vorige 1 2 3 4 5 6 7 volgende
Mediaforum 2004 - 9
9
september 2004
zestiende jaargang
Persoonsgegevens: vragen mag,
verstrekken hoeft niet
Hendrik Jan de Ru en Jochem Spaans
Amerika's `war on spam'
Douwe Groenevelt
Boekbespreking:
Oppassend geblaf
Aernout Nieuwenhuis
Jurisprudentie 30-33
Nr. 30 EHRM 27 mei 2004,Vides Aizsardzibas
Klubs vs. Lettonie m.nt. A.J. Nieuwenhuis ·
Nr. 31 Vzr. Rb. Den Haag 1 juni 2004, Pretium
vs. KPN m.nt. N.A.N.M. van Eijk · Nr. 32 Vzr.
Rb. Den Haag 13 april 2004, CvdM vs. Ernst
& Young · Nr. 33 Vzr. Rb. Rotterdam 27 april
2004, H. e.a. vs. Minister van Economische
Zaken m.nt. P. Burger
Mediaforum is een uitgave van de Vereniging voor Media- en
Communicatierecht (vmc), en verschijnt tien maal per jaar.
Bestuur vmc: Prof. mr. J.J.C. Kabel (voorzitter), Dr. N.A.N.M.
van Eijk (vice-voorzitter), Mr. J.J. Feenstra (penningmeester),
Mr. C. van Boxtel (secretaris), Mr. J.F. Haeck, Mr. F. Kuiten-
brouwer en Mr. H.M.C. Zeinstra. www.mediaforum.nl
Mediaforum wordt in opdracht van de vmc uitgegeven
door Otto Cramwinckel Uitgever.
Citeertitel: Mediaforum (bijv.: Mediaforum 2004-7/8, p. 150-
151; bij jurisprudentie Mediaforum 2004-7/8 nr. 18)
issn:
0924 - 5057
Redactie
Mr. J. van den Beukel, Mr. R.D. Chavannes, Mr. M.J. Geus,
Mr. A.W. Hins, Mr. G.J. Kemper (voorzitter), Prof. mr. K.J.M.
Mortelmans, Mr. A.J. Nieuwenhuis, Mr. A.T. Ottow, Prof. mr.
H.J. de Ru, en Mr. C.J. Flentrop-Turner (eindredactie).
Correspondent België
Prof. dr. D. Voorhoof
Redactiesecretariaat
Voor inlichtingen over het aanleveren van kopij en
andere redactionele aangelegenheden kan contact op-
genomen worden met Mr. C. J. Flentrop-Turner, Univer-
siteit van Amsterdam, Instituut voor Informatierecht,
Rokin 84, 1012 kx Amsterdam, fax: 020-525 3033, e-mail:
flentropAivir.nl
Opmaak
De Elementen vof, Amsterdam
Abonnementen & Lidmaatschap
Abonnementen worden per jaargang (januari-december)
afgesloten. Facturering vindt plaats jaarlijks in het eerste
kwartaal. Opzegging dient te geschieden uiterlijk op
1 december van het lopende abonnementsjaar, bij
niet-tijdige opzegging wordt het abonnement automa-
tisch voortgezet.
Leden vmc: Abonnement inbegrepen bij het lidmaat-
schap.
Kosten lidmaatschap inclusief
abonnement
74,50 per lid per kalenderjaar (studenten 37,50;
rechtspersoon
140,). Opzegging uiterlijk 1 december.
Aanmelding, opzegging, adres- of naamswijziging van
leden bij voorkeur per e-mail (ledenadministratieAcom-
municatierecht.nl) of door een faxbericht te zenden naar
084-2225801.
Niet-leden:
95, per kalenderjaar. Opgave nieuw abon-
nement, opzegging (uiterlijk 1 december), adreswijzi-
ging e.d. schriftelijk bij Otto Cramwinckel Uitgever,
Herengracht 416, 1017 bz Amsterdam, tel: 020-627 6609,
fax: 020-638 3817, e-mail: infoAcram.nl
Losse nummers: verkrijgbaar bij de gespecialiseerde
boekhandel, of te bestellen bij Otto Cramwinckel
Uitgever
, Herengracht 416, 1017 bz Amsterdam; prijs
8,85.
Het verlenen van toestemming tot publicatie in dit tijdschrift
strekt zich tevens uit tot het in enige vorm elektronisch
beschikbaar stellen.
© 2004 Vereniging voor Media- en Communicatierecht
Mediaforum
Tijdschrift voor Media-
en Communicatierecht
Twaalfde jaargang, nummer 1 Januari 2000
Zestiende jaargang
nummer 9
september 2004
Inhoud
269 Persoonsgegevens: vragen mag,
verstrekken hoeft niet
Hendrik Jan de Ru en Jochem Spaans
270 Artikel
Amerika's `war on spam'
Douwe Groenevelt
278 Boekbespreking
Oppassend geblaf
Aernout Nieuwenhuis
282 Documentatie
Rechtspraak
Binnenland
Verschenen
Agenda
Jurisprudentie
289 Nr. 30 EHRM 27 mei 2004,Vides Aizsardzibas
Klubs vs. Lettonie m.nt. A.J. Nieuwenhuis
293 Nr. 31 Vzr. Rb. Den Haag 1 juni 2004, Pretium
vs. KPN m.nt. N.A.N.M. van Eijk
296 Nr. 32 Vzr. Rb. Den Haag 13 april 2004,
CvdM vs. Ernst & Young
298 Nr. 33 Vzr. Rb. Rotterdam 27 april 2004,
H. e.a. vs. Minister van Economische Zaken
m.nt. P. Burger
Mediaforum 2004-9
269
Persoonsgegevens:
vragen mag, verstrekken hoeft niet
Heeft OPTA de mogelijkheid om ten behoeve van de hand-
having van het spamverbod persoonsgegevens te vorderen van
telecom- en internetaanbieders? OPTA meent van wel. Het
College van de OPTA heeft de betrokken aanbieders inmiddels
een `model-vordering' gestuurd, waarmee het in de toekomst
de persoonsgegevens zal opvragen van hun spammende klan-
ten. Anders dan OPTA kennelijk meent, hoeven de telecom- en
internetaanbieders echter niet de opgevraagde gegevens te
verstrekken.
Overheidshandelen dat burgers raakt, behoeft een wettelijke
grondslag. Dat is hier niet anders. Wenst OPTA de persoonsge-
gevens van spammers te verkrijgen, dan moet zij beschikken
over een wettelijke
bevoegdheid om die gegevens te vorderen.
Wil OPTA zeker zijn dat zij de gevorderde gegevens ook daad-
werkelijk verkrijgt, dan is daarnaast een wettelijke
verplichting
voor aanbieders vereist om aan een vordering gehoor te geven.
Regelt de wet zo'n bevoegdheid en verplichting?
In de eerste plaats kan worden gedacht aan de in de Algemene
wet bestuursrecht (Awb) neergelegde bevoegdheden tot vorde-
ring van inlichtingen (artikel 5:16 Awb) en van inzage in gege-
vens en bescheiden (artikel 5:17 Awb). Een ieder is verplicht om,
binnen zekere grenzen, aan zulke vorderingen medewerking te
verlenen (artikel 5:20 Awb). Om meerdere redenen kunnen
deze bepalingen niet de door OPTA gewenste wettelijke grond-
slag bieden, eerst en vooral omdat deze bevoegdheden uitslui-
tend toekomen aan `
toezichthouders' in de zin van de Awb. Het
College is dat niet. Bovendien moet het begrip `inlichtingen' eng
worden geïnterpreteerd (TK 1993-1994, 23 700, nr. 3, p. 144), ter-
wijl onder het vorderen van `
inzage' bezwaarlijk de toezending
van persoonsgegevens kan worden begrepen. Uit een elders in
dit blad opgenomen uitspraak van de voorzieningenrechter
van de Rechtbank 's-Gravenhage volgt daarnaast dat artikel
5:20 Awb zich uitsluitend richt tot degene op wie toezicht
wordt gehouden. Houdt een vordering verband met het toe-
zicht op een derde (de spammer), dan bestaat sowieso geen
medewerkingverplichting voor aanbieders.
In de tweede plaats biedt artikel 18.7 Telecommunicatiewet
(Tw) een wettelijke regeling. Op grond van het eerste lid is
OPTA bevoegd om voor een juiste uitvoering van het bepaalde
bij of krachtens de Tw, van een ieder te allen tijde inlichtingen
te vorderen, voor zover dit redelijkerwijs voor de vervulling
van haar taak nodig is. Het tweede lid verplicht degene van wie
inlichtingen zijn gevorderd, om deze te geven. Inmiddels is
door de voorzieningenrechter van de Rechtbank Rotterdam
geoordeeld dat het begrip `een ieder' in de zin van artikel 18.7,
eerste lid, Tw, ruim moet worden uitgelegd, zie de elders in dit
blad opgenomen uitspraak. Een ruime uitleg vindt steun in de
parlementaire geschiedenis. Daarin is aangegeven dat onder
`een ieder' veelal geregistreerden en vergunninghouders moe-
ten worden begrepen, maar dus ook derden. Daarnaast kán
worden betoogd dat artikel 18.7 Tw een ruimer inlichtingen-
begrip kent dan artikel 5:16 Awb, omdat de bevoegdheid van
artikel 18.7 Tw niet slechts aan het College is toegekend ten
behoeve van het toezicht op de naleving, maar ten behoeve van
de ruimere, juiste uitvoering van de Tw. Toch zal artikel 18.7
Tw niet als toereikende wettelijke grondslag kunnen dienen.
Niet alleen omdat een ruime uitleg van een bevoegdheid van
een zelfstandig bestuursorgaan op gespannen voet staat met
het legaliteitsbeginsel een ruime uitleg beperkt de rechterlij-
ke toetsing, terwijl politieke verantwoording naar de aard der
zaak ontbreekt maar ook vanwege artikel 8 EVRM. Dat arti-
kel vereist immers een voldoende nauwkeurige wettelijke
grondslag voor inmenging van overheidswege in de privacy.
Artikel 18.7 Tw kan anders dan bijvoorbeeld artikel 126na Sv
niet als zodanig worden aangemerkt: onduidelijk is in welke
gevallen, welke inlichtingen kunnen worden gevorderd, wel-
ke mate van inspanning van aanbieders mag worden verwacht
om aan een vordering te voldoen, etc.
In de derde plaats kan worden gedacht aan de regeling in de
Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). Met een beetje goe-
de wil kan in artikel 8, onder d, Wbp een bevoegdheid worden
gelezen voor een bestuursorgaan om persoonsgegevens op te
vragen ten behoeve van de goede vervulling van zijn publiek-
rechtelijke taak. De
verwerking van persoonsgegevens omvat immers
ook het
opvragen van zulke gegevens (artikel 1, onder b, Wbp).
Omdat OPTA is belast met het toezicht op de naleving van het
spamverbod (artikel 15 Wet OPTA), lijkt met nog een flinke dosis
goede wil (haast) een voldoende nauwkeurige wettelijke
bevoegdheid te bestaan, om de toets aan artikel 8 EVRM te door-
staan (de bevoegdheid is beperkt tot persoonsgegevens en mag
slechts worden uitgeoefend voor zover noodzakelijk voor de
goede vervulling van het toezicht op de naleving van het spam-
verbod). Maar al wordt aangenomen dat artikel 8, onder d, Wbp
een toereikende
bevoegdheid biedt, dan schort het nog aan een ver-
plichting voor telecom- en internetaanbieders om opgevraagde
persoonsgegevens daadwerkelijk te verstrekken. In de Wbp is
zo'n verplichting in elk geval niet neergelegd.
Betwijfeld zou zelfs kunnen worden of telecom- en internet-
aanbieders op grond van de Wbp wel de gevorderde persoons-
gegevens mógen verstrekken aan OPTA. Met dezelfde rekke-
lijkheid als zojuist tentoongespreid, valt daar wel een mouw
aan te passen (artikel 8, onder d, j
o
artikel 1, onder b, Wbp).
OPTA blijft met haar modelvordering echter volledig afhanke-
lijk van de bereidwilligheid van telecom- en internetaanbie-
ders om persoonsgegevens van hun klanten te verstrekken. Als
wordt bedacht dat het verstrekken van die gegevens kosten
met zich brengt voor de aanbieders en dat niet in vergoeding
van die kosten is voorzien, dan staat het nog te bezien hoe
groot die bereidwilligheid in de toekomst is.
Opinie
Hendrik Jan de Ru
en Jochem Spaans*
*
Prof. mr. H. J. de Ru is redacteur van dit blad en is evenals mr. drs. L. A. J. Spaans
advocaat bij Allen & Overy, Amsterdam.
Mediaforum 2004-9
270
Inleiding
Amerika loopt vaak voorop wanneer het de evolutie van
informatie- en communicatietechnologie betreft. Zo hebben
de pc, het internet en e-mail er hun wortels liggen. Ook het
fenomeen spam, hoewel velen dit eerder als een vorm van ICT-
`devolutie' zullen beschouwen, is hier ontstaan.
1
Wat betreft de juridische strijd tegen spam waren de Ameri-
kanen er ook vroeg bij. Zo werd in 1995 de eerste spammer
reeds voor de rechter gedaagd
2
en zag in 1997 de eerste spam-
wetgeving het levenslicht, in de staat Nevada. Hoewel de juri-
dische respons op de overlast door spam relatief snel op gang
kwam, bleek de omvang en kracht daarvan bij lange na niet
voldoende om de opmars van het populaire marketinginstru-
ment te stuiten. Waar volgens onderzoek van internet-statis-
tiekbureau Brightmail in september 2001 spam nog 8 procent
van alle e-mailverkeer uitmaakte, was dat in de maand april
van 2004 maar liefst 64 procent.
3
En van al deze spam is méér
dan de helft afkomstig uit de VS.
4
In de hoop het tij te keren heeft de federale overheid in
december 2003 een spamwet aangenomen, die in januari 2004
in werking is getreden. De
Controlling the Assualt of Non Sollicited
Pornography and Marketing Act of 2003 ofwel CAN-SPAM Act
5
is de
enige uit een reeks van 22 eerdere federale spamwetsvoorstel-
len die het daadwerkelijk tot wet heeft geschopt.
6
In de eerstvolgende paragrafen zal worden ingegaan op de
juridische middelen tegen spam die vóór de inwerkingtreding
van de CAN-SPAM Act reeds bestonden en deels nog steeds
bestaan in de VS. Door een analyse van de effectiviteitsproble-
men van deze middelen wordt duidelijk welke redenen aanlei-
ding hebben gegeven voor de vaststelling van een federale
spamwet. Daarna volgt een bespreking van de inhoud van de
CAN-SPAM Act en wordt aan de hand van een vergelijking met
eerdere spamwetgeving op statelijk niveau een conclusie
getrokken ten aanzien van de te verwachten effectiviteit van de
CAN-SPAM Act. Tenslotte worden enkele recente ontwikke-
lingen besproken in het licht van deze conclusie en wordt kort
ingegaan op de mogelijke internationale consequenties van de
CAN-SPAM Act.
Strijd tegen spam op grond van pre-spam
wetgeving en common-law
Aanvankelijk bij gebrek aan specifieke spamwetgeving en
later ook in aanvulling daarop, heeft men zich in de VS in de
loop der jaren getracht te verweren tegen spammers met
rechtsacties gebaseerd op common-law en federale wetgeving
die van vóór de spamproblematiek dateert. Hieronder volgt
een aantal voorbeelden. Aansluitend volgt een bespreking over
de beperkingen van deze middelen, welke mede geleid hebben
tot de formulering van specifieke spamwetgeving op statelijk
niveau.
Procedures gebaseerd op federale, pre-spam
wetten;TCPA, CFAA en FTCA
In de hierboven genoemde eerste spamzaak uit 1995 klaagde
Robert Arkow de internet Service Provider (ISP) Compuserve
aan omdat de laatste hem ongevraagde, commerciële e-mails
had gestuurd. Arkow stelde zich op het standpunt dat Compu-
serve de federale
Telephone Consumer Protection Act (TCPA) had
overtreden. Deze wet verbiedt het zonder voorafgaande toe-
stemming van de consument versturen van berichten via fax
voor commerciële doeleinden. Een computer met printer kon
*
D.F. Groenevelt is als onderzoeker verbonden aan het Computer/Law Institute
aan de Vrije Universiteit. Dit artikel is een bewerking van een hoofdstuk uit het
NWO/IteR rapport getiteld `Spam, spammer,... Analyse van het recht en de
techniek rond elektronische ongevraagde commerciële communicatie, in het
bijzonder via e-mail' te verschijnen in augustus 2004 bij Elsevier Juridisch. De
auteur dankt Arno Lodder en Jellienke Stamhuis voor hun commentaar op eer-
dere versies.
1
Wanneer we uitgaan van de verzending, in mei 1978, van een commercieel
bericht door het Californische bedrijf Digital Equipment Corporation aan alle
gebruikers van het ARPAnet, de voorloper van het internet.
2
Arkow vs. CompuServe, (S.D. Cal. filed December 1995).
3 http://www.brightmail.com/spamstats.html
4 United Nations Commission on Trade and Development (UNCTAD):
E-Com-
merce and Development Report, Chapter 1, 20 november 2003.
5 Het acroniem CAN-SPAM is een verwijzing naar de herkomst van de term
spam, namelijk de merknaam van het vlees-in-blik van de firma Hormel. Met
CAN-SPAM wordt dan ook zoveel bedoeld als het `inblikken van spam'.
6 Voor een, zij het niet volledig, overzicht van eerder ingediende voorstellen en
voor de volledige tekst van de CAN-SPAM Act, zie http://www.spamlaws.
com/federal
Amerika's `war on spam'
Amerikanen zijn al bijna 10 jaar actief in het aanklagen van spammers.
De verschillende juridische middelen die hen daartoe tot voor kort ter
beschikking stonden, vertoonden echter de nodige gebreken. In januari 2004
heeft de federale overheid daarom een nieuw wapen in de strijd gegooid:
de CAN-SPAM Act. Of deze wet, die ook wel bekend staat als de `YES-YOU-
CAN-SPAM-ACT', de vloedgolf aan spam zal indammen valt echter te
betwijfelen. Helaas is het waarschijnlijker dat de golf juist wordt opgestuwd
en dat Amerika en Europa nog verder overspoeld zullen worden met onge-
vraagde commerciële e-mail.
Douwe Groenevelt*
Mediaforum 2004-9
271
volgens Arkow worden opgevat als een
telephone facsimile
machine. Voordat de rechter zich echter kon uitspreken over de
kwestie troffen partijen een schikking, waarvan de inhoud
niet openbaar gemaakt werd.
7
Op andere pogingen van consu-
menten om spammers via de
TCPA aan te pakken volgden
eveneens geen uitspraken ten principale.
8
Eén keer werd, wel-
iswaar op het niveau van de
small-claims court, een schadever-
goeding toegekend; de rechtbank zag een pc met printer
inderdaad als een fax in de zin van de TCPA.
9
De heersende
opvatting is echter dat de federale wetgever met de TCPA niet
beoogd heeft e-mail te reguleren en dat de wet derhalve niet
van toepassing is op spam.
10
De federale
Computer Fraud and Abuse Act (CFAA) is voorname-
lijk door ISP's gebruikt om spammers aan te pakken. De
CFAA stelt onder andere een ieder strafbaar die zonder toe-
stemming een computer binnendringt (
accessing) en daardoor
schade veroorzaakt. De schade kan bestaan uit fysieke schade
maar ook uit geldelijk verlies voortvloeiende uit `de vermin-
dering van de beschikbaarheid van een systeem'. Zo kostte het
ongeoorloofde (wegens strijd met de
terms of use) en massale
gebruik van de mailserver van America Online spammer
Jason Vale en zijn bedrijf The Christian Brothers in 2000
mede op grond van schending van deze bepaling meer dan
$120.000 aan schadevergoeding.
11
De CFAA is daarnaast, van-
wege de verbodsbepaling op het zonder toestemming bin-
nendringen van een computer en het daarbij verzamelen van
informatie, vanaf 1998 met succes ingezet tegen het harves-
ten van e-mailadressen.
12
De federale overheid is eveneens al geruime tijd bezig met
handhaving op het gebied van spam. Op basis van de
Federal
Trade Commission Act (FTCA) heeft de Federal Trade Commission
(FTC) de bevoegdheid om tegen misleidende commerciële
praktijken op te treden. Zoals de FTC reeds voor de intrede
van het internet optrad tegen initiators van commerciële, mis-
leidende kettingbrieven en andersoortige pyramidespelen,
pakt zij nu spammers aan die zich op elektronische wijze van
dezelfde praktijken bedienen.
In 1998 heeft de FTC een speciaal email-adres geopend waar
consumenten misleidende spamberichten naartoe kunnen
for-
warden.
13
Aan de hand van een analyse van meer dan 20 miljoen
e-mails, heeft de FTC in 2000 aan de duizend meest notoire
spammers waarschuwingsbrieven gestuurd. De brieven hiel-
den een aanmaning in om de betreffende activiteiten te staken
en tevens een verzoek om het illegaal verdiende geld over te
dragen aan de FTC. Na deze waarschuwingsronde heeft de
commissie steekproefsgewijs getest of de spammers de
inhoud van de brief ter harte hadden genomen. In de periode
2001-2002 werden vervolgens zeven `ongehoorzame' spam-
mers voor de rechter gedaagd. Allen accepteerden in de aan-
loop naar het proces een schikkingsvoorstel van de FTC.
14
In
april 2002 heeft de FTC, in samenwerking met een aantal
openbare aanklagers van diverse staten (
state attorneys general)
en andere overheidsinstanties (o.a. uit Canada) een verband
opgericht dat zich actief en collectief met het bestrijden van
misleidende spam bezig houdt. Tot nu toe zijn er enkele tien-
tallen individuen en bedrijven voor de rechter gedaagd.
15
Procedures gebaseerd op common-law;
`trespass to chattels'
Verschillende onrechtmatige daadsacties uit het Ameri-
kaanse common-law systeem zijn met succes ingezet tegen
spammers. Naast acties uit
nuisance (hinder/overlast),
16
fraud
(fraude/bedrog)
17
en
negligence (verzaken zorgplicht),
18
is de
tres-
pass to chattels-actie de bekendste en meest succesvolle geble-
ken. Dit common-law leerstuk is oorspronkelijk ontwikkeld
om (land)eigenaren te beschermen tegen het ongeoorloofd
gebruik van hun (land)eigendommen. De eerste spamzaak
waarin deze actie gebruikt werd (1997), was Compuserve vs.
Cyber Promotions.
19
Laatstgenoemde organisatie stuurde tien-
duizenden klanten van Compuserve ongevraagde commercië-
le e-mails. Compuserve liet diverse malen tevergeefs weten dat
dit in strijd was met de door hen gehanteerde
terms of use. De
rechter beschouwde het gebruik van de servers van Compuser-
ve voor e-mail als fysiek gebruik van de apparatuur, hetgeen
de toepasbaarheid van het antieke common-law leerstuk van
trespass to chattels mogelijk maakte. Daarnaast gaf de rechter
een ruimere interpretatie aan de voorwaarde dat de gebruikte
zaak ook daadwerkelijk beschadigd moest zijn. Als schade aan
de mailservers (de
chattels) zag hij de indirecte schade voort-
vloeiend uit de tijdelijke vermindering in beschikbare sys-
teembronnen en de door het oneigenlijk gebruik van de mail-
servers veroorzaakte schade aan de bedrijfsbelangen van
Compuserve (onder andere reputatieschade). Na deze zaak
volgden vele zaken waarin ISP's op vergelijkbare wijze schade-
vergoeding vorderden van spammers wegens trespass to chat-
tels.
20
Aan de populariteit van het middel droeg bij dat de over-
treder bij aantoonbare kwade opzet gehouden is punitatieve
schadevergoeding betalen. Zo kreeg AOL in de zaak tegen
Prime Data Systems iets meer dan $100.000 aan compenseren-
de schadevergoeding toegewezen (de werkelijke kosten van
het doorsturen van één bericht, $0.00078, maal de totale hoe-
veelheid verstuurde spamberichten, 130 miljoen) en daarnaast
drie maal dat bedrag aan punitatieve schadevergoeding.
21
Recent werd door de Supreme Court van Californië in de
zaak Intel Corp. v. Hamidi overigens een zeer strikte interpre-
tatie van `schade' gehanteerd in het kader van een trespass to
chattels-actie. Namelijk slechts directe, fysieke schade (bijv.
een permanente crash) en geen indirecte schade door vermin-
7 David E. Sorkin, `Technical and Legal Approaches to Unsolicited Electronic
Mail',
University of San Francisco Law Review (35) 2001, p. 325.
8
Snow v. Doherty, (N. D. Ind. filed September 22, 1997), Seidl v. Greentree Mortgage
Co. (D. Colo. 1998).
9
Case Number: 03-73823sc, (44th J. Dis. Royal Oak, MI februari 2003) Uitspraken
van een
small-claims court hebben geen precedentwerking.
10 Zie bijv.
Aaronson v. Bright-Teeth Now (2003, P.A. Super.). Overigens valt hier een
parallel te trekken met de in Nederland gevoerde discussie omtrent de beteke-
nis van de begrippen `automatische oproepsystemen' en `faxen' uit het eerste
lid van het toenmalig artikel 11.7 Tw. Zie HR 12 maart 2004 (
XS4All/Ab. Fab),
Mediaforum 2004-4, nr. 13 m.nt. A.R. Lodder.
11
AOL vs. The Christian Brothers and Jason Vale (S.D. NY December 9, 2000).
12
America Online vs. LCGM, Inc., et al. (E.D. Va., November 10, 1998), Hotmail Corp. vs.
Van$ Money Pie (N.D. Cal. April 16, 1998).
13 UCE@FTC.GOV, overigens biedt de FTC via haar website ook de mogelijkheid
om online klachten met betrekking tot spam in te dienen: https://rn.ftc.gov/
dod/wsolcq$.startup?Z_ORG_CODE=PU01
14
FTC vs. Paul K. Boivin, FTC vs. Chad Estenson, FTC vs. Fernando Pacheco, FTC vs. Arnold
W. Larsen, FTC vs. John Lutheran, FTC vs. Dario Va. Zie: `Commission Actions 1996-
2001' http://www.ftc.gov/os
15 Bijv.
FTC v. Eric Stetzel, FTC v. Patrick Cella, FTC v. GM Funding, Inc., et al., FTC v. K4
Global Publishing, Inc., et al.
Zie: `Commission Actions 1996-2001'
http://www.ftc.gov/os
16 Bijv.
Parker vs. C.N. Enterprises (Tex. T.C.D. Ct. November 10, 1997, complaint).
17 Bijv.
Hotmail Corp. vs. Van$ Money Pie (N.D. Cal. April 16, 1998).
18 Bijv. America Online, Inc. vs. Forrest Dayton, et al. (E.D.Va. December28, 1999).
19
Compuserve, Inc. vs. Cyber Promotions (S.D. Ohio 1997).
20 O.a.
America Online vs. LCGM, Inc., et al (E. D. Va., November 10, 1998), Hotmail
Corp. vs. Van MoneyPie (N.D. Cal. 1998), AOL vs. IMS (E.D. Va. 1998), Earthlink vs.
Cyber Promotions (Cal. Super. Ct. LA County 1998).
21
America Online vs. Prime Data Systems (E.D. Va. November 1998).
272
dering van de beschikbaarheid van een systeem, laat staan
`reputatieschade'.
22
Beperkingen van pre-spam wetgeving en common-
law. De opkomst van statelijke spamwetgeving.
In juridische kringen werd betoogd dat door aanpassing van
het recht spam effectiever zou kunnen worden bestreden. Als
grootste beperkingen werden beschouwd:
bewijslast inzake de door spam geleden schade
Voor ISP's is het, bij een actie op grond van de CFAA of
trespass to chattels, lastig om aan te tonen dat aan het
criterium `schade door vermindering van de beschik-
baarheid van systeembronnen' is voldaan. In bepaalde
gevallen zal bijvoorbeeld het vertragen van de mailser-
ver geen schade opleveren. Ook kan de systeemcapaciteit
van een ISP zo groot zijn dat er zich überhaupt geen ver-
traging meer voordoet vanwege massamailings. En wan-
neer er al aantoonbaar schade geleden is, is het voorts
niet eenvoudig om deze schade te waarderen.
praktische onmogelijkheid voor de consument om spam-
mers voor de rechter te dagen
Voor individuele slachtoffers van spam is het vrijwel
onmogelijk te bepleiten dat door de ontvangst van spam
schade is geleden. Zij worden immers slechts met een
fractie van de spam geconfronteerd waar ISP's mee te
kampen hebben. Daarbij komt dat de omvang van even-
tuele schade vaak niet opweegt tegen de procedurekos-
ten.
23
Voorts is voor een beroep op trespass to chattels en op de
CFAA vereist dat er sprake is van het binnendringen of
het gebruik van eigendommen. Het is zeer de vraag of
het ontvangen van spam op een individuele computer
als trespass resp. accessing door de verzender van die
spam gezien kan worden. Ook kan moeilijk aan het `zon-
der toestemming'-criterium worden voldaan. ISP's kun-
nen door middel van hun terms of use duidelijk maken
dat mailservers niet gebruikt mogen worden voor spam-
ming; pc-bezitters hebben echter niet de mogelijkheid
om elke spammer te laten weten dat naar hun pc geen
spam verstuurd mag worden.
24
onvoldoende mogelijkheden voor overheidsoptreden
De FTC Act biedt geen mogelijkheden voor de bestrijding
van spam in al haar verschijningsvormen. Hoewel veel spam
in meer of mindere mate een misleidend karakter bezit, zijn er
genoeg verzenders van commerciële, ongevraagde en/of in
bulk verzonden e-mails die zich aan de FTC Act niets gelegen
hoeven laten liggen. Bovendien bestond de afdeling van de
FTC die zich wijdt aan de spambestrijding, het `internet lab',
tot voor kort slechts uit een viertal medewerkers en een hand-
vol pc's.
25
onzekerheid omtrent toepassing pre-spam middelen op
spam
Bij elke zaak bestond telkens opnieuw onzekerheid of
een rechter de niet specifiek op spam toegespitste mid-
delen zou accepteren als wapen tegen spammers. Exem-
plarisch hiervoor zijn de reeds genoemde terughouden-
de uitspraken over de toepassing van de TCPA op spam
en de recente, `conservatieve' interpretatie van trespass
to chattels door de Supreme Court van Californië.
Hoewel er op basis van bovenstaande middelen vele
malen succesvol is geprocedeerd, was men er van over-
tuigd dat de strijd tegen spam nog intensiever gevoerd
kon worden. Specifieke spamwetgeving, eenvoudig
handhaafbaar voor overheid, ISP's én burgers zou aan
genoemde beperkingen van de reeds bestaande midde-
len tegemoet kunnen komen.
Spamwetgeving op statelijk niveau
Amerikaanse staten mogen hun eigen wetten vaststellen,
voor zover deze niet in strijd zijn met federale wetgeving. In
navolging van Nevada hebben 35 andere Amerikaanse staten
sinds 1997 spamwetgeving aangenomen. De meerderheid van
de statelijke spamwetten is echter pas in de afgelopen 2 jaar
van kracht geworden.
26
Statelijke spamwetgeving; inhoud
Vrijwel alle statelijke spamwetten houden, kort samenge-
vat, in ieder geval het volgende in: een definiëring van spam,
een normstellend kader ten aanzien van spam en een sanctie-
en handhavingsregeling. Hoewel op hoofdlijnen vergelijk-
baar, zijn er belangrijke verschillen aan te wijzen.
