetwijfeld de
nodige achterdocht opwekken. Door te stellen dat programma's
uitgezonden via point-to-point-technieken binnen de bevoegd-
heidssfeer van de Gemeenschappen kunnen vallen maar `dat de
aangewende technieken niet noodzakelijk tot diezelfde bevoegd-
heid behoren' laat het hof o.i. uitschijnen dat het een op Europese
leest
17
geschoeid onderscheid `transmissie versus inhoud' niet
geheel ongunstig genegen is. Toch lijkt de zin ons te zwak geformu-
leerd om een lans te breken voor een radicale breuk met de totnog-
toe in België gehanteerde verticale opsplitsing tussen telecommu-
nicatie- en omroepbevoegdheid, waarbij deze laatste niet enkel de
inhoudelijke, maar tevens de technische aspecten (de transmissie)
omvat. Het eerste deel van § B.4.2. herhaalt overigens expliciet deze
sinds 1990-1991 gehanteerde interpretatie van de omroepbevoegd-
heid. Allicht wou het hof eerder eenvoudigweg verduidelijken dat
radio- of televisieuitzendingen via het Internet weliswaar onder de
bevoegdheid van de Gemeenschappen konden vallen, zonder dat
deze daarom het gehele Internet zouden kunnen regelen.
3. Conclusie
De eindconclusie van het hof luidt dat artikel 19quater van het Franse
Gemeenschapsdecreet de grondwettelijke bevoegdheidsverdeling
niet heeft geschonden, evenwel op voorwaarde dat dit artikel conform
de omschrijving van het omroepbegrip in § B.4.4. wordt geïnterpre-
teerd. Maar slaagt deze omschrijving nu eigenlijk in de moeilijke
opzet om de grijze zone tussen telecommunicatie en omroep uit te
wissen? De eerste reacties op het arrest wijzen uit van niet. Weliswaar
lijkt de beslissing uitsluitsel te kunnen bieden voor video op aan-
vraag, of radio- en televisieprogramma's via het Internet (namelijk:
als omroep te kwalificeren), maar de zwakke schakel in de redenering
van het hof ligt o.i. in het begrip `radio-omroepprogramma' zelf. De
huidige omroepdecreten van de Gemeenschappen hanteren niet
alleen erg ruime definities terzake (`het geheel van klank- en/of
beeldinhouden of andere signalen, in welke vorm ook'), maar bevat-
ten daarenboven een perfecte kringredenering (`omroepprogram-
ma's zijn de inhouden aangeboden door een omroep' `een omroep is
degene die omroepprogramma's verzorgt'). Ruimte dus om ook
gewone Internetpagina's of online kranten als een omroepprogram-
ma te gaan beschouwen, vermits het bij deze eveneens gaat om de ver-
spreiding van informatie bestemd voor een algemeen publiek, zon-
der vertrouwelijk karakter. Hierdoor dringt de vraag zich op of we op
mediarechtelijk vlak nog de lijn kunnen (en willen) trekken tussen
bijvoorbeeld de stad Leuven die op haar website toeristische video-
filmpjes over lokale bezienswaardigheden ter beschikking stelt, en
de openbare omroep die een documentaire over Leuven ook via Inter-
net gaat verspreiden...? Mogelijkerwijze kan het door het hof
beklemtoonde culturele aanknopingspunt van de omroepbevoegd-
heid, of de opname van een professioneel criterium in de definitie
van `omroep' (zodat deze beperkt blijft tot ondernemingen die het
verzorgen en elektronisch aanbieden van openbare informatie als
(hoofdzakelijke) economische activiteit hebben), een oplossing aan-
reiken Kwestie van te vermijden dat de argeloze stad Leuven (en met
haar vele particulieren en bedrijven die informatie over zichzelf of
hun producten voor het brede publiek online aanbieden) onderwor-
pen wordt aan al te stringente programma- en reclameregels. De
nakende komst van digitale televisie (e-VRT via de ether, Telenet via
de kabel) noopt o.i. tot een diepgaander debat omtrent de opportuni-
teit van de toepassing van bestaande omroepregels op interactieve,
internet-achtige informatiediensten. Laat ons hopen dat, indien de
Gemeenschappen in België het arrest van 6 november 2002 alvast
aangrijpen om hun omroepdefinitie uit te breiden naar interactieve
diensten, ze in tussentijd het kind niet met het badwater weggooien.
Mediaforum 2003-3
116
Jurisprudentie nr
.1
9
17 Cf. de richtlijnen van maart 2002 betreffende de elektronische communicatie-
sector, uitvoerig besproken in: M. Geus en G.-J. Zwenne, `Het Europese tele-
communicatierecht na 24 juli 2003 en de gevolgen voor de Nederlandse wetge-
ving',
Mediaforum 2002-6, p. 196-205; P. Valcke, D. Stevens & J. Dumortier, `Van
Tele-communicatie naar Elektronische Communicatie Een eerste verken-
ning van het nieuwe Europese kader voor de elektronische communicatiesec-
tor',
R.W. 2002-2003, p. 841-857.
Mediaforum 2003 - 2
2
februari 2003
vijftiende jaargang
De prijs van het woord
Germ Kemper
De juridische naweeën
van de UMTS-veiling
Nico van Eijk
Smartengeld wegens aantasting eer
en goede naam of privacy
Gerard Schuijt
Openbare informatie: Het juridisch
statuut in een convergerende
mediaomgeving
Lodewijk Asscher
Jurisprudentie 8-12
Nr. 8 Hof Leeuwarden 27 november 2002,
Wegener vs. Hunter Select m.nt.T.F.W.
Overdijk · Nr. 9 Rb. Arnhem 3 december
2002, Balkenende vs. Stichting Liever m.nt.
A.Tsoutsanis · Nr. 10 Vzr. Rb. Amsterdam
22 november 2002, Endstra vs. De Telegraaf
· Nr. 11 Vzr. Rb. Amsterdam 22 november
2002, Endstra vs. Quote m.nt. G.A.I. Schuijt
· Nr. 12 Rb. Rotterdam 11 december 2002,
NOS en HMG vs. NMa m.nt. R. Mahler
Mediaforum is een uitgave van de Vereniging voor Media- en
Communicatierecht (vmc), en verschijnt tien maal per jaar.
Bestuur vmc: Prof. mr. J.J.C. Kabel (voorzitter), Dr. N.A.N.M.
van Eijk (vice-voorzitter), Mr. L.F. Asscher, Mr. J.J. Feenstra
(penningmeester), Mr. C. van Boxtel (secretaris), Mr. C.E.
Drion, Mr. F. Kuitenbrouwer en Mr. A.T. Ottow.
www.communicatierecht.nl
Mediaforum wordt in opdracht van de vmc uitgegeven
door Otto Cramwinckel Uitgever.
Citeertitel:
Mediaforum
(bijv.:
Mediaforum
2003-2,
p. 125-130; bij jurisprudentie Mediaforum 2003-2, nr. 25)
issn:
0924 - 5057
Redactie
Mr. J. van den Beukel, Mr. R.D. Chavannes, Mr. M.J. Geus,
Mr. A.W. Hins, Mr. G.J. Kemper (voorzitter), Prof. mr. K.J.M.
Mortelmans, Mr. A.J. Nieuwenhuis, Mr. A.T. Ottow, Prof. mr.
H.J. de Ru, en Mr. C.J. Flentrop-Turner (eindredactie).
Correspondent België
Prof. dr. D. Voorhoof
Redactiesecretariaat
Voor inlichtingen over het aanleveren van kopij en
andere redactionele aangelegenheden kan contact op-
genomen worden met Mr. C. J. Flentrop-Turner, Univer-
siteit van Amsterdam, Instituut voor Informatierecht,
Rokin 84, 1012 kx Amsterdam, fax: 020-525 3033, e-mail:
flentropAjur.uva.nl
Opmaak
De Elementen vof, Amsterdam
Abonnementen & Lidmaatschap
Abonnementen worden per jaargang (januari-december)
afgesloten. Facturering vindt plaats jaarlijks in het eerste
kwartaal. Opzegging dient te geschieden uiterlijk op
1 december van het lopende abonnementsjaar, bij
niet-tijdige opzegging wordt het abonnement automa-
tisch voortgezet.
Leden vmc: Abonnement inbegrepen bij het lidmaat-
schap.
Kosten lidmaatschap inclusief
abonnement
69,50 per lid per kalenderjaar (studenten 34,50;
rechtspersoon
140,-). Opzegging uiterlijk 1 december.