Om te beginnen is er de discrepantie in de definiëring van
het probleem. In de meeste staten ziet de wetgeving hoofdza-
kelijk op regulering van ongevraagde commerciële e-mail
(
Unsolicited Commercial E-mail; UCE). Sommige staten stellen
alleen regels ten aanzien van ongevraagde commerciële e-mail
die tevens in bulk verzonden is (
Unsolicited Bulk Commercial E-
mail; UBCE).
27
Ten slotte zijn er enkele staten die het in hun
wetgeving enkel over ongevraagde bulk e-mail hebben (
Unsoli-
cited Bulk E-mail; UBE).
28
In de meeste staten is misleidende spam verboden. Zo wordt
het gebruik van
false header information, false routing information,
invalid return-addresses en misleading subjectlines vaak genoemd
als overtreding. Ook hebben de meeste staten aan spammers
de verplichting opgelegd om hun spamberichten, zeker als
het gaat om berichten met pornografische inhoud, als zodanig
te labelen. De wijze waarop dit precies dient te geschieden,
verschilt aanmerkelijk per staat. Van `
ADV:ADULT' in Tennes-
see tot `
ADULT ADVERTISEMENT' in Wisconsin. Ten slotte heb-
ben, op twéé na, alle staten de opt-out verplichting tot kern
van hun spamregelgeving gemaakt.
29
Wanneer ontvangers van
22
Intel Corp. v. Hamidi (4th Cal. 2003).
23 Zie David E. Sorkin, `Technical and Legal Approaches to Unsolicited Electronic
Mail', p. 358. Zie ook: S.C. Jordan, `There's Plenty of "Spam" Left Over',
Portland
Press Herald, 28 December 2001.
24 Overigens dient de ISP personen waarmee zij géén contractuele relatie heeft, te
wijzen op overtreding van de
terms of use wil zij succesvol kunnen procederen.
Nét als in Nederland, zie de noot van A. R. Lodder bij HR 12 maart 2004
(
XS4All/Ab.Fab), Mediaforum 2004-4, nr. 13, punt 11-13.
25 J. Gleick, `A plague on e-mail: So Much for the Self-Healing, Self-Governing
Net. Spam Has Defeated It. What Is to Be Done?', The New York Times, 9 febru-
ari 2003.
26 http://www.spamlaws.com/state/summary.html
27 Bijv. de staten Tennessee en North Carolina.
28 Zoals bijv. Connecticut, Virginia en Louisiana.
29 Californië en Delaware kennen als enige een opt-in regime.
Mediaforum 2004-9
Mediaforum 2004-9
273
spam eenmaal aangegeven hebben géén spam meer te willen
ontvangen, is de spammer verplicht aan dit verzoek gehoor te
geven.
De strafrechtelijke sancties bij overtreding van bovenge-
noemde normen bestaan uit boetes en in sommige gevallen
zelfs uit gevangenisstraffen.
30
Veelal kunnen ook bezitters van
computernetwerken die gebruikt worden om te spammen
(ISP's) en individuele ontvangers spammers in rechte aanspre-
ken (
private right of action).
31
Soms kan enkel de werkelijk gele-
den schade worden geëist. Vaker kan daarnaast schadevergoe-
ding worden geëist, gebaseerd op een vastgesteld bedrag per
overtreding of per ontvangen spambericht, zgn.
statutory
damages.
32
Ten slotte bieden veel wetten de mogelijkheid om de
spammer een rechterlijk verbod van verdere verzending van
spam op te leggen (
injunction).
Statelijke spamwetgeving; effectiviteit
Hoewel in veel statelijke spamwetten aan de beperkingen
van eerdere middelen tegen spam tegemoet is gekomen, heb-
ben zij in de praktijk relatief weinig bijgedragen aan de strijd
tegen spam. Er zijn hiervoor verschillende redenen aan te wij-
zen.
Ten eerste hangt veel samen met de territorialiteitsbegren-
zing van statelijke spam wetgeving. Statelijke wetgeving is in
beginsel alleen van toepassing op en inroepbaar door ingeze-
tenen en overheidsinstanties van de betreffende staat.
33
Spam-
mers en ontvangers van spam bevinden zich echter vaak in
verschillende staten. Aan de statelijke rechter kan op grond
van specifieke bepalingen, zogenaamde
long-arm statutes, wel
rechtsmacht verleend worden over personen buiten de eigen
staat. Ten aanzien van spam is dit echter zeer omstreden van-
wege de
dormant commerce clause uit de Constitutie. Deze ver-
biedt staten het `onevenredige belasten van interstatelijke
handel'. De redenering is dat het niet met de dormant com-
merce clause te rijmen valt dat met long-arm statutes in spam-
wetgeving aan zoveel bedrijven buiten de eigen staat restric-
ties worden opgelegd.
34
Slechts een handvol staten heeft de
eigen wetgeving dan ook aangevuld met long-arm statutes.
Onder Delaware's wetgeving zijn spammers die hadden moe-
ten weten dat ontvangers van hun spam zich in de staat Dela-
ware bevonden, onderworpen aan de stricte spamwetgeving
van deze staat. Er is echter nooit op basis van deze wetgeving
geprocedeerd omdat het zeer moeilijk te bewijzen is dat een
spammer de locatie van zijn slachtoffers had moeten weten.
De staat Washington heeft om die reden een online register
gecreëerd waarin spammers kunnen zien welke e-mailadres-
sen aan de inwoners van Washington behoren.
35
Onder Was-
hingtons spamwetgeving wordt wetenschap van de locatie
van de ontvangers aangenomen indien deze informatie `voor-
handen' was. Er is meerdere malen succesvol op basis van deze
constructie geprocedeerd, hoewel de constitutionaliteit ervan
ter beoordeling aan de statelijke rechter voorlag.
36
De Supreme
Court of Washington heeft de zaak in 2002 uiteindelijk ten
faveure van de wetgever beslist.
37
Ten tweede is de handhaving voor consumenten een pro-
bleem. De mogelijkheid om $10 te eisen per ontvangen bericht
dat niet aan de wettelijke normen voldoet, kan voor een ISP
reden zijn om te procederen. De kans is echter klein dat een
individuele ontvanger van één en dezelfde verzender zoveel
spam ontvangt, dat een rechtsactie voor hem of haar rendabel
wordt. Vandaar dat veel consumenten de voorkeur geven aan
deleting boven suing. Alleen in staten waarin de opeisbare scha-
devergoeding per ontvangen spambericht vijftig keer hoger
ligt, zijn er een aantal personen geweest die deze bepalingen
daadwerkelijk hebben benut. Het bekendste voorbeeld is
Bruce Miller, die onder de spamwetgeving van Washington
meer dan $20.000 heeft verdiend met het aanklagen van
spammers.
38
Ten derde hebben de statelijke overheden de handhaving
van spamwetgeving nooit prioriteit gegeven.
39
Washington
was tot voor kort de enige staat waarin de state attorney gener-
al vrij actief is geweest in het vervolgen van spammers.
40
Pas
recent, vlak voor de inwerkingtreding van de CAN-SPAM Act,
hebben de staten New York en Virginia ook besloten voortva-
rend tegen spammers te gaan optreden door vier grote spam-
zaken te starten.
41
Ten slotte hebben de meeste staten spam in feite gelegali-
seerd door een opt-out regime voor te schrijven. Spam die aan
de voorwaarden van de betreffende wetgeving voldoet, mag
vrijelijk worden verzonden. De reden dat niet meer dan twéé
staten voor een opt-in regime hebben gekozen, is gelegen in
de vrees dat de Amerikaanse rechter een dergelijke maatregel
in strijd met het recht op de vrije meningsuiting zou achten.
42
In de afgelopen jaren is de in 1991 tot stand gekomen TCPA,
welke een opt-in regime ten aanzien van junk-faxen voor-
schrijft, namelijk diverse malen aan een
constitutionality chal-
lenge onderworpen. De discussie werd pas min of meer
beslecht toen halverwege 2003 door de federale
8th Circuit
Court de constitutionaliteit van de TCPA werd bevestigd. Veel
staten hadden op dat moment reeds hun opt-out wetgeving
uitgevaardigd.
43
Ongeacht de redenen voor de opt-out keuze
van de staten, heeft deze aan de strijd tegen spam niet meer
bijgedragen dan de onmogelijkheid om tegen `bonafide'
spammers te strijden.
Groeiende behoefte aan federale wetgeving
De verschillende spamwetgeving riep een inherente nieuwe
problematiek op. Het gebrek aan federale uniformiteit leidde
niet alleen tot procedurele problemen betreffende rechtsmacht,
30 Strafrechtelijke boetes variëren van $500 tot maximaal $100.000. In Californië
kan daarbij bijv. maximaal 3 jaar celstraf worden geëist.
31 Alleen Wisconsin, Wyoming, Louisiana, Delaware en Arkansas kennen geen
private right of action.
32 Meest voorkomend is $10 per ontvangen bericht, maar Indiana, Washington
en Californië noemen bijv. $500.
33 De in de vorige paragraaf beschreven middelen, te weten federale wetten en
common-law, gaan níet mank aan deze beperking. Dit is de reden waarom er
vaker primair op deze gronden geprocedeerd is.
34 Carl S. Kaplan, `In Spam Case, Another Defeat for State Internet Laws',
The New
York Times, 24 maart 2000.
35 De zgn. Washington ISP registry, ofwel WAISP. http://registry.waisp.org/
36
State of Washington v. Meltzer (Wa Super., July 11, 2002), State of Washington v.
Haberli, (Wash. Super. Ct., filed December 16 2002).
37 S
tate of Washington vs. Heckel (Wash. Supr. 2001).
38 Zie http://www.aboutspam.com
39 D. Colker, `State Spam Laws Rarely Enforced',
The Los Angeles Times, 1 April 2002.
Zie ook: `Spam IT!',
The New York Times, 27 juni 2002.
40 Stephen J. Davidson, David D. Axtell, `No More Junk! An Update On Spam', in:
Practising Law Institute (781), p. 159-213.
41 Saul Hansell, `Spitzer Files Suit Against 3 Over Spam',
The New York Times, 19
december 2003, `Virginia Indicts Two Men On Spam Charges',
The Washington
Post, 11 december 2003.
42 Elizabeth Sampath, Jennifer Miller, `While Congress Equivocates, States, the
FTC and Businesses Act to Can Spam', 2004, http://www.blankrome.com/
Publications/Articles/sampath-miller.asp
43
Missouri v. American Blast Fax, Inc., (8th Cir. Mar. 21, 2003).
274
maar ook tot de toepasselijkheid van conflicterende regelgeving
bij grensoverschrijdende spam.
44
De federale overheid zag ech-
ter pas midden vorig jaar de noodzaak om haast te maken met
uniformerende regelgeving. De aanleiding hiervoor betrof de
nieuwe spamwet van Californië, die in juni 2003 werd aangeno-
men en in januari 2004 van kracht zou gaan. In deze wet werd
een opt-in regime voorgeschreven waarbij overtreders tot $500
per illegaal verstuurd bericht in rechte konden worden aange-
sproken. De wet zou door middel van een long-arm statute ook
t.o.v. buitenstatelijke spammers handhaafbaar worden.
45
De
naderende inwerkingtreding van deze wet zorgde vanwege de
grote commerciële belangen in Californië, de staat met de mees-
te inwoners van de VS, voor een enorme druk op de overheid om
in te grijpen. Een aantal van Amerika's grootste bedrijven dat fel
gekant was tegen opt-in wetgeving, intensiveerde haar lobby
voor een federaal opt-out wetsvoorstel, gesteund door de Direct
Marketing Association (DMA). Opeens bleek wat zeven jaar lang
een controversieel item op de agenda van het Congres was, een
hamerstuk te zijn.
46
De CAN-SPAM Act, een amalgaam van vijf
eerdere wetsvoorstellen, werd in oktober 2003 in de Senaat
geïntroduceerd en in november en december door respectieve-
lijk Senaat en Huis van Afgevaardigden unaniem aangenomen.
Op 16 december 2003 ondertekende president Bush de wet.
Spamwetgeving op federaal niveau;
de CAN-SPAM Act
De aanname van de CAN-SPAM Act heeft in de VS heel wat
stof doen opwaaien. De wet kent vele tegenstanders, vooral
onder consumenten, de meeste ISP's en Amerikaanse rechts-
geleerden.
47
Zij betreuren het dat de wet minder restrictief is
dan veel statelijke wetten, welke door de federale wet opzij
worden gezet. Het bedrijfsleven, dat zijn bruikbare marke-
tinginstrument gelegaliseerd zag worden, prijst de wet juist
om deze reden.
48
Inhoud CAN-SPAM Act
Kort samengevat stelt de wet aan het versturen van
commer-
cial electronic mail messages (hierna: CE-mail) een aantal voor-
waarden. De belangrijkste voorwaarden waaraan CE-mail
moet voldoen zijn de volgende.
Opt-out: De wet schept de verplichting voor de verzender om
ontvangers een
easily accessible mogelijkheid te bieden om aan
te geven dat zij geen verdere CE-mail meer willen ontvangen.
De verzender heeft tien dagen om aan het verzoek te voldoen.
Daarna is het blijven versturen van CE-mail verboden.
Labels: Verzenders van CE-mail zijn verplicht om deze clear
and conspicious te markeren als commerciële berichten en
specifieke labels aan te brengen wanneer de inhoud seks-gere-
lateerd is.
Geldige routing-info / subject line / return-address: CE-mail mag
geen vervalste of misleidende routing information of subject
lines hebben en de berichten moeten zowel een geldig return-
address als het fysieke postadres van de afzender bevatten.
Naast deze voorwaarden voor het versturen van CE-mail,
zijn de volgende bepalingen uit de CAN-SPAM Act van
belang.
Harvest-verbod: Het is verboden om CE-mail te verzenden
naar adressen die via automatische middelen zijn verkregen,
zoals via het
harvesten van adressen op websites of een zoge-
naamde
dictionary attack (het automatisch genereren/gokken
van e-mailadressen, zoals douwe1@hotmail.com, douwe2@
hotmail.com etc.). Ook op het automatisch aanmaken van
meer dan vijf e-mailadressen om vanuit daar spam te verstu-
ren staat een verbod.
Sancties: Aan overtreders kan een schadevergoeding, rechter-
lijk verbod, boete en/of gevangenisstraf worden opgelegd. De
schadevergoeding kan bestaan uit de werkelijk geleden scha-
de of een vaste vergoeding per ontvangen bericht, indien dit
bedrag groter is dan de werkelijk geleden schade.
49
Op sommi-
ge overtredingen, bijvoorbeeld die aan fraude en misleiding
gerelateerd zijn, staan forse boetes of celstraffen van maxi-
maal vijf jaar.
Handhaving overtredingen: Primair wordt handhaving opge-
dragen aan de FTC. Daarnaast worden de state attorneys
general van de verschillende staten en ISP's in de gelegenheid
gesteld om tegen bepaalde overtredingen op te treden.
50
Voorrang boven statelijke wetgeving: Een van de belangrijkste
bepalingen is de zogenaamde
preemptive provision, waarin
gesteld wordt dat de wet bóven alle statelijke wetgeving gaat
die specifiek is toegesneden op spam, behalve voor wat betreft
de bepalingen uit die wetten die misleidende spam (
false header
information e.d.) verbieden.
Opdracht aan FTC: De wet draagt aan de FTC een aantal
opdrachten op ter verdere uitwerking en aanscherping van
diverse bepalingen. De eerste opdracht, die eind januari 2004
reeds vervuld werd, betrof de nadere specificering van het
label-vereiste voor berichten met een seksueel gerelateerde
inhoud. De FTC heeft voorgesteld om dergelijke berichten
verplicht te laten labelen met de term `
SEXUALLY-EXPLICIT
CONTENT' in de subject line.
51
De tweede opdracht betrof het
geven van een advies ten aanzien van de implementatie van
een
Do-Not-E-mail-register. Inmiddels is ook deze opdracht
volbracht (zie hieronder). De FTC dient verder vóór 1 oktober
2004 met een idee te komen hoe `tipgevers' van overtredingen
van de CAN-SPAM Actie te belonen. Ten slotte wordt aan de
FTC opgedragen om binnen een jaar regels uit te vaardigen
die beschrijven wat precies verstaan wordt onder
primary pur-
44 David E. Sorkin, `Technical and Legal Approaches to Unsolicited Electronic
Mail', p. 381.
45 De staat Delaware had al langer een opt-in bepaling, maar deze gold slechts ten
aanzien van in bulk ontvangen spam.
46 Jacquelyn Trussel, `Is the CAN-SPAM ACT the Answer to the Growing Problem
of Spam?', in:
Loyola Consumer Law Review 2004 (16) p. 175, Charles H. Kennedy,
Christine E. Lyon, `Understanding the CAN-SPAM Act of 2003',
Privacy and
Information Law Report 2003 (4) , Andrea E. Bates, ``CAN-SPAM' in the U.S.', in:
Electronic Banking Law and Commerce Report 2004 (2).
47 Bijv. Lawrence Lessig, Stanford Law School; http://www.lessig.org/ en David
Sorkin, John Marshall Law School; http://www.sork.com
48 `Bush Signs Federal Anti-Spam Law; DMA and Marketing Groups Applaud
Move But Caution About "Do Not E-Mail" Provision', 16 december 2003,
http://www.the-dma.org/cgi/dispnewsstand?article=1719+++++, Declan McCul-
lagh, `Bush OKs spam bill--but critics not convinced', CNET News.com, 16
december 2003, http://zdnet.com.com/2100-1105_2-5124724.html?tag=nl
49 De overheid kan in een `civil action' max. $250 ontvangen per ontvangen
bericht, voor ISP's is dat max. $100. De totale schadevergoeding kan maximaal
oplopen tot respectievelijk $2 miljoen en $1 miljoen.
50 Sommige handhavingsmogelijkheden zijn gescheiden;
state prosecutors mogen
bijvoorbeeld niet de opt-out norm handhaven.
51 Ronald L. Plesser, James J. Halpert, Alisa Bergman, `FTC Seeks Comment on
Labeling Requirement for E-mail Containing Sexually Oriented Content', in:
Privacy and Information Law Report 2004 (2).
Mediaforum 2004-9
Mediaforum 2004-9
275
pose uit de definitie van CE-mail (zie volgende paragraaf) en
heeft zij tot 1 juli 2005 de tijd om met een voorstel te komen
dat het label-vereiste voor alle niet seksueel-gerelateerde CE-
mail nader specificeert.
Een vergelijking met statelijke spamwetgeving
De CAN-SPAM Act verschilt in een aantal belangrijke
opzichten van de statelijke spamwetgeving.
Allereerst ziet de wet, in tegenstelling tot veel statelijk wet-
ten, primair op de regulering van c
ommercial electronic mail mes-
sages, waarbij het element unsolicited niet genoemd wordt. De
voorwaarden van de CAN-SPAM Act gelden derhalve óók voor
CE-mail waar wél om gevraagd is. In die zin in is het toepas-
singsbereik van de wet breder dan die van de meeste statelijke
wetten. Daarnaast is de wet in beginsel ook van toepassing op
e-mails die verzonden worden binnen het kader van een reeds
bestaande zakelijke relatie, welke door de meerderheid van de
staten juist zijn uitgezonderd van toepassing.
52
De CAN-SPAM
Act zondert een smallere categorie uit, te weten de
transactional
or relationship messages. Hieronder worden berichten verstaan
die verstuurd worden ter voltooiing van een transactie of om
de consument op de hoogte te brengen van een verandering
van algemene voorwaarden of account status.
53
Echter, de definitie van CE-mail als
`any electronic mail message
the primary purpose of which is the commercial advertisement or pro-
motion of a commercial product or service...'
54
lijkt deze verbreding
weer geheel teniet te doen. De term primary purpose is één
van de hoofdpunten van kritiek op de wet. Hoewel de FTC
binnen een jaar met een nadere omschrijving van de term zal
komen, staat immers nu al vast dat de voorwaarden van de
CAN-SPAM Act geen opgeld doen wanneer een e-mail `slechts'
secundair gericht is op commerciële activiteiten. Men denkt
dat spammers met dit gegeven creatief zullen weten om te
gaan en dat het vrijwel onmogelijk is om dit `lek' met nadere
begripsduiding volledig te dichten.
55
Ook voor wat betreft de normadressering is te wijzen op een
verbreding ten opzichte van veel statelijke wetten. Een `ver-
zender'
56
hoeft onder de CAN-SPAM Act namelijk niet daad-
werkelijk te verzenden om als zodanig te worden aangemerkt.
Ook diegene voor wiens goederen of diensten wordt geadver-
teerd in een spambericht en die een ander heeft betaald om het
bericht voor hem te verzenden, is een verzender in de zin van
de wet en dus aansprakelijk voor schade die voortvloeit uit
overtredingen ervan. Anderzijds beperkt de CAN-SPAM Act
het begrip verzender tot de
separate line of business or division van
de verzendende entiteit. De belangrijkste consequentie van
deze beperking is dat een opt-out verzoek slechts gehonoreerd
dient te worden op het niveau van de betreffende (sub-, sub-,
etc.) divisie van een (moeder)onderneming. Daar niet verder
uitgewerkt wordt wat een
separate line of business or division
exact inhoudt, is het niet verwonderlijk dat de bezorgdheid
over, wederom, de mogelijkheid die spammers wordt gelaten
om hier slim op in te spelen, groot is.
57
Een bepaling die een aanvulling vormt op het reeds bestaan-
de scala aan rechtsmiddelen tegen spammers is het harvest-
verbod. De bepaling houdt echter slechts een verbod in van
het verzenden van CE-mail naar adressen die via harvesting
verkregen zijn en níet een verbod van harvesten an sich. ISP's,
of andere beheerders van websites, die het slachtoffer zijn van
harvesting kunnen hier op basis van de CAN-SPAM Act dus
niet direct tegen optreden
58
maar moeten afwachten tot spam-
mers naar deze adressen CE-mail gaan versturen. Overigens
worden deze spammers, die niet per definitie dezelfden zijn
als de harvesters, uitgezonderd van aansprakelijkheid indien
zij niet wisten dat de door hun gebruikte adressen middels
harvesting verkregen waren.
CAN-SPAM Act effectief?
Binnen de VS geldt er nu een éénduidig regime ten aanzien
van spam; conflicterende regels komen niet meer voor.
Aan de afwezigheid van een effectief handhavingsrecht voor
consumenten, wordt echter in zijn geheel niet tegemoet geko-
men. Waar consumenten onder de meeste statelijke wetgeving
spammers voor de rechter konden slepen en een, zij het laag,
bedrag aan schadevergoeding per ontvangen bericht konden
eisen, ontzegt de CAN-SPAM Act hen elke mogelijkheid tot
juridisch optreden. Dit tot algemene teleurstelling van consu-
mentenorganisaties in heel de VS.
59
Zij hadden hun hoop
gevestigd op een
private right of action voor consumenten en
hoge statutory damages, of in elk geval een lage schadevergoe-
dingsmogelijkheid (`
death by a thousand paper-cuts').
60
De over-
heid meent echter dat handhaving door de FTC, de statelijke
overheden en ISP's voldoende moet zijn.
61
Bij de verwachting van de overheid, dat de FTC en de staten
zelf de wet voldoende zullen handhaven, kunnen echter
vraagtekens worden geplaatst. Zelfs de voorzitter van de FTC
52
Prior or existing business relationship, te vergelijken met existing customer relations-
hip uit de Richtlijn 2002/58/EG betreffende de verwerking van persoonsgege-
vens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektroni-
sche communicatie.
53 D. Reed Freeman, `CAN-SPAM ACT: A Compliance Challenge', in:
e-Commerce
Law & Strategy 2004 (1).
54 In het licht van deze definitie lijkt het overigens overbodig om
transactional or
relationship messages uit te zonderen van CE-Mail, maar de wetgever heeft de
uitzonderingspositie van deze categorie willen expliciteren.
55 Zo blijkt bijv. uit een brandbrief van de
National Association of Attorneys General
aan de regering hieromtrent. Zie: Charles H. Kennedy, Christine E. Lyon,
`Understanding the CAN-SPAM Act of 2003', in:
Privacy and Information Law
Report 2003 (4). Zie ook: Susan Kuchinskas, `AGs Want to Can the Can Spam
Bill', 6 november 2003,
Silicon Valley internet.com http://siliconvalley.internet.
com/news/article.php/3105361
56 Opmerkelijk is overigens dat de CAN-SPAM Act, in tegenstelling tot de Richt-
lijn 2002/58/EG, t.a.v. de
ontvangers geen onderscheid maakt in zakelijke of
persoonlijke e-mailadressen. Zie bijv. R. Chavannes,
Mediaforum 2003-11/12, p.
357 voor een beknopt overzicht van de discussie in Nederland over de interpre-
tatie van de term `abonnees'.
57 Andrea E. Bates, `"CAN-SPAM" in the U.S.', in:
Electronic Banking Law and Com-
merce Report 2004 (2). Een vergelijkbare discussie wordt op Europees en Neder-
lands niveau gevoerd omtrent de term `eigen gelijkaardige producten' van art.
13 lid 2 Richtlijn 2002/58/EG resp. `eigen gelijksoortige producten' van art. 11.7
lid 2 Tw. Zie bijv. Arno Lodder, `SPAM Verboden: Een kritische analyse',
JAVI
2004-2 p. 43-50.
58 Overigens wel op basis van de CFAA, zie paragraaf 3.1, of door middel van het
handhaven van hun
terms of use.
59 Junkbusters Corp., Consumer Federation of America, Privacy Rights Clearing
House, National Consumers League, Consumer Action, Coalition Against Unso-
licited Commercial Email, Commercial Alert, SpamCon Foundation, `Joint Open
Letter on Spam Regulation', http://www.cauce.org/legislation/index.shtml; ,
Center for Democracy and Technology, `CDT letter to House Commerce Com-
mittee', 15 oktober 2003, http://www.cdt.org/speech/spam/031015cdt.shtml,
`Spamhaus Position on CAN-SPAM Act of 2003', http://www.spamhaus.org/
position/CAN-SPAM_Act_2003.html
60 Jack Hitt, `Confessions Of A Spam King',
The New York Times, 28 september
2003, p. 48
61 Overigens is men in de staten die wél een effectieve
private right of action kenden
van mening dat deze ondanks de CAN-SPAM Act gehandhaafd blijft voor wat
betreft het tegengaan van misleidende spam. Zie bijv. de website van de Senaat
van California: http://info.sen.ca.gov/pub/bill/sen/sb_14511500/sb_1457_
cfa_20040413_092548_sen_comm.html en http://www.aboutspam.com/
276
liet als reactie op de CAN-SPAM Act in een persconferentie
weten dat zijn organisatie wegens ontoereikende bezetting en
financiën slechts in beperkte mate in staat zal zijn de CAN-
SPAM Act te handhaven. Hij uitte tevens de vrees dat de wet de
strijd van de FTC tegen spam in gevaar zou kunnen brengen.
62
Een ander lid van de FTC (de commissie kent vijf leden) gaf in
een interview de volgende reactie op de wet:
Sometimes no legis-
lation is better than bad legislation. This is a piece of bad legislation.
63
Vlak vóór de stemming over de wet schreef de
National Asso-
ciation of Attorneys General in een brandbrief aan de regering dat
handhaving van de spamproblematiek door de CAN-SPAM
Act alleen maar moeilijker zou worden.
64
Waarschijnlijker is
het dat ISP's de strijd tegen spam voorlopig (weer) alleen zul-
len voeren. Wat dat betreft valt het ook te betreuren dat de
maximale schadevergoeding per gerouteerd bericht en de
maximale totale schadevergoeding per zaak die een ISP kan
eisen, lager liggen dan in de meeste statelijke spamwetten.
Ten slotte is ook op federaal niveau gekozen voor het opt-
out regime, zij het niet geheel onverwacht. De krachtige lobby
van het bedrijfsleven heeft in deze keuze de belangrijkste rol
gespeeld. Daarbij heeft de meerderheid van het Congres blijk-
baar gemeend dat het door twee federale Circuit Courts uitge-
sproken oordeel dat de TCPA in overeenstemming is met de
constitutie, toch niet voldoende was om een opt-in regime ten
aanzien van spam te rechtvaardigen.
65
Consensus in het Con-
gres is uiteindelijk bereikt op basis van de gedachte `beter iets
dan niets', maar de vraag is of men zich hierin niet vergist
heeft. Het legaliseren van ongevraagde commerciële e-mail
heeft in elk geval niet tot gevolg dat er minder van verzonden
wordt.
De overheid gaf in januari 2004 nog blijk van hoopvolle ver-
wachtingen betreffende de constructie van een
Do-Not-E-mail-
register, naar model van het vorig jaar in werking getreden én
succesvolle
Do-Not-Call-register. Iedereen zou zijn/haar e-mail-
adres in dit register kunnen laten opnemen. Het zou spammers
vervolgens verboden worden om e-mailadressen uit dit register
te gebruiken. Op deze manier zou in de praktijk toch het effect
van een opt-in regime bereikt worden. De FTC, belast met de
realisatie van het register, hield een consultatieronde waaruit
bleek dat het bedrijfsleven, onder het mom van `freedom of
commercial speech', grote bezwaren had tegen het plan.
66
Con-
sumentengroepen waren niet zozeer tegen het idee achter het
register, maar lieten zich sceptisch uit over de (technische) uit-
voerbaarheid. Uiteindelijk heeft de FTC eind juni 2004 in een
rapport aan het Congres geadviseerd om het gehele plan voor-
alsnog te laten varen. Volgens de FTC is een Do Not E-mail-
register nutteloos zolang de identiteit van de meeste spammers
niet kan worden getraceerd. Het rapport vermeldt verder dat
een register zelfs tot een toename van spam kan leiden, nu het
technisch gezien vrijwel onmogelijk is om spammers ervan te
weerhouden misbruik te maken van een dergelijk bestand van
miljoenen, gegarandeerd werkende e-mailadressen.
67
Ter afsluiting; de CAN-SPAM Act in
perspectief
De CAN-SPAM Act in Amerikaans perspectief
De FTC heeft sinds de inwerkingtreding van de wet slechts
twéé zaken tegen spammers aangespannen. Verder heeft zij
inmiddels om een budgetverhoging van 5% gevraagd om aan
de capaciteitsproblemen tegemoet te komen, maar het extra
geld zou, mits het wordt toegekend door het Congres, pas in
2005 beschikbaar komen.
68
Van de openbare aanklagers in de verschillende staten heeft
nog niemand actie ondernomen op basis van de CAN-SPAM Act.
De eerste ISP die een spamzaak onder de CAN-SPAM Act
heeft aangespannen, is het Californische Hypertouch. Bij de
bekendmaking van de zaak gaf Hypertouch te kennen dat de
rechtszaak noodzakelijk was om te laten zien dat ISP's de
strijd niet opgeven ondanks de teleurstellende CAN-SPAM
Act.
69
In maart 2004 volgden de vier grootste ISP's van Ameri-
ka dit voorbeeld door tegelijkertijd een aantal zaken tegen
grote spammers aan te spannen. In tegenstelling tot Hyper-
touch gaven zij bij de bekendmaking hiervan blijk van een
gematigd pósitieve reactie ten aanzien van de mogelijkheden
van de CAN-SPAM Act.
70
Gezien de aard van de bedrijven niet
onbegrijpelijk. Het betrof namelijk America Online, Earth-
link, Yahoo en Microsoft, stuk voor stuk betrokken bij de lob-
by vóór de CAN-SPAM Act. Deze bedrijven vormen tezamen
een aanzienlijk deel van de totale ISP-markt, maar hebben
daarnaast nog andere, soms veel grotere bedrijfsactiviteiten
en bijbehorende marketingbelangen.