Aanmelding, opzegging, adres- of naamswijziging van
leden schriftelijk of per e-mail opgeven bij: Administra-
tiekantoor Van Eijk, Vlasstraat 11, 5712 RP Someren,
e-mail: adm.eijkAwxs.nl
Niet-leden:
95,- per kalenderjaar. Opgave nieuw abon-
nement, opzegging (uiterlijk 1 december), adreswijzi-
ging e.d. schriftelijk bij Otto Cramwinckel Uitgever,
Herengracht 416, 1017 bz Amsterdam, tel: 020-627 6609,
fax: 020-638 3817, e-mail: infoAcram.nl
Losse nummers: verkrijgbaar bij de gespecialiseerde
boekhandel, of te bestellen bij Otto Cramwinckel Uit-
gever
, Herengracht 416, 1017 bz Amsterdam; prijs
8,85.
Het verlenen van toestemming tot publicatie in dit tijdschrift
strekt zich tevens uit tot het in enige vorm elektronisch
beschikbaar stellen.
© 2003 Vereniging voor Media- en Communicatierecht
Mediaforum
Tijdschrift voor Media-
en Communicatierecht
Twaalfde jaargang, nummer 1 Januari 2000
Vijftiende jaargang
nummer 2
februari 2003
Inhoud
45
Opinie
De prijs van het woord
Germ Kemper
46
Artikel
De juridische naweeën van de UMTS-veiling
Nico van Eijk
50
Boekbespreking
Smartengeld wegens aantasting eer en goede
naam of privacy
Gerard Schuijt
52
Boekbespreking
Openbare informatie: Het juridisch statuut in
een convergerende mediaomgeving
Lodewijk Asscher
54
Documentatie
Rechtspraak
Binnenland
Buitenland
Agenda
Verschenen
Jurisprudentie
60
Nr. 8 Hof Leeuwarden 27 november 2002,
Wegener vs. Hunter Select m.nt.T.F.W. Over-
dijk
64
Nr. 9 Rb. Arnhem 3 december 2002, Balken-
ende vs. Stichting Liever m.nt. A.Tsoutsanis
68
Nr. 10 Vzr. Rb. Amsterdam 22 november
2002, Endstra vs. De Telegraaf
70
Nr. 11 Vzr. Rb. Amsterdam 22 november
2002, Endstra vs. Quote m.nt. G.A.I. Schuijt
73
Nr. 12 Rb. Rotterdam 11 december 2002,
NOS en HMG vs. NMa m.nt. R. Mahler
Media en communicatie zijn de laatste decennia in de samenleving
steeds belangrijker geworden, voor politiek en democratie, voor
cultuuroverdracht en sociale samenhang, en last but not least
als belangrijke bron van productie en welvaart. Dit boek gaat over de
wijze waarop samenlevingen vorm geven aan hun maatschappelijk
communicatiebestel. Het boek beschrijft het overheidsbeleid op het
gebied van media en telecommunicatie, maar ook de werking van
communicatiemarkten en het management van mediaorganisaties.
Aan de orde komen het overheidsbeleid op het gebied van pers,
omroep en telecommunicatie, zowel nationaal als in Europees
verband, de kenmerken van communicatiemarkten en strategische
planning binnen mediaorganisaties. Verder is er aandacht voor de
kernthema's van communicatiebeleid: 'communicatievrijheid',
'toegang' tot communicatie-infrastructuur en 'diversiteit' van inhoud.
Dit handboek geeft een overzicht van belangrijke inzichten uit de
communicatiewetenschap, het media- en telecommunicatierecht en
de media-economie. Het boek is bedoeld voor ieder die zicht wil
krijgen op media als maatschappelijke instituties: voor studenten
communicatiewetenschap en verwante disciplines en ook voor
professionals uit de communicatiesector die een handzaam overzicht
wensen van wetenschappelijke inzichten op het eigen terrein.
Jo Bardoel is bijzonder hoogleraar mediabeleid aan de Katholieke
Universiteit Nijmegen en hoofddocent communicatiewetenschap aan
de Universiteit van Amsterdam. Jan van Cuilenburg is hoogleraar com-
municatiewetenschap aan de Universiteit van Amsterdam en voorzitter
van het Commissariaat voor de Media.
ISBN 90 757 27 577, 384 pagina's gebonden, prijs
39,50
(inclusief btw, exclusief verzendkosten).
Verkrijgbaar via de boekhandel
of rechtstreeks bij:
Otto Cramwinckel Uitgever
Herengracht 416,
1017 BZ Amsterdam
e-mail: info@cram.nl
url: www.cram.nl
telefoon 020-627 66 09
fax: 020-638 38 17
COMMUNICATIEBELEID EN COMMUNICATIEMARKT
over beleid, economie en management voor de communicatiesector
Jo Bardoel en Jan van Cuilenburg
&
verschijnt in februari 2003:
Omroep & Commercie 2000-2002
mr Marcel Dellebeke, prof. mr Jan J.C. Kabel
O&C 2000-2002 bevat:
· alle adviezen, beschikkingen en rechterlijke uitspraken in procedures bij
het Commissariaat voor de Media (over de periode 1 mei 2000 tot en met
31 december 2002),
· een overzicht en beschrijving van alle overige relevante beschikkingen van
het Commissariaat (over de periode 1 mei 2000 tot en met 31 december 2002),
· de door het Commissariaat gehanteerde beleidslijnen e.d. (per 1 januari 2003),
· een selectie van de relevante bepalingen van de Mediawet en het Mediabesluit
(zoals van kracht op 1 januari 2003), met daarbij ook de voorgestelde wijzigin-
gen in deze bepalingen,
· cumulatieve registers.
ISBN 90 757 27 488, circa 400 pagina's ingenaaid, ca 40 euro.
Verkrijgbaar via de boekhandel of rechtstreeks bij:
Otto Cramwinckel Uitgever
Herengracht 416
1017 BZ Amsterdam
telefoon 020-627 66 09,
fax 020-638 38 17
e-mail: info@cram.nl,
url: www.cram.nl
In deze serie verschenen eerder zeven titels met uitspraken vanaf 1988.
Voor meer informatie, zie onze website.
Mediaforum 2003-2
45
De prijs van het woord
Opinie
Germ Kemper
D
ezer dagen kon worden gemeld dat zelfs de resulta-
ten van het Telegraafconcern onder druk staan.
Perscombinatie was eerder aan de beurt geweest,
niet alleen met internetavonturen maar ook en vooral met kel-
derende oplagen en dienovereenkomstig angstig dalende
advertentieopbrengsten. De gevolgen laten zich raden. Bij
gebrek aan andere wegen wordt er in de redactiebudgetten
gesnoeid. Nu waren die budgetten toch al aan de krappe kant.
Voor het inkopen bij een freelancer van een paginagroot arti-
kel, al gauw twee weken werk, staat een honorarium van dui-
zend euro of daaromtrent. Voor een persfoto wordt een paar
honderd euro uitgetrokken. Er is weinig fantasie voor nodig
om te begrijpen dat een korting op het redactiebudget met
tienduizenden euro betekent dat een opdracht aan een free-
lance journalist een kwestie van zorgvuldig wikken en wegen
wordt en dat de hoofdredactie niet staat te trappelen om een
journalist in vaste dienst een buitenlandse reis te laten maken.
De extra's, die reportage die nét die goede inkijk geeft in de
ontwikkelingen in de varkenshouderij en die fotoserie waar-
mee de situatie in Israël bevattelijk kan worden gemaakt, moe-
ten eraf.
Aan de andere kant van het spectrum doemen de schadever-
goedingen op. Ron Brandsteder
1
maakte een rondje langs de
roddelbladen en haalde in kort geding veertigduizend euro
op, naar aanleiding van berichten over zijn vermoede vader-
schap van het jongetje Bowy. Toewijzing van een voorschot op
schadevergoeding in kort geding gebeurt niet snel, zeker niet
na recente arresten van de Hoge Raad waarin de motiverings-
plicht is aangescherpt.
2
Maar een schending van de persoon-
lijke levenssfeer creëert een kennelijk cassatie-
proof `belang bij
snelle genoegdoening', welke formulering herinneringen
oproept aan de vrouw wier contouren voor haarzelf en wel-
licht haar naaste omgeving herkenbaar de omslag van een
naturistengids verlevendigden.
3
Die grove en onverhoedse
schending van het portretrecht maakte dat zij naar het inzicht
van de President boter bij de vis verdiende en niet de uitkomst
van een bodemprocedure behoefde af te wachten.
Het Kamerlid Eberhard (in die tijd LPF) kreeg van het Alge-
meen Dagblad ten onrechte een strafblad toegedicht. Daar
hing aanvankelijk een prijskaartje aan van 250.000 euro. De
zaak kon worden geschikt voor
20.000. Hoofdredacteur Gar-
schagen wilde er niet meer over kwijt dan dat zo `tussen de
advocaten' geregeld was, wat een verwijzing zou kunnen
inhouden naar het
lawyer's paradise, dat ons in het vooruitzicht
wordt gesteld als schadevergoedingen werkelijk serieuze vor-
men gaan aannemen, maar niet kan wegpoetsen dat er hier op
de journalistieke aarde pijn is geleden. Frits Wester kwam weg
met een symbolische vergoeding van één euro, na een kenne-
lijk slecht verdedigbare opmerking over justitiële belangstel-
ling voor LPF-voorzitter Maas, maar de inzet liep aanvankelijk
ook in de zes cijfers. Minister Nawijn (alweer LPF, hoe komt
dat toch?) was bescheidener. Hij vroeg in kort geding van De
Telegraaf niet alleen rectificatie van een artikel over zijn verle-
den als voorzitter van een voetbalclub met fiscale problemen,
maar ook
20.000 als schadevergoeding. Theo van Gogh werd
aangeslagen voor iets van
50.000 wegens het kwetsen van het
Kamerlid Herben (LPF, ik kan er niets aan doen).
Gelet op de krappe budgettaire ruimte die de (geschreven)
media hebben is het voorstelbaar dat een krant niet staat te
trappelen om het op een proces aan te laten komen. Naast
advocatenkosten hangt er het risico van een stevige schadever-
goeding in de lucht. Sterker nog, als deze tendens doorzet is
het denkbaar dat een krant van een publicatie afziet of die aan-
zienlijk mistiger dan oorspronkelijk de bedoeling was
opneemt, om te voorkomen dat het budget nog verder onder
druk komt te staan. Daar is de lezer niet mee gediend en even-
min de persvrijheid die aan de democratische samenleving een
onmisbare bijdrage levert. Het is onder woorden gebracht in
de uitspraak van het EHRM over de lotgevallen van graaf Tol-
stoy Milloslavsky, die aan de door hem beledigde Lord Alding-
ton anderhalf miljoen pond sterling aan schadevergoeding
had te betalen.
4
Het EHRM ontwaarde in de hoogte van dat
bedrag een onverkieslijke druk op de vrijheid van meningsui-
ting.
Geenszins is het de bedoeling te betogen dat kranten maar
raak moeten kunnen schrijven, geenszins de gedachte dat een
door een publicatie gelaedeerde maar in stilte zijn wonden
moet likken. Maar wie uit de losse pols een mooi rond maar
niet aanstonds realistisch ogend bedrag als passende schade-
vergoeding ter tafel brengt, wil druk uitoefenen en draagt bij
aan een onbehagelijk klimaat.
1
Vzr. Rb. Amsterdam 20 juni 2002,
KG 2002, 179; Vzr. Rb. Amsterdam 25 juli
2002,
Mf 2002-9, p. 286.
2 HR 30 juni 2000,
NJ 2001, 389; HR 14 juni 2002, NJ 2002, 395.
3 Pres. Rb. 's-Gravenhage 15 februari 1985,
KG 1985,92. Vergelijkbaar: Pres. Rb.
Haarlem 1 augustus 1984,
KG 1984, 292 (Topless serveerster in Panorama).
4 EHRM 13 juli 1995, Tolstoy Miloslavski vs. Verenigd Koninkrijk.
Mediaforum 2003-2
46
Inleiding
Verdeling van frequenties is een dankbare bron voor com-
motie en juridische geschillen. Momenteel staan frequenties
voor commerciële radio-omroep volop in de belangstelling,
1
maar zo'n kleine twee jaar geleden ging alle aandacht uit naar
de UMTS-frequenties. Deze frequenties, bestemd voor de der-
de generatie mobiele telefonie, zouden moeten worden ver-
deeld. Er was euforie in de telecommunicatiesector: niet alleen
waren de verwachtingen over nieuwe diensten die via de extra
frequenties konden worden aangeboden hoog; ook werd ver-
wacht dat er veel geld zou worden betaald voor de toe te ken-
nen vergunningen.
In Nederland was het oorspronkelijk de bedoeling om vier
vergunningen te verdelen, die ieder van voldoende omvang
waren om een volwaardig landelijk dekkend netwerk te realise-
ren. Op grond van onder meer een door OPTA uitgebracht
advies werd uiteindelijk besloten om vijf vergunningen toe te
kennen. Hierdoor zouden niet de bestaande vijf mobiele opera-
tors bij voorbaat zijn uitgesloten van het verkrijgen van een ver-
gunning. Voor nieuwkomers werd geen bijzondere positie
gecreëerd; er werd vanuit gegaan dat er binnen het gekozen
verdeelmodel voldoende mogelijkheden waren om ook een ver-
gunning te verwerven. Als verdeelmethode werd gekozen voor
de veiling, die eerder ook was gebruikt bij de verdeling van fre-
quenties voor mobiele telefonie en had geleid tot vijf mobiele
aanbieders (en een mooie opbrengst voor de Nederlandse
Staat).
2
Er meldden zich oorspronkelijk tien kandidaten, maar bij de
start van de veiling juli 2000 waren er vooral door de zich
snel voordoende consolidatie in de sector nog maar zes over:
de vijf zittende aanbieders (KPN, Libertel (nu: Vodafone), Ben
(nu: T-Mobile), Telfort: (nu: O2) en Dutchtone) en nieuwkomer
Versatel. De veiling kende een incidentrijk verloop en eindigde
tumultueus toen Versatel stopte met bieden omdat men een
`dreigbrief' van Telfort had ontvangen.
Een pakket juridische activiteiten omlijstte een en ander en
heeft nu een voorlopig einde gevonden in twee uitspraken
van de rechtbank Rotterdam.
3
Beide geschillen zijn aanhangig
gemaakt door Versatel en hebben betrekking op de wijze waar-
op de veiling was ingericht en op het `dreigbrief'-incident. In
dit kort commentaar worden van beide zaken de belangrijkste
onderdelen nader besproken.
Veilingen, vergunningen en nieuwkomers
Naar de stelling van Versatel heeft de overheid om meerdere
redenen onrechtmatig gehandeld met betrekking tot de wijze
van verdelen, het aantal ter beschikking te stellen vergunnin-
gen en de positie van nieuwkomers.
In de eerste plaats had naar de mening van Versatel niet
gekozen moeten worden voor een veiling, maar voor een ver-
gelijkende toets. In artikel 11 van de Vergunningenrichtlijn
4
wordt gesteld dat aan het verlenen van individuele vergunnin-
gen vergoedingen en heffingen kunnen worden verbonden,
maar deze mogen niet discriminerend of disproportioneel
zijn. De kosten van een veiling zouden te hoog zijn voor de
marktpartijen en er zou ook in strijd met de vergunningen-
richtlijn worden gehandeld. Met beide argumenten maakt de
rechtbank korte metten. Het eerste argument wordt van tafel
geveegd omdat mag worden aangenomen dat bedrijven ratio-
neel handelen wanneer zij aan een veiling deelnemen. Even-
min kan hard worden gemaakt dat maatschappelijke, econo-
mische of culturele belangen vorderen dat van de hoofdregel
De juridische naweeën van de
UMTS-veiling
De Rechtbank Rotterdam heeft bepaald dat er niets mis was met de beleids-
keuzes en procedures rond de verdeling van frequenties voor de derde gene-
ratie mobiele telefonie (ook wel UMTS genoemd). De Staat kon inderdaad
kiezen voor een veiling in plaats van een vergelijkende toets. Ook kon hij
zich op het standpunt stellen dat er vijf vergunningen zouden worden ver-
leend, zonder dat bijzondere rechten aan nieuwkomers zouden worden toe-
gekend. In een tegelijkertijd besliste zaak, oordeelde de rechtbank boven-
dien dat er zich tijdens het tumultueuze einde van de veiling geen fouten
hebben voorgedaan. Versatel, die als zesde partij uit de veiling stapte, blijft
opnieuw met lege handen achter.