Amerikaanse spammers zelf, gevraagd om hun vooruitzich-
ten na de CAN-SPAM Act, zijn van mening dat de wet in elk
geval niet tot gevolg zal hebben dat er minder spam wordt ver-
stuurd. Zij verwachten dat een aantal kleine spambedrijven
moeilijke tijden tegemoet gaan vanwege de adminstratieve
last van het voldoen aan de voorwaarden uit de wet, met name
het voeren van een opt-out administratie. Deze spammers zijn
nu voornamelijk in Florida gevestigd, een staat die vóór de
CAN-SPAM Act nog geen spamwetgeving kende.
71
Een gedeel-
te van deze spammers zal vanuit landen met mildere wetge-
ving haar operaties illegaal voortzetten. Anderen zullen trach-
ten gebruik te maken van de in paragraaf 4.2 genoemde
loopholes die de wet kent of het in ieder geval doen voorkomen
aan de ontvangers alsof zij aan de wet voldoen.
72
Ten slotte zijn
er ook spammers die hun praktijken binnen de kaders van de
62 Andrea Ahles, `Canning the Spam; New Legislation Targeting Junk E-mail
May Not Be Effective But the Battle Has Begun', Forth-Worth-Star-Telegram,
29 Oktober 2003, Jacquelyn Trussel, `Is the CAN-SPAM ACT the Answer to the
Growing Problem of Spam?', in: Loyola Consumer Law Review 2004 (16) p.175.
Zie ook paragraaf 5.1.
63 Bill Husted e.a., `Can the deluge be stopped?',
Atlanta Journal-Constitution, 4 mei
2004.
64 Eerder genoemd in noot 55. `The bill creates so many loopholes, exceptions,
and high standards of proof, that it provides minimal consumer protections
and creates too many burdens for effective enforcement...'.
65 Opvallend is dat een Republikeins Congreslid recentelijk een voorstel heeft inge-
diend in het Congres om de TCPA af te schaffen. `Effort To Repeal Federal Junk
Fax Ban Introduced In Congress', 17 juli 2004. http://democrats.sen.ca.gov/
66 Tim Lemke, `Companies protest any do-not-spam list',
The Washington Times, 13
april 2004.
67 `National Do Not Email Registry. A Report to Congress.' http://www.
ftc.gov/reports/dneregistry/report.pdf
68 Tim Lemke, `Bush asks Congress to fund spam fight', The Washington Times,
3 februari 2004.
69 Amid Asaravala, `ISP Files First Can-Spam Lawsuit',
Wired News, 6 maart 2004,
http://www.wired.com/news/infostructure/0,1377,62559,00.html
70 Saul Hansell, `4 Big internet Providers File Suits To Stop Leading Senders of
Spam',
The New York Times, 11 maart 2004, p. 1.
71 In Boca Raton, op de plaats waar vroeger telecom `sweatshops' stonden, heb-
ben tientallen kleine spambedrijfjes zich gevestigd. De streek wordt ook wel
`Spam Beach' genoemd.
72 Deze praktijk is in iets andere vorm al bekend. Een aantal spammers heeft bij-
voorbeeld lange tijd aan de aandacht van de consument weten te ontsnappen
Mediaforum 2004-9
Mediaforum 2004-9
277
CAN-SPAM Act willen continueren en hun bedrijfsvoering
daartoe legaal zullen inrichten.
73
Dat het aandeel van het `bonafide' bedrijfsleven in de legale
verzending van spam spoedig fors zal toenemen, valt af te
lezen uit het feit dat honderden adviesbureaus en advocaten-
kantoren hun bedrijfsvoering in de afgelopen maanden heb-
ben uitgebreid met trainingen voor bedrijven `hoe te voldoen
aan de CAN-SPAM Act' en software aanbieden om marketing
e-mails automatisch aan te vullen met alle verplichte informa-
tie.
74
Antispamorganisatie SpamHaus.org lijkt een punt te
hebben door te stellen dat iedere consument nu in theorie 23
miljoen spamberichten tegemoet kan zien, namelijk één van
elk Amerikaans bedrijf, afzonderlijke business-divisies niet
meegerekend.
75
Bedrijven die zich vroeger niet snel inlieten
met schimmige spammers, zien zich straks geconfronteerd
met aantrekkelijke aanbiedingen van professionele, betrouw-
bare én legaal opererende e-marketingbureaus. De `spamcon-
tract'-praktijk, vroeger alom verguisd,
76
zal ongetwijfeld voor
velen een nieuwe bron van inkomsten gaan vormen, niet in de
minste plaats voor de Amerikaanse juristerij.
77
Overigens zijn er in Amerika reeds een aantal onderzoeken
gedaan naar de
opt-out compliance van bedrijven. Zo maakte
Jupiter Research bekend dat zestien procent van de door hen
onderzochtte bedrijven, nota bene uit de
Fortune 500, geen
gehoor had gegeven aan een opt-out verzoek. Een ander
onderzoek, uitgevoerd zes maanden na de inwerkingtreding
van de wet, concludeerde uit de onderzoeksresultaten:
Did
opting-out make a difference? Yes, it did. It attracted more spam.
78
En
ook de verschillende methoden waarop grote bedrijven de
opt-out mogelijkheden presenteren aan consumenten (easily
accessible, zo verlangt de CAN-SPAM Act), stemt somber. Voor
een marketingactie van Sony moest bijvoorbeeld naar drie ver-
schillende telefoonnummers worden gebeld alvorens men
was uitgeschreven voor de mailinglist.
79
De CAN-SPAM Act in internationaal perspectief
Bovenstaande ontwikkelingen zullen ook gevolgen hebben
voor de Europese strijd tegen spam. De verwachte toename
van Amerikaanse spam, al dan niet legaal verzonden onder
Amerikaans recht, betekent vrijwel zeker een toename van
spam in Europa. Uit diverse onderzoeken, onder meer van de
United Nations Commission on Trade And Development
(UNCTAD) blijkt dat vlak vóór de CAN-SPAM Act meer dan de
helft van de naar Europa verstuurde spam uit de VS kwam.
80
De Amerikaanse verzenders van deze spam lieten zich derhal-
ve niets gelegen liggen aan het toen reeds geldende Europese
opt-in regime.
Wellicht dat sommigen van hen zich nu zullen conformeren
aan de CAN-SPAM Act, maar de Europese regelgeving zal een
ver-van-hun-bed-show blijven.
Daarnaast is het zeer de vraag of de vele Amerikaanse bedrij-
ven die zich door de CAN-SPAM Act aangemoedigd zien om te
beginnen met spammen zich bewust zullen zijn van het feit
dat ten aanzien van Europa andere regels gelden. En, mochten
zij dit al beseffen, dan is de vervolgvraag of dit besef hen er van
zal weerhouden om Europeanen te spammen. Ten eerste vergt
het een zeer grote adminstratieve inspanning om hun bestan-
den met miljoenen e-mailadressen (waarvan velen bijv. eindi-
gend op @hotmail.com) minutieus te screenen op bijbehoren-
de nationaliteit of verblijfplaats. Voorts hoeven zij niet te
vrezen voor strikte handhaving van de Europese regelgeving.
De OPTA bijvoorbeeld, handhaver van het recent in de Neder-
landse Telecommunicatiewet ingevoerde opt-in regime, zal
hen geen bestuurlijke boete opleggen wegens het zonder toe-
stemming versturen van spam aan Nederlandse consumen-
ten. Op de officiële website van de OPTA met betrekking tot
deze handhavingstaak, www.spamklacht.nl, valt namelijk te
lezen dat zij géén klachten in behandeling neemt over buiten-
landse verzenders van spam.
81
Dat de Amerikaanse CAN-SPAM Act de kracht van het Euro-
pese opt-in regime zal ondermijnen is zeker.De recente oproe-
pen van beide zijden tot internationale coöperatie, zoals bij-
voorbeeld geuit op de spamworkshops van respectievelijk de
OESO en de ITU, lijken dan ook mosterd na de maaltijd.
82
Niet
voor niets waren deze workshops voornamelijk gericht op
technische beschermingsmiddelen tegen spam, hetgeen met
de inwerkingtreding van de CAN-SPAM Act wellicht inder-
daad de primaire focus behoeft. Of resteert ons in de strijd
tegen spam de oplossing die visionair Bill Gates op de World
Economic Summit propageerde, te weten het minder goed-
koop maken van e-mail?
83
De verplichting van bijvoorbeeld
een virtuele postzegel zou inderdaad betekenen dat het
lukraak spammen van miljoenen e-mailadressen een stuk
minder aantrekkelijk wordt. Op de OESO spamworkshop kon
een groot aantal deelnemers zich in elk geval vinden in deze
suggestie. Mijns inziens is dit exemplarisch voor de uitzicht-
loze situatie waarin we, met name sinds de inwerkingtreding
van de CAN-SPAM Act, zijn beland. Het getuigt immers wel-
haast van een sinister complot dat de voormalig topman en
tegenwoordig invloedrijke adviseur van één van 's werelds
grootste bedrijven vlak na de inwerkingtreding van de spam-
wet waar hij actief pleitbezorger van was, met succes weet te
lobbyen voor de ontwikkeling van een `virtual stamp' (
patent
pending) als enig redmiddel tegen spam!
door in hun berichten te vermelden dat deze voldeden aan de normen van de
`S. 1618 / H.R. 3888 Act', wat in werkelijkheid slechts een hangend wetsvoorstel
was.
73 Saul Hansell, `An Unrepentant Spammer Vows To Carry On, Within the Law',
The New York Times, 30 december 2003, Jan Libbenga, `Spammers not deterred
by Can Spam Act',
The Register, 2 januari 2004, http://www.theregister.co.uk/
2004/01/02/spammers_not_deterred_by_can/
74 Een greep uit velen: `How to Comply with the CAN-SPAM Act of 2003',
http://www.webmarketingtoday.com, `Make Sure Your Emails Comply with
the New Law', http://www.customerparadigm.com, `CAN-SPAM Compliance
Company LLC', http://www.can-spamcompliance.com/
75 `United States Heads Towards Legalization of Spam', 24 mei 2003,
http://www.spamhaus.org/news.lasso?article=12
76 Paul Festa, `PSINet assailed as spam contract surfaces', CNet News, 6 november
2000, http://news.com.com/2100-1023-248211.html?legacy=cnet&tag=st.ne.
1430735..ni
77 Zie de website van de spamconferentie aan MIT die in januari 2004 gehouden
werd: http://www.spamconference.org/webcast: `the law of spam'. `If we can
make them hire lawyers, we've succeeded on some level!'.
78 `The CAN-SPAM Act of 2003: A Six-Month Progress Report', juli 2004, Ken-
tucky Long-Term Policy Research Center, http://www.kltprc.net/policynotes/
pn0015_spam.pdf
79 Tom Spring, `Opting Out Is Hard to Do',
pc World, 26 april 2004.
80 Zie noot 5. Opmerkelijk is dat de indieners van het wetsvoorstel dat ten grond-
slag lag aan de CAN-SPAM Act in hun toelichting juist beweren dat de meeste
spam uit Europa komt en dat Amerika slechts voor 11 procent van de totale
hoeveelheid spam in de wereld verantwoordelijk is. Mijns inziens exempla-
risch voor het gebrek aan internationale samenwerking op het gebied van
spamregulering.
81 https://www.spamklacht.nl/asp/klachtindienen/
82 De Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) hield
op 2 en 3 februari 2004 een workshop over spam in Brussel. Het verslag is te lezen
op de website: http://www.oecd.org/dataoecd/55/32/31450810.pdf. De ITU hield
van 7 tot 9 juli een bijeenkomst in Genève. http://www.itu.int/osg/spu/spam/
83 John Naughton, `Gates wide open to spam',
The Observer, 22 februari 2004,
http://observer.guardian.co.uk/business/story/0,6903,1153178,00.html
Mediaforum 2004-9
278
Inleiding
Het proefschrift van Lemmens zoekt naar een evenwicht tus-
sen het belang het publiek te informeren en het individuele
belang van de eer en de goede naam. Het boek besteedt veel
aandacht aan rechtvaardigingen van de uitingsvrijheid en de
persvrijheid en aan de jurisprudentie van het EHRM. Tevens
geeft de auteur een uiteenzetting van het geldend Belgische
recht en formuleert hij een reeks voorstellen ter verbetering
daarvan. Door de brede aanzet en de overwegingen met
betrekking tot de maatschappelijke verantwoordelijkheid van
de pers heeft het boek overigens een ruimer bereik dan louter
de verhouding tussen de persvrijheid en de bescherming van
de eer en goede naam. Het proefschrift lijkt als rechtvaardi-
ging te willen dienen om met name de persvrijheid strikter te
omschrijven. Het brengt zo op theoretisch niveau enige
samenhang aan in meer of minder losse ideeën, die ook in
Nederland opgeld doen. Deze ideeën vormen in deze recensie
de achtergrond waartegen het proefschrift zelf wordt belicht.
Vergroting vrijheid van meningsuiting
en persvrijheid
De afgelopen decennia is de uitingsvrijheid in de staten die
partij zijn bij het EVRM over het algemeen groter geworden.
Zo is de ruimte voor kritiek op overheid, gezagdragers en
andere `public figures' toegenomen. Hier kan in het midden
blijven in hoeverre deze ontwikkeling uit de USA is overge-
waaid,
1
in Straatsburg is uitgedokterd, of te maken heeft met
de democratiseringstendens die zich in veel Europese landen
voordeed. De vergroting van de uitingsvrijheid komt in het
Nederlandse recht onder meer naar voren uit de opname van
strafuitsluitingsgronden in de artikelen 261 en 266 Sr en uit de
meer recente jurisprudentie van de Hoge Raad waaruit blijkt
dat het belang van het maatschappelijk debat al dan niet in
combinatie met de vrijheid van godsdienst aan bepaalde uit-
latingen het beledigend karakter kan ontnemen.
2
Bovengenoemde ontwikkelingen hebben met name betrek-
king op de inhoudelijke uitingsvrijheid. Daarnaast is de
bescherming van bepaalde andere werkzaamheden van de
pers toegenomen. Hier zij slechts gewezen op de erkenning
van het brongeheim van journalisten door het EHRM.
3
Dat de
Hoge Raad als gevolg hiervan is omgegaan mag als bekend ver-
ondersteld worden.
4
De rol van de pers, die in een democratie
van essentieel belang is, heeft met andere woorden niet alleen
consequenties voor de inhoudelijke vrijheid maar ook voor
andere aspecten van haar functioneren.
Kentering?
De laatste jaren gaan in Nederland met enige regelmaat
stemmen op die de vrijheid van meningsuiting te ver doorge-
schoten achten. Tevens neemt de kritiek op het functioneren
van de media toe. Een aantal opvallende signalen passeert hier
de revue. Barendrecht doet in het
NJB het voorstel persproduc-
ten in het aansprakelijkheidsrecht net zo te behandelen als
andere producten.
5
Is het product gebrekkig dan is de produ-
cent al snel aansprakelijk voor mogelijke schade. Het belang
van de vrijheid van meningsuiting verdampt op deze wijze
grotendeels.
Een ander voorbeeld. De minister-president vindt dat een
satire op het koningshuis al snel `te ver' gaat. Dat is mogelij-
kerwijs niet meer dan een drieste uitlating van een onvervaard
strijder voor normen en waarden, maar al eerder was na dertig
jaar het delict van `majesteitsschennis' uit zijn sluimer gewekt.
Het OM stelde vervolging in naar aanleiding van uitlatingen
gedaan op de huwelijksdag van Willem-Alexander en Máxi-
ma. De rechter hield betrekkelijk weinig rekening met het feit
dat de op zichzelf beledigende uitlating een bijdrage aan het
maatschappelijk debat leverde.
6
Een laatste punt waarbij de
inhoudelijke vrijheid de nodige bezwaren oproept, is de ver-
houding met de privacy, bijvoorbeeld voor slachtoffers van
misdrijven. Nu is dat laatste niet nieuw, maar het past wel in
dit rijtje.
De kritiek op het functioneren van de media lijkt wat meer
gestructureerd, voorzover zij in een rapport van de RMO als de
negatieve kant van de `medialogica' wordt gepresenteerd.
7
De
kritiek komt er in de eerste plaats op neer dat de media te veel
en te vaak haastwerk verrichten en elkaar kopiëren, al was het
alleen maar om de concurrentie bij te houden. In de tweede
plaats zouden de media teveel aandacht hebben voor schanda-
Oppassend geblaf
K. Lemmens, La presse et la protection juridique de l'individu. Atten-
tion au chiens de garde! De Boeck & Larcier, Bruxelles 2004, ISBN
2-8044-1263-6,
130.
Boekbespreking
Aernout Nieuwenhuis
*
*
Mr. A. J. Nieuwenhuis is werkzaam bij de leerstoelgroep staats- en bestuurs-
recht van de UvA, is gelieerd aan het IViR en is redacteur van dit blad.
1
Het is 40 jaar na
New York Times vs. Sullivan 376 US 254 (1964).
2 HR 9 januari 2001,
NJ 2001, 203; HR 9 januari 2001, NJ 2001, 204; HR 14 januari
2003,
NJ 3003, 261; zie uitgebreid hierover A. J. Nieuwenhuis, `Godsdienstvrij-
heid en bijdragen aan het maatschappelijk debat',
NJCM-bulletin 2004, p. 154-
166.
3 EHRM 26 maart 1996,
NJ 1996, 577 (Goodwin).
4 HR 10 mei 1996,
NJ 1996, 578 (Van den Biggelaar).
5 M. Barendrecht, `Breidel de pers: gewone aansprakelijkheid voor gewone
bedrijven',
NJB 2003, p. 2009-2010.
6 Men denke aan de poster met kritiek op het regime van de Argentijnse junta,
Hof Amsterdam 29 maart 2004,
Mediaforum 2004 -5, nr. 17, m.nt G.A.I. Schuijt.
7 Raad voor Maatschappelijke ontwikkeling,
Medialogica. Over het krachten veld tus-
sen media, burgers en politiek, Den Haag RMO 2003, besproken door G.A.I. Schuijt
in
Mediaforum 2003, p. 363 v. Zie ook L.R. van Harinxma thoe Slooten, `De criti-
cus bekritiseerd: een waakhond voor de media',
NJB 2004, p. 1200-1206.
Mediaforum 2004-9
279
len en conflicten, die niet meer dan een korte-termijn belang
hebben. Deze wijze van berichtgeving zou cynisme en gebrek
aan maatschappelijk vertrouwen veroorzaken. In elk geval
blijkt het vertrouwen in de media af te nemen. Een bijkomend
gevolg zou kunnen zijn dat de burger een verkeerd beeld van
overheid en het overheidsbeleid krijgt. Overigens staat juist
ook de te ver gaande samenklontering tussen politici, ambte-
naren en journalisten aan kritiek bloot.
8
Het idee dat de inhoudelijke vrijheid van meningsuiting te
ver is doorgeschoten, is te onderscheiden van de kritiek op het
functioneren van de media. Zo hoeft de opvatting dat het de
media toegestaan moet zijn snel en uiterst kritisch te berich-
ten over `public figures' niet zonder meer in strijd te komen
met de opvatting dat het onwenselijk kan zijn dat de media
dagenlang over elkaar heen vallen om iemand aan de schand-
paal te nagelen. Tot op zekere hoogte vergelijkbaar: de media
moeten foto's van bekende personen kunnen plaatsen; ze
moeten deze foto's ook kunnen nemen, wanneer deze perso-
nen bijvoorbeeld aan het winkelen zijn, maar het is op zijn
minst onwenselijk dat bepaalde personen dag in dag uit ach-
tervolgd worden door paparazzi.
9
Bezwaren tegen de grote inhoudelijke vrijheid en tegen het
functioneren kunnen ook in elkaar overlopen. Blijken bepaal-
de uitwassen door de `logica van het functioneren' niet op
andere wijze te voorkomen, dan zou dat een argument kun-
nen zijn voor inhoudelijke beperkingen. De samenhang kan
echter ook gebaseerd zijn op een theorie van de grondslagen
van de vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid. Dat
brengt als vanzelf het proefschrift van Lemmens in beeld.
Grondslagen uitingsvrijheid en persvrijheid
Het eerste deel van het boek van Lemmens zoekt naar de
grondslagen van de individuele uitingsvrijheid. De bekende
trits `zoeken naar waarheid', `democratie' en `individuele auto-
nomie' passeert de revue. Af en toe worden kanttekeningen
gezet die in het boek blijven doorklinken. Zo veronderstelt de
idee van een `free market place' die tot vooruitgang leidt, vol-
gens de auteur een betrekkelijk grote mate van rationaliteit bij
de deelnemers. In elk geval zou een individu op de markt moe-
ten kunnen onderscheiden welke informatie niet meer dan
propaganda is. Bescherming tegen leugenachtige berichtge-
ving helpt bij het zoeken naar de waarheid. De ideeën van Mill
die mede aan de `free market place' ten grondslag liggen, leren
eveneens dat onjuiste
opvattingen niet wegens hun onjuistheid
geweerd mogen worden maar dat `false statements of fact' een
geheel andere positie innemen.
Het verband tussen democratie en uitingsvrijheid is volgens
Lemmens tot op zekere hoogte paradoxaal, tenminste voorzo-
ver de meerderheid een beperking van de uitingsvrijheid
nastreeft. Daarom zal men in het democratiebegrip de politie-
ke gelijkheid tussen meerderheids- en minderheidsopvatting
voorop dienen te stellen. Het democratiebegrip impliceert
immers dat juist de minderheidsopvatting kan blijken de
betere te zijn. De grondslag in de individuele autonomie, ten
slotte, kan moeilijk duidelijk maken waarom andere hande-
lingen minder bescherming ondervinden dan het zich uiten.
De auteur maakt vervolgens nadrukkelijk onderscheid tus-
sen de individuele vrijheid van meningsuiting en de vrijheid
van de media, de persvrijheid. Dat gebeurt niet alleen omdat
de individuele autonomie naar zijn mening hier nauwelijks
een rol speelt, maar meer nog omdat een benadering uit moet
gaan van de rol die de media in de maatschappij vervullen. De
betekenis voor waarheid en democratie moet in dat licht
beschouwd worden (p. 84). De rol van de pers als waakhond
impliceert enerzijds dat de pers gefaciliteerd dient te worden,
bijvoorbeeld met perstribunes. Anderzijds leidt de maat-
schappelijke functie tot een grotere verantwoordelijkheid, die
gekoppeld is aan het recht van het publiek op correcte infor-
matie. De pers wordt eigenlijk de gevolmachtigde van het
publiek'. Wat dat betreft neemt haar vrijheid af, maar de
auteur prefereert een `billijke pers' (`presse équitable') boven
een `vrije pers', ook al geeft hij onmiddellijk toe dat het moei-
lijk is om vast te stellen wat een `billijke pers' is (p. 90).
In elk geval kiest hij onomwonden voor een pers die verant-
woordelijkheid is ten opzichte van de gemeenschap, en zich
niet simpelweg door het streven naar winst of door zucht naar
sensatie laat leiden. Deze `approche communitaire' bestaat
naar zijn mening uit een integratie van de negatieve en de
positieve persvrijheid. Wél onderkent hij de gevaren van een
dergelijke aanpak. Het is oppassen voor een instrumentalise-
ring van de persvrijheid en voor een overschatting van de poli-
tieke discussie. Daarom is een dergelijke benadering alleen
mogelijk wanneer ergens al een liberaal model van persvrij-
heid gevestigd is en de principes daarvan gerespecteerd wor-
den; anders verbreekt de communautaire benadering het
evenwicht tussen individu en maatschappij. De auteur grijpt
terug op de `social responsibility theory' van de pers, die in de
jaren vijftig naar voren werd geschoven.
10
Deze theorie wordt
evenmin steeds als een alternatief voor het liberale model
beschouwd, maar vaak in de eerste plaats als een aanvulling
daarop.
Deze interessante passages hebben mij niet kunnen overtui-
gen. Nog steeds is mij niet geheel duidelijk hoe de verhouding
is tussen de rol die de media vervullen en de normatieve conse-
quenties daarvan. De rol die de media feitelijk vervullen blijkt
namelijk niet het enige uitgangspunt van de redenering. Zou
men al over de kloof tussen `Sein und Sollen' heen willen
springen en uit die rol een norm afleiden, dan zou er uit de
aard der zaak weinig hoeven veranderen. De norm zou
immers het feitelijk functioneren dekken. In het uitgangs-
punt is derhalve steeds meegenomen de functie die de media
behoren te vervullen. Op dat moment worden de risico's dat dé
gemeenschap in hoge mate
dé positieve invulling van dé vrij-
heid van
dé media mag bepalen wel erg groot.
Voor een concreet voorbeeld zij teruggegrepen op de `media-
logica'. Men kan wellicht constateren dat
dé pers relatief veel
aandacht aan conflicten en schandalen besteedt. Volgens som-
migen worden de maatschappelijke en politieke ontwikkelin-
gen (`de graaicultuur') zodoende het beste belicht. Het zou
dan ook veel te ver voeren op de sociale verantwoordelijkheid
de norm te baseren dat
dé pers minder aandacht aan schanda-
len en conflicten moet besteden. Een dergelijke norm lijkt
bovendien al snel ingegeven om het wij-gevoel te beschermen.
Juist omdat er verschillend gedacht kan worden over de beste
manier om het nieuws te brengen, verdient een `vrije pers'
8 Raad voor het Openbaar bestuur, Politiek en Media, pleidooi voor een LAT-
relatie, Den Haag 2003.
9 Het is onduidelijk in hoeverre dat laatste aspect medebeslissend is in EHRM 24
juni 2004,
Hannover v Germany, Mediaforum 2004-7/8, nr. 27 m.nt. G.A.I. Schuijt.
10 F. Siebert e.a.,
The Authoritarian, Libertarian , Social Responsibility and Soviet Com-
munist Concepts of What the Press should be and do, Urbana 1956.
280
naar mijn mening de voorkeur boven een `billijke pers'. Dat
wil overigens niet zeggen dat er geen probleem zou kunnen
bestaan wanneer persorganen eigenlijk zelf anders willen
maar in een bepaalde logica gevangen zitten.
Behandeling jurisprudentie EHRM
De behandeling van de jurisprudentie van het EHRM vormt
de tweede hoofdmoot van het boek. Ik beperk me tot enkele
opmerkingen. In de eerste plaats wil de auteur weinig weten
van een geprivilegieerde positie van artikel 10 EVRM. De
uitingsvrijheid kan bovendien stuiten op andere fundamente-
le rechten zoals de rechten vastgelegd in artikel 8 EVRM. Deze
opmerking mag in haar algemeenheid juist zijn, het EHRM
lijkt aan uitlatingen die een bijdrage leveren aan het publieke
debat wel degelijk een zeer grote mate van bescherming te ver-
lenen. De auteur is dan ook consequent wanneer hij zijn onge-
noegen laat blijken over een arrest als
Oberschlick II.
11
Het
EHRM overdrijft daarin naar zijn mening en maakt de pers-
vrijheid tot een heilige koe. De strafbaarstelling van de
betreffende beledigingen (`Trottel statt Nazi') tracht immers
het niveau van het maatschappelijk debat te handhaven en te
voorkomen dat burgers zich laten afschrikken om de politieke
arena te betreden. Met instemming wordt de `dissenting opi-
nion' van rechter Matscher aangehaald die het belang van `de
echte discussie' vooropstelt.
Een ander punt waarin de communautaire benadering
doorklinkt is de nadruk die de auteur legt op het op morele
gronden onderscheid maken tussen categorieën uitlatingen.
Het kan naar zijn mening om die specifieke reden niet zo zijn
dat antidemocratische uitlatingen dezelfde bescherming krij-
gen als andere politieke uitlatingen en evenmin mag kinder-
pornografie dezelfde bescherming toekomen als andere
audiovisuele producten. Twee opmerkingen daarover. De
moraal is in artikel 10 lid 2 EVRM vastgelegd als beperkings-
grond; het is daarom de vraag of deze nog een extra rol moet
vervullen. In de tweede plaats is flagrante strijd met de
gemeenschapsmoraal een criterium dat zich mijns inziens
ook kan lenen voor het accepteren van beperkingen van sterk
afwijkende geluiden, zonder dat er van (dreigende) schade
sprake is.
Voorstellen tot wijziging van het recht
Het derde en vierde deel van het boek zijn gewijd aan de
behandeling van het Belgisch recht respectievelijk aan de op
het eerder uiteengezette gedachtegoed gebaseerde voorstellen
tot wijziging daarvan. Ik laat het derde deel hier links liggen.
De wijzigingsvoorstellen zijn echter interessant, ook zonder
behandeling van het geldend Belgisch recht. De auteur wenst
in de eerste plaats meer nadruk voor de met de maatschappe-
lijke verantwoordelijkheid verbonden beroepsethiek van
journalisten en daaraan gekoppeld een versterking van de
positie van de Raad voor de Journalistiek.
In de tweede plaats pleit hij voor de instelling van een Orde
van Journalisten. Het voeren van de titel van journalist zou
beschermd moeten zijn. De erkenning als journalist zou
afhankelijk moeten zijn van een minimum aan journalistieke
scholing en zou de aanvaarding van de maatschappelijke ver-
antwoordelijkheid met zich mee moeten brengen. Bij de toe-
gang tot bijvoorbeeld persconferenties zouden `erkende jour-
nalisten' vervolgens voorrang dienen te hebben. Voorts zou bij
steunverlening aan de pers rekening gehouden mogen wor-
den met de hoeveelheid erkende journalisten dat voor een
bepaald blad werkzaam is. Uit dat laatste blijkt al dat de
instelling van een Orde niet betekent dat journalistiek werk
alleen door erkende journalisten mag worden verricht. Mede
om die reden acht de auteur zijn plan niet strijdig met het
recht op vrijheid van meningsuiting. De auteur gaat echter
niet uitgebreid in op door hem wel aangestipte bezwaren (p.
486) van bijvoorbeeld Voorhoof tegen een dergelijke opzet.
Voorts wil de auteur de persvrijheid ook inhoudelijk beper-
ken. Hij wil een inbreuk op de privacy net als in Frankrijk in
het Wetboek van Strafrecht opgenomen zien en tevens het
portretrecht versterken. Ten slotte doet hij ook nog het voor-
stel om burgers, waarover de pers bericht, meer mogelijkhe-
den tot een weerwoord te geven.
Vergelijking met Nederlandse voorstellen
Vergelijken we deze voorstellen met de voorstellen die we in
Nederland in het rapport
Medialogica van de RMO terugvinden
en de beperkte keuze die de Nederlandse regering daaruit
heeft gemaakt,
12
dan valt een aantal zaken op.
In de eerste plaats vinden we in Nederland (nog) in veel min-
dere mate een verbinding tussen voorstellen die zien op een
inhoudelijke beperking van de vrijheid van meningsuiting en
voorstellen die in de eerste plaats zien op de verbetering van
het mogelijkerwijs gebrekkige functioneren van de media.
Dat wil overigens niet zeggen dat er geen overloop mogelijk is.
Versterkt men de positie van de Raad voor de Journalistiek en
hoopt men dat ook de rechter zich iets aan de uitspraken van
dat orgaan gelegen laat liggen, dan kan een beperking van de
inhoudelijke vrijheid het gevolg zijn.