Nico van Eijk*
*
Dr. N.A. N. M. van Eijk is verbonden aan het Instituut voor Informatierecht
(IViR, Universiteit van Amsterdam)
1
Zie onder meer
Kamerstukken II, nr. 24.095.
2 Voor een bredere inkadering van de problematiek: M.L. Verberne,
Verdeling van
het spectrum, ITeR 27, Kluwer, 1999. Voor een beschrijving van hetgeen zich
voorafgaand tijdens en na de UMTS-veiling afspeelde:
De draad kwijt?; Onderzoek
naar de gang van zaken rond de Nederlandse UMTS-veiling, Onderzoek in opdracht
van de Tweede Kamer door OCFEB, juni 2001.
3 Rechtbank Rotterdam, Telec 01/418-SIMO/Telec 01/814-Simo en Telec 01/813-
Simo dd. 29/11/2002, resp. LJN-nummer AF 2577 en AF 2578.
4 Richtlijn 97/13/EG van het Europees Parlement en de Raad van 10 april 1997
betreffende een gemeenschappelijk kader voor algemene machtigingen en
individuele vergunningen op het gebied van telecommunicatiediensten,
PbEG
1997 L 117/15.
Mediaforum 2003-2
47
het verdelen door middel van een veiling wordt afgeweken.
Deze afwijkingsgronden staan vermeld in het Frequentiebe-
sluit
5
(artikel 3, tweede lid). Met deze stellingname kiest de
rechtbank ervoor om niet de populistische redenering van
sommige telecommunicatie aanbieders te onderschrijven dat
de malaise in de mobiele sector mede (nog liever: vooral) ver-
oorzaakt is door de hoge veilingprijzen die moesten worden
betaald en dat de overheid hiervan de veroorzaker zou zijn.
Voor wat betreft artikel 11 van de Vergunningenrichtlijn stelt
de rechtbank dat er sprake is van een onjuiste interpretatie en
de veilingprijs een specifiek en noodzakelijk aan dat verde-
lingsmechanisme verbonden fenomeen is dat niet door dit
artikel wordt bestreken. Daar valt ook niet veel op af te din-
gen, al was het maar omdat bij de eerdere verdeling van DCS
1800-frequenties er door de Europese Commissie standpun-
ten zijn ingenomen die een dergelijke interpretatie onder-
schrijven.
Een tweede verdedigingslijn betrof het aantal vergunnin-
gen. Nederland had niet moeten kiezen voor vijf maar voor zes
vergunningen. Volgens Versatel vloeide dit ook voort uit arti-
kel 10 van de Vergunningenrichtlijn, dat in het eerste lid
beperkingen alleen toelaat om redenen van efficiency en in het
derde lid lidstaten verplicht om voldoende aandacht te schen-
ken aan de noodzaak om de ontwikkeling van concurrentie te
bevorderen en om de voordelen van gebruikers zo groot
mogelijk te laten zijn. De rechtbank acht voldoende gronden
aanwezig om te stellen dat de gemaakte keuze voor vijf ver-
gunningen niet onrechtmatig is. Voor de motivering wordt
verwezen naar de adviezen die werden verstrekt door OPTA,
het overlegorgaan Post en Telecommunicatie (OPT) en het
zogenaamde UMTS-forum (een samenwerkingsverband van
belanghebbende partijen waaronder aanbieders en producen-
ten). Door Versatel werd met name de betrouwbaarheid van de
adviezen van het OPT en het UMTS-forum ter discussie
gesteld, zo blijkt uit de uitspraak. Ten aanzien van het OPT
wordt door de rechtbank gesteld dat niet is gebleken van fei-
ten en omstandigheden die de stelling van eisers kunnen dra-
gen dat het OPT geen objectief, transparant en onafhankelijk
orgaan is. Dit is een mooie opsteker voor het OPT, maar wel
één waar nog het nodige op valt af te dingen.
6
Ook van het
UMTS-forum wordt een wel heel optimistisch beeld
geschetst. Niet dat het veel uitmaakt, want de rechtbank con-
cludeert `zowel ten aanzien van het UMTS-forum als ten aan-
zien van het OPT geldt overigens (evenals ten aanzien van alle
overige adviesorganen en andere adviseurs) dat verweerder
een eigen afweging mag en moet maken'. Kortom, een ruime
discretionaire bevoegdheid van de overheid.
Een groot deel van de uitspraak gaat in op de vraag of er een
bijzondere positie had moeten worden toegekend aan nieuw-
komers. Aan de orde zijn in het bijzonder twee aspecten,
namelijk het reserveren van een vergunning voor nieuwko-
mers en het voorzien in bijzondere randvoorwaarden.
Alvorens aan de vraag toe te komen of er vergunningen voor
nieuwkomers gereserveerd hadden moeten worden, onder-
zoekt de rechtbank of er wel een grondslag is voor een dergelij-
ke reservering. In de eerste plaats komt aan de orde of een
reservering onderdeel had kunnen zijn van de bekendmaking
in de
Staatscourant met de procedure voor het verlenen van ver-
gunningen zoals geregeld in artikel 3 Frequentiebesluit. De
rechtbank meent van niet omdat artikel 3 Frequentiebesluit
een limitatief karakter zou hebben. Daar is aan toe te voegen
dat de aard en strekking van artikel 3 Frequentiebesluit ook
niet gericht zijn op een dergelijke detaillering; het gaat er in dit
artikel primair om vast te stellen of er verdeeld wordt op grond
van een veiling of een vergelijkende toets. De vraag of een reser-
veringsregeling voor nieuwkomers had kunnen worden opge-
nomen in de ministeriële regeling (ex artikel 8 Frequentiebe-
sluit) waarin regels worden gesteld over de veiling of
vergelijkende toets, wordt door de rechtbank wel in positieve
zin beantwoord. Daarbij heeft de overheid een ruime bevoegd-
heid, die niet wordt belemmerd door artikel 3.6 Telecommuni-
catiewet waarin de weigeringsgronden voor een vergunning
staan genoemd. De overheid had dit aangevoerd, maar de
rechtbank meent dat er bij het reserveren van een vergunning
voor nieuwkomers geen sprake is van een weigering van een
vergunning (aan anderen) maar slechts om een nadere regule-
ring van de wijze van verdeling. Vervolgens constateert de
rechtbank dat de betreffende ministeriële regeling moet wor-
den aangemerkt als een besluit van algemene strekking, niet
zijnde een algemeen verbindend voorschrift. Daarmee wordt
een eerder ingezette lijn voortgezet.
7
Versatel had dus tegen de
betreffende regelingen inzake de aanvraag en veiling bezwaar
kunnen maken, maar heeft dat nagelaten en daarmee haar
rechten verspeeld. Kortom, de rechtbank kan het laten bij een
procedurele insteek en behoeft niet in te gaan op de inhoudelij-
ke vraag of er plek voor een nieuwkomer had moeten zijn.
Het tweede aspect betreft het toekennen van bijzondere
rechten aan nieuwkomers en wel het toekennen van zoge-
naamde nationale
roamingrechten. Roaming biedt de mogelijk-
heid aan nieuwe partijen om alvast hun diensten aan te bieden
via de netwerken van andere aanbieders. Zij kunnen zo al
direct concurreren. Volgens Versatel had er tegen kostengeo-
riënteerde prijzen een roamingverplichting opgelegd moe-
ten worden aan bestaande aanbieders. Door dit niet te doen
zou er onvoldoende belang zijn toegekend aan de bevordering
van de concurrentie zoals omschreven in artikel 10, lid 3 Ver-
gunningenrichtlijn. De overheid stelde hier tegenover dat
roaming al mogelijk was op grond van bijzondere toegang
(artikel 6.9 Tw), waartegen Versatel inbracht dat dit nog aller-
minst vaststond en bovendien alleen verlangd kon worden
van partijen met aanmerkelijke marktmacht en tegen redelij-
ke (dus niet kostengeoriënteerde) tarieven. Opnieuw stelt de
rechtbank zich de vraag of er wel een grondslag was voor een
dergelijke roamingverplichting. Aanpassing van bestaande
mobiele vergunningen wordt niet goed denkbaar geacht en er
wordt geconcludeerd dat de Telecommunicatiewet en het Fre-
quentiebesluit niet voorzien in de mogelijkheid van het
opleggen van een roamingverplichting. Een en ander neemt
niet weg dat de rechtbank aan het einde van haar argumenta-
tie stelt dat `nu niet op voorhand kan worden uitgesloten dat
eiseres zich civielrechtelijk tot de Staat zal wenden op grond
dat de Vergunningenrichtlijn in zoverre niet correct is geïm-
plementeerd, (de rechtbank zich zal) onthouden van een
beoordeling van hetgeen eiseres in dit verband heeft aange-
voerd'. Kennelijk wordt er toch enige gewicht toegekend aan
het roaming-argument.
5 Besluit van 10 november 1998, houdende regels betreffende toewijzing en
gebruik van frequentieruimte (Frequentiebesluit),
Stb. 1998, 638.
6 Zo worden OPT-vergaderingen gekenmerkt door wisselende vertegenwoordi-
gingen, zijn er vooral veel zittende marktpartijen vertegenwoordigd en is de
binnen het OPT besproken informatie niet altijd breed beschikbaar.
7 CBB den Haag dd.18/07/2001, AWB 00/910, 00/913, 00/924, 00/925 (
Mediaforum
bijlage 2001-9, nr. 36. m.n. L. Wildeboer), Zie onder meer: A.W. Hins, `Het
rechtskarakter van het frequentieplan' in:
Mediaforum 1999-9, p. 218-223.
Mediaforum 2003-2
48
Economische machtspositie en staatssteun
Versatel voerde nog aan dat de overheid zou hebben meege-
werkt aan het versterken van de collectieve economische
machtspositie van de bestaande aanbieders en/of hen heeft
aangezet tot het maken van misbruik daarvan (dan wel in elk
geval de dominante positie van KPN heeft versterkt). Volgens
de rechtbank zijn er geen aanwijzingen dat ten aanzien van de
gestelde collectieve economische machtspositie werd voldaan
aan de criteria zoals geformuleerd in recente Europese juris-
prudentie.
8
En van een economische machtspositie van KPN
op de mobiele markt was sowieso al geen sprake meer, zo
wordt gesteld. Daarmee vervalt ook het argument dat een der-
gelijke positie van KPN versterkt zou kunnen worden.
Ofschoon het ogenschijnlijk een punt van minder belang
betreft, had de rechtbank er goed aan gedaan iets breder te
motiveren waarom er geen collectieve economische machtspo-
sitie aannemelijk kon worden gemaakt.
9
Het argument van Versatel dat de overheid verkapte staats-
steun zou hebben gegeven doordat bij de voorbereiding van
de veiling disproportioneel met de belangen van de zittende
mobiele vergunninghouders rekening zou zijn gehouden,
wordt door de rechtbank effectief gepareerd. Niet alleen
wordt dit argument volgens de rechtbank niet feitelijk onder-
bouwd, het wordt ook in strijd geacht met onder meer de eer-
dere bewering van Versatel dat er sprake zou zijn geweest van
te hoge veilingprijzen.
Dreigbrief
In een tegelijkertijd besliste zaak, oordeelt de rechtbank nog
over het `dreigbrief'-incident. Drie dagen voor het einde van
de veiling ontving Versatel een brief van Telfort waarin werd
gesteld dat volgens deskundigen het biedniveau voor een ver-
gunning een dusdanige hoogte zal bereiken dat die niet meer
in het belang van Versatel en haar aandeelhouders kan worden
geacht. Dan toch doorgaan met bieden zou strijdig kunnen
worden geacht met de belangen van de aandeelhouders en tot
persoonlijke aansprakelijkheid van Versatel-bestuurders kun-
nen leiden. In het vervolg van de brief stelt Telfort verder dat
toch doorgaan met bieden door Versatel alleen zou worden
gedaan omdat men er van overtuigd was dat andere bieders
weer over dat bod heen zouden gaan. Een en ander zou een
aansprakelijkheid jegens Telfort opleveren en Telfort geeft
aan in een dergelijk geval voorlopige getuigenverhoren te
overwegen om vast te stellen dat er door Versatel boven haar
financiële mogelijkheden is geboden.
10
Versatel meent dat Tel-
fort zo beoogt de biedingen in de veiling te beïnvloeden, wat
in strijd zou zijn met de veilingregels (`Een deelnemer ont-
houdt zich voorafgaand aan en gedurende de veilingprocedu-
re van afspraken of gedragingen die afbreuk doen aan de tot
stand te brengen mededinging in de veilingprocedure', artikel
7, lid 1 Regeling veiling). Er wordt nog wat op en neer gefaxt en
uiteindelijk laat Versatel op de laatste dag van de veiling aller-
eerst aan Telfort weten dat zij niet meer de vrijheid heeft te
bieden aangezien Telfort daaraan sancties verbindt. De over-
heid, die de dag ervoor door Versatel is geïnformeerd, laat
weten dat zij geen reden ziet tot optreden. Er vindt vervolgens
intensieve communicatie plaats tussen onder andere Versatel
en de veilingmeester. Verzoeken van Versatel om de veiling te
schorsen en Telfort uit te sluiten worden niet ingewilligd en
bezwaren worden afgewezen. Omdat Versatel geen bod meer
uitbrengt, eindigt uiteindelijk de veiling. In het oordeel van
de rechtbank staat een en ander gedetailleerd beschreven.
Pikant detail is dat na afloop van de veiling blijkt dat er voor-
afgaand aan de veiling gesprekken waren tussen Telfort en
Versatel. Hiernaar is nog onderzoek ingesteld door de NMa,
maar dat leverde geen bewijsmateriaal op waaruit bleek dat er
sprake was geweest van een inbreuk op de Mededingingswet.
11
In het gehele verloop van de veiling zijn er door Versatel vier
bezwaren ingediend bij de staatssecretaris, die op hoofdlijnen
zich richten: a) tegen de weigering Telfort van de veiling uit te
sluiten, b) tegen de weigering van de veilingmeester om Tel-
fort voor uitsluiting voor te dragen en maatregelen te treffen
conform het veilingreglement, c) tegen de weigering van de
veilingmeester om het laatste bod van Telfort ongeldig te ver-
klaren (waarmee het eerdere bod van Versatel het geldige bod
zou worden) en d) tegen de vaststelling door de veilingmeester
welke deelnemers de verschillende kavels in de veiling hadden
verworven.
De rechtspraak behandelt deze vier achtereenvolgens, voor-
afgegaan door enige algemene opmerkingen. In de eerste
plaats herhaalt de rechtbank eerst haar standpunt uit de eer-
der beschreven uitspraak dat de Regeling veiling die ook de
werkwijze bevat van de veilingmeester een besluit van alge-
mene strekking is, niet zijnde een algemeen verbindend voor-
schrift en dat Versatel heeft nagelaten daar tegen bezwaar te
maken. Ook stelt de rechtbank vast dat de veilingmeester een
persoon is die met openbaar gezag is bekleed en derhalve kan
worden aangemerkt als een bestuursorgaan in de zin van de
Algemene wet bestuursrecht. Mede omdat uit het stelsel van
regels voortvloeit dat na het eindigen van de veiling de vei-
lingmeester geen bevoegdheden meer kan uitoefenen, wordt
verder de staatssecretaris bevoegd geacht om te beslissen op
aan de veilingmeester gerichte verzoeken en op bezwaar-
schriften waarop de veilingmeester niet heeft beslist. De recht-
bank beoordeelt vervolgens de ingebrachte bezwaren.
Voor wat betreft de gemaakte bezwaren, onderschrijft de
rechtbank niet de stelling van de overheid dat de eenzijdige
handeling van Telfort (de brief aan Versatel) buiten de veiling-
regels zou vallen omtrent al dan niet geoorloofde gedragin-
gen. Een dergelijke restrictieve uitleg wordt niet in overeen-
stemming met de betreffende regels geacht. Dit kleine
lichtpuntje helpt Versatel niet want de rechtbank honoreert
wel het argument van de overheid dat de brief de handelings-
vrijheid van Versatel niet heeft beperkt. De brief valt op zich
niet binnen het proces van de veiling, bekendmaking aan der-
den was niet beoogd en de reikwijdte was niet dusdanig dat
Versatel zich daardoor zou hoeven te laten beïnvloeden. Er is
geen sprake van een daadwerkelijke bedreiging, aldus de
rechtbank. Als het gestelde in de brief niet juist was, was er
ook geen reden om vrees te koesteren en als het wel juist was,
bevatte de brief geen nieuwe feiten.