De reden dat Lemmens zowel op inhoudelijke als op organi-
satorische wijzigingen uitkomt, is dat hij uitgaat van een inte-
grale visie op de persvrijheid. Weliswaar vinden we in het
RMO-rapport ook noties uit de theorie van de maatschappelij-
ke verantwoordelijkheid, en komen bepaalde voorstellen
overeen met die van Lemmens, de aanzet van het rapport is
beperkter. Het concentreert zich op bepaalde problemen in
het functioneren van de media. Daartegenover lijkt Lemmens
de uitoefening van de persvrijheid wezenlijk aan de gemeen-
schap te willen binden. Het is de vraag of hij daarmee binnen
het door hemzelf gepostuleerde liberale model blijft.
Voor de voorstellen die de Nederlandse regering intussen
heeft overgenomen uit het rapport van de RMO geldt dat uit-
drukkelijk wel. De regering accepteert het liberale model in
grote lijnen, maar wil hooguit enkele verzachtende maatrege-
len nemen: ondersteuning van de organisatie van de Raad
voor de Journalistiek en een vorm van fusie controle die de
gevolgen voor de pluriformiteit in rekening brengt.
Overigens zij gezegd dat de vrijheid van de publieke omroep
ook in Nederland in belangrijke mate afgeleid is van haar
maatschappelijke functie. In al dan niet vermeende tekortko-
mingen in het media-aanbod kan dan ook in eerste instantie
11 EHRM 1 juli 1997,
NJ 1999, 907.
12 Brief aan de kamer van 12 juli 2004, TK 2004/05, 29692, 1.
Mediaforum 2004-9
Mediaforum 2004-9
281
worden voorzien door de taakstelling van de publiek omroep
aan te passen of de positie van de publiek omroep te verster-
ken, zonder dat zij op kijkcijferjacht moet. Dat was dan ook
één van de aanbevelingen van de RMO, en de regering neemt
deze opvatting in elk geval gedeeltelijk over.
Kentering of keer
In het begin van dit betoog is gesteld dat de inhoudelijke
uitingsvrijheid de laatste decennia is toegenomen. Eveneens is
gesteld dat er bepaalde tekenen zijn dat deze ontwikkeling
afzwakt. Dat is op zichzelf niet bezwaarlijk. Slechts voor voor-
standers van een absolute vrijheid van meningsuiting zou er
maar één acceptabel eindpunt kunnen zijn, namelijk het
opheffen van alle beperkingen. Gaat men ervan uit dat het
aanzetten tot en de dreiging met geweld verboden mogen
worden evenals laster, bepaalde vormen van smaad en bepaal-
de inbreuken op de privacy, dan is het niet meer dan terecht
dat de voornoemde ontwikkeling op zeker moment afzwakt.
Deze kentering hoeft niet per se een afname van de persvrij-
heid in te luiden. De angst voor het terrorisme zou in deze tijd
wel een bijkomende factor kunnen vormen. Een geforceerd
benadrukken van het gemeenschapsgevoel en het afwijzen
van sterk afwijkende meningen en heftige bewoordingen
beperken immers de ruimte voor het maatschappelijk debat.
Er is echter geen natuurwet die aan de persvrijheid een slin-
gerbeweging voorschrijft. Niet ieder arrest van het Europese
Hof waarin een beperking van de persvrijheid wordt geaccep-
teerd of zelfs gerechtvaardigd, hoeft men dan ook onmiddel-
lijk te duiden als een beperking van de ruimte die het EHRM
eerder zou hebben gegeven.
13
Wel ligt het voor de hand dat in
een periode van kentering eerder dan vroeger ook denkbeel-
den naar voren worden gebracht die nauwelijks anders dan tot
een beperking van de inhoudelijke vrijheid kunnen leiden.
Het boek van Lemmens moge een voorbeeld vormen.
Besluit
Het boek van Lemmens is een goed geschreven verhande-
ling over de vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid.
Een nog ongenoemd bezwaar zou kunnen zijn dat de auteur
er bewust voor gekozen heeft geen aandacht aan `internet' als
nieuwsmedium te besteden.
De auteur accepteert in belangrijke mate de idee van de
sociale verantwoordelijkheid van de pers. Daarbij signaleert
hij bepaalde onduidelijkheden en risico's die aan genoemde
theorie kleven. Hij slaagt er naar mijn mening onvoldoende in
de daarmee samenhangende bezwaren weg te nemen. Op
grond van de theorie van de sociale verantwoordelijkheid van
de pers komt hij tot een reeks voorstellen. Met name de instel-
ling van een Orde van Journalisten gaat ver. Ook hier geldt dat
hij bepaalde bezwaren wel aanstipt maar niet tot een uitge-
breide en overtuigende weerlegging komt. Misschien dat deze
bezwaren juist in het licht van de theorie van de maatschappe-
lijke verantwoordelijkheid minder zwaar wegen.
Desondanks is de lezing van het proefschrift aan te bevelen,
alleen al omdat het proefschrift bepaalde tekenen des tijds in
een betrekkelijk coherent geheel samenbrengt. Het is ook
lezenswaardig voor degenen die onverkort het liberale model
aanhangen. Hier geldt immers het adagium van Mill dat
ideeën die niet tegengesproken worden of anderszins aan kri-
tiek bloot staan, dreigen te verstarren. Dat geldt ook voor
ideeën over de persvrijheid.
13 Vgl. noot E. J. Dommering onder EHRM 13 november 2003 (
Sharsach), NJ 2004,
338.
Mediaforum 2004-9
282
Rechtspraak
Van rechtspraak aangeduid met een
is bij het redactiesecretariaat schriftelijk een
kopie te bestellen. Kosten:
0,50 per pagina,
met een minimum van
7, per bestelling.
Faxtoeslag
11,50. Prijzen zijn exclusief BTW.
J
integraal in dit nummer opgenomen
een kopie is verkrijgbaar bij de re-
dactie
AB
AB Rechtspraak Bestuursrecht
DomJur Domeinnaamjurisprudentie
KG
Kort Geding
LJN-nr.
www.rechtspraak.nl
NJ
Nederlandse Jurisprudentie
NJF
NJ Feitenrechtspraak
EHRM 27 mei 2004, Vides Aizsardzibas Klubs
vs. Letland,
nr. 30 m.nt. A. J. Nieuwenhuis
J
Artikel 10 EVRM · Smaad · Public watch-
dog
Zie de vooraankondiging in Mediaforum 2004-7/8,
p. 246
EHRM 29 juni 2004, Chauvy e.a. vs. Frankrijk,
www.echr.coe.int (appl. nr.64915/01)
Artikel 10 EVRM · Smaad
Klager is auteur van het boek Aubrac-Lyon
1943, dat gaat over de arrestatie van de voor-
naamste leiders van het Franse Verzet door
de chef van de Gestapo, Klaus Barbie. Onder
de gearresteerden bevond zich Raymond
Aubrac. Wat de precieze toedracht was van
deze gebeurtenissen in het Lyon van 1943 is
nog steeds onduidelijk. Het boek presen-
teert de gebeurtenissen naar eigen zeggen
`door het prisma van Aubrac' en stelt `de offi-
ciële waarheid zoals verteld door het echt-
paar Aubrac in de media en in een film die
hun rol verheerlijkt' ter discussie. Klager
concludeert dat er geen op documenten
berustend bewijs is voor de beschuldiging
van Klaus Barbie dat Raymond Aubrac de
verrader was, maar dat de beschrijvingen
soms wel `fantasievol' waren. Hierop volgen
twee pagina's waarop twijfels worden geuit
over de onschuld van Aubrac. Dit leidt tot
een veroordeling wegens smaad jegens de
Aubracs. De Franse rechters wijzen een ver-
zoek om vernietiging van het boek af, maar
verplichten klager wel een aankondiging in
vijf periodieken te plaatsen en om een waar-
schuwing in elk exemplaar van het boek op
te nemen. Het Hof in Straatsburg merkt op
dat de zoektocht naar de historische waar-
heid een belangrijk onderdeel van de vrij-
heid van meningsuiting vormt. Het acht het
niet zijn taak om historische kwesties te
beslechten, maar wel om in casu het publie-
ke belang van kennis van de historische
omstandigheden af te wegen tegen het
belang van de Aubracs bij bescherming van
hun reputatie. Volgens het Hof hebben de
Franse rechters het boek in kwestie grondig
en zeer gedetailleerd onderzocht, vooral de
presentatie van de feiten en de argumenten,
voordat zij tot een veroordeling wegens
smaad kwamen. De veroordeling is geba-
seerd op relevante en voldoende gronden en
de conclusie dat de inhoud van het boek niet
voldoet aan essentiële regels van historisch
onderzoek en zeer zware insinuaties bevatte,
was gebaseerd op behoorlijk bewijs en een
behoorlijke redenering. Geen schending van
artikel 10 EVRM.
EHRM 13 juli 2004, Zarakolu en Belge Uluslar-
arasi Yayincilik vs. Turkije,
www.echr.coe.int
(appl. nr. 26971/95 en 37933/97)
Artikel 10 EVRM
Klaagster Zarakolu is vervolgd en veroor-
deeld wegens het verspreiden van separatis-
tische propaganda nadat zij het boek `Onze
Ferhat, de anatomie van een moord' had
gepubliceerd via haar uitgeverij Belge Ulus-
lararasi Yayincilik (de tweede klager). Het
boek gaat over de moord op de journalist
Ferhat Tepe en spreekt zich uit tegen men-
senrechtenschendingen in `Koerdistan'. De
Turkse autoriteiten worden beschuldigd van
het genadeloos onderdrukken van de vrij-
heidsstrijd van het Koerdische volk. De ver-
oordeling van klaagster wordt door het Hof
in Straatsburg in strijd met artikel 10 EVRM
geacht. Hoewel bepaalde buitengewoon
scherpe passages van het boek de Turkse
staat en vooral het leger in een zeer kwaad
daglicht hadden gesteld en aan het betoog
een vijandige ondertoon hadden gegeven,
werden mensen nergens aangemoedigd tot
het gebruik van geweld of tot het overgaan
tot gewapend verzet of oproer. Ook van `hate
speech' is geenszins sprake. De inbeslagna-
me en de straffen zijn eveneens dispropor-
tioneel en dus niet noodzakelijk in een
democratische samenleving. Een postume
overwinning voor klaagster Zarakolu, daar
zij al in januari 2002 is overleden. De proce-
dure is met toestemming van het Hof voort-
gezet door haar man en twee zonen.
EHRM 15 juli 2004, Haydar Yildirim e.a. vs.
Turkije,
www.echr.coe.int (appl. nr. 42920/98)
Artikel 10 EVRM
Klagers waren leden van de Vrijheid en Soli-
dariteitspartij en leiders van de lokale tak
van de partij in Mamak. Tijdens een demon-
stratie op Wereld Vredesdag in 1996 zijn zij
`betrapt' op het bezit van een partijpamflet
waarop het artikel `Vrede Nu' stond afge-
drukt. In het artikel wordt het leed van het
Koerdische volk beschreven: bombardemen-
ten, martelingen, executies. De Turkse rech-
ters vinden dat het artikel aanzet tot haat en
spreken een veroordeling uit. Klagers moe-
ten voor twee jaar de cel in. In strijd met arti-
kel 10 EVRM, aldus het Hof in Straatsburg.
Klagers hebben als politici en als acteurs op
het Turkse politieke toneel hun mening
gegeven. Zij hebben niemand aangezet tot
het gebruik van geweld of tot gewapend ver-
zet of oproer en hebben zich ook niet schul-
dig gemaakt aan `hate speech'. Ook de straf-
fen zijn disproportioneel en dus niet
noodzakelijk in een democratische samenle-
ving.
EHRM 20 juli 2004, Hrico vs. Slowakije,
www.echr.coe.int (appl. nr.49418/99)
Artikel 10 EVRM · Kritiek op rechter ·
Politiek debat
Klager was uitgever en hoofdredacteur van
het weekblad
Domino efekt. Dit tijdschrift
publiceerde in 1994 en 1995 drie artikelen
over het smaadproces dat de politicus Slo-
bodník had aangespannen tegen de schrijver
Feldek die hem ervan had beschuldigd een
fascistisch verleden te hebben. In één artikel
wordt een interview weergegeven met de
advocaat van Feldek. Deze was van mening
dat rechter S., voorzitter van een kamer van
de Hoge Raad, al lang voordat officieel von-
nis werd gewezen tot zijn beslissing was
gekomen. Bovendien stond de naam van
deze rechter op de kandidatenlijst van de
Christelijk-Sociale Unie, een politieke partij
die een specifieke kijk had op de periode
waarop de zaak tegen Feldek betrekking
had. In een ander artikel wordt kritiek geuit
op het `door S. geproduceerde' vonnis, dat
wordt bestempeld als een `juridische farce'.
Tevens wordt ingegaan op de kansen van
Feldek bij het Europees Hof voor de Rechten
van de Mens (NB: Feldek heeft die zaak
gewonnen, zie het arrest van het Hof van 12
juli 2001, gepubliceerd in
Mediaforum 2001-9,
nr. 35). Rechter S. begint hierop een juridi-
sche procedure tegen klager, die hij wint.
Volgens de Slowaakse rechter hadden de
artikelen duidelijk tot doel om de rechter te
beledigen, te vernederen en in diskrediet te
brengen. Klager moet de rechter een schade-
vergoeding betalen. Het Hof in Straatsburg
acht deze veroordeling in strijd met artikel
10 EVRM. Het merkt dat aan de artikelen ten
grondslag lag het feit dat de rechter een kan-
didaat was voor een politieke partij met een
helder en bekend standpunt over de opstel-
ling van de Slowaakse autoriteiten geduren-
de de periode 1939-1945. In de artikelen werd
betoogd dat een rechter die de politiek in wil
voor een dergelijke partij zich zou moeten
terugtrekken uit een smaadproces dat op die
periode betrekking had. Door dat niet te
doen heeft hij zich willens en wetens bloot-
gesteld aan de dreiging van kritiek door het
publiek. Er is volgens het Hof sprake van een
waardeoordeel in het kader van het publiek
debat over een zaak van publiek belang.
Strijd met artikel 10 EVRM.
EHRM 27 juli 2004, Kürkçü vs. Turkije,
www.echr.coe.int (appl. nr. 43996/98)
Artikel 10 EVRM
Klager heeft een rapport van Human Rights
Watch in het Turks vertaald. Het rapport
bestaat uit een verzameling ooggetuigenver-
slagen van voormalige soldaten die deel had-
den genomen aan missies in het zuidoosten
van Turkije en bevat een analyse van geval-
len van mensenrechtenschendingen in dat
gebied. Klager wordt wegens het belasteren
van de krijgsmacht veroordeeld tot een
gevangenisstraf. Alle exemplaren van het
boek worden in beslag genomen. Het Hof in
Straatsburg honoreert klagers beroep op
artikel 10 EVRM. Hoewel bepaalde buitenge-
onder redactie van
Laurens Dragstra, Lars Huisman, Annetje Ottow en Gerard Schuijt
D o c u m e n t a t i e
v
v
v
woon scherpe passages van het boek een zeer
negatief beeld hadden geschetst van de
Turkse staat en het betoog een vijandige
ondertoon hadden gegeven, wordt nergens
in het boek opgeroepen tot geweld, gewa-
pend verzet of oproer. Ook is er geen sprake
van `hate speech'. De veroordeling is dispro-
portioneel en dus niet noodzakelijk in een
democratische samenleving.
EHRM 29 juli 2004, Iprahim Ülger vs. Turkije,
www.echr.coe.int (appl. nr. 57250/00)
Artikel 10 EVRM
Klager hield in mei 1998 op het congres van
de Democratische Volkspartij een toespraak
waarin hij scherpe kritiek uitte op de manier
waarop veiligheidtroepen optraden tegen
separatistische activiteiten van de Koerden.
Hierop wordt klager veroordeeld tot een
gevangenisstraf en een geldboete vanwege
het verspreiden van propaganda die de terri-
toriale integriteit van de Staat en de ondeel-
bare eenheid van de Turkse natie onder-
mijnt. In strijd met artikel 10 EVRM, aldus
het Hof in Straatsburg. Hoewel bepaalde
buitengewoon scherpe passages in de toe-
spraak een zeer negatief beeld hadden
geschetst van het Turkse anti-terreurbeleid
en de speech een vijandige ondertoon had-
den gegeven, wordt nergens opgeroepen tot
geweld, gewapend verzet of oproer. Ook is er
geen sprake van `hate speech'. De veroorde-
ling is disproportioneel en dus niet noodza-
kelijk in een democratische samenleving.
EHRM 29 juli 2004, Okutan vs. Turkije,
www.echr.coe.int (appl. nr. 43995/98)
Artikel 10 EVRM
Klager hield in 1991 en 1992 als vice-secreta-
ris-generaal van de Volkspartij van de Arbeid
drie politieke speeches waarin hij de manier
waarop veiligheidstroepen optraden tegen
terrorisme in het zuidoosten van Turkije
scherp bekritiseerde. Wegens het versprei-
den van propaganda die de integriteit van de
Staat ondermijnd wordt hij veroordeeld tot
een gevangenisstraf en een geldboete. Het
Hof in Straatsburg honoreert klagers beroep
op artikel 10 EVRM. Klager heeft volgens het
Hof gehandeld als politicus, als speler op het
Turkse politieke toneel. Zijn woorden heb-
ben niemand aangezet tot geweld, gewa-
pend verzet of oproer. Ook is er geen sprake
van `hate speech'. De veroordeling is dispro-
portioneel en dus niet noodzakelijk in een
democratische samenleving.
Conclusie Advocaat-Generaal HvJ EG 14 juli 2004,
KPN
Telecom
vs.
OPTA
en
Denda,
www.curia.eu.int
Relevante informatie · Universele gids-
diendiensten
Het CBB heeft vragen gesteld omtrent de
omvang van de verplichting van aanbieders
van spraaktelefonie om informatie te vers-
trekken voor universele telefoongidsen. Het
Hof wordt verzocht artikel 6, lid 3 Richtlijn
98/10/EG uit te leggen. De AG geeft het Hof
in overweging het begrip `relevante infor-
matie' uit te leggen als de informatie die in
het kader van de verstrekking van universele
gidsdiensten, met inachtneming van de spe-
cifieke nationale omstandigheden, in een
telefoongids moet worden opgenomen. Dit
omvat noodzakelijkerwijs de basisgegevens
die gebruikers van telefoongidsen normaler-
wijze nodig hebben om de abonnees van de
door hen gezochte nummers te kunnen
identificeren. Daarbij dienen slechts de kos-
ten van de daadwerkelijke verstrekking van
die informatie in aanmerking te worden
genomen, alsmede andere kosten waarvan
de aanbieder kan bewijzen dat hij deze heeft
moeten maken om aan zijn verplichting te
voldoen om relevante gidsinformatie te ver-
zamelen en te verstrekken, en die hij niet
zou hebben gemaakt in het kader van het
beheer van zijn eigen abonnees.
Hof Amsterdam 24 juni 2004, Lycos vs. Pes-
sers
Onrechtmatige publicatie · Internetpro-
vider · Verstrekking NAW-gegevens web-
sitehouder
Hoger beroep van Vzr. Rb. Haarlem 11 sep-
tember 2003, waarbij internetprovider Lycos
geboden werd de NAW-gegevens van de
houder van een website te verstrekken aan
postzegelverzamelaar Pessers, omdat die
website schadelijk over laatstgenoemde
publiceerde (zie
Mediaforum 2003-10, p. 328).
Het Hof bekrachtigt dit oordeel. Het Hof
stelt vast dat de informatie op de website
voor Lycos niet onmiskenbaar onrechtmatig
was. Dat brengt echter niet mee dat de vorde-
ring tot bekendmaking NAW-gegevens om
die reden moet worden afgewezen. Een pro-
vider kan namelijk ook in een dergelijke
situatie onder omstandigheden onrechtma-
tig handelen, indien hij de NAW-gegevens
niet verstrekt. Dit kan met name het geval
zijn, indien (a) de mogelijkheid dat de infor-
matie, op zichzelf beschouwd, jegens de der-
de onrechtmatig en schadelijk is, voldoende
aannemelijk is; (b) de derde een reëel belang
heeft bij de verkrijging van de NAW-gege-
vens; (c) aannemelijk is dat er in het concrete
geval geen minder ingrijpende mogelijk-
heid bestaat om de NAW-gegevens te achter-
halen; (d) afweging van de belangen van de
derde, de provider en de websitehouder
meebrengt dat het belang van de derde
behoort te prevaleren. Het Hof stelt vast dat
de omstandigheden a t/m c zich voordoen,
waarna het Hof een belangenafweging als
onder d. in het voordeel van Pessers laat uit-
vallen, aangezien hij anders `vogelvrij' zou
zijn voor dit soort acties van anonieme per-
sonen.
HofAmsterdam 12 augustus 2004, Gemeente
Hilversum & Amstelveen vs. UPC,
LJN-nrs.
AQ6844 en AQ6845
Toegang tot de kabel · Tarieven · Artikel
7, lid 2 Grondwet
Naar het oordeel van het hof staan de con-
tractuele tariefclausules op zichzelf niet in
de weg aan (dan wel vormen geen praktische
belemmering voor) een wijziging van het
programma-aanbod door UPC en derhalve
maken deze clausules op zichzelf ook geen
inbreuk op haar vrijheid van meningsuiting.
De tariefclausules in de overeenkomst door-
kruisen de publiekrechtelijke regelgeving
op dit punt niet op onaanvaardbare wijze.
Artikel 82j Mediawet en de artikelen 24 j
o
50
Mededingingswet staan op zichzelf niet in
de weg aan de mogelijkheid voor een
gemeente om bij overeenkomst tariefafspra-
ken te maken met een kabelexploitant. Het
voorgaande brengt mee dat de tariefclausu-
les uit de overeenkomst rechtsgeldig zijn en
de gemeente daar een beroep op kan doen en
nakoming kan vorderen jegens UPC in de
vorm van een verbod aan UPC om hogere
tarieven in rekening te brengen.
Rb. Almelo (strafzaak) 7 juli 2004, LJN-nr.
AP8633
Vrijheid van nieuwsgaring · Artikel 10
EVRM · Bevoegd ambtelijk bevel
Journalist werd toegang tot plaats van een
brand waarvan hij foto's wilde maken door
de politie ontzegd. Hij overtrad dat verbod
en wordt vervolgd wegens overtreding van
een bevoegd gegeven ambtelijk bevel. De
politierechter overweegt dat het willen
maken van foto's van een brand ten behoeve
van de media valt onder de bescherming van
artikel 10 EVRM en dat het ambtelijk bevel
derhalve moet worden getoetst aan lid 2 van
dat artikel. Aan de doelcriteria van de open-
bare veiligheid en de gezondheid kan daar-
bij niet veel gewicht toekomen wanneer
daarbij in het bijzonder wordt gedacht aan
de bescherming van de journalist zelf. Aan
sommige takken van het journalistieke werk
is een zekere mate van gevaar inherent. Het
is dan in belangrijke mate, zo niet uitslui-
tend, aan de journalist om te bepalen of hij
dat gevaar wil lopen. Op grond van het
horen van getuigen is de politierechter tot
het oordeel gekomen dat in het concrete
geval de situatie zo onduidelijk was en
mogelijk ernstig gevaarlijk en de ruimte
voor de hulpdiensten zo beperkt, dat de
beslissing van de politie de journalist niet
door te laten de toets aan artikel 10 lid 2 kan
doorstaan. Daarbij neemt hij tevens in over-
weging dat de journalist door zijn optreden
geen ruimte liet voor constructief overleg
over de vraag hoe hij dan wel zijn werk zou
kunnen doen.
Zie ook het tussenvonnis Rb. Almelo 3 mei 2004,
Mediaforum 2004-6, p. 212
Rb. Amsterdam 5 augustus 2004, Classic FM e.a.
vs. CvdM,
LJN-nr. AQ6500
Mediawet · Nevenactiviteiten NOS
Eisers hebben verweerder verzocht handha-
vend op te treden tegen de in hun ogen met
de Mediawet strijdige voortzetting van de
activiteiten van de Concertzender door de
NOS in de vorm van een themakanaal. Het
Commissariaat heeft dit verzoek afgewezen,
oordelend dat de activiteiten niet onder het
verbod van de artikelen 57a, lid 1 en 55, lid 1
Mediawet vielen. De rechtbank acht de in
het bestreden besluit gegeven motivering
evenwel niet deugdelijk en verklaart het
beroep gegrond. Een toegestane nevenacti-
viteit dient ingevolge artikel 57a, lid 1, aan-
hef en onder b Mediawet verband te houden
met of ten dienste te staan van programma's
waarvoor zendtijd is verkregen en dat is bij
de Concertzender niet het geval. Dit is
immers een programma dat naast de hoofd-
taak wordt verzorgd. Bovendien is de recht-
bank van oordeel dat het Commissariaat
onvoldoende heeft onderkend dat hij bij zijn
oordeel of de betrokken nevenactiviteit
strijd oplevert met de Mediawet alle omstan-
digheden van het geval dient te betrekken en
derhalve ook de ten behoeve van Concert-
zender ter beschikking gestelde subsidie.
Mediaforum 2004-9
283
Rb. Amsterdam 12 augustus 2004 (strafkamer),
LJN-nr. AQ6858
Listiglijk gebruik maken telecommuni-
catiedienst · Oplichting
Bewezen wordt geacht dat verdachte met het
oogmerk daarvoor niet volledig te betalen,
door een technische ingreep of met behulp
van valse signalen, gebruik heeft gemaakt
van een door UPC aangeboden telecommu-
nicatiedienst, alsmede dat hij zich (met
anderen) schuldig heeft gemaakt aan poging
tot oplichting door onder valse naam perso-
nen per e-mail te bewegen tot afgifte van
geld.
Voor een vrijspraak in en dergelijke zaak zie Rb.
Amsterdam 15 juli 2004 LJN-nr. AQ1745.
Rb. Breda 28 juli 2004, Dometic vs. Thetford,
LJN-nr. AQ5694
Misleiding · Reclamerichtlijn
Partijen zijn concurrenten van elkaar op de
markt voor vrieskisten. Thetford heeft op
haar website vermeld dat twee van haar
modellen een temperatuur bereiken van
-18
0
C bij een buitentemperatuur van 25
0
C.
Hierbij heeft zij een driesterrenafbeelding
gebruikt die volgens ISO-normen alleen
gebruikt kan worden indien de -18
0
C tempe-
ratuur wordt bereikt bij een buitentempera-
tuur van 32
0
C. Op sommatie van Dometic
heeft Thetford dit verwijderd en haar afne-
mers via een brief laten weten dat zij vrij-
willig haar driesterrenrating intrekt.
Dometic vordert nu een verbod wegens mis-
leiding en rectificatie. De rechtbank oordeelt
dat Thetford de aanvankelijk aanwezige
misleiding zelf afdoende heeft opgeheven.
De rechtbank gaat voorbij aan het argument
van Dometic dat de mededeling -18
0
C in
ieder geval misleidend zou zijn, omdat niet
zeker zou zijn dat dat wordt gehaald bij een
buitentemperatuur van 25
0
C én omdat daar-
mee alsnog een `driesterrensuggestie' zou
worden gewekt. Het verbod wordt afgewe-
zen, zowel voor Nederland als voor enkele
andere Europese staten. Dometic baseerde
haar vorderingen op het feit dat de wetge-
ving van deze landen conform de Reclame-
richtlijn op dezelfde wijze moet worden uit-
gelegd. De rechtbank sluit zich daarbij aan
en wijst daarom voor alle landen de vorde-
ring af.
Rb. Den Haag 8 juli 2004, Vereniging Loesje vs.
Gemeente Leiden,
LJN-nr. AQ5977
Plakverbod · Vrijheid van meningsuiting
· Doen plegen
De Gemeente Leiden heeft onder dreiging
bestuursdwang toe te passen de Vereniging
Loesje gemaand binnen vierentwintig uur
posters te verwijderen van plaatsen waar zij
in strijd met de APV waren aangebracht
(d.w.z. zonder toestemming van de eigenaar
op of aan de openbare weg). Loesje verzet
zich tegen deze besluiten. De rechtbank is
van oordeel dat de APV op dit punt niet in
strijd is met de vrijheid van meningsuiting,
omdat er in Leiden voldoende aanplakmoge-
lijkheden zijn, zodat dit grondrecht niet
wezenlijk wordt aangetast. Loesje stelt ech-
ter met succes dat zij niet beschouwd kan
worden als degene die heeft doen aanplak-
ken. Loesje heeft de posters slechts op haar
site ter beschikking gesteld, evenwel onder
vermelding van de disclaimer dat posters
alleen mogen worden geplakt op plaatsen
waar dit is toegestaan en waarin voor verdere
informatie hieromtrent wordt verwezen
naar de plaatselijke APV. Loesje heeft aldus
geen actieve bemoeienis gehad met het aan-
brengen van de desbetreffende posters en
kan daarvoor niet verantwoordelijk worden
gehouden.
Rb. Maastricht 30 juni 2004, Stroucken vs. De
Limburger
Foto-afdrukken · Houderschap
Fotograaf Stroucken vindt dat
De Limburger
alle door hem geleverde foto-afdrukken ten
aanzien waarvan hij
De Limburger een publi-
catierecht verleende had moeten bewaren
en, toen hij erom vroeg, had moeten terug-
geven. In het tussenvonnis van 3 maart 2004
overweegt de rechtbank dat een bewaar- en
teruggaveplicht niet was afgesproken en ook
moeilijk valt aan te nemen in geval de foto-
graaf de negatieven behoudt. Dat de negatie-
ven verloren zijn gegaan doet daaraan niet
af. Dit is anders voor de periode nadat
Stroucken de kwestie aan de orde had
gesteld. Vanaf dat moment ontstond een
houderschapsrelatie.
Na
bewijsopdracht
komt de rechtbank tot de conclusie dat het
dan nog gaat om ca. 50 afdrukken die niet
zijn geretourneerd. Daarvoor wordt
De Lim-
burger veroordeeld tot een schadevergoeding
van
100.
Rb. Rotterdam 1 juli 2004, Young City Media BV
e.a. vs. Minister Verkeer en Waterstaat,
LJN-
nr. AP9857
Telecommunicatiewet · Frequentiever-
gunningen · Commerciële radio
De rechtbank is van oordeel dat verweerder
in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen
komen dat noch in hetgeen appellanten heb-
ben aangevoerd, noch in andere feiten en
omstandigheden, een grond is gelegen om
vast te stellen dat sprake is van algemene,
maatschappelijke, culturele of economische
belangen die vorderen dat de vergunningen
voor hen voor een veel langere periode
dan één jaar verlengd hadden dienen te wor-
den.
Rb. Zutphen 13 juli 2004 (strafkamer), LJN-nr.
AQ1722
Belaging via het internet · Artikel 285b
WvS
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan
belaging (ook wel het stalk-wetje van 27 juni
2000,
Stb. 2000, 282) door onder de naam van
haar ex-vriendin diverse personen onder wie
de ex zelf te bestoken met belastende e-mails
en door contactadvertenties op naam van
haar ex te plaatsen op (seks)contactsites. Zij
wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke
gevangenisstraf en een taakstraf.
Vzr. Rb. Amsterdam 14 juni 2004, Staat vs. NOS
Uitzendverbod · Veiligheid van de staat
De Staat vraagt verbod van voorgenomen
item in het NOS Journaal over Bijzondere
Bijstandseenheden, die met toestemming
van het kabinet missies in het buitenland
uitvoeren en daarbij geweld gebruiken. De
voorzieningenrechter weigert een verbod op
te leggen. Zij acht het onvoldoende aanne-
melijk dat de bodemrechter zal oordelen dat
de algemene gegevens met betrekking tot
het bestaan van bijzondere bijstandseenhe-
den te kwalificeren zijn als staatsgeheim.