Het tweede bezwaar van Versatel betrof de weigering van de
veilingmeester om een voordracht tot uitsluiting van Telfort
te doen en de weigering om Telfort een waarschuwing te
geven. De rechtbank stelt vast dat de veilingmeester onder de
8 Airtours/Commissie, Gerecht in eerste aanleg dd. 6/6/2002, T-342/99.
9 Zie in dit verband de recent uitgedeelde boetes van de NMa wegens onderling
afgestemde gedragingen bij het vaststellen van verlaging van de dealervergoe-
ding voor postpaid abonnementen voor mobiele toestellen: http://www.nma-
net.nl/nl/nieuws_en_publicaties/persberichten/02-63.asp
10 De exacte tekst van de brief is opgenomen in het oordeel van de rechtbank.
11 http://www.nmanet.nl/nl/nieuws_en_publicaties/persberichten/01_08.asp
Mediaforum 2003-2
49
gegeven omstandigheden niet bevoegd was een voordracht tot
uitsluiting te doen en evenmin was hij gehouden tot het doen
uitgaan van een waarschuwing. Een waarschuwing was niet
op haar plaats omdat Telfort zich niet schuldig had gemaakt
aan een gedraging die het goede of ordelijke verloop van de
veiling verstoorde (zoals omschreven in de regeling). Ook
anderszins is het feitelijk verloop niet door het verzenden van
de brief verstoord. De rechtbank voegt daar nog fijntjes aan
toe dat de subjectieve beleving van Versatel daarvoor, wat
daarvan verder ook zij, in elk geval niet toereikend is.
De overige bezwaren worden gezien in het verlengde van de
stelling dat Telfort in strijd met het veilingreglement zou heb-
ben gehandeld. Nu dit niet wordt onderschreven, vervalt ook
het belang van Versatel en zijn de overige bezwaren niet-ont-
vankelijk.
Conclusie
Met deze uitspraken van de rechtbank Rotterdam is weer
een hoofdstuk toegevoegd aan de `UMTS-nachtmerrie'. De
verdeling van de betreffende frequenties leverde veel commo-
tie op en leidde onder meer tot een onderzoek in opdracht van
het parlement naar het verloop ervan.
12
Daaruit bleek dat het
met name aan een zorgvuldige voorbereiding had ontbroken.
Ofschoon het er oorspronkelijk op leek dat de hele affaire een
motie van wantrouwen tegen de verantwoordelijke staatsse-
cretaris zou opleveren, toonde het parlement zich van zijn
inschikkelijke kant. Nu is het aan de rechtbank Rotterdam om
de (voor)laatste scherven op te rapen. Dat doet de rechtbank
vooral door een bestuursrechtelijke insteek te kiezen, die er op
neer komt dat er een ruime beoordelingsvrijheid bij de over-
heid ligt. Dat komt de overheid in dit geval dus goed uit. Tege-
lijkertijd valt op dat aan de argumenten van Versatel weinig
ruimte wordt gegeven. Vindt de rechtbank wellicht dat er
sprake is van een bogus claim? De diverse terechtwijzingen lij-
ken hier soms op te duiden. Anderen zullen in een en ander
wellicht een bewijs zien voor de gedachte dat de rechtbank `er
niet aan wilde'.
Zijn de twee oordelen van belang, bezien vanuit het oog-
punt van het telecommunicatierecht? Op een aantal punten is
er meer (definitieve) duidelijkheid gekomen, zoals over de sta-
tus van ministeriële regelingen en de positie van de veiling-
meester. Maar meer nog is helder geworden wat voor positie
de overheid inneemt. Zij heeft een ruime discretionaire
bevoegdheid. Daarmee wordt eigenlijk een van de centrale
kritiekpunten op de huidige verdeelsystematiek mogelijk wél
van munitie voorzien, namelijk dat het verstandig zou zijn
wanneer de overheid zich op meer afstand van het daadwerke-
lijke verdeelproces zou bevinden. Er spelen te veel belangen
waarbij de overheid rechtstreeks betrokken is (de soms poli-
tiek gevoelige positie van zittende marktpartijen, de
opbrengst in relatie tot de Staatskas, aandeelhouderschappen
van de Staat en dergelijke). Het is bij dit soort delicate proces-
sen gewenst dat iedere schijn van belangvermenging wordt
tegengegaan. Tenminste de uitvoering van een veiling zou
daarom naar mijn mening buiten de directe invloedssfeer van
de ministeriële verantwoordelijkheid moeten worden
geplaatst.
12 Het eerder genoemde rapport
De draad kwijt?; Onderzoek naar de gang van zaken
rond de Nederlandse UMTS-veiling. Het rapport speelt bij de overwegingen van de
rechtbank geen expliciete rol.
*
Prof. mr. G.A.I. Schuijt is hoofddocent Universiteit van Amsterdam en bijzon-
der hoogleraar mediarecht Universiteit Leiden.
1
De zaak-Miloslawski: EHRM 13 juli 1995,
NJ 1996, 544 m. nt. E. J. Dommering
2 P. Mout,
Bescherming van het individu tegen ongefundeerde aantijgingen in de massa-
media. Preadvies NJV 1978, Zwolle: Tjeenk Willink 1978, p. 135.
Mediaforum 2003-2
50
Slachtoffers van perspublicaties willen de laatste tijd nogal
eens met veel misbaar en tamtam gigantische claims op de
media naar buiten brengen. Dat levert altijd veel publiciteit
op, maar is vaak niet meer dan hoog van de toren blazen. Het
zou interessant zijn eens na te gaan hoeveel er van die claims
terecht komt. Niet lang geleden werd zo'n miljoenenclaim
geschikt tegen het symbolische bedrag van zegge en schrijve
één euro. Als dergelijke zaken bij de rechter komen, dan moet
minstens rekening worden gehouden met drie zaken: ten eer-
ste: de
materiële schade moet aangetoond worden en moet een
gevolg zijn van de publicatie (zo'n schadestaatprocedure kan
nog wel eens een paar jaar duren; daar kunnen ze bij de VARA
over meepraten); ten tweede: met betrekking tot vergoeding
van de
immateriële schade is de Nederlandse rechter niet gul,
een enkele uitzondering daargelaten; ten derde: een excessief
hoge schadevergoeding kan een
chilling effect hebben op de vrij-
heid van meningsuiting en daarom een beperking opleveren
die niet noodzakelijk is in een democratische samenleving,
dus in strijd is met artikel 10 lid 2 EVRM.
1
Over de vergoeding van de immateriële schade zijn de afge-
lopen jaren twee belangwekkende dissertaties verschenen.
Daarin is uiteraard de immateriële schade als gevolg van pers-
publicaties slechts één van de vele soorten van `nadeel die niet
in vermogensschade bestaat', zoals dat in artikel 6:106 BW
heet, t.w. letselschade, aantasting van de persoon door o.a. sek-
sueel misbruik, verdriet om overlijden of verwonding van een
naaste en dergelijken. In de dissertatie van Lindenbergh staat
het huidige recht na invoering van het Nieuw BW centraal,
maar is de blik eerder op de toekomst gericht dan op het
heden. Tevens richt hij zijn blik op het Duitse recht, dat als
inspiratiebron diende voor het nieuwe Nederlandse recht, en
op het recht in de Angelsaksische landen, België en Frankrijk.
Belangrijke vragen lang niet alle in dit boek zijn: wat zijn
de functies van een recht op smartengeld? En hoe dient de
omvang van het smartengeld te worden vastgesteld? Verheij
schetst in grote lijnen het Nederlandse, Duitse, Franse en
Engelse recht met betrekking tot een aantal items als shock- en
affectieschade en schade als gevolg van aantasting van de eer
en goede naam en inbreuk op de privacy. In een tweede deel
onderzoekt Verheij wat in de onderzochte rechtsstelsels de
functies zijn van de vergoeding van de immateriële schade en
besluit dat deel met een warm pleidooi voor de rechtshandha-
ving als functie van het smartengeld. Verheij kreeg voor zijn
dissertatie (met predikaat `cum laude') de Studieprijs van de
Stichting Praemium Erasmiamum 2002.
Het voert te ver om beide dissertaties hier uitvoerig te bespre-
ken, mede omdat zij (één van) de
gevolgen van een ongeoorloof-
de publicatie tot onderwerp hebben en dus niet de vraag
wan-
neer een publicatie ongeoorloofd is (op welk gebied ik mij beter
thuis voel dan op het eerste). Toch dienen beide boeken gesig-
naleerd te worden, omdat lezing ervan kan leiden tot enige
matiging van de hierboven gesignaleerde claimcultuur die
dreigt te ontstaan en die niet in overeenstemming is met het
hier te lande geldende regiem met betrekking tot het toeken-
nen van smartengeld. Dat heeft te maken met de functie die
deze schadevergoeding hier heeft. Vandaar dat ik me op de
onderdelen van beide boeken richt, die juist hierover handelen.