Het bestaan van die eenheden is immers
bekend. Dat zij met instemming van het
kabinet missies uitvoeren en daarbij geweld
gebruiken is mogelijk niet algemeen
bekend, maar kan nog niet als staatsgeheim
worden gekwalificeerd. Niet aannemelijk is
gemaakt dat het bekend worden van dit
gegeven schade aan de veiligheid of andere
gewichtige belangen van de Staat kan ver-
oorzaken. Dat Erik O. in het verleden van
een van deze eenheden deel heeft uitge-
maakt kan evenmin als staatsgeheim wor-
den aangemerkt. Ook wordt hij door de
voorgenomen uitzending niet in gevaar
gebracht. Het enige wat de NOS niet mag is
de naam noemen van een minister van
defensie in de jaren negentig, door het
bekend worden waarvan er verband gelegd
zou kunnen worden tussen Erik O. en indivi-
duele acties.
Vzr. Rb. Amsterdam 10 augustus 2004, Zwinkels
vs. Privé,
LJN-nr. AQ6574
Perspublicatie · Rectificatie · Publicatie-
verbod
Zwinkels, die jarenlang voor RTL presenta-
tor was van het programma `Eigen huis &
tuin' en deze zomer naar SBS zou verhuizen
voor een programma over tuinieren, klussen
en koken, (
zie daarover Vzr. Rb. Amsterdam 19
augustus 2004, LJN-nr. AQ7047), vordert rectifi-
catie van in
Privé over hem verschenen publi-
caties over geruchten dat Zwinkels zijn han-
den niet kan thuis houden en zich schuldig
heeft gemaakt aan seksuele intimidatie van
een medewerkster. De bescherming van
Zwinkels tegen onjuiste beschuldigingen
weegt in dit geval zwaarder dan het belang
van de persvrijheid van
Privé. Afgezien dat
het hier gaat om een feit dat meer dan tien
jaar geleden zou hebben plaats gevonden, is
bij die afweging met name ook betrokken
dat het vermeende slachtoffer aanvankelijk
niet op de zaak heeft willen ingaan. Het
moge zo zijn dat in Hilversum geruchten de
ronde doen over handtastelijkheden van
Zwinkels en dat die geruchten op grond van
overgelegde stukken wel aannemelijk zijn
geworden, maar
Privé had de mededeling
over deze geruchten niet mogen aandikken
met het opvoeren van het verhaal over seksu-
ele intimidaties tien jaar geleden en niet
daaraan
allerlei
voorbarige
conclusies
mogen verbinden. Rectificatie bevolen. Toe-
wijzing van de vordering dat
Privé zich in
zijn algemeenheid van verdere publicaties
over dit onderwerp dient te onthouden, zou
te zeer ingrijpen in de persvrijheid. Deze
vordering wordt afgewezen.
Vzr. Rb. Arnhem 14 juli 2004, KPN vs. Tele2, LJN-
nr. AQ1537
Telecommunicatie · Misleidende en ver-
gelijkende reclame
Tele2 en KPN hebben al eerder geschillen
gehad over vergelijkende reclame (zie o.a.
Mediaforum 2004-3, p. 71). In het onderhavige
geding gaat het om vergelijkende reclame
van Tele2, onder de kop `KPN introduceert
'n hogere abonnementsprijs! Tele2 introdu-
ceert 'n prijsgarantie!'. In de tekst wijst Tele2
erop dat de beller met Tele2 Preselect goed-
koper belt dan met KPN BelBasis. De voor-
Mediaforum 2004-9
284
zieningenrechter neemt tot uitgangspunt
dat bij het vermelden van vergelijkende
gegevens, in dit geval de telefoontarieven
van KPN en Tele2, deze vergelijkende gege-
vens juist en volledig moeten zijn. De verge-
lijking moet objectief zijn en zien op alle
wezenlijke, relevante kenmerken van de
diensten, die bovendien voor een consument
verifieerbaar moeten zijn. Er dienen dus
geen gegevens te worden weggelaten die
voor de consument noodzakelijk zijn om
een keuze te kunnen maken. Voorts brengt
de complexiteit van de tariefstructuren voor
vaste telefonie met zich mee dat aan vergelij-
kingen van telefoontarieven in reclame-
uitingen strenge eisen moeten worden
gesteld. In deze zaak is er sprake van mislei-
dende en ongeoorloofde vergelijkende recla-
me. Tele2 heeft de voordeelnummers van
KPN niet in zijn prijsvergelijking betrok-
ken, terwijl vast staat dat een meerderheid
van alle telefoontjes via KPN naar voordeel-
nummers worden gepleegd. De nieuwe
voordeelregeling van Tele2 wordt nog maar
door enkele klanten gebruikt. De stelling
dat Tele2 Preselect altijd een lager tarief
garandeert dan KPN BelBasis is, zonder in
die vergelijking de KPN-voordeelnummers
te betrekken, onvolledig en daardoor mislei-
dend.
Vzr. Rb. Arnhem 27 juli 2004, Studio Esthetique
vs. Y & Specerij Beheer,
LJN-nr. AQ6830
Domeinnaam · Handelsnaam · Merkrecht
Eiseres voert sinds 1984 de handelsnaam
Beautystudio Esthetique en sinds 1999 de
handelsnaam Studio Esthetique. Zij heeft
een woord/beeldmerk Studio Esthetique en
heeft in oktober 2002 de domeinnaam stu-
dio-esthetique.nl geregistreerd. Gedaagde is
werkzaam in dezelfde branche en gebruikt
sinds juli 2003 de handelsnaam Schoon-
heidsstudio Esthetique. In januari 2004
heeft zij de domeinnaam studioesthetique.
nl geregistreerd. Het verbod op het voeren
van de handelsnaam Schoonheidsstudio
Esthetique wordt afgewezen, nu de bescher-
ming van de handelsnaam van eiseres terri-
toriaal beperkt is en partijen 55 km uit elkaar
wonen. In zijn algemeenheid kan worden
gesteld dat bezoekers van schoonheidssa-
lons doorgaans niet meer dan 27 km rijden,
zodat geen verwarring is te duchten is. Eise-
res kan zich evenmin beroepen op haar
woord/beeldmerk nu de bescherming daar-
van zich niet uitstrekt tot alleen de woorden
`Studio Esthetique' en gedaagde een van het
beeldmerk afwijkende achtergrond han-
teert. Het gebruik van de domeinnaam is wél
onrechtmatig jegens eiseres wegens strijd
met de Handelsnaamwet, omdat gedaagde
daarmee met haar onderneming buiten haar
eigen verzorgingsgebied en in het verzor-
gingsgebied van eiseres treedt. De over-
dracht van de domeinnaam wordt bevolen,
zonder dat een verbod wordt uitgesproken.
Vzr. Rb. Den Haag 13 april 2004, CvdM vs. Ernst
& Young,
nr. 32
J
Bevoegdheid Commissariaat · Mediawet
· Inlichtingenplicht · Awb
Zie de vooraankondiging in Mediaforum 2004-5, p.
166; zie ook de noot van P. Burger bij Vzr. Rb. Rotter-
dam 27 april 2004, nr. 33
Vzr. Rb. Den Haag 1 juni 2004, Pretium vs. KPN
Telecom,
nr. 31 m.nt. N.A.N. M. van Eijk
J
Telecommunicatie · Carrier Preselect ·
Civiele handhaving
Vaststaat dat sprake is van deactivatie (terug-
schakelen naar KPN Telecom) van Pretium-
klanten zonder dat daarvoor toestemming is
gegeven door de desbetreffende klant. KPN
Telecom heeft weliswaar gesteld dat onbe-
doelde deactivaties vanaf 15 juni 2004 onver-
wijld zullen worden gecorrigeerd, doch een
controle of dat werkelijk ook gebeurt biedt
KPN Telecom niet. Derhalve heeft Pretium
nog steeds belang bij opgave door KPN Tele-
com van alle voorkomende (oorzaken van)
deactivaties. Het niet geven van bedoelde
inzage kan als onrechtmatig worden aange-
merkt. Aan deze verplichting wordt een
dwangsom verbonden. Bovendien wordt
KPN Telecom geboden telkens binnen 72
uur na deactivatie weer volledig te activeren.
Vzr. Rb. Den Haag 15 juli 2004, Marshall Bruce
Mathers III vs. Rams Horn e.a.,
LJN-nr AQ1883
Naburige rechten · Portretrecht · Mislei-
dende mededelingen
Eiser is muzikant en bekend onder de artie-
stennaam Eminem. Tussen hem en Rams
Horn (nu één van zes gedaagden) heeft de
Vzr. Rb. Den Haag op 26 mei 2004 een ver-
oordelend vonnis uitgesproken (zie
Mediafo-
rum 2004-7/8, p. 249). Gedaagden brengen
zonder toestemming van Eminem cd's en
een dvd op de markt met uitvoeringen van
Eminem samen met andere artiesten én met
covers van Eminem. Voor wat betreft de
cover-cd oordeelt de voorzieningenrechter
dat er sprake is van misleidende mededelin-
gen in de zin van artikel 6:194 BW nu de sug-
gestie wordt gewekt dat deze cd opnames
van Eminem bevat. Voor de overige cd's en
dvd geldt dat inbreuk wordt gemaakt op het
portretrecht, het gemeenschapsmerk `Emi-
nem' én de naburige rechten van Eminem op
zijn uitvoeringen.
Vzr. Rb. Den Haag 26 juli 2004, I.D.&T. Radio BV
vs. Staat,
LJN-nr. AQ5315
Frequentieverdeling · Onrechtmatige
daad · Schadevergoeding
Uit de uitspraak van de Rb. Rotterdam van 11
oktober 2002 kan niet anders worden afge-
leid dan dat van onrechtmatig handelen
door de Staat sprake is geweest bij de verde-
ling van frequentievergunningen voor com-
merciële radio. Eiseres vordert een (aanzien-
lijk) geldbedrag bij wijze van voorschot op
de vergoeding waarop zij jegens de Staat
aanspraak heeft (naast hetgeen de Staat
reeds heeft uitgekeerd). De rechter wijst de
vorderingen af aangezien de hoofdvorde-
ring betrekking heeft op kosten, waarover
op grond van artikel 8:75, lid 1 Awb slechts
de bestuursrechter bevoegd is te oordelen.
Dit betekent dat vergoeding van deze kosten
niet kan worden gevorderd voor de burger-
lijke rechter in een procedure op grond van
onrechtmatige daad, ook niet in kort geding.
Vzr. Rb. Den Haag 13 augustus 2004, Recher-
cheurs vs. Staat,
LJN-nr. AQ6783
Rectificatie persbericht OM
Rechercheurs van het zogenaamde Tolteam,
het team dat onderzoek deed naar de oor-
zaak van de vuurwerkramp in Enschede op
13 mei 2000, eisen rectificatie van een persbe-
richt dat door het Openbaar Ministerie werd
uitgegeven over de conclusies van een onder-
zoek van de Rijksrecherche. De voorzienin-
genrechter overweegt dat van een persbe-
richt als het onderhavige, afkomstig van een
overheidsorgaan als het OM, een grote mate
van zorgvuldigheid en objectiviteit mag
worden verwacht. Extra zorgvuldige behan-
deling mag worden verlangd als in een pers-
bericht van deze aard een zeer beperkt aantal
namen van personen wordt genoemd, juist
ten opzichte van deze personen. Het onder-
havige persbericht voldoet niet aan deze
eisen. Dit is te meer het geval nu het persbe-
richt ten onrechte houvast geeft aan de
gedachte dat de eerste eiser in een giganti-
sche strafzaak, die landelijk grote aandacht
heeft gekregen, wel eens meineed zou kun-
nen hebben gepleegd, wat ook ten aanzien
van de tweede eiser vragen kan oproepen.
Rectificatie bevolen.
Vzr. Rb. Rotterdam 27 april 2004, H e.a. vs.
Minister EZ,
nr. 33 m. nt. P. Burger
J
Artikel 18.7 Telecommunicatiewet · Ver-
plichting toto informatieverstrekking
Artikel 18.7 Telecommunicatiewet geeft de
minister de bevoegdheid te allen tijde van
een ieder inlichtingen te vorderen, die rede-
lijkerwijs voor de vervulling van zijn in de
wet opgelegde taak nodig zijn. Verzoekers
verzetten zich tegen de opgelegde last
inlichtingen te komen verstrekken. Bedoe-
ling, tekst noch wetsgeschiedenis van artikel
18.7 van de Telecommunicatiewet geven een
aanknopingspunt voor de stelling dat de
woorden `een ieder' beperkt moeten worden
uitgelegd. Het beroep van verzoekers op de
uitspraak van Vzr. Rb. Den Haag van 13 april
2004 (
Mediaforum 2004-5, p. 166) gaat niet op
omdat het daar ging om een vordering van
het Commissariaat voor de Media en de
Mediawet niet een met artikel 18.7 Tw verge-
lijkbare bepaling kent. Naar het oordeel van
de voorzieningenrechter heeft de minister
voldoende duidelijk gemaakt de gevraagde
inlichtingen redelijkerwijs nodig te hebben.
Vzr. Rb. Rotterdam 9 juli 2004, KPN Mobile vs.
OPTA & Yarosa
Mobiele telecommunicatie · Geschil · Bij-
zondere toegang
Partijen twisten over de plicht van KPN
Mobile toegang tot haar netwerk te verlenen
aan Yarosa en de daarvoor geldende tarieven.
Ingevolge artikel 27 Kaderrichtlijn, in ver-
binding met artikel 7 Toegangsrichtlijn,
handhaven de lidstaten alle verplichtingen
inzake toegang. Anders dan KPN Mobile
meent, moet in dit verband onder verplich-
ting worden verstaan: de algemene plicht tot
het verlenen van bijzondere toegang. De be-
streden besluiten van OPTA scheppen der-
halve als zodanig geen nieuwe verplichtin-
gen, doch moeten worden gezien als een
uitwerking van de wettelijke plicht tot het
verlenen van bijzondere toegang, welke
plicht ingevolge het overgangsrecht van het
nieuw regelgevend kader niet is vervallen.
Hoewel de voorzieningenrechter van oor-
deel is dat de tarifering een belangrijk ken-
merk is voor de beoordeling van de redelijk-
heid,
leent
dit
onderwerp
zich
in
onderhavige kwestie nauwelijks voor een
beoordeling in voorlopige voorziening.
Mediaforum 2004-9
285
Vzr. Rb. Rotterdam 29 juli 2004, Pretium Tele-
com vs. Algemeen Dagblad
Perspublicatie · Rectificatie
De juistheid van een publicatie in het
Alge-
meen Dagblad, dat Pretium Telecom in strijd
met de terzake geldende gedragsregels zijn
telefonische marketingacties voortzet bij
personen die bij een eerdere benadering
`nee' hebben gezegd, is niet aannemelijk
gemaakt. Onjuist is dan ook de mededeling
dat Pretium zijn leven zou hebben gebeterd.
Pretium wordt door de publicatie in een
nadelig daglicht gesteld. Ten overvloede
wordt het `minstens ongelukkig' genoemd
dat de schrijver van het artikel de zoon is van
de vrouw die door Pretium agressief bena-
derd zou zijn, terwijl deze familieband niet
uit het artikel blijkt. Rectificatie bevolen.
Vzr. Rb. Zwolle 28 juli 2004, X vs. Y, LJN-nr.
AQ5612
Domeinnaam · Onrechtmatige daad ·
Misbruik van recht
Eiser heeft in november 2000 de domein-
naam fietsen.123.nl geregistreerd. De daar-
aan gekoppelde website heeft mede door
publicaties in diverse media landelijke
bekendheid gekregen. Eiser onderhoudt
deze website op hobbymatige, niet commer-
ciële, basis. Gedaagde heeft in mei 2001 de
domeinnaam fietsen123.nl (zonder punt tus-
sen fietsen en 123) geregistreerd. Op verzoek
van eiser heeft gedaagde een keuzemenu
aangebracht, waardoor gebruikers van fiet-
sen123.nl via een hyperlink ook terecht kun-
nen komen op de website van eiser. Begin
2004 heeft gedaagde dit keuzemenu verwij-
derd. De voorzieningenrechter oordeelt dat
gedaagde onrechtmatig handelt. Een als
misbruik van recht te kwalificeren onrecht-
matig handelen kan namelijk bestaan in het
gebruik van een domeinnaam die een der-
mate grote gelijkenis vertoont met een reeds
in gebruik zijnde domeinnaam dat argeloze
en minder typvaardige bezoekers die op
zoek zijn naar de website van de eerder gere-
gistreerde domeinnaam, terecht komen bij
de andere website. Het verbod op het
gebruik van domeinnamen die een combina-
tie hebben van `fietsen' en `123'. De over-
dracht wordt echter geweigerd, nu het enke-
le recht op het gebruik van de domeinnaam
niet onrechtmatig is, doch uitsluitend het
misbruik van dat recht.
CBB 15 juli 2004, NOS vs. NMA, LJN-nr. AQ1727
Mededingingswet
·
Misbruik
van
machtspositie · Programmagegevens
Hoger beroep van Rb. Rotterdam 11 decem-
ber 2002 (zie
Mediaforum 2003-2, nr. 12 m. nt.
R. Mahler). De weigering van een houder van
een auteursrecht om toegang te geven tot
een product of dienst die onontbeerlijk is
voor de uitoefening van een bepaalde activi-
teit kan volgens de rechtspraak van HvJEG
als misbruik worden aangemerkt als vol-
daan is aan drie cumulatieve voorwaarden,
nl. dat de weigering in de weg staat aan de
introductie van een nieuw product, waar-
naar van de zijde van de consumenten een
potentiële vraag bestaat, dat zij geen recht-
vaardigingsgrond heeft en dat zij elke mede-
dinging op een afgeleide markt afsluit. Het
CBB kan het voornemen van
De Telegraaf om
een gids als bijlage aan de vrijdag- of zater-
dagkrant toe te voegen niet kwalificeren als
een nieuw product. Het CBB vernietigt de
bestreden uitspraak van de rechtbank, ver-
nietigt het besluit van de NMa van 3 oktober
2001 en herroept het besluit van 16 februari
2000.
Binnenland
Compensatie
provinciale
opslagen
omroepbijdrage
Bij koninklijk besluit van 3 juni 2004 heeft
de regering het Tijdelijk besluit compensa-
tie provinciale opslagen omroepbijdragen
vastgesteld. Door middel van dit besluit
worden de middelen die vanaf 2000 aan het
Provinciefonds zijn toegevoegd ter compen-
satie van het vervallen van de mogelijkheid
van een provinciale heffing op de landelijke
omroepbijdrage (zie o.a.
Mediaforum 1999-10,
p. 227), tijdelijk als integratie-uitkering over
de provincies verdeeld. Dat de totstandko-
ming van dit besluit met de nodige vertra-
ging gepaard is gegaan, is mede het gevolg
van het feit dat pas in de loop van 2002 dui-
delijk is geworden wat de definitieve
omvang van het compensatiebedrag moest
zijn. Daarover hebben kabinet en Tweede
Kamer namelijk een halve oorlog uitgevoch-
ten. Een tweede vertragende factor is het
door de Tweede Kamer aangehouden wets-
voorstel tot wijziging van de Mediawet in
verband met een nieuwe financieringsstruc-
tuur voor de regionale publieke omroep (zie
Mediaforum 2003-6, p. 202). Het besluit is met
ingang van 7 juli 2004 in werking getreden,
werkt terug tot en met 1 januari 2000 en ver-
valt met ingang van 1 januari 2006.
Stb. 2004, 303.
Inwerkingtreding wijzigingen Mediawet
Bij koninklijk besluit van 6 juli 2004 is
bepaald dat de Wet van 13 mei 2004 tot wijzi-
ging van de Mediawet (het vervallen van de
verspreidingsbeperking voor de program-
ma's van lokale en regionale omroepinstel-
lingen, wijziging van de doorgifteplicht via
omroepnetwerken van de programma's van
lokale omroepinstellingen, alsmede wijzi-
ging van bepalingen inzake programma-
raden) op 21 juli 2004 in werking treedt. Zie
over deze wet onder andere
Mediaforum
2004-6, p. 215-216. In hetzelfde koninklijk
besluit is bepaald dat enige nog niet in wer-
king getreden onderdelen van de Concessie-
wet (zie
Mediaforum 2000-5, p. 162-163) als-
nog in werking treden, en wel eveneens met
ingang van 21 juli 2004.
Stb. 2004, 356.
Richtlijn auteursrecht en naburige rech-
ten
De Wet van 6 juli 2004 tot uitvoering van de
richtlijn auteursrecht en naburige rechten in
de informatiemaatschappij heeft het
Staats-
blad gehaald. De wet strekt tot uitvoering
van richtlijn nr. 2001/29/EG betreffende de
harmonisatie van bepaalde aspecten van het
auteursrecht en de naburige rechten in de
informatiemaatschappij (zie onder andere
Mediaforum 2001-9, p. 268). Op een bij
koninklijk besluit te bepalen tijdstip zal de
wet in werking treden. Overigens had
Nederland tot 22 december 2002 de tijd om
de richtlijn te implementeren, dus komt
deze wet ruim anderhalf jaar te laat.
Stb. 2004, 336.
Programmagegevens
De kamerleden Örgü (VVD) en Bakker (D66)
hebben een initiatiefwetsvoorstel aanhangig
gemaakt tot wijziging van Mediawet tenein-
de een kostenloze beschikbaarstelling van
programmagegevens aan derden te bewerk-
stelligen. Het voorstel introduceert een nieuw
artikel 58 in de Mediawet. Het eerste lid van
dat artikel verplicht de landelijke publieke
omroepinstellingen om hun programmage-
gevens aan de NOS te verstrekken en te gedo-
gen dat de NOS deze gegevens conform het
tweede en het derde lid aan de omroepvereni-
gingen en aan derden ter beschikking stelt.
Het tweede lid regelt op dezelfde wijze als het
huidige artikel 58 de verstrekking van de pro-
grammagegevens aan de omroepverenigin-
gen ten behoeve van hun programmagidsen.
Tenslotte bevat het derde lid een opdracht aan
de NOS om de programmagegevens, voorzo-
ver deze bestaan uit de namen/titels van de
uit te zenden programmaonderdelen en de
uitzendtijdstippen (het `spoorboekje'), om
niet te verstrekken aan derden die daarom
vragen. Door de voorgestelde regeling zullen
langlopende juridische procedures zoals die
tussen de NOS en HMG enerzijds en
De Tele-
graaf anderzijds (zie ook de uitspraak van het
CBB in de rubriek `rechtspraak') in de toe-
komst kunnen worden voorkomen, aldus de
initiatiefnemers.
Kamerstukken II 2003/04, 29 680, nr. 1-3.
Vaste boekenprijs
Vlak voor het zomerreces, op 1 juli 2004, is de
Tweede Kamer akkoord gegaan met het ini-
tiatiefwetsvoorstel vaste boekenprijs. Sinds
de verdediging van het wetsvoorstel op 23
juni 2004 door het kamerlid Dittrich (zie
Mediaforum 2004-7/8, p. 250) is er nog het vol-
gende gebeurd. Allereerst hebben de initia-
tiefnemers (de kamerleden Dittrich, Halse-
ma en Van Nieuwenhoven) op 29 juni 2004
een brief aan de Tweede Kamer gestuurd
waarin zij tot hun teleurstelling moeten
melden dat er nog steeds geen officiële brief
van de Europese Commissie is over de Euro-
peesrechtelijke aspecten van het wetsvoor-
stel. Dit hoeft volgens de initiatiefnemers
echter niet te leiden tot uitstel van de afhan-
deling van het voorstel. De verwachte brief
zou immers geen garantie bevatten dat het
wetsvoorstel `Europaproof' is, aangezien de
Europese Commissie nu eenmaal niet dat
soort uitspraken doet. Eveneens op 29 juni
2004 heeft staatssecretaris Van der Laan van
OCW een brief aan de Tweede Kamer
gestuurd waarin zij ingaat op de wijze waar-
op het toezicht op de naleving van de wet
moet worden vormgegeven. Zij geeft aan
zich te kunnen vinden in bestuursrechtelij-
ke handhaving, uit te voeren door een
publiekrechtelijk zelfstandig bestuursor-
gaan. Daarmee is volgens de staatssecretaris
een sluitend en effectief toezicht vooralsnog
het beste gewaarborgd. Zij is in het licht van
het kabinetsbeleid, dat gericht is op terug-
dringing van het aantal zelfstandige
bestuursorganen, wel voorstander van een
`zo licht mogelijke variant'. Het reeds
bestaande Commissariaat voor de Media zou
als handhavend bestuursorgaan kunnen
worden aangewezen. Die suggestie is over-
genomen door de initiatiefnemers, zo blijkt
uit de vierde nota van wijziging (de derde
bevat louter technische aanpassingen). Ver-
volgens werd op 30 juni 2004 de algemene
beraadslaging over het wetsvoorstel in de
tweede termijn hervat, waarna op 1 juli 2004
de stemming plaatsvond. Alleen de fractie
van de VVD stemde, zoals verwacht, tegen.
Kamerstukken II 2003/04, 28 652, nr. 22-27; Kamer-
stukken I 2003/04, A-B; Handelingen II 2003/04, p.
5600-5617, p. 5783-5794 en p. 5906.
Mediaforum 2004-9
286
Audiovisuele media en bescherming van
jeugdigen
Bij brief van 8 juli 2004 heeft staatssecretaris
Van der Laan van OCW enige Kamervragen
beantwoord die eerder waren gesteld tijdens
een Algemeen Overleg over de bescherming
van jeugdigen in relatie tot de audiovisuele
media. De vragen en antwoorden hebben
betrekking op onderwerpen als previews en
trailers, videoclips op muziekzenders met
een nadrukkelijk erotisch karakter en grof
taalgebruik, de rol van het Commissariaat
voor de Media, klachtenafhandeling door het
NICAM, de videobranche, omroepen die niet
bij het NICAM zijn aangesloten, het knippen
van bepaalde scènes (maar niet door de over-
heid), de positie van ouders en de positie van
de raad van advies van het NICAM. Interes-
sant is dat de staatssecretaris ook ingaat op de
mogelijkheid om in te grijpen teneinde een
bepaalde uitzending te voorkomen. De vraag
naar die mogelijkheid zou aan de orde kun-
nen zijn wanneer een omroep een film wil
uitzenden op een tijdstip dat vroeger is dan
de aan de classificatie van die film gekoppel-
de uitzendtijd. Berucht was het geval van
Yorin dat de film `Saving private Ryan' uit-
zond om 20:30 uur, terwijl de classificatie 16
jaar meebracht dat uitzending pas na 22:00
toegestaan was. Dit heeft Yorin de hoogst
mogelijke boete van het NICAM opgeleverd.
Volgens de staatssecretaris is de vraag naar
het ingrijpen van de overheid in een dergelijk
geval een vraag met een hoog theoretisch
gehalte. Hier geldt immers artikel 7 lid 2
Grondwet: geen voorafgaand toezicht op een
radio- of televisieuitzending. De staatssecre-
taris merkt op dat theoretisch nog de vraag
gesteld kan worden of de rechter in zo'n
geval kan ingrijpen. Het lijkt haar lastig een
rechtsgrond voor een dergelijk uitzendver-
bod te construeren, maar het is uiteraard aan
de onafhankelijke rechter zelf om gelet op de
specifieke omstandigheden van het geval een
uitspraak te doen. Een tweede geval waarin
de vraag naar de mogelijkheden van ingrij-
pen speelt, is overigens de situatie waarin
ernstige twijfel bestaat of een programma-
onderdeel wel correct gekwalificeerd is. In
elk geval geeft de staatssecretaris aan dat het
niet wenselijk is om te streven naar de moge-
lijkheid om op basis van de Mediawet uitzen-
ding van programma's tegen te houden.
Kamerstukken II 2003/04, 29 326, nr. 4. Zie ook
Mediaforum 2004-2, p. 48.
Positie Digitenne
Naar aanleiding van een verzoek van het
kamerlid Aptroot (VVD) heeft minister Brink-
horst van EZ een brief aan de Tweede Kamer
geschreven over de positie van Digitenne en
de plannen die er voor de toekomst zijn. De
bewindsman verwijst voornamelijk naar een
eerdere brief over Digitenne (zie
Mediaforum
2004-6, p. 216). Hij voegt daaraan toe dat Digi-
tenne zich bij het zoeken naar alternatieve
externe financiers grote inspanningen heeft
getroost en ook in de komende jaren de markt
van potentiële externe financiers in de gaten
zal houden. De minister is van mening dat hij
met zijn eerdere brief voldoende openheid
van zaken heeft geboden. De daarin vervatte
informatie is in overleg met de aandeelhou-
ders en de Raad van Commissarissen van
Digitenne aan de Kamer beschikbaar gesteld.
Aangezien Digitenne echter een privaat
bedrijf is, acht de minister publicatie van ver-
dere
bedrijfsgevoelige
informatie
niet
gewenst. Dit betreft zowel de exacte financië-
le gegevens als de toekomstplannen.
Kamerstukken II 2003/04, 24 095, nr. 164.
Politiek en media
In 2003 verschenen twee adviezen aan het
kabinet over de relatie tussen media en poli-
tiek. Allereerst was daar het rapport `Media-
logica: Over het krachtenveld tussen burgers,
media en politiek' van de Raad voor Maat-
schappelijke Ontwikkeling. Over dit advies
schreef Germ Kemper een opinie in
Mediafo-
rum 2003-7/8, p. 225 en Gerard Schuijt een
artikel in
Mediaforum 2003-11/12, p. 363 (met
een reactie van Thomas Schillemans in
Media-
forum 2004-2, p. 41, met naschrift Schuijt op p.
43). Het tweede advies betreft het rapport
`Politiek en media, pleidooi voor een LAT-
relatie' van de Raad voor het Openbaar
Bestuur. Over beide adviezen heeft het kabi-
net bij brief van 12 juli 2004 een kabinets-
standpunt uitgebracht. Daarin wordt aller-
eerst een samenvatting gegeven van de
adviezen van de RMO en de ROB. Vervolgens
wordt ingegaan op de rol van de overheid en
wordt op hoofdlijnen een reactie van het
kabinet op de beide adviezen gegeven. In een
volgende paragraaf gaat het kabinet specifie-
ker in op de aanbevelingen van de RMO over
het mediabeleid, waarna wordt afgesloten
met een reactie op de aanbevelingen van de
ROB over overheidscommunicatie.
Kamerstukken II 2003/04, 29 692, nr. 1.
Coproducties
Bij besluit van 30 juni 2004 heeft minister-
president Balkenende, minister van Algeme-
ne Zaken, de Aanwijzingen inzake copro-
ducties en andere omroepprogramma's
vastgesteld. Met een coproductie wordt
gedoeld op een tv- of radioprogramma waar-
aan meerdere partijen, waaronder in elk
geval een omroepinstelling en een ministe-
rie of bestuursorgaan, een inhoudelijke en
financiële bijdrage leveren. Voor het aan-
gaan van overeenkomsten betreffende der-
gelijke coproducties bestaan al sinds 1981
interne richtlijnen, maar deze hadden het
karakter van informele afspraken en zijn
nimmer formeel door het kabinet als richt-
lijn besproken. De premier hecht eraan om
nu op dit punt duidelijkheid te creëren: nu
er formeel aanwijzingen voor de rijksdienst
zijn vastgesteld, wordt het mogelijk een een-
duidige lijn ten aanzien van coproducties te
handhaven. Daarbij is het uitgangspunt
transparantie over omvang en doel van de
publieke bijdrage aan coproducties. De aan-
wijzingen gaan en per 1 januari 2004 en de
premier zal de Kamer jaarlijks een overzicht
van de aangemelde en uitgezonden copro-
ducties toesturen, waarbij hij ook zal ingaan
op de werking van de aanwijzingen.