De totstandkomingsgeschiedenis van ons Nieuw BW laat
duidelijk zien dat het te onzent primair gaat om schadevergoe-
ding, dus om compensatie van het geleden nadeel. Maar er is
kennelijk ook een rol weggelegd voor genoegdoening, in de
zin van goedmaking van het gedane onrecht of van bevredi-
ging van het geschokte rechtsgevoel van de gelaedeerde. Uit-
drukkelijk is niet gekozen voor smartengeld met een strafka-
rakter, een privaatrechtelijke boete of, zoals het in het
Angelsaksische recht heet,
punitive damages. Het gaat om een
schadevergoeding, niet om een straf. Daaruit vloeit tevens
voort, dat met ons smartengeld ook niet in de eerste plaats pre-
ventie beoogd wordt. In de ogen van de wetgever gaat er hoog-
uit als neveneffect een preventieve werking van uit. Mede op
grond van zijn onderzoek in de andere rechtsstelsels kiest Lin-
denbergh voor de compensatiefunctie als uitgangspunt. De
genoegdoeningsfunctie ziet hij niet zo zitten. Enerzijds ver-
toont genoegdoening compensatietrekken (genoegdoening
aan de benadeelde) en valt het met de compensatiefunctie
samen, anderzijds vertoont het een meer vergeldend karakter
(genoegdoening aan de maatschappij) en past het niet goed in
onze traditie, zoals bevestigd in de totstandkomingsgeschie-
denis van ons Nieuw BW. Om dezelfde reden verwerpt Linden-
bergh ook de preventieve functie van toekennen van smarten-
geld als men daarmee beoogt bijvoorbeeld de roddelpers te
beteugelen, zoals Mout schreef: `The only way to punish peop-
le of this sort is to hit them in their pockets for they publish
Smartengeld wegens
aantasting eer en goede naam
of privacy
S.D. Lindenbergh, Smartengeld, (diss. Universiteit Leiden),
Deventer: Kluwer 1998, 391 p. (ISBN 90 2683 324 5),
52,89;
A.J.Verheij, Vergoeding van immateriële schade wegens aantasting
in de persoon (dissertatie Amsterdam VU),
Nijmegen:Ars Aequi Libri 2002, 629 p. (ISBN 90 6916 427 2),
38,-
Boekbespreking
Gerard Schuijt*
Mediaforum 2003-2
51
this sort of muck because it pays them to do so'.
2
Het klinkt
mooi, maar het kan niet volgens ons stelsel, zoals Linden-
bergh leert. Dat neemt niet weg dat smartengeld als compen-
satie een aantal onvolkomenheden aankleeft. Wat moet er
eigenlijk worden gecompenseerd? Hoe kan men leed en
onlustgevoelens vertalen in `geld'? Reeds nu is duidelijk dat de
keuze voor de compensatiefunctie van belang is voor het bepa-
len van de hoogte van de immateriële schadevergoedingen.
Schadeclaims met een strafkarakter zullen dan niet worden
gehonoreerd. Er zal een verband moeten worden aangetoond
tussen het ondervonden leed en de compensatie ervan. Dat
moet worden gedaan aan de hand van een aantal factoren ter-
wijl de billijkheid meebrengt dat gelijke gevallen gelijk
behandeld worden. Dat is bij lichamelijk letsel gemakkelijker
dan bij schending van de persoonlijkheidsrechten, omdat het
nadeel zich in die gevallen doorgaans niet manifesteert in min
of meer objectiveerbare gevolgen bij de gelaedeerde. In dat
verband weet Lindenbergh te melden, dat bij onrechtmatige
perspublicaties éénmaal 125.000 smartengeld is toegewezen
(wethouder Stuart vs.
Nieuwe Revu en Veronica), maar dat door-
gaans de bedragen tussen de 1.000 en 20.000 liggen.
3
Hij
houdt het niet voor onmogelijk, dat zorgvuldige vergelijking
met andere landen ertoe zou kunnen leiden dat het niveau
wordt opgetrokken. Legt men daarentegen, bijvoorbeeld
zoals R. van Schaik in
Mediaforum, meer nadruk op de genoeg-
doenings- en preventiefunctie, dan is er ook zonder tot puniti-
ve damages over te gaan ruimte voor hogere vergoedingen in
navolging van ontwikkelingen in Duitsland, zoals Van Schaik
bepleit.
4
Zowel Lindenbergh als Van Schaik zien in de zaak-
Misloslawski echter een rem op het toekennen van al te hoge
schadevergoedingen die de vrijheid van meningsuiting kun-
nen bedreigen.
5
Ook Verheij die is dan weer vier jaar verder dan Linden-
bergh is nagegaan hoe hoog de toegekende smartengelden
in ons land zijn bij onrechtmatige publicaties. Hem valt op dat
de bedragen bij onrechtmatige perspublicaties in vergelijking
met de bedragen die wegens fysiek letsel worden uitgekeerd
aan de hoge kant zijn. Bij de hoogste bedragen (méér dan
100.000) valt dat in de categorie van uitzonderlijk zwaar
lichamelijk letsel. Bedragen van enkele tienduizenden gul-
dens (Rob de Nijs en Belinda Meuldijk elk 25.000, Van Gas-
teren 50.000 e.d.) komen overeen met de toegekende
bedragen in de categorie ernstig lichamelijk letsel. Maar de
dissertatie van Verheij is vooral interessant voor zijn rechts-
vergelijkend onderzoek naar en zijn beschouwingen over de
functies van het smartengeld. Hij somt uitvoerig alle nadelen
op die kleven aan de compensatiefunctie, de genoegdoenings-
functie, de straffunctie en de preventiefunctie. Hij conclu-
deert dat er bij schending van persoonlijkheidsrechten geen
sprake is van objectiveerbare en derhalve te verifiëren schade.
Daarmee is schade als vereiste voor aansprakelijkheid in
wezen komen te vervallen. Er is slechts sprake van een inbreuk
op een recht. Dat toch smartengeld wordt toegekend heeft
niets te maken met de concrete aanwezigheid van smart of
leed, maar is een normatieve beslissing, die volgens Verheij
theoretisch voortvloeit uit de rechtshandhavingsfunctie. Er is
anders geen mogelijkheid tegen inbreuken op iemands recht
(op bescherming van eer en goede naam, op bescherming van
zijn persoonlijke levenssfeer) op te treden en dus die rechten
te beschermen: zonder reactie geen recht! Daarmee wordt
smartengeld volgens Verheij nog geen straf. Verheij voelt niet
zo voor een te sterk dualistisch denken in termen van compen-
satie versus straf. Dat doet geen recht aan de rechtswerkelijk-
heid. Straf en compensatie zijn niet meer dan de twee uiterste
polen op een continuüm. Het zijn geen absoluut gescheiden
grootheden. Smartengeld ter rechtshandhaving ligt verder
verwijderd van de compensatie dan van de straf, maar is daar-
om nog geen private boete. De consequentie van deze keuze
voor de gevallen waarin smartengeld wordt toegekend, voor
de hoogte ervan en voor de bijzondere regels ervan werkt Ver-
heij in zijn laatste hoofdstuk uit. Ik beperk me tot de conse-
quenties voor de hoogte van het smartengeld. Volgens Verheij
past het in de rechtshandhavingstheorie als de rechter reke-
ning houdt met factoren als het winstoogmerk (roddelpers!!),
waarmee de onrechtmatige publicatie is ontstaan of met een
factor als de mate waarin de aansprakelijke persoon te goeder
trouw was, factoren die zich niet of nauwelijks aandienen bij
bijvoorbeeld letselschade ten gevolge van een verkeersonge-
val. Dit zou tevens kunnen verklaren waarom de toegekende
bedragen wegens perspublicaties in vergelijking met die
wegens letselschade aan de hoge kant bleken. Wat betreft de
hoogte van het toe te kennen smartengeld, ziet ook Verheij
een rem in het noodzakelijkheidsvereiste van artikel 10 lid 2
EVRM en in de rechtspraak van het EHRM daarover. Boven-
dien mag het volgens ons 6:104 BW geen verkapte winst-
afdracht worden, want dat is een abstracte wijze van schadebe-
rekening indien de schade niet nauwkeurig kan worden
vastgesteld. Bij smartengeld in de rechtshandhavingstheorie
van Verheij is er immers geen sprake van schade!