Stcrt. 2004, 135, p. 9; Kamerstukken II 2003/04, 29
200 III, nr. 21. Zie ook Mediaforum 2004-7/8, p. 250.
Internetactiviteiten gedetineerden
De kamerleden Griffith (VVD) en Van der
Staaij (SGP) hebben schriftelijke vragen
gesteld aan minister Donner van Justitie over
internetactiviteiten van gedetineerden. Aan-
leiding voor de vragen was de website van
tweevoudig moordenaar Martin K., waarop
onder andere politiefoto's van de door hem
gepleegde moorden waren te vinden. Ook
een originele 112 geluidsband, met de schoten
en het gegil van een slachtoffer in doodsnood
was te beluisteren. Voor wat betreft de straf-
baarheid van het creëren van deze website
merkt de minister op dat de website niet door
K. zelf is gemaakt. Als gedetineerde heeft hij
namelijk geen enkele directe toegang tot
internet, daar het gebruik van internet in een
penitentiaire inrichting niet is toegestaan.
Gevraagd naar de mogelijkheid om K. te ver-
volgen, antwoordt de bewindsman dat het
denkbaar is dat er sprake is van overtreding
van artikel 35 Auteurswet (schending
portretrecht) of artikel 271 Sr (verspreiding
beledigend geschrift). Omdat in Auteurswet-
zaken een civielrechtelijke procedure de eerst
aangewezen weg is en het delict van artikel
271 Sr een klachtdelict is, acht het OM het
echter niet opportuun om tot vervolging
over te gaan. De minister geeft verder nog
aan dat de beperking van de uitoefening van
de grondrechten van gedetineerden niet
zover kan gaan dat gedetineerden de moge-
lijkheid wordt ontzegd om derden opdracht
te geven tot het opzetten van een website.
Ook de verantwoordelijkheid van de provi-
der komt ter sprake.
Aanhangsel Handelingen II 2003/04, nr. 1773-1774.
Phishmail
Het kamerlid Gerkens (SP) heeft minister
Donner van Justitie gevraagd om een schrif-
telijke reactie op een artikel in de Spits over
zogenaamde `phishmail'. Bij phishmail gaat
het om ongevraagde e-mails waarmee crimi-
nelen als het ware hengelen naar persoonlij-
ke informatie, zoals creditcardgegevens en
wachtwoorden. De minister antwoordt dat
het artikel aantoont dat zorgvuldigheid
geboden is bij het verstrekken van persoon-
lijke informatie via het internet. Over de
omvang van het probleem kan hij weinig
zeggen, behalve dat het zich tot nu toe vooral
in de financiële sector voordoet. Volgens de
minister moet internetcriminaliteit niet wor-
den gezien als een afzonderlijke vorm van
criminaliteit die apart prioriteit behoeft. Het
internet is namelijk een middel dat gebruikt
kan worden voor het plegen van doorgaans
commune strafbare feiten. Op het gebied van
internetcriminaliteit is expertise aanwezig
bij de Nederlandse politie, doch deze experti-
se heeft nog niet het gewenste volume. Uit-
breiding van de capaciteit is nodig en de
minister geeft aan hoe hij dat wil bereiken.
Aanhangsel Handelingen II 2003/04, nr. 1783.
Demonstratie AEL
In antwoord op schriftelijke vragen van het
kamerlid Sterk (CDA) schrijft minister Don-
ner van Justitie dat hij geen kennis heeft
kunnen nemen van de inhoud van de toe-
spraak van de voorzitter van de Nederlandse
AEL tijdens een demonstratie op 27 maart
2004. De tekst was niet beschikbaar via de
site van de AEL en kon ook niet op andere
wijze achterhaald worden. De minister kon
dan ook geen antwoord geven op de vraag of
de toespraak elementen bevatte die de gren-
zen van de Nederlandse rechtsstaat over-
schrijden. Wel kon hij bevestigen dat een
Israëlische vlag in brand gestoken en ver-
trapt is. De politie treedt op tegen vlagver-
brandingen wanneer door een verbranding
de openbare orde wordt verstoord of wan-
neer andere goederen dreigen te worden
beschadigd. In casu heeft de eigen orde-
dienst opgetreden, waarna de vlagverbran-
ders beloofden geen verdere vlaggen meer te
verbranden. Voor het nemen maatregelen
bestaat volgens de minister gelet op het
voorgaande geen aanleiding.
Aanhangsel Handelingen II 2003/04, nr. 1838.
Kabeldoorgifte Sporza
Het kamerlid Örgü (VVD) heeft opnieuw
schriftelijke vragen gesteld aan staatssecre-
taris Van der Laan van OCW over kabeldoor-
gifte van de tijdelijke Vlaamse publieke
sportzender Sporza (zie eerder
Mediaforum
2004-7/8, p. 250). In haar antwoorden
Mediaforum 2004-9
287
schrijft de staatssecretaris onder meer dat
het haar op 21 januari 2004 bekend was dat
er plannen bestonden voor een Vlaamse
publieke sportzender en dat vormde voor
haar aanleiding om de wettelijke doorgifte-
verplichting van de Vlaamse publieke televi-
sieprogramma's nog eens tegen het licht te
houden. Artikel 82i lid 1 sub d Mediawet
bepaalde toen namelijk dat álle Vlaamse
publieke televisieprogramma's via de kabel
moesten worden doorgegeven. De staatsse-
cretaris achtte het ongewenst dat kabelex-
ploitanten verplicht zouden zijn meer dan
de huidige twee televisieprogramma's van
de Vlaamse publieke omroep door te geven.
De ruimte op de kabel is immers beperkt en
een uitbreiding zou ten koste gaan van de
adviesruimte van programmaraden. Het is
volgens de staatssecretaris ook nooit de
bedoeling geweest dat zenders als Sporza
verplicht via de kabel zouden worden door-
gegeven: de wetgeving is hier gewoon door
de techniek ingehaald. De staatssecretaris
meent bovendien dat een grotere must-carry
verplichting spanning oplevert met artikel
31 van de Universeledienstrichtlijn. Dat arti-
kel staat de lidstaten toe redelijke doorgifte-
verplichtingen op te leggen.Verder zou de
verplichte doorgave van een tijdelijk pro-
gramma bij de kabelexploitanten tot veel
onrust kunnen leiden. Tenslotte zou het vol-
gens de staatssecretaris raar zijn om ener-
zijds maatregelen te nemen die gericht zijn
op het verbeteren van het functioneren van
de programmaraden (zie het hierna te noe-
men wetsvoorstel) en anderzijds de advies-
ruimte van deze raden te beperken. Aanpas-
sing van artikel 82i van de Mediawet was dus
gewenst, en wel snel. In het wetsvoorstel tot
wijziging van de Mediawet in verband met
het vervallen van de verspreidingsbeperking
voor de programma's van lokale en regionale
omroepinstellingen, wijziging van de door-
gifteplicht via omroepnetwerken van de pro-
gramma's van lokale omroepinstellingen,
alsmede wijziging van bepalingen inzake de
programmaraden (zie
Mediaforum 2003-1, p.
24) had een dergelijke aanpassing gestalte
kunnen krijgen, doch dit wetsvoorstel lag
reeds bij de Eerste Kamer. Daarom is de
gewenste aanpassing gerealiseerd middels
een tweede nota van wijziging bij het wets-
voorstel tot wijziging van de Mediawet in
verband met verlaging van de rijksomroep-
bijdrage (zie
Mediaforum 2003-10, p. 329 en
2004-4, p. 119).
Aanhangsel Handelingen II 2003/04, nr. 1874.
NPS-radio-uitzendingen
Het kamerlid Lazrak (Groep Lazrak) heeft
schriftelijke vragen gesteld aan staatssecre-
taris Van der Laan van OCW over de radio-
uitzendingen van de NPS, onder meer in ver-
band met het stopzetten van dagelijkse
radio-uitzendingen in de Chinese, Marok-
kaanse en Turkse taal. De staatssecretaris
antwoordt dat zij als bewindspersoon op
afstand staat, gezien de programmatische
autonomie van de publieke omroep. In arti-
kel 48 Mediawet is de zelfstandigheid van de
omroepen nadrukkelijk bepaald en boven-
dien bepaalt artikel 13c Mediawet dat de pro-
gramma's van de publieke omroep onafhan-
kelijk zijn van commerciële invloeden en
van overheidsinvloeden. De NPS heeft de
wettelijke taak om 25% van haar program-
mering op de radio te richten op minderhe-
den en uit de programmatische autonomie
vloeit voort dat zij dit naar eigen inzicht kan
inrichten. Het Commissariaat voor de Media
houdt achteraf toezicht op de naleving
van de programmatische voorschriften. De
staatssecretaris beschikt derhalve niet over
bevoegdheden om voor te schrijven op welke
wijze
de
NPS
zijn
programmatische
opdracht moet uitvoeren.
Aanhangsel Handelingen II 2003/04, nr. 1947.
Herleving tariefbeheersing post
In
Mediaforum 2004-7/8, p. 250-251 werd mel-
ding gemaakt van het feit dat concessiehou-
der TPG een bezwaarschrift had ingediend
tegen een besluit van de minister van EZ van
21 september 2003, houdende wijziging van
het Besluit algemene richtlijnen post (zie
Mediaforum 2003-11/12, p. 372). Tevens werd
vermeld dat de minister het bezwaarschrift
gegrond achtte. Dat is nu bevestigd door een
kennisgeving in de
Staatscourant van 12 juli
2004. Daarin is tevens te lezen dat het bestre-
den besluit is ingetrokken en dat dientenge-
volge diverse onderdelen van het Besluit
algemene richtlijnen post weer luiden zoals
zij luidden vóór 8 oktober 2003, de dag waar-
op het bestreden besluit in werking trad.
Stcrt. 2003, 130, p. 13.
Steun van Bedrijfsfonds voor de Pers
Het Bedrijfsfonds voor de Pers heeft een kre-
diet van
80.000,- beschikbaar gesteld aan
Medusa Media Producties BV voor het blad
SEN. SEN is een maandelijks verschijnend lif-
estyle-blad dat zich richt op (nieuw) Neder-
landse vrouwen in de leeftijd van 20-35 jaar.
Het krediet is beschikbaar gesteld voor het
aanstellen van professionele acquisiteurs.
Het besluit van het Bedrijfsfonds is geba-
seerd op artikel 2 van de Tijdelijke subsidie-
regeling minderhedenbladen en journalis-
tieke
internet-informatieproducten
(zie
Mediaforum 2002-9, p. 291).
Stcrt. 2004, 122, p. 9.
Verschenen
N.A.N.M. van Eijk & E. J. Dommering,
Juris-
prudentie Telecommunicatie, Den Haag: Sdu
2004; ISBN 9054093839, 902 pp.
H. Bouwman e.a.,
Interconnectie. Het vaste tele-
foonnet, het mobiele net en internet, Den Haag:
Sdu
2004
(IteR-reeks
nr.
65);
ISBN
9054093934; 184 pp.
A.H. J. Schmidt,
Bedreigen computers ons rechts-
systeem? Rede uitgesproken bij de aanvaar-
ding van het ambt van hoogleraar Recht en
Informatica aan de Universiteit Leiden op 18
mei 2004, Leiden: Universiteit Leiden 2004;
28 pp.
Agenda
Licentiecontracten, Kluwer Opleidingen,
28 september 2004, Bilthoven; sprekers S.A.
Klos en J.L.R.A. Huydecoper;
575,-; aan-
melden en info: tel. 0570-647557; www.klu-
weropleidingen.nl; opleidingen@kluwer.nl
Actueel recht voor de media in de prak-
tijk, Euroforum 30 september 2004 te Hil-
versum; sprekers B. le Poole, D. van der Kolk,
K. Gilhuis, E. de Bock en forumdiscussie met
Felix Meurders en Henk Steenhuis;
899,-;
info en aanmelden tel. 040-2974977; fax 040-
2974984; www.euroforum.nl/media.htm
Actualiteiten auteursrecht 2004; Juri-
disch PAO Leiden, 1, 8 en 15 november 2004;
sprekers D. J.G. Visser, D.W.F. Verkade, C.B.
van der Net, M.R. de Zwaan, R. J.Q. Klomp,
J.L.R.A. Huydecoper, W.D.H. Asser, M. J.
Frequin, J. Seignette, J.I. Krikke en J.A.
Schaap;
895,-; 8 studiepunten; aanmeldin-
gen en info: tel. 071-5278666; fax 071-
5277895; e-mail: pao@law.leidenuniv.nl;
www.juridischpao.leidenuniv.nl
Mediaforum 2004-9
288
Mediaforum 2004-9
289
Jurisprudentie nr
.3
0
Nr 30
Vides Aizsardzibas Klubs vs. Lettonie
EHRM 27 mei 2004
(Requête no 57829/00)
Cet arrêt deviendra définitif dans les conditions définies à l'article 44
§ 2 de la Convention. Il peut subir des retouches de forme.
La Cour européenne des Droits de l'Homme (première section), siége-
ant en une chambre composée de : MM. C.L. Rozakis, président, G.
Bonello, Mme F.Tulkens, M. E. Levits, Mme S. Botoucharova, MM. A.
Kovler, V. Zagrebelsky, juges, et de M. S. Nielsen, greffier de section,
Après en avoir délibéré en chambre du conseil le 6 mai 2004, Rend
l'arrêt que voici, adopté à cette date :
Procédure
1-6 (...)
En fait
De omstandigheden van het geval (7-14)
Vides Aizsardzibas Klubs (VAK) is een vereniging in Riga die zich
sterk maakt voor de bescherming van het milieu. Op 29 november
1997 neemt de algemene vergadering van de VAK een resolutie aan,
gericht aan de minister voor milieubescherming en regionale ont-
wikkeling, de rijksinspecteur en de procureur generaal. Uit de resolu-
tie spreekt grote bezorgdheid over de bescherming van het duinge-
bied in Mersrags, een aan de golf van Riga gelegen gemeente. De
resolutie maakt gewag van een snelle verslechtering van de toestand
van het duingebied. Deze is volgens de resolutie het gevolg van de
onverantwoordelijke en illegale activiteiten van het gemeentebe-
stuur van Mersrags. De voorzitter van de gemeenteraad, I.B., heeft
illegale stukken, besluiten, en verklaringen getekend die de ongeoor-
loofde constructie van een bouwwerk in de duinen in hand hebben
gewerkt. Voorts legt zij bewust de aanmaningen van de regionale
directie voor het milieu, gericht op stopzetting van de bouw, naast
zich neer.
Op 18 december 1997 wordt de resolutie gepubliceerd in de regionale
krant Talsu Vestis. Begin januari 1998 antwoordt de minister van
milieubescherming en regionale ontwikkeling aan de VAK dat amb-
tenaren van zijn ministerie bij een bezoek aan Mersrags in de duinen
verschillende andere gevallen hebben ontdekt van overtreding van de
milieuwetgeving. Voorts betuigt de minister zijn dank voor de actie-
ve medewerking van de VAK bij de oplossing van het probleem. Een
brief van het parket bij de regionale rechtbank aan de VAK vermeldt
dat er meer overtredingen zijn geconstateerd in de duinen bij Mers-
rags en dat de voorzitter van de gemeenteraad daadwerkelijk een
eigenaar een verklaring met een`onjuiste' afstand tot de zee heeft ver-
strekt zodat hij buiten het beschermde gebied lijkt te vallen en mocht
bouwen.
In februari 1998 begint I.B. een schadevergoedingsprocedure tegen de
VAK stellende dat de toestand van het duingebied niet is verslechterd,
dat zij geen enkele aanmaning van de regionale milieudienst heeft ont-
vangen en dat zij geen enkel stuk heeft getekend geschikt om een ille-
gale bouw in de hand te werken. Zij eist een schadevergoeding van 500
Lats (ongeveer 800 Euro) en publicatie van een rectificatie. De rechter in
eerste instantie aanvaardt de in de vorige alinea genoemde brieven niet
als bewijs nu zij dateren van na de publicatie van de resolutie. Daarmee
heeft de VAK de juistheid van bewering in de resolutie niet kunnen
aantonen. De VAK wordt veroordeeld tot de publicatie van een rectifi-
catie en een schadevergoeding van ongeveer 350 Euro. De rechter
baseert dat bedrag mede op de financiële positie van de VAK.
De redenering van het hof te Kurzeme in hoger beroep is een andere.
Het hof overweegt dat uit geen van de vermelde brieven uitdrukke-
lijk blijkt dat I.B. op illegale wijze een stuk heeft getekend, dat de
gewraakte bouw in de hand heeft gewerkt. Zelfs als I.B werkelijk een
verklaring zou hebben getekend, zou er rekening mee gehouden
moeten worden dat de gemeente zelf al bezig was iets tegen deze
overtreding te doen. Bovendien wijst het hof erop dat alle besluiten
van de gemeenteraad collegiaal van aard zijn. Daarom kan de voorzit-
ter van de raad niet persoonlijk verantwoordelijk worden gehouden
voor een `onjuist' besluit genomen door de raad als geheel. Het cassa-
tieberoep tegen deze uitspraak wordt verworpen.
Relevant nationaal recht (15-22)
De milieuwetgeving geeft burgers en organisaties het recht om de
bevoegde autoriteiten bepaalde inlichtingen te vragen, het recht
bezwaren tot uitdrukking te brengen en het recht aan het parket en
andere bevoegde organen overheidsbesluiten voor te leggen. Daarbij
hebben de gemeentelijke instellingen de plicht om te bevorderen dat
burgers en organisaties deelnemen aan de controle op de bescher-
ming van het milieu. Die deelname heeft tot doel te waken over de
naleving van de wetgeving.
Het burgerlijk wetboek bepaalt dat de rechter een rectificatie kan
opleggen aan iemand die beledigende uitlatingen doet maar de juist-
heid ervan niet kan bewijzen. Daarnaast is het in veel gevallen moge-
lijk een schadevergoeding toe te wijzen
En droit
I. SUR LA VIOLATION ALLÉGUÉE DE L'ARTICLE 10 DE LA CON-
VENTION
23. La requérante se plaint que sa condamnation à des dommages-
intérêts pour avoir publié, de bonne foi, une résolution portant sur
une question sensible de la vie sociale, constitue une violation de son
droit à la liberté d'expression, et, notamment, au droit de communi-
quer des informations. Ce droit est garanti par l'article 10 de la Con-
vention, dont les parties pertinentes sont ainsi libellées :
« 1. Toute personne a droit à la liberté d'expression. Ce droit com-
prend la liberté d'opinion et la liberté de recevoir ou de communi-
quer des informations ou des idées sans qu'il puisse y avoir ingérence
d'autorités publiques (...). (...)
2. L'exercice de ces libertés comportant des devoirs et des responsabi-
lités peut être soumis à certaines formalités, conditions, restrictions
ou sanctions prévues par la loi, qui constituent des mesures nécessai-
res, dans une société démocratique, à la sécurité nationale, à l'inté-
grité territoriale ou à la sûreté publique, à la défense de l'ordre et à la
prévention du crime, à la protection de la santé ou de la morale, à la
protection de la réputation ou des droits d'autrui, pour empêcher la
divulgation d'informations confidentielles ou pour garantir l'auto-
rité et l'impartialité du pouvoir judiciaire. »
A. Thèses des parties
1. Le Gouvernement (24-32)
2. La requérante (33-39)
B. Appréciation de la Cour
1. Principes généraux
40. La Cour rappelle les principes fondamentaux qui se dégagent de
sa jurisprudence relative à l'article 10 :
a) La liberté d'expression constitue l'un des fondements essentiels
d'une société démocratique et l'une des conditions primordiales de
son progrès et de l'épanouissement de chacun (voir
Lingens c. Autriche,
arrêt du 8 juillet 1986, série A n
o
103, p. 26, § 41). Sous réserve du
deuxième paragraphe de l'article 10, elle vaut non seulement pour les
« informations » ou « idées » accueillies avec faveur ou considérées
comme inoffensives ou indifférentes, mais aussi pour celles qui heur-
tent, choquent ou inquiètent une personne ou une partie de la popu-
lation; ainsi le veulent le pluralisme, la tolérance et l'esprit d'ouvertu-
re sans lesquels il n'y a pas de « société démocratique » (voir
Handyside
c. Royaume-Uni, arrêt du 7 décembre 1976, série A n
o
24, p. 23, § 49, et
Jersild c. Danemark, arrêt du 23 septembre 1994, série A n
o
298, p. 26, §
37). Comme le précise l'article 10, l'exercice de cette liberté est soumis
à des formalités, conditions, restrictions et sanctions qui doivent
cependant s'interpréter strictement, leur nécessité devant être établie
de manière convaincante (voir, parmi beaucoup d'autres,
Observer et
Guardian c. Royaume-Uni, arrêt du 26 novembre 1991, série A n
o
216,
p. 30, § 59; arrêt
Jersild c. Danemark précité, pp. 23-24, § 31; Janowski c.
Pologne [GC], n
o
25716/94, § 30, CEDH 1999-I;
Nilsen et Johnsen c. Norvège
[GC], n
o
23118/93, § 43, CEDH 1999-VIII).
b) Ces principes revêtent une importance particulière pour la presse,
laquelle joue un rôle éminent dans une société démocratique. Si la
presse ne doit pas franchir certaines limites, tenant notamment à la
protection de la réputation et aux droits d'autrui, il lui incombe néan-
moins de communiquer, dans le respect de ses devoirs et de ses respon-
sabilités, des informations et des idées sur les questions politiques ain-
si que sur les autres thèmes d'intérêt général (voir, parmi beaucoup
d'autres,
De Haes et Gijsels c. Belgique, arrêt du 24 février 1997, Recueil des
arrêts et décisions 1997-I, pp. 233-234, § 37; Thoma c. Luxembourg, n
o
38432/97, § 45, CEDH 2001-III, et
Colombani et autres c. France, n
o
51279/99, § 55, CEDH 2002-V). A sa fonction qui consiste à en diffuser
s'ajoute le droit, pour le public, d'en recevoir. S'il en allait autrement,
la presse ne pourrait jouer son rôle indispensable de « chien de garde »
(voir
Thorgeir Thorgeirson c. Islande, arrêt du 25 juin 1992, série A n
o
239, p.
27, § 63;
Goodwin c. Royaume-Uni, arrêt du 27 mars 1996, Recueil 1996-II,
p. 500, § 39, et
Bladet Tromsø et Stensaas c. Norvège [GC], n
o
21980/93, § 59,
CEDH 1999-III). Outre la substance des idées et informations
exprimées, l'article 10 protège leur mode de diffusion (voir
Oberschlick
c. Autriche (n
o
1), arrêt du 23 mai 1991, série A n
o
204, p. 25, § 57).
c) Quant aux limites de la critique admissible, elles sont plus larges à
l'égard d'un homme politique, agissant en sa qualité de personnage
public, que d'un simple particulier. Un personnage politique s'expo-
se inévitablement et consciemment à un contrôle attentif de ses faits
et gestes de la part des journalistes, des organisations non gouverne-
mentales telles que la requérante, ainsi que de la masse des citoyens,
et doit montrer une plus grande tolérance à cet égard. Il a certes droit
à voir protéger sa réputation, même en dehors du cadre de sa vie
privée, mais les impératifs de cette protection doivent être mis en
balance avec les intérêts de la libre discussion des questions politi-
ques, les exceptions à la liberté d'expression appelant une interpréta-
tion étroite (voir, notamment, l'arrêt
Oberschlick c. Autriche (n
o
1) pré-
cité, pp. 25-26, §§ 57-59, et
Vereinigung demokratischer Soldaten Österreichs
et Gubi c. Autriche, arrêt du 19 décembre 1994, série A n
o
302, p. 17, § 37).
Quant aux fonctionnaires, la Cour a également reconnu que les limi-
tes de la critique admissible à leur encontre étaient plus larges qu'à
l'encontre de simples particuliers, même si l'on ne peut pas leur
appliquer les mêmes critères qu'à l'égard des hommes politiques
(voir
Oberschlick c. Autriche (n
o
2), arrêt du 1er juillet 1997, Recueil 1997-
IV, p. 1275, § 29, et
Janowski c. Pologne précité, § 33).
d) La vérification du caractère « nécessaire dans une société démocrati-
que » de l'ingérence litigieuse impose à la Cour de rechercher si celle-ci
correspondait à un « besoin social impérieux », si elle était proportion-
née au but légitime poursuivi et si les motifs fournis par les autorités
nationales pour la justifier sont pertinents et suffisants (voir
Sunday
Times c. Royaume-Uni (n
o
1), arrêt du 26 avril 1979, série A n
o
30, p. 38, §
62). Pour déterminer s'il existe pareil « besoin » et quelles mesures doi-
vent être adoptées pour y répondre, les autorités nationales jouissent
d'une certaine marge d'appréciation. Celle-ci n'est toutefois pas illi-
mitée mais va de pair avec un contrôle européen exercé par la Cour, qui
doit dire en dernier ressort si une restriction se concilie avec la liberté
d'expression telle que la protège l'article 10 (voir, parmi beaucoup
d'autres,
Worm c. Autriche, arrêt du 29 août 1997, Recueil 1997-V, p. 1551,
§ 47, et l'arrêt
Nilsen et Johnsen c. Norvège précité, § 43).
e) En évaluant la proportionnalité d'une ingérence dans l'exercice de
la liberté d'expression, il y a lieu de distinguer avec soin entre faits et
jugements de valeur. Si la matérialité des premiers peut se prouver,
les seconds ne se prêtent pas à une démonstration de leur exactitude
(voir l'arrêt
De Haes et Gijsels c. Belgique précité, p. 235, § 42).
f) Enfin, la Cour n'a point pour tâche, lorsqu'elle exerce ce contrôle, de
se substituer aux juridictions nationales, mais de vérifier sous l'angle
de l'article 10 les décisions qu'elles ont rendues en vertu de leur pou-
voir d'appréciation. Pour cela, la Cour doit considérer l'ingérence liti-
gieuse à la lumière de l'ensemble de l'affaire pour déterminer si les
motifs invoqués par les autorités nationales pour la justifier apparais-
sent « pertinents et suffisants » (voir, parmi de nombreux précédents,
Fressoz et Roire c. France [GC], n
o
29183/95, § 45, CEDH 1999-I).
2. Application en l'espèce des principes susmentionnés
41. Les parties s'accordent à dire que la condamnation de la requéran-
te à des dommages-intérêts s'analyse en une « ingérence » dans
l'exercice de son droit à la liberté d'expression. De même, la requér-
ante ne conteste pas que cette ingérence était « prévue par la loi »
(article 2352-a du code civil). La Cour ne voit pas de raison d'en juger
autrement.
La Cour estime également que les décisions des juridictions lettonnes
en l'espèce étaient motivées par un but légitime : protéger « la réputa-
tion et les droits d'autrui », en l'occurrence I.B., maire de la commune
de Mersrags. Reste à rechercher si l'ingérence critiquée était « néces-
saire dans une société démocratique » pour atteindre pareil but, et
donc à déterminer si elle correspondait à un besoin social impérieux,
si elle était proportionnée au but légitime poursuivi et si les motifs
fournis par les autorités nationales pour la justifier étaient pertinents
et suffisants.
42. La Cour constate d'emblée que la résolution litigieuse avait pour
but principal d'attirer l'attention des autorités publiques compé-
tentes sur une question sensible d'intérêt public, à savoir les dysfonc-
tionnements dans un secteur important géré par l'administration
locale. En tant qu'organisation non gouvernementale spécialisée en
la matière, la requérante a donc exercé son rôle de « chien de garde »
conféré par la loi sur la protection de l'environnement. Une telle par-
ticipation d'une association étant essentielle pour une société démo-
cratique, la Cour estime qu'elle est similaire au rôle de la presse tel
que défini par sa jurisprudence constante (paragraphe 40 b) ci-des-
sus). Par conséquent, pour mener sa tâche à bien, une association doit
pouvoir divulguer des faits de nature à intéresser le public, à leur
donner une appréciation et contribuer ainsi à la transparence des
activités des autorités publiques.
43. Comme la Cour vient de le rappeler ci-dessus (paragraphe 40 e)), il
y a lieu de distinguer entre faits et jugements de valeur, chacune de
ces deux catégories se prêtant à une analyse différente. Cependant, la
Cour admet que, dans certaines situations, il peut s'avérer difficile de
tracer une ligne de partage précise entre ces deux notions. Ainsi, dans
la présente affaire, la requérante a été condamnée pour avoir publié
un document contenant des allégations factuelles selon lesquelles
I.B. avait « signé des documents, des décisions et des attestations illé-
gales » et qu'elle avait intentionnellement omis de se conformer aux
sommations de l'administration compétente. Aux yeux de la Cour, de
telles allégations peuvent s'analyser sous deux aspects.
44. En premier lieu, la requérante reprochait à I.B. d'avoir signé les
actes en cause et de ne pas avoir obéi aux injonctions de la direction
régionale de l'environnement, visant à la cessation des travaux de
construction dans la zone littorale. La Cour considère qu'il s'agit là
d'une imputation factuelle concernant une personne concrète; la
requérante devait donc s'attendre à ce qu'on lui demandât de prouver
sa véracité. Or, il apparaît qu'elle s'est effectivement conformée à
cette obligation. En effet, il ressort du dossier que, suite à la publica-
tion de la résolution litigieuse, les autorités compétentes effectuèrent
une série de vérifications dans la commune de Mersrags, découvri-
rent une série de non-respect des dispositions en vigueur, sanctionnè-
rent deux personnes qui s'en étaient rendues coupables, et adressè-
rent un avertissement à l'administration locale. En outre, dans sa
lettre du 29 janvier 1998, le parquet reconnut expressément que la
maire de la commune avait délivré à un propriétaire foncier une atte-
station contenant des données inexactes (paragraphe 10 ci-dessus).
Enfin, nul ne conteste qu'en tant que présidente du conseil munici-
pal, I.B. avait signé les actes adoptés par ledit conseil; bien au contrai-
re, la cour régionale de Kurzeme le reconnut implicitement dans son
arrêt (paragraphe 13 ci-dessus). Les juridictions de première instance
et d'appel n'ayant pas précisé lesquelles des allégations de la requér-
ante elles considéraient comme mensongères, la Cour ne voit pas
quelles preuves supplémentaires celle-ci pouvait fournir à l'appui de
sa résolution.
45. Certes, on peut déduire de l'arrêt de la cour régionale de Kurzeme
du 11 novembre 1999, ainsi que des observations du Gouvernement,
que la condamnation de la requérante n'a pas eu pour fondement
principal ses allégations factuelles en tant que telles, mais plutôt
l'angle sous lequel elles ont été présentées au public. En effet, la réso-
lution en litige a été jugée diffamatoire puisqu'elle attaquait I.B. à tit-
re personnel, alors qu'en règle générale, les décisions d'un conseil
municipal sont prises d'une manière collégiale. A cet égard, la Cour a
reconnu qu'une distorsion de la réalité, opérée de mauvaise foi, peut
parfois transgresser les limites de la critique acceptable : une affirma-
tion véridique peut se doubler de remarques supplémentaires, de
jugements de valeur, de suppositions, voire d'insinuations suscepti-
bles de créer une image erronée aux yeux du public (voir, mutatis
mutandis,
Markt Intern Verlag GmbH et Klaus Beermann c. Allemagne, arrêt
du 20 novembre 1989, série A n
o
165, p. 20, § 35). Toutefois, la Cour
observe qu'un maire letton dispose de pouvoirs relativement étendus
et qu'il dispose notamment d'une sorte de veto suspensif au regard
des décisions adoptées par le conseil municipal (paragraphe 17 ci-des-
sus). Sans vouloir se prononcer sur l'interprétation du droit letton en
la matière, la Cour conclut que le président d'un conseil municipal est
loin d'être un primus inter pares de ce conseil. Au demeurant, elle
rappelle l'étendue particulière des limites de la critique admissible à
l'égard d'un personnage politique, constamment exposé à l'attention
des citoyens (paragraphe 40 c)). Dans ces conditions, et compte tenu
de toutes les circonstances pertinentes de l'espèce, le fait de reprocher
Mediaforum 2004-9
290
Jurisprudentie nr
.3
0
au maire la politique de la collectivité locale toute entière ne peut pas
être qualifié d'abus de la liberté d'expression.
46. Reste le deuxième aspect des déclarations litigieuses de la requér-
ante, à savoir, le fait de taxer le comportement de I.B. d'« illégal ». La
Cour relève en particulier que, dans son arrêt, la cour régionale de
Kurzeme déclara diffamatoire l'usage de ce vocable puisque aucune
autorité compétente n'aurait « expressément constaté l'illégalité des
faits reprochés ». Il est vrai qu'au moment de l'adoption de la résolu-
tion en question, aucun constat officiel de l'irrégularité des actes sig-
nés par I.B. n'était encore fait; la requérante exprimait donc l'opinion
personnelle de ses membres fondée sur leur propre niveau de con-
naissance et de perception du droit applicable en la matière. Cela
étant, la Cour ne peut pas partager la thèse du Gouvernement d'après
laquelle il s'agirait d'une imputation factuelle se prêtant à démon-
stration; en effet, une telle déclaration, exprimant un avis personnel
de nature juridique, constitue un jugement de valeur et doit être ana-
lysée comme tel. Dès lors, on ne pouvait pas exiger de la requérante de
démontrer l'exactitude de son appréciation. A cet égard, la Cour con-
sidère que, dans une société démocratique, les pouvoirs publics s'ex-
posent en principe à un contrôle permanent de la part des citoyens, et,
sous réserve de bonne foi, chacun doit pouvoir attirer l'attention
publique sur des situations qu'il estime irrégulières au regard de la
loi.
47. La Cour comprend mal l'assertion du Gouvernement selon la-
quelle la requérante aurait, en substance, accusé I.B. d'avoir commis
une infraction pénale. En effet, la résolution du 29 novembre 1997 ne
contient aucun passage en ce sens (paragraphe 8 ci-dessus), et les juri-
dictions internes ne l'ont pas non plus reproché à la requérante. En
toute hypothèse, la Cour considère qu'il serait absolument contraire à
l'objet et à l'esprit de l'article 10 de la Convention de reconnaître aux
autorités nationales le droit d'interprétation abusive des paroles ou
des écrits de l'intéressé dans un sens que lui-même n'a visiblement
jamais voulu leur donner.
48. Enfin, la Cour estime que la jurisprudence citée par le Gouverne-
ment ne peut pas être directement appliquée dans la présente affaire
puisqu'elle se rapporte à des situations sensiblement différentes. En
effet, dans l'affaire
Lesník c. Slovaquie, le requérant fut condamné au
pénal pour avoir gratuitement accusé un procureur d'avoir commis
des abus et des actes illicites graves, dont il ne put jamais prouver
l'exactitude; en revanche, en l'espèce, la Cour vient de constater le
contraire (paragraphe 44 ci-dessus). Il y a encore moins de ressem-
blance avec l'affaire
McVicar c. Royaume-Uni, où le requérant avait été
condamné pour avoir publié des insinuations rédigées sous une for-
me interrogative ou dubitative, mais donnant clairement à penser
qu'un sportif prenait des substances dopantes illicites.
49. En résumé, les raisons invoquées par le Gouvernement ne suffisent
pas à démontrer que l'ingérence dénoncée était « nécessaire dans une
société démocratique ». Nonobstant la marge d'appréciation des auto-
rités nationales, la Cour considère qu'il n'existait pas de rapport rais-
onnable de proportionnalité entre les restrictions imposées à la liberté
d'expression de la requérante et le but légitime poursuivi.
Partant, il y a eu violation de l'article 10 de la Convention.
(50-57) II. SUR L'APPLICATION DE L'ARTICLE 41 DE LA CONVEN-
TION
PAR CES MOTIFS, LA COUR, À l'UNANIMITÉ,
1.
Dit qu'il y a eu violation de l'article 10 de la Convention;
2.
Dit
a) que l'Etat défendeur doit verser à la requérante, dans les trois mois
à compter du jour où l'arrêt sera devenu définitif conformément à
l'article 44 § 2 de la Convention, les sommes suivantes:
i. 3 000 EUR (trois mille euros) pour dommage moral, à convertir en
lati lettons au taux applicable à la date du versement;
ii. 1 000 EUR (mille euros) pour frais et dépens, à convertir en lati let-
tons au taux applicable à la date du versement;
iii. tout montant pouvant être dû à titre d'impôt sur lesdites sommes;
b) qu'à compter de l'expiration dudit délai et jusqu'au versement, ces
montants seront à majorer d'un intérêt simple à un taux égal à celui
de la facilité de prêt marginal de la Banque centrale européenne
applicable pendant cette période, augmenté de trois points de pour-
centage;
3.
Rejette la demande de satisfaction équitable pour le surplus.
Fait en français, puis communiqué par écrit le 27 mai 2004 en appli-
cation de l'article 77 §§ 2 et 3 du règlement.
Søren Nielsen
Greffier
Christos Rozakis
Président
Noot
A. J. Nieuwenhuis
De invloed van Straatsburg reikt tot aan de verre kust van de golf van
Riga. Het daar gelegen duingebied kan er wellicht van profiteren. De
nationale rechter stelde zich immers wel heel welwillend op tegen-
over de eisen van de gezagdrager die was aangevallen in een resolutie
van een milieubeschermingsorganisatie.
De rechtsoverwegingen van het EHRM beginnen met de overbeken-
de algemene formuleringen (40): de uitingsvrijheid is een van de
grondslagen van een democratische samenleving en een van de essen-
tiële voorwaarden voor haar ontwikkeling en de ontplooiing van
eenieder. De uitingsvrijheid geldt ook informatie en meningen die
kwetsen, choqueren of verontrusten. Dergelijke principes hebben
uitzonderlijk belang voor de pers, die het publiek van informatie
voorziet en een rol als
waakhond vervult. De grenzen voor geoorloofde
kritiek zijn bovendien ruimer bij een politicus. Een beperking dient
noodzakelijk te zijn in een democratische samenleving; zij dient te
beantwoorden aan een `pressing social need' en proportioneel te zijn.
De toepassing van deze beginselen op het onderhavige geval is
opmerkelijk. Het EHRM stelt namelijk vast dat de VAK ook een rol als
waakhond speelt. Het Hof geeft de volgende overwegingen (42). De
gewraakte resolutie had als belangrijkste doel om de aandacht van de
bevoegde autoriteiten te vestigen op een gevoelige kwestie van
publiek belang, te weten het slechte functioneren van een belangrijk
onderdeel van het lokaal bestuur. In de hoedanigheid van non-gou-
vernementele organisatie heeft de VAK zijn rol als waakhond
gespeeld, die hem wordt toegekend door de milieuwetgeving. Omdat
een dergelijke deelname van een organisatie essentieel is voor een
democratische samenleving, meent het Hof dat haar rol gelijksoortig
is aan de rol van de pers, zoals bekend uit de vaste jurisprudentie van
het Hof. Dat wil zeggen dat een dergelijke vereniging om haar taak
goed te kunnen verrichten feiten van publiek belang moet kunnen
verspreiden, een oordeel daarover moet kunnen geven en zo moet
kunnen bijdragen aan de transparantie van de activiteiten van de
autoriteiten.
Deze overwegingen zijn, zoals vaker bij het Hof, niet volstrekt duide-
lijk en roepen deswege enkele vragen op. De eerste vraag is welke
waarde het Hof in zijn redenering hecht aan het feit dat de milieu-
wetgeving van Letland expliciet voorziet in de participatie van
milieuorganisaties. Indien het bestaan van dergelijke wetgeving een
noodzakelijk voorwaarde zou zijn om een bepaalde organisatie als
`waakhond' te kwalificeren, is het de wetgever die zou bepalen op
welke terreinen actiegroepen en belangenverenigingen die kunnen
spelen. Dat zou naar mijn mening teveel gewicht hechten aan een
publiekrechtelijke erkenning van de veronderstelde `publieke taak'.
Bij de pers is het immers evenmin doorslaggevend of de wetgeving
aanwijzingen bevat voor haar `publieke taak' als waakhond.
Een andere vraag is welke consequenties de gelijksoortigheid van
belangenorganisatie en persorgaan heeft? Kan een als waakhond
erkende belangenorganisatie op dezelfde bescherming aanspraak
maken als een persorgaan? Meer concreet: heeft ook een dergelijke
organisatie het recht haar bronnen te beschermen, een recht dat
slechts hoeft te wijken voor een `overriding requirement in the public
interest' (EHRM 26 maart 1996, Goodwin,
NJ 1996, 577, Mediaforum
1996-5, B69). Of wilde het Hof met de gemaakte vergelijking alleen
zijn oordeel wat verfraaien.
Een andere reden waarom dit arrest van belang is, vormt de uiteen-
zetting over feiten enerzijds en waardeoordelen anderzijds. Het mag
bekend verondersteld worden dat dit onderscheid in de jurispruden-
tie van het Hof van groot belang is. Voor waardeoordelen mag bij-
voorbeeld geen bewijs voor de juistheid worden vereist (EHRM 8 juli
1986,
Lingens, NJ 1987, 901). Dat doet overigens niet af aan het uit-
Mediaforum 2004-9
291
Jurisprudentie nr
.3
0
gangspunt dat stevige waardeoordelen hun rechtvaardiging mede
kunnen ontlenen aan een feitelijke basis (bijv. EHRM 27 februari
2001,
Jerusalem, Mediaforum 2001-4, nr. 18). In casu relativeert het Hof
het onderscheid tussen feiten en waarden in een ander opzicht. In
bepaalde gevallen kan het namelijk moeilijk blijken om een precieze
grens te trekken. De feitelijke beweringen dat I.B. illegale stukken,
besluiten en verklaringen heeft getekend en dat zij bewust de aanma-
ningen van het bevoegde bestuur naast zich neer heeft gelegd kun-
nen volgens het Hof vanuit twee gezichtspunten geanalyseerd wor-
den.
In de eerste plaats gaat het om een feitelijke bewering waarvan de
VAK de juistheid volgens het EHRM afdoende aannemelijk heeft
gemaakt. Het EHRM constateert vervolgens dat het oordeel van het
hof van Kurzeme gebaseerd lijkt op de wijze van presentatie van deze
feitelijke beweringen. Nu is het volgens het EHRM op zichzelf moge-
lijk dat door de wijze van presentatie van de feiten een zodanig
onjuist beeld bij het publiek ontstaat, dat de grenzen van de accepta-
bele kritiek worden overschreden. Dat is in casu echter niet het geval.
Zo is de voorzitter van een Letse gemeenteraad veel meer dan een pri-
mus inter pares. Mede daarom kan het feit dat de kritiek naar aanlei-
ding van besluiten van de gemeenteraad als geheel is toegespitst op
deze persoon niet als misbruik van de uitingsvrijheid worden aange-
merkt.
Het oordeel van het Hof op dit punt lijkt me juist. Uit het in het arrest
opgenomen gemeenterecht blijkt dat de door en uit de leden van de
raad gekozen voorzitter onder meer bevoegd is te weigeren een
beslissing van de raad te ondertekenen: hij of zij dient dan wel een
nieuwe vergadering uit te schrijven om de kwestie opnieuw te
bespreken. De besluitvorming van de raad als geheel kan in elk geval
tot op zekere hoogte aan zijn voorzitter worden verweten. Zou de
VAK een lid van de raad hebben aangevallen dan zou het EHRM
mogelijkerwijs tot een ander oordeel zijn gekomen. In dat geval zou
het overigens nog van belang kunnen zijn of het raadslid vóór of
tegen de betreffende besluiten zou hebben gestemd.
Een laatste overweging van het EHRM is gewijd aan de kwalificatie
`illegaal'. Daarin ziet het EHRM eerder een waardeoordeel dan een
feitelijke bewering. Het gaat immers om de persoonlijke mening van
de leden van de VAK gebaseerd op hun kennis van zaken en hun per-
ceptie van het toepasselijk recht. Het is derhalve een persoonlijke
mening van juridische aard, en dus een waardeoordeel. Twee opmer-
kingen daarover. Al eerder heeft het EHRM overwogen dat een term
die ook als een voor bewijs vatbare juridische kwalificatie gebruikt
wordt, in de maatschappelijke discussie eerder een rol als waardeoor-
deel kan spelen (bijv. EHRM 26 februari 2002,
Unabhängige Initiative
Informationsvielfalt, www.echr.coe.int; het betrof de term `rassistische
Hetze').
In de onderhavige zaak redeneert het Hof wat omslachtiger: Percep-
tie en persoonlijke mening maken de term tot een waardeoordeel. Uit
deze overweging blijkt dat `subjectieve' oordelen passen in een rol als
waakhond. Dat leidt als vanzelf tot de tweede opmerking: kunnen
burgers die zich individueel ergens voor inzetten ook een rol als
waakhond opeisen? De Letse milieuwetgeving kent burgers in elk
geval dezelfde rechten toe als milieubeschermingsorganisaties.
Mediaforum 2004-9
292
Jurisprudentie nr
.3
0
Nr 31
Pretium vs. KPN
Voorzieningenrechter Rechtbank 's-Gravenhage 1 juni 2004
rolnummer KG 04/490
Vonnis in kort geding gewezen in de zaak van:
de besloten vennootschap Pretium Telecom BV, gevestigd te Haar-
lem, eiseres, procureur mr. A. Killan, advocaten mr. A. Killan en M.
Geus,
tegen:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid KPN Tele-
com BV, gevestigd te 's-Gravenhage, gedaagde, procureur mr. H.C.
Grootveld, advocaat mr. S. J. van der Voorde te Amsterdam.
Partijen worden hierna genoemd: `Pretium' en `KPN'.
1. De feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 24 mei
2004 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
1.1. KPN beheert het vaste netwerk voor telefonie en is verplicht toe te
staan dat eindgebruikers/klanten middels een vooraf ingestelde
voorkeur (Carrier Pre Selectie, hierna: CPS) voor uitgaand telefoon-
verkeer gebruik kunnen maken van diensten van andere aanbieders
van vaste telefoniediensten dan KPN, de zogenoemde CPS-aanbie-
ders en voorts dat deze aanbieders desgewenst `bijzondere toegang'
krijgen tot het netwerk van KPN.
1.2. In geval van CPS wordt een uitgaand telefoongesprek afgehan-
deld door de aanbieder die de eindgebruiker heeft verkozen, indien
van tevoren de CPS code van de betreffende aanbieder is ingesteld.
1.3. Pretium is een aanbieder van vaste telefoniediensten en maakt
daartoe gebruik van CPS. Pretium heeft geen overeenkomst met
KPN, doch wordt `gehost' door Versatel, die wel een overeenkomst
heeft met KPN.
1.4. Eindgebruikers kunnen hun keuze voor een alternatieve aanbie-
der of KPN bewerkstelligen via het Voice Response System (hierna:
VRS) of via het Operator Controlled Model (hierna: OCM). De uitvoe-
ring van deze beide systemen is in handen van de KPN.
1.5. In het geval van VRS stelt de eindgebruiker zelf de CPS-instelling
in voor het bellen via een nieuwe aanbieder en wel via zijn eigen tele-
foon en eigen telefoonnummer. VRS vindt nauwelijks nog plaats
omdat het als te ingewikkeld en klantonvriende]ijk wordt
beschouwd.
1.6. Nadat de eindgebruiker daartoe toestemming heeft gegeven,
biedt in het geval van OCM de nieuwe aanbieder het telefoonnum-
mer van de eindgebruiker aan KPN aan en geeft de nieuwe aanbieder
opdracht aan KPN tot activering via OCM van de gewenste CPS-
instelling voor het betreffende telefoonnummer. De eindgebruiker
wordt hierdoor gedeactiveerd voor de oude aanbieder en geactiveerd
voor de nieuwe aanbieder.
1.7. Omdat KPN de systemen en de technische toegang tot het vaste
telefoonnetwerk beheert kunnen de CPS-instellingen uitsluitend
door KPN worden geactiveerd en gedeactiveerd.
1.8. Een eindgebruiker die is overgestapt naar een CPS-aanbieder
blijft KPN facturen ontvangen voor het hebben van een telefoonaan-
sluiting. Daarnaast ontvangt de eind gebruiker van de alternatieve
aanbieder een factuur voor het afgenomen uitgaande telefoonver-
keer.
1.9. De eindgebruiker merkt aan het telefoneren niet van welke aan-
bieder hij gebruik maakt en is derhalve tijdens het telefoneren niet
op de hoogte van eventuele ongewenste beschakeling, het zogenoem-
de slamming.
1.10. Bij brief van 2 maart 2004 heeft Versatel, mede namens Pretium,
KPN verzocht de herkomst van de wijzigingen in CPS-activaties en
deactivaties, inzichtelijk te maken. KPN heeft aan dit, herhaalde, ver-
zoek geen gevolg gegeven.
2. De vordering, de gronden daarvoor en het verweer
Pretium vordert zakelijk weergegeven :
1. KPN te verbieden, indien zij daartoe geen toestemming heeft
verkregen, klanten van Pretium te deactiveren, althans gedaag-
de te gebieden na een deactivatie van klanten van Pretium die
niet aantoonbaar gebaseerd is op VRS of OCM, weer te active-
ren voor Pretium, op straffe van een dwangsom;
2. KPN te gebieden dagelijks aan Pretium te doen toekomen
een lijst (A-lijst) met daarop vermeld de klanten dan wel tele-
foonnummers die zijn gedeactiveerd met daarbij vermeld de
oorzaak van de deactivatie, op straffe van een dwangsom;
3. KPN te gebieden bij wijze van voorschot op schadevergoe-
ding te betalen een bedrag van
25.000,-.
Daartoe voert Pretium het volgende aan.
KPN tracht het verlies in de markt van vaste telefonie goed te maken
door klanten van Pretium omgevraagd te deactiveren. Hierdoor han-
delt KPN onrechtmatig jegens Pretium. KPN maakt zich schuldig aan
overtreding van artikel 350a, lid 1, althans artikel 350b, lid 1 van het
Wetboek van Strafrecht door gegevens die door middel van een geau-
tomatiseerd werk, in de KPN centrales, zijn opgeslagen te verwerken,
over te dragen, te veranderen, te wissen, onbruikbaar te maken of
ontoegankelijk te maken, dan wel andere gegevens daaraan toe te
voegen. KPN maakt zich schuldig aan misleiding en/of bedrog door
ongevraagd en ongemerkt de CPS-instellingen van Pretium onge-
daan te maken. KPN handelt in strijd met de Telecommunicatieregel-
geving, die KPN verplicht er voor zorg te dragen dat Pretium haar
diensten via CPS kan blijven verlenen en dat eindgebruikers blijven
bellen via Pretium. KPN maakt misbruik van haar machtspositie
door haar monopoliepositie op het gebied van beschakelen te mis-
bruiken door klanten van Pretium, ongevraagd, naar haar eigen
dienstverlening om te zetten en voorts door het niet ongedaan
maken van onterechte deactivaties.
KPN voert zakelijk weergegeven als verweer aan dat er weliswaar
sprake is van onterechte deactivatie, doch dat dit dan het gevolg is
van een storing, verhuizing of aanvragen van een ADSL-verbinding.
Het OCM-systeem is niet waterdicht en er kan dus onbedoeld slam-
ming plaatsvinden. KPN erkent dat er sprake is van een probleem,
doch weerspreekt dat er sprake is van een ongewone verhoging van
onbedoelde deactivaties; het aantal is gering. Om het probleem van
onbedoelde slamming aan te pakken heeft KPN een oplossing
gezocht en gevonden in een zogenoemde `CPS-check', die met ingang
van 15 juni 2004 zal worden geïmplementeerd. Deze oplossing is in
lijn met hetgeen de OPTA voor ogen staat. Invulling en toezending
van A-nummerlijsten is gebaseerd op afspraken die tussen KPN en
afnemers van bijzondere toegang ten behoeve van CPS zijn gemaakt.
Pretium is daarbij geen partij. Voorts is bedoelde lijst met ingang van
15 juni 2004 niet meer nodig daar onbedoelde deactivaties vanaf die
datum onverwijld zullen worden gecorrigeerd.
3. De beoordeling van het geschil
3.1. Pretium stelt dat zij aanzienlijke schade lijdt door de handelwijze
van KPN en voorts dat KPN bij haar klanten de indruk wekt bij dat
het bellen via een alternatieve aanbieder laatstgenoemde niet naar
behoren functioneert waardoor het imago van Pretium schade lijdt.
Daarmee is het spoedeisend belang bij de vordering van Pretium
gegeven.
3.2. Pretium is een aanbieder van vaste telefoniediensten met een
eigen klantenkring en maakt gebruik van CPS. Pretium heeft derhal-
ve een zelfstandig belang in de markt van telecom-aanbieders en dus
belang bij het vorderen van het eindigen van het (gestelde onrecht-
matig) handelen van de KPN, te weten het onterecht deactiveren
en kan derhalve worden ontvangen in haar vordering.
3.3. Vaststaat dat er sprake is van deactivatie van Pretium klanten
zonder dat daarvoor toestemming is gegeven door de desbetreffende
klant. Met betrekking tot het deactiveren heeft Pretium gesteld dat
KPN bewust honderden klanten van Pretium heeft gedeactiveerd en
naar KPN (Retail) heeft teruggeschakeld teneinde haar verlies in de
markt van vaste telefonie goed te maken. KPN daarentegen heeft
betoogd dat er weliswaar sprake is van onterechte deactivatie, doch
dat het een gering aantal betreft en er zeker geen sprake is van een
ongewone verhoging van onbedoelde deactivaties. Voorts heeft KPN
betoogd dat die deactivaties het gevolg zijn van niet te voorkomen
Mediaforum 2004-9
293
Jurisprudentie nr
.3
1
fouten die inherent zijn aan de systemen en processen van KPN, zoals
in geval van bijvoorbeeld storingen, technische problemen, verhui-
zing van de eindgebruiker of het installeren van een ADSL-verbin-
ding bij de eindgebruiker.
Dat KPN bewust vele klanten van Pretium heeft gedeactiveerd ten
faveure van KPN, heeft Pretium in onvoldoende mate aannemelijk
gemaakt. Daarenboven is niet duidelijk geworden om hoeveel gede-
activeerde klanten het gaat. Partijen hebben elk een andere lezing
betreffende de oorzaak van de deactivering alsmede betreffende het
aantal deactiveringen. Welke lezing de juiste is, kan echter in het
bestek van dit kort geding niet worden vastgesteld. Daartoe is nader
onderzoek nodig, hetgeen het kader van dit kort geding te buiten
gaat.
Nu KPN heeft toegegeven dat er zij het sporadisch en onbedoeld
sprake is van onterechte deactiveringen zal het onder 1 gevorderde
worden toegewezen zoals hierna vermeld. De termijn waarbinnen de
deactivatie ongedaan gemaakt moet worden zal gesteld worden op 72
uur, in lijn met de te hanteren hersteltijd van na te noemen CPS-
check. Voor toewijzing van een dwangsom is gezien het hiervoor
overwogene geen reden.
3.4. KPN heeft gesteld dat zij op korte termijn een oplossing heeft ter
voorkoming van onbedoelde deactivaties. De oplossing voorziet in
een zogenoemde `CPS-check' inhoudende dat ingeval van storingen,
migraties en dergelijke dus bij elke activiteit waarbij deactivering
kan plaatsvinden gecontroleerd wordt of er sprake is van een CPS-
instelling. Indien daar sprake van is, zal direct een order voor een
nieuwe CPS-instelling worden geplaatst en zal de CPS-instelling bin-
nen maximaal drie dagen worden geactiveerd. Omdat de implemen-
tatie van de CPS-check naar verwachting 15 juni a.s. zal plaatsvinden,
is er volgens de KPN geen reden meer om dagelijks de zogenoemde A-
nummerlijst, zo zij daartoe al is gehouden, aan Pretium te doen toe-
komen. Dit betoog van KPN wordt niet gevolgd. KPN heeft weliswaar
gesteld dat onbedoelde deactivaties vanaf 15 juni a.s. onverwijld zul-
len worden gecorrigeerd, doch een controle of dat werkelijk ook
gebeurt biedt KPN niet. Derhalve heeft Pretium nog steeds belang bij
opgave door KPN van alle voorkomende (oorzaken van) deactivaties.
Te meer nu KPN als beheerder van het vaste netwerk van telefonie,
inzage dient te geven in haar handelwijze jegens telecomaanbieders
als Pretium, en dus ook daar waar het betreft de oorzaken van deacti-
vaties die hebben plaatsgevonden. Het niet geven van bedoelde inza-
ge kan als onrechtmatig aangemerkt worden. Het gevorderde onder 2
zal derhalve worden toegewezen zoals hierna vermeld. Daarbij zal de
dwangsom worden gematigd en aan een maximum worden verbon-
den. Voorts zal er worden bepaald dat de op te leggen dwangsom vat-
baar is voor matiging door de rechter, voor zover handhaving daarvan
naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou
zijn, zulks mede in aanmerking genomen de mate waarin aan de ver-
oordeling is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate van ver-
wijtbaarheid daarvan.
3.5. Volgens vaste jurisprudentie is ten aanzien van toewijzing van
geldvorderingen in kort geding terughoudendheid op zijn plaats. Zo
zal niet alleen moeten worden onderzocht of het bestaan van de vor-
dering voldoende aannemelijk is ( hetgeen betekent dat met een
grote mate van waarschijnlijkheid te verwachten moet zijn dat de
bodemrechter haar zal toewijzen ), maar ook of daarnaast sprake is
van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van
onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl in
de afweging van de belangen van partijen het restitutierisico betrok-
ken dien te worden. Zoals hiervoor onder 3.3 reeds is overwogen heeft
Pretium niet in voldoende mate aannemelijk gemaakt dat het verlies
aan klanten op jaarbasis het door haar gestelde aantal van 3.000 tot
6.000 betreft. Daarmee staat de door haar gestelde schade evenmin
vast en zal het gevorderde voorschot op de schadevergoeding worden
afgewezen.
3.6. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering gedeel-
telijk zal worden toegewezen zoals hierna vermeld. KPN zal, als de
grotendeels in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de
kosten van dit geding.
4. De beslissing
De voorzieningenrechter:
Gebiedt KPN om, onmiddellijk na betekening van dit vonnis, klanten
van Pretium die gedeactiveerd zijn, voorzover niet aantoonbaar geba-
seerd op VRS of OCM, telkens binnen 72 uur na deactivatie weer vol-
ledig te activeren ten behoeve van Pretium, zonder daarbij terzake
direct of indirect contact op te nemen met deze klanten van Pretium,
Gebiedt KPN om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis
dagelijks aan Pretium te doen toekomen een correcte en complete,
schriftelijke lijst (de zogenoemde A-lijst) met daarop vermeld indivi-
duele en identificeerbare klanten van Pretium dan wel telefoon-
nummers die zijn gedeactiveerd, met daarbij telkens per klant dan
wel per telefoonnummer vermeld de precieze oorzaak van de deacti-
vatie, op straffe van een dwangsom van
500,- voor iedere keer of dag
dat gedaagde met de tijdige of volledige nakoming van dit gebod in
gebreke is en tot een maximum van
100.000,-.
Bepaalt dat bovenstaande dwangsom vatbaar is voor matiging op de
wijze zoals onder 3.4 is vermeld.
Veroordeelt KPN in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zij-
de van Pretium begroot op
1.027.78, waarvan 703,- aan salaris pro-
cureur,
241,- aan griffierecht en 83,78 aan dagvaardingskosten.
Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
Wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. R. J. Paris en uitgesproken ter openba-
re zitting van 1 juni 2004 in tegenwoordigheid van de griffier.
Noot
Nico van Eijk
Dr. N.A.N. M. van Eijk is verbonden aan het Instituut voor Informatierecht
(IViR, Universiteit van Amsterdam).
Pretium is een van de vele carrierselectie
1
aanbieders, die klanten
afsnoepen van KPN. Vanzelfsprekend ziet KPN haar klanten niet
graag vertrekken en het goed laten verlopen van carrierselectie heeft
dan ook de nodige voeten in aarde (gehad). Zo werd een zogenaamd
Voice Response System (VRS) geïnstalleerd dat het eindgebruikers
gemakkelijk zou moeten maken om te wisselen van aanbieder. Dit
systeem bleek lange tijd problematisch te zijn. Bovendien betekent
het dat eindgebruikers de nodige actie moeten ondernemen. Aanbie-
ders van carrierselectie kregen vervolgens bij OPTA gedaan dat een
`Operator Controlled Model' (OCM) mogelijk werd. Bij het OCM kan
de alternatieve aanbieder rechtstreeks dus zonder tussenkomst van
de eindgebruiker naar KPN stappen om carrierselectie te laten
implementeren. Ook het invoeren van het OCM verliep niet vlekke-
loos. Het OCM zou kunnen leiden tot meer slamming (`slamming' is
het fenomeen dat het verkeer van eindgebruikers zonder dat zij dit
weten door een alternatieve carrierselectie-aanbieder blijkt te wor-
den afgehandeld). KPN wilde daarom extra zekerheden met betrek-
king tot het OCM en stelde daartoe allerlei voorwaarden aan carrier-
selectie-aanbieders. Door OPTA zijn er toen in een geschil
beperkingen gesteld ten aanzien van wat te hanteren voorwaarden
konden zijn.
2
De strijd tussen KPN en carrierselectie-aanbieders is heftig en de ver-
houdingen zijn eufemistisch uitgedrukt niet optimaal. OPTA inter-
venieerde meerdere malen en legde zelfs een boete op aan KPN omdat
bleek dat aan haar eigen dienstenbedrijf meer informatie werd vers-
trekt dan aan concurrenten.
3
KPN startte zelf een procedure tegen
OPTA over een advertentie waarin gewezen werd op de mogelijkhe-
den tot carrierselectie.
4
En Pretium zag KPN al tenminste twee keer
bij de voorzieningenrechter over (vermeende) onjuiste informatie
aan eindgebruikers (de ene keer door KPN, de andere keer door Preti-
um).
5
Ook probeerde Pretium bij de NMa toegang te krijgen tot het
Mediaforum 2004-9
294
Jurisprudentie nr
.3
1
1
Carrierselectie werd onder de `oude' Telecommunicatiewet als een vorm van
bijzondere toegang gezien. De inmiddels gewijzigde telecommunicatiewet
bevat in artikel 6a.17 Tw een eigen regeling voor carrierselectie. Ik laat de rele-
vantie van eventuele overgangssituaties hier in het midden.
2 OPTA, besluit d.d. 20 februari 2004, Kenmerk OPTA/IBT/2004/200690, zaak-
nummer G.23.03 t/m G.30.03.