De weg die Verheij op gaat is ontegenzeggelijk richting
punitive damages, ook al zal hij dat zelf niet zo zien. In verge-
lijking met de heldere, strak gecomponeerde dissertatie van
Lindenbergh, maakt de bijna dubbel zo dikke dissertatie van
Verheij een wat chaotische indruk. Hij heeft al het onderzoch-
te materiaal netjes opgeschreven, maar of hij alles voor zijn
uiteindelijke betoog nodig had, vraag ik mij af. In elk geval
neemt hij een geweldig lange aanloop (met veel informatie,
dat zeker) en die aanloop is niet in één rechte lijn (niettemin
wederom met veel informatie) om bij zijn pleidooi voor zijn
rechthandhavingstheorie te komen. Als men zich nu afvraagt
wat het oplevert, dan is het antwoord niet anders dan bij de
compensatiegedachte waar Lindenbergh aanhanger van is,
namelijk dat smartengeld een vermogensoverheveling is naar
aanleiding van een gebeurtenis die leed toebrengt aan de
`gelaedeerde' en die de rechtsorde schokt, maar het een noch
het ander is in geld om te rekenen en toch doen we het, omdat
we nu eenmaal soms een juridische fictie nodig hebben (zoals
het strafrecht trouwens ook uitgaat van de fictie, dat het toe-
gebrachte leed c.q. de `deuk in de rechtsorde' te vertalen is in
aantal jaren gevangenisstraf). Het nut van beide functietheo-
rieën is, dat zij een rem zetten op een ontwikkeling naar een
claimcultuur waarin `de proporties' uit het oog worden verlo-
ren. Bij onrechtmatige publicaties mag ik daarmee, na lezing
van Lindenbergh, slechts de verhouding tussen schade en ver-
goeding bedoelen, en na lezing van Verheij slechts de verhou-
ding tussen de inbreuk op het recht en de vergoeding, maar
gelukkig doelen beide ook op de proportionaliteitstoets van
artikel 10 lid 2 EVRM. Dat moge ons smartengeldstelsel
behoeden voor het chilling effect op de vrijheid van de media
om de samenleving te informeren. Daarbij gaat er soms wel
eens iets fout en dat moet dan hersteld worden. Maar dat mag
de functie van de media niet aantasten.
3 Lindenbergs onderzoek gaat tot 1998; in 1999 wees de Arnhemse rechtbank
150.000 smartengeld toe aan een slachtoffer van een onrechtmatige publica-
tie: Rb. Arnhem 1 april 1999,
Mediaforum 1999-5, nr. 27 m.nt. A. J. Nieuwenhuis.
4 R. van Schaik, `De calculerende pers. Smartengeld bij onrechtmatige perspubli-
caties',
Mediaforum 1999-6, p. 169-173.
5 EHRM 13 juli 1995,
NJ 1996, 544 m.nt. E. J. Dommering.
Mediaforum 2003-2
52
`Ik luister altijd naar wat mensen tegen elkaar zeggen als ze mijn huis
verlaten,' siste hij terwijl hij een blik wierp op de intercom die aan de
muur hing. Het leek me iets gruwelijks, iets voor een maniak; maar ik
deed het toch, God zal weten waarom: terwijl hij me bleef aanstaren met
die blik, pakte ik de hoorn van de haak en begon te luisteren op grond
daarvan kan ik u een heel goede raad geven: doe het nooit. Luister nooit
stiekem naar wat mensen tegen elkaar zeggen terwijl ze uw huis verla-
ten.
1
Wat is doorslaggevend voor openbaarheid van informatie:
het gebruikte medium, het aantal toehoorders of ontvangers
van de boodschap, of de intentie van de verzender? Hoe defi-
nieer je openbaarheid in een tijdperk waarin door technische
turbulentie, door convergentie en door juridische onzeker-
heid niemand meer lijkt te weten hoe het ene medium van het
andere te onderscheiden? Dat is de ambitieuze vraag die Caro-
line Uyttendaele zich stelt in haar in 2002 verdedigde proef-
schrift.
Nu verschillende categorieën informatie als gevolg van con-
vergentie samenvloeien op één drager `moet op juridisch vlak
onverbiddelijk afstand worden genomen van verouderde
infrastructurele criteria.'(p. 9) Maar het onderscheid tussen
openbaar en niet-openbaar blijft vervolgens wél relevant in het
digitale tijdperk. De eerste vraag is dan ook hoe openbaarheid
gedefinieerd kan worden in een digitale omgeving. Een vervolg-
vraag is of ook
juridische convergentie gewenst is van de regelge-
vingen die zien op openbare informatie.
2
Uyttendaele beperkt
zich in haar proefschrift tot de regulering van de inhoud van
openbare informatie. Haar kloeke boek is opgedeeld in drie
onderdelen. Het voorwerp van regulering wordt eerst onder-
zocht, dan de normdoelen en tot slot de instrumenten.
De noodzaak van nieuwe definities komt rechtstreeks voort
uit de technische ontwikkelingen. `Als gevolg van de technolo-
gische vooruitgang en convergentie is het al dan niet publieke
karakter van de informatie losgekoppeld van de infrastructuur
die voor haar overdracht gebruikt wordt. Daarom is er nood
aan een nauwkeurige technologie-neutrale begripsbepaling
van openbare informatie.' (p. 33)
De crux van zo'n definitie zit in de begrenzing. `Er moet voor
aflijning van openbare informatie een beroep gedaan worden
op andere dan technische criteria. Het onderscheid tussen open
en besloten communicatie is immers een maatschappelijk
onderscheid dat niet door de techniek wordt bepaald.' (p. 105)
De definitie die volgt uit het onderzoek naar oude en nieuwere
media is de volgende: `openbare informatie is informatie die
door de zender bestemd is voor het algemeen publiek.'
In haar uitleg van deze definitie stelt de auteur: `Informatie
die gemaild wordt aan een onbepaalde groep van e-mail adres-
sen, is eveneens publiek. Bij dergelijke open vormen van com-
municatie is er geen sprake van een bijzonder verband tussen
de deelnemers. Deelnemers kunnen vrij toetreden.' (p. 107)
Hier zien we meteen hoe poreus de grens tussen openbaar en
niet-openbaar is. Hoeveel e-mailadressen zijn nodig om een
groep onbepaald te maken? Is het technisch mogelijk te
e-mailen naar een
onbepaalde groep?
Klaarblijkelijk is het werkelijke criterium niet de bestem-
ming of het gebrek aan adressering maar de afwezigheid van
een bijzonder verband tussen de deelnemers. Toch zullen ook
de ontvangers van openbare informatie vaak een bijzonder
verband hebben men denke maar aan het EO-publiek. Uyt-
tendaele stelt probleem verderop: `een al te restrictieve inter-
pretatie van het publiek blijkt in de toekomst moeilijk houd-
baar nu nieuwe televisiediensten in toenemende mate
geïndividualiseerd zijn.'(p. 108) De ontwikkeling van op de
persoon gerichte betaaltelevisie acht Uyttendaele niet al te
problematisch: `Iedereen is vrij zich een decoder aan te schaf-
fen en deze te gebruiken. Het versleuteld karakter van de sig-
nalen neemt niet weg dat zij voor de algemeenheid bestemd
zijn.' Dat betekent overigens wel dat het verschil tussen de 06-
lijn en de betaal-tv nu definitief is opgeheven.
De bestemming van de uitzendingen moet worden beoor-
deeld in abstracto. Bij twijfel geeft de intentie van de verzender
over de openbaarheid de doorslag, het
intentioneel criterium
werkt aanvullend op het
bestemmingscriterium. Bij twijfel kijke
men dus naar de bedoeling van de verzender. Tenslotte kan `de
voorgestelde elementaire begripsomschrijving van openbare
informatie nog verduidelijkt worden op basis van de inhoud
van de boodschap' (p. 112). De inhoudelijke vraag of een bood-
schap vertrouwelijk is, vormt een aanvullend criterium voor
de openbaarheid van de informatie. Tenslotte voegt Uyttenda-
ele nog een functioneel criterium toe, te weten invloed op de
publieke opinie. Dit criterium komt er kort gezegd op neer dat
informatie met grote invloed op de publieke opinie in ieder
geval tot de openbaarheid behoort.
Openbare informatie:
Het juridisch statuut in een
convergerende mediaomgeving
C. Uyttendaele, Openbare Informatie: Het juridisch statuut
in een convergerende mediaomgeving,.
A