3 OPTA, besluit d.d. 11 maart 2003, kenmerk OPTA/IBT/2003/200936; Beslissing
op bezwaar d.d. 12 november 2003, kenmerk OPTA/JUZ/2003/204112 JB03033.
4 Rechtbank Den Haag 2 juli 2003, KPN vs OPTA, (
Mediaforum 2003-9, nr. 40).
5 Voorzieningenrechter Haarlem 3 mei 2002, KPN vs Pretium (LJN-nr. AE2465);
Mediaforum 2004-9
295
Jurisprudentie nr
.3
1
klantenbestand van KPN.
6
In alle gevallen trok Pretium echter aan
het kortste eind.
In het onderhavige geschil heeft men wat meer succes. Het gaat hier
om een zaak die goed aansluit bij het verleden. Aan de orde is het feit
dat KPN carrierselectie zou frustreren door eindgebruikers die
gebruik maken van de diensten van Pretium weer naar haar eigen
dienstverlening terug te zetten zonder dat dit bij de eindgebruikers
of Pretium bekend is en zonder dat daarvoor toestemming is gege-
ven. KPN ontkent niet dat dergelijke onterechte deactivaties voorko-
men maar een gevolg zijn van storing, verhuizing of de aanvraag van
een DSL-verbinding. Een ander zou mede veroorzaakt worden door
onvolkomenheden in het OCM-systeem. Het zou echter om kleine
aantallen gaan en er zou geen sprake zijn van het bewust frustreren
van Pretium. Een oplossing is bovendien in de maak. Door middel
van een CPS-check zal telkens wanneer er zich een storing o.i.d. voor-
doet worden nagegaan of de betreffende aansluiting thuis hoort bij
een carrierselectie-aanbieder. Binnen maximaal drie dagen zal de
eindgebruiker dan weer op zijn carrrierselectie-aanbieder aangeslo-
ten zijn.
Pretium vordert evenwel een verbod op `onbedoelde' deactivaties dan
wel KPN te verplichtingen tot reactivatie. Ook wil Pretium dat KPN
haar dagelijks actief informeert over onbedoelde deactivaties en de
oorzaak. Tenslotte wordt een voorschot op schadevergoeding
gevraagd.
De voorzieningenrechter heeft wel door dat de verhoudingen tussen
partijen op scherp staan en KPN niet op haar blauwe ogen geloofd
kan worden. Beide inhoudelijke vorderingen worden dan ook toege-
wezen: KPN moet binnen 72 uur na deactivatie aansluitingen weer
geactiveerd hebben. Ook moet Pretium actief worden geïnformeerd
(door het toezenden van zogenaamde A-lijsten met daarop vermeld
individuele en identificeerbare klanten van Pretium dan wel tele-
foonnummers die zijn gedeactiveerd onder vermelding van de oor-
zaak van deactivatie). Wel komt de op te leggen dwangsom voor even-
tuele matiging in aanmerking en wordt vordering tot voorschot op
schadevergoeding afgewezen.
Is daarmee alles gezegd? Neen, dit geschil is een mooi voorbeeld
waarbij het civiele recht `aanvullend' is ten opzichte van het sector-
specifieke recht. Immers, Pretium had zich ook kunnen wenden tot
OPTA, die in het kader van haar geschilbeslechtende bevoegdheden
een last onder dwangsom had kunnen opleggen. Er zou namelijk
gesteld kunnen worden dat KPN onvoldoende of op onjuiste wijze
voldoet aan haar verplichting tot het verlenen van bijzondere toe-
gang in de vorm van carrierselectie. In dit verband is het intrigerend
om te lezen dat er kennelijk sprake is van overleg met OPTA over het
probleem van intransparante (de)activaties (de genoemde CPS-check:
`Deze oplossing is in lijn met hetgeen OPTA voor ogen staat'). De
rechter lijkt echter voor een verdergaande oplossing te kiezen:
`Omdat de implementatie van de CPS-check naar verwachting 15 juni
a.s. zal plaatsvinden, is er volgens de KPN geen reden meer om dage-
lijks de zogenaamde A-nummerlijst, zo zij daartoe al is gehouden,
aan Pretium te doen toekomen. Dit betoog van KPN wordt niet
gevolgd'. Uit de uitspraak komt evenwel niet naar voren of er op eni-
ge wijze betrokkenheid van OPTA was bij het onderhavige geschil
tussen Pretium en KPN. Wellicht verwachtte Pretium geen steun van
OPTA of was de verwachting dat een eventuele geschilbeslechting te
veel tijd zou nemen?
Voorzieningenrechter Haarlem 8 augustus 2002, Pretium vs KPN (LJN-nr.
AE6332).
6
DG NMa, d.d. 20 februari 2003, zaaknummer 2392/22.
Mediaforum 2004-9
296
Jurisprudentie nr
.3
2
Nr 32
CvdM vs. Ernst & Young
Voorzieningenrechter Rechtbank 's-Gravenhage 13 april 2004
Vonnis in kort geding gewezen in de zaak met rolnummer KG 04/250
van:
het rechtspersoonlijkheid bezittende openbaar lichaam Het Com-
missariaat voor de Media, gevestigd te Hilversum, eiser, procureur
mr. H.C. Grootveld, advocaat mr. G.H.L. Weesing te Amsterdam,
tegen:
1. De maatschap Ernst & Young registeraccountants, gevestigd te 's-
Gravenhage,
2. H. Hollander RA, wonende te 's-Gravenhage, gedaagden,
procureur mr. W. Taekema, advocaat mr. F.C.M. van der Velden te
Amsterdam.
1. De feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 26 maart
2004 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
1.1. Eiser (hierna: Het Commissariaat) is op grond van artikel 134
Mediawet feitelijk belast met het (financiële) toezicht op onder meer
de regionale omroepinstellingen.
1.2. De Stichting Regionale Omroep West (hierna ook: RTV West) is een
regionale omroepinstelling die aan toezicht van eiser is onderworpen.
1.3. Gedaagde sub 1 (hierna ook: Ernst & Young) heeft de jaarrekenin-
gen van RTV West over 2001 en 2002 gecontroleerd en goedgekeurd.
Gedaagde sub 2 (hierna ook: Hollander) is binnen Ernst & Young fei-
telijk belast geweest met de uitvoering van deze controle.
1.4. Naar aanleiding van in 2003 gebleken financiële problemen bij
RTV West heeft Het Commissariaat besloten een nader onderzoek in
te stellen naar de jaarrekeningen van RTV West over 2001 en 2002.
Het Commissariaat heeft te dien einde Ernst & Young en Hollander
verzocht om alle medewerking te verlenen, inlichtingen te verstrek-
ken en inzage van zakelijke gegevens en bescheiden en kopieën daar-
van te geven. Ernst & Young en Hollander hebben tot op heden
geweigerd hun medewerking te verlenen.
2. De vordering, de gronden daarvoor en het verweer
Het Commissariaat vordert zakelijk weergegeven Ernst & Young
en Hollander te veroordelen om aan Het Commissariaat en/of aan
door Het Commissariaat aangewezen accountants inzage te geven in
de onder hen berustende controledossiers betreffende RTV West en
toe te staan dat daarvan kopieën worden gemaakt. Voorts vordert Het
Commissariaat Ernst & Young en Hollander te veroordelen tot het
geven van alle medewerking die Het Commissariaat redelijkerwijs
kan vorderen bij de uitoefening van zijn toezichthoudende taak op
RTV West. Alles op straffe van een dwangsom.
Daartoe voert Het Commissariaat het volgende aan.
Ernst & Young en Hollander beschikken over zogenaamde controle-
dossiers die door hen zijn aangelegd en bijgehouden in het kader van
de controle en goedkeuring van de jaarrekeningen van RTV West.
Deze controledossiers zijn geen duplicaten van bij RTV West aanwe-
zige administratie maar zijn eigendom van Ernst & Young en hebben
betrekking op door dit kantoor voltrokken vaststellingen en oor-
deelsvorming. Aangezien het praktisch niet mogelijk is de jaarreke-
ningen 2001 en 2002 van RTV West opnieuw aan een accountantscon-
trole zoals eerder door Ernst & Young is uitgevoerd te onderwerpen,
is het noodzakelijk dat Het Commissariaat in het kader van zijn toe-
zichthoudende taak inzage wordt verleend in de controledossiers van
Ernst & Young. Ernst & Young handelen onrechtmatig door in strijd
met het bepaalde in artikel 5:20 Algemene wet bestuursrecht (hierna:
Awb) geen medewerking te verlenen aan het geven van inlichtingen
aan Het Commissariaat.
Ernst & Young en Hollander hebben primair als verweer aangevoerd
dat de civiele rechter in deze onbevoegd is, daar de Mediawet Het
Commissariaat de bevoegdheid tot uitoefening van bestuursdwang
toekent.
Subsidiair hebben zij aangevoerd dat de vordering van Het Commis-
sariaat ongegrond is daar de redenen die Het Commissariaat aan zijn
vordering tot inzage ten grondslag legt, niet eenduidig zijn. Zo heeft
Het Commissariaat in zijn brieven van 24 december 2003 en van 5
februari 2004 gesteld dat inzage bedoeld is om de rol van de accoun-
tant te beoordelen en heeft Het Commissariaat in de media te kennen
gegeven dat het onderzoek gericht is op de vraag of Ernst & Young de
boeken van RTV West ten onrechte heeft goedgekeurd. Nu Het Com-
missariaat in de dagvaarding stelt dat de gegevens uit het controle-
dossier van belang zijn voor de uitoefening van het aan hem opgedra-
gen toezicht op RTV West, is terughoudendheid op zijn plaats.
3. De beoordeling van het geschil
3.1. Het Commissariaat is ingevolge artikel 134 van de Mediawet
belast met handhaving van de bepalingen van die wet. Vaststaat dat
Het Commissariaat, naar aanleiding van financiële problemen bij
RTV West, heeft besloten tot een nader onderzoek naar de jaarreke-
ningen van RTV West over 2001 en 2002 en in dat kader thans inzage
vordert in de controledossiers van Ernst & Young. Het Commissariaat
beroept zich daarbij op het bepaalde in artikel 5:20 Awb waarin is
bepaald dat iedereen verplicht is aan een toezichthouder alle mede-
werking te verlenen die deze redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoe-
fening van zijn bevoegdheden. Een weigering om hieraan mee te
werken wordt bestraft met bestuursdwang, indien daarin is voor-
zien. Niet gebleken is dat de Mediawet de (uitdrukkelijke) bevoegd-
heid geeft om van zowel Ernst & Young als Hollander de medewer-
king aan het toezicht met handhavingsmiddelen af te dwingen. Het
voorgaande leidt tot de conclusie dat in dit geval voor Het Commissa-
riaat geen bestuursrechtelijke weg openstaat en het dus ontvangen
kan worden in zijn vordering.
3.2. Gedaagden hebben tevergeefs het spoedeisend belang van Het
Commissariaat bij zijn vordering betwist. Het Commissariaat moet
de mogelijkheid hebben om de weigering van gedaagden om inzage
te geven in de stukken in dit kort geding aan de orde te stellen. Niet
gezegd kan worden dat te lang is gewacht met het aanspannen van
dit kort geding. Het Commissariaat heeft gesteld dat de stukken wel-
iswaar de jaarrekeningen over 2001 en 2002 betreffen, maar dat de
financiële problemen bij RTV West pas in 2003 duidelijk zijn gewor-
den. Gedaagden hebben deze stelling niet ontzenuwd.
3.3. In deze procedure dient thans beoordeeld te worden of Het Com-
missariaat in het kader van zijn controlerende bevoegdheid ten aan-
zien van RTV West de bevoegdheid heeft om van Ernst & Young inza-
ge in de controle-dossiers te vorderen en of de bodemrechter die
vordering naar alle waarschijnlijkheid zal toewijzen.
3.4. Het Commissariaat vordert van Ernst & Young en Hollander
inzage in de controledossiers die zij bij hun controle over de jaarreke-
ningen van RTV West over 2001 en 2002 hebben aangelegd en bijge-
houden. Voorts vordert Het Commissariaat dat zij toestaan dat Het
Commissariaat daarvan kopieën maakt. Het Commissariaat heeft
daartoe aangevoerd dat het voor de uitoefening van het toezicht op
RTV West is aangewezen op de medewerking van Ernst & Young
omdat het niet meer doenlijk is om over de betrokken jaarrekeningen
eenzelfde controle uit te voeren als door Ernst & Young is uitgevoerd,
omdat de kwaliteit van de interne controle niet meer is waar te
nemen en alternatieve controlemethoden niet tot de mogelijkheden
behoren, omdat de directe en/of andere sleutelfunctionarissen niet
meer bij RTV West werkzaam zijn.
Voorts heeft Het Commissariaat aangevoerd dat het ook onredelijk
veel tijd en geld zou kosten om eenzelfde controle uit te voeren die
Ernst & Young heeft uitgevoerd.
3.5. Het Commissariaat vordert medewerking van Ernst & Young op
de grond dat deze onrechtmatig handelt door niet mee te werken aan
de het bepaalde in artikel 5:20 Awb. Geoordeeld wordt dat de in deze
bepaling opgenomen inlichtingenplicht zich in het bijzonder richt
tot betrokkenen in de zin van de Awb, en in onderhavig geval meer in
het bijzonder tot de betrokkenen in de zin van de Mediawet. Daaron-
der valt bijvoorbeeld RTV West als degene waarop Het Commissari-
aat toezicht houdt. Derhalve dient onder een ieder in artikel 5:20 Awb
in samenhang met de Mediawet te worden verstaan een ieder op wie
toezicht wordt gehouden door Het Commissariaat. De accountant
die voor een dergelijke betrokkene werkzaamheden verricht, valt
daar niet onder.
3.6. De in 3.3 gestelde vraag dient derhalve ontkennend beantwoord
te worden. De vordering zal dan ook worden afgewezen.
Mediaforum 2004-9
297
Jurisprudentie nr
.3
2
3.7. Ten overvloede wordt het volgende overwogen. Vaststaat dat de
administratie van RTV West onder verantwoordelijkheid van het
bestuur van RTV West wordt gevoerd en dat ook de jaarrekeningen
onder de verantwoordelijkheid van het bestuur zijn opgesteld. Nadat
Ernst & Young van het bestuur opdracht heeft gekregen de jaarreke-
ningen te controleren heeft zij vervolgens onderzocht of de jaarreke-
ningen naar getrouwheid zijn opgemaakt. Ernst en Young heeft
onweersproken gesteld dat tot de controle door de externe accoun-
tant niet de beoordeling omtrent de rechtmatigheid en doelmatig-
heid van bestedingen door RTV West behoorde en met name niet de
besteding van de verstrekte financiële bijdragen en dat er zich in die
dossiers geen informatie bevindt die voor de toezichthoudende taak
van Het Commissariaat van belang is.
Gezien het vorenstaande heeft Ernst & Young in voldoende mate aan-
nemelijk gemaakt dat het voor de uitoefening van de toezichthou-
dende taak van Het Commissariaat niet zonder meer noodzakelijk is
dat het Commissariaat de controledossiers van Ernst & Young inziet
en dat Het Commissariaat zich kan wenden tot RTV West om in het
bezit te komen van de administratie van RTV West.
3.8. Het Commissariaat zal, als de in het ongelijk gestelde partij, wor-
den veroordeeld in de kosten van dit geding.
4. De beslissing
De voorzieningenrechter:
Wijst de vordering af.
Veroordeelt Het Commissariaat in de kosten van dit geding, tot dus-
verre aan de zijde van Ernst & Young en Hollander begroot op
944,-,
waarvan
703,- aan procureurssalaris en 241,- aan griffierecht.
Dit vonnis is gewezen door mr. R. J. Paris en uitgesproken ter openba-
re zitting van 13 april 2004 in tegenwoordigheid van de griffier.
Zie de noot bij nr. 33 in dit nummer.
Mediaforum 2004-9
298
Jurisprudentie nr
.3
3
Nr 33
H. e.a. vs. Minister van
Economische Zaken
Voorzieningenrechter Rechtbank Rotterdam 27 april 2004
Reg.nrs.: VTELEC 04/1215 t/m 04/1218-MESK
Uitspraak naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorzie-
ning als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in
verband met de procedure tussen
1. H., verzoeker in de procedure met het reg.nr. VTELEC 04/1215,
2. D., verzoeker in de procedure met het reg.nr. VTELEC 04/1217,
3. FSV Accountants + Adviseurs B.V., verzoekster in de procedures
met de reg.nrs. VTELEC 04/1216 en 04/1218,
gemachtigde van verzoekers 1 t/m 3, mr. M. Bos, advocaat te Rosmalen,
en
de Minister van Economische Zaken, verweerder.
1. Ontstaan en loop van de procedure
Bij besluit van 19 april 2002 (lees: 2004), kenmerk TP/O&T 4026474,
gericht aan FSV Accountants en Adviseurs B. t.a.v. H., heeft verweer-
der wegens het weigeren te voldoen aan de vordering om mondelinge
inlichtingen te verschaffen een last onder dwangsom opgelegd,
inhoudende een sommatie om op 27 april 2004, 15.00 uur ten kantore
van het Ministerie van Economische Zake, Prinses Beatrixlaan 5-7,
zaal 15.15, in Den Haag te verschijnen om aldaar de gevorderde inlich-
tingen mondeling te verstrekken. Indien niet aan deze last wordt vol-
daan, wordt een dwangsom verbeurd van
5.000,-.
Tegen dit besluit (hierna: besluit I) hebben verzoekers 1 en 3 afzon-
derlijk bij brief van 22 april 2004 bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 19 april 2002 (lees: 2004), kenmerk TP/O&T 4026468,
gericht aan FSV Accountants en Adviseurs BV t.a.v. D., heeft verweer-
der wegens het weigeren te voldoen aan de vordering om mondelinge
inlichtingen te verschaffen een last onder dwangsom opgelegd,
inhoudende een sommatie om op 27 april 2004, 13.30 uur ten kantore
van het Ministerie van Economische Zake, Prinses Beatrixlaan 5-7,
zaal 15.15, in Den Haag te verschijnen om aldaar de gevorderde inlich-
tingen mondeling te verstrekken. Indien niet aan deze last wordt vol-
daan, wordt een dwangsom verbeurd van
5.000,-.
Tegen dit besluit (hierna: besluit II) hebben verzoekers 2 en 3 afzon-
derlijk bij brief van 22 april 2004 bezwaar gemaakt.
Voorts hebben verzoekers 1 en 3 bij separate brieven van 22 april 2004
de voorzieningenrechter verzocht besluit I te schorsen. Bovendien
hebben verzoekers 2 en 3 bij separate brieven van 22 april 2004 de
voorzieningenrechter verzocht besluit II te schorsen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 april 2004.
Aanwezig waren de gemachtigde van verzoekers, bijgestaan door P.,
directeur van FSV Accountants + Adviseurs BV. Verweerder heeft zich
laten vertegenwoordigen door mr. T. van Muyden, bijgestaan door
mr. J.M. van der Hoek, mr. L.G. Lammertse en A. Bloemheuvel.
2. Overwegingen
Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuurs-
recht (hierna: de Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank
beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij
de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld,
de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan wor-
den in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen
indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Voor zover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de recht-
matigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oor-
deel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat
oordeel niet bindend voor de beslissing op bezwaar of eventueel in de
hoofdzaak.
2.1 Wettelijk kader
Artikel 18.7 van de Telecommunicatiewet (hierna: Tw) luidt als volgt.
1. Onze Minister, onderscheidenlijk het college, is bevoegd voor een juiste
uitvoering van het bepaalde bij of krachtens deze wet van een ieder te
allen tijde inlichtingen te vorderen voorzover dit redelijkerwijs voor de
vervulling van zijn taak nodig is.
2. Degene van wie krachtens het eerste lid inlichtingen zijn gevorderd, is
verplicht deze te geven.
Ingevolge artikel 15.1, eerste lid, aanhef en onder g, van de Tw zijn
met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
deze wet belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen ambte-
naren, voor zover het betreft de bepalingen die betrekking hebben op
verdere onderwerpen, te weten de artikelen (...) 18.7, voor zover het
bevoegdheden betreft van Onze Minister.
Artikel 15.2, eerste lid, van de Tw bepaalt dat verweerder bevoegd is
toepassing van bestuursdwang ter handhaving van de verplichtin-
gen, gesteld bij of krachtens de in artikel 15.1, eerste lid, bedoelde
bepalingen.
Ingevolge het eerste lid van artikel 5:32 van de Awb kan een bestuurs-
orgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan
aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.
2.2 Feiten
Bij afzonderlijke brieven van 16 maart 2004 heeft verweerder het
voornemen kenbaar gemaakt om een last onder dwangsom op te leg-
gen, om zodoende te bewerkstelligen dat de vordering om mondelin-
ge inlichtingen te verschaffen op grond van artikel 18.7 van de Tw
wordt nageleefd. Bovendien is in deze de gelegenheid geboden uiter-
lijk 17 maart 2004 een zienswijze ten aanzien van voornoemd voorne-
men kenbaar te maken. Daarvan is op 17 maart 2004 gebruik
gemaakt.
2.3 Standpunten van partijen
Verweerder heeft opgemerkt dat door veel betrokkenen herhaaldelijk
is aangedrongen op een spoedige afronding van het onderzoek in het
kader waarvan de inlichtingen zijn verzocht. Ook verweerder stelt
zich op het standpunt dat een verdere vertraging niet meer accepta-
bel is.
Verweerder stelt zich verder op het standpunt dat artikel 18.7 bewust
ruim geformuleerd is. Het verplicht een ieder, niemand uitgezon-
derd, tot het verstrekken van inlichtingen.
Verweerder merkt verder op de beginselen van proportionaliteit en
subsidiariteit in acht te hebben genomen, waarbij hij het, alles afwe-
gende, in dit verband en in het belang van het onderzoek absoluut
noodzakelijk acht dat verzoekers gehoor geven aan zijn vordering
om de inlichtingen mondeling te verstrekken. Dit mede omdat het
mondeling verkrijgen van inlichtingen sneller gaat dan het schrifte-
lijk verkrijgen daarvan, daar er bij mondelinge inlichtingenverstrek-
king een gesprek op gang komt en de betrokkene direct met verkla-
ringen van anderen geconfronteerd kan worden.
Verzoekers stellen zich op het standpunt dat de besluiten I en II zijn
geadresseerd aan verzoeker 3. Weliswaar volgt in de adressering de
nadere aanduiding `ter attentie van verzoeker 1 dan wel 2' doch daar-
mede wordt in de formele adressering geen wijziging gebracht. Ver-
zoekers stellen zich dan ook primair op het standpunt dat de beslui-
ten I en II aan verzoeker 3 zijn gericht. Verzoekster 3 is evenwel in
strijd met artikel 4:8 van de Awb niet in de gelegenheid gesteld haar
zienswijze kenbaar te maken ten aanzien van de op te leggen last.
Verzoekers zijn dan ook van mening dat de besluiten I en II niet in
stand kunnen blijven wegens schending van de artikelen 4:8 en 3:2
van de Awb.
Verzoekers stellen voorts dat verweerder niet duidelijk heeft gemaakt
dat de bestreden besluiten bevoegd zijn genomen.
Verzoekers bestrijden het standpunt van verweerder dat artikel 18.7
bewust ruim is geformuleerd. Verzoekers menen dat `een ieder'
beperkter uitgelegd dient te worden, namelijk betrokkenen in de zin
van de Tw. In dit geval zijn dat de Commerciële Radio Zuid-Neder-
land BV (CZRN) en de Beheers- en Beleggingsmaatschappij Betaco BV
(Betaco), exploitanten van respectievelijk radiostation XFM en radio-
station 8FM. Onder `een ieder' in de zin van artikel 18.7 van de Tw
dient te worden verstaan een ieder op wie in het kader van de Tw toe-
zicht wordt gehouden door de Minister. Verzoekster 3, zijnde een
accountant van CZRN en BETACO, valt daar niet onder te begrijpen.
Mediaforum 2004-9
299
Jurisprudentie nr
.3
3
Steun voor dit standpunt menen verzoekers te vinden in de uitspraak
van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag van 13 april
2004, gedaan in kort geding, waarbij de kortgedingrechter oordeelde
dat de accountant niet valt onder `een ieder' op wie toezicht wordt
gehouden in het kader van de Awb en meer in het bijzonder de
Mediawet. Naar de mening van verzoekers is er geen enkele aanlei-
ding om anders te oordelen over de omvang van de inlichtingen-
plicht voor zover die is gebaseerd op de Tw. Verzoekers menen voorts
in de memorie van toelichting bij artikel 18.7 van de Tw steun te vin-
den voor hun opvatting dat `een ieder' in artikel 18.7 van de Tw
beperkter moet worden uitgelegd. Daaruit blijkt dat de informatie
veelal verstrekt zal dienen te worden door de geregistreerde partijen
en de houders van een vergunning als bedoeld in de artikelen 2.1
respectievelijk 3.3 en 7.6.
Verzoekers wijzen voorts op de totstandkomingsgeschiedenis van
artikel 5.13 van de Awb, waaruit blijkt dat een toezichtbevoegdheid in
ieder geval slechts mag worden uitgeoefend jegens personen die
betrokken zijn bij activiteiten waarop moet worden toegezien inge-
volge de wettelijke regeling op grond waarvan de toezichthouder
met toezicht is belast. De door verzoekster 3 uitgevoerde werkzaam-
heden kunnen niet worden aangemerkt als `activiteiten waarop inge-
volge de Tw door verweerder wordt toegezien'. Daarenboven merken
verzoekers op dat verzoekster ten tijde van de indiening van de aan-
vraag geen betrokkenheid meer hadden bij activiteiten van CZRN en
Betaco.
Verzoekers stellen zich verder op het standpunt dat verweerder ver-
zuimd heeft om te stellen dat de gevorderde inlichtingen redelijker-
wijs noodzakelijk zijn voor de vervulling van zijn taak. Verweerder
heeft al diverse personen gesproken en van diverse personen schrifte-
lijke inlichtingen ontvangen. De gewenste inlichtingen omtrent de
verbondenheid tussen 8FM en XFM kunnen gevorderd worden bij
CRZN en/of Betaco. Indien vast komt te staan dat verzoekers gehou-
den zijn inlichtingen te verschaffen, dient de inlichtingenplicht op
de voor verzoekers minst belastende wijze te worden uitgeoefend.
Niet valt in te zien dat volstaan kan worden met de schriftelijke
beantwoording van de gestelde vragen.
2.4 Beoordeling
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is, gelet op de inhoud
van de last onder dwangsom, voldoende duidelijk dat verweerder niet
bedoeld heeft verzoekster 3, maar verzoeker 1 respectievelijk 2 aan te
schrijven; verzoekers 1 en 2 zijn derhalve als geadresseerden aan te
merken. Dit mede in aanmerking genomen, is verzoekster 3 geen
belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb van rechtstreeks
bij de besluiten betrokken belangen is in haar geval niet gebleken
zodat haar bezwaren tegen de besluiten I en II naar alle waarschijnlijk-
heid niet-ontvankelijk zullen worden beschouwd. In de onderhavige
procedure dienen haar verzoeken daarom te worden afgewezen.
De voorzieningenrechter heeft niet met zekerheid kunnen vaststel-
len dat de desbetreffende ambtenaar bevoegd was de bestreden
besluiten te nemen. Met name is niet duidelijk geworden of deze
ambtenaar zich hierbij op zijn `werkterrein' bewoog, zoals het man-
daatbesluit vereist. In deze onduidelijkheid is echter geen grond
gelegen om een voorlopige voorziening te treffen, nu een eventueel
bevoegdheidsgebrek bij de beslissingen op bezwaar geheeld kan wor-
den.
De personenkring van het eerste lid van artikel 18.7 van de Tw is met
de woorden `een ieder' ruim geformuleerd. Bedoeling, tekst noch
wetsgeschiedenis van deze bepaling geven een aanknopingspunt
voor de juistheid van verzoekers stelling dat deze beperkter moet
worden uitgelegd dan verweerder heeft gedaan. In dit verband heb-
ben verzoekers op een passage uit de memorie van toelichting gewe-
zen, inhoudende dat de informatie veelal verstrekt zal dienen te wor-
den door de geregistreerde partijen en de houders van een
vergunning als bedoeld in de artikelen 2.1 respectievelijk 3.3. en 7.6.
Uit het gebruik van het woord `veelal' valt echter juist af te leiden dat
de wetgever niet heeft willen uitsluiten dat ook anderen dan de
zojuist genoemden onder `een ieder' kunnen worden begrepen. Naar
het oordeel van de voorzieningenrechter kan, gelet hierop, niet wor-
den gezegd dat verzoekers als jurist respectievelijk registeraccoun-
tant verbonden aan het accountantskantoor van verzoekster 3 niet
onder het toepassingsbereik van artikel 18.7, eerste lid, van de Tw val-
len. Het beroep dat verzoekers in dit kader hebben gedaan op de uit-
spraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag van
13 april 2004 gaat niet op, nu de Mediawet niet een met artikel 18.7
van de Tw vergelijkbaar artikel kent.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder vol-
doende duidelijk gemaakt dat hij de inlichtingen die hij van verzoe-
ker 1 en 2 redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig heeft.
Hierbij is van belang dat verzoekers 1 en 2, naar verweerder heeft
gesteld en niet is bestreden, feitelijk bij het doen van de etherfre-
quentieaanvragen waar verweerder onderzoek naar doet, betrokken
zijn geweest, er discrepanties bestaan tussen eerder verkregen infor-
matie en verweerder hieromtrent opheldering tracht te verkrijgen.
Ook de keuze voor het mondeling inlichtingen moeten verstrekken
heeft verweerder, gelet op hetgeen verweerder dienaangaande naar
voren heeft gebracht, voldoende onderbouwd.
De keuze voor de plaats waar verweerder zetelt als plaats waar de
inlichtingen dienen te worden verstrekt kan naar het oordeel van de
voorzieningenrechter evenmin onredelijk worden genoemd. Het is
ook niet in de eerste plaats dit onderdeel van de bestreden besluiten
waar verzoekers bezwaar tegen hebben, naar ter zitting is meege-
deeld.
De slotsom is dat verweerder jegens verzoekers 1 en 2 bevoegd was
toepassing te geven aan artikel 18.7 van de Tw en niet gezegd kan
worden dat hij bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid in strijd met
het evenredigheidsbeginsel dan wel (anderszins) onredelijk heeft
gehandeld.
Dit alles leidt tot de conclusie dat ook de verzoeken van verzoekers 1
en 2 moeten worden afgewezen.
Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.
Gelet op het voorgaande wordt als volgt beslist.
3. Beslissing
De voorzieningenrechter,
recht doende:
wijst de verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.P.M. Meskers als voorzienin-
genrechter.
De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr. S.B.H. Fijneman als
griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 april 2004.
Noot
Patrick Burger
Mr. P. Burger is werkzaam als advocaat bij Stibbe te Amsterdam.
Zowel het vonnis van de voorzieningenrechter Den Haag (civiel) als
de uitspraak van de voorzieningenrechter Rotterdam (bestuursrecht)
gaan over de weigering van een accountant om medewerking te verle-
nen aan een verzoek om informatie van een toezichthouder
(bestuursorgaan), het Commissariaat voor de Media (CvdM) respec-
tievelijk de Minister van Economische Zaken. De rechters geven een
verschillend antwoord op de vraag wie aan een dergelijk verzoek
moet medewerken.
Vonnis voorzieningenrechter Den Haag
Het CvdM wilde via de accountant van RTV West, die de jaarrekenin-
gen van deze had goedgekeurd, een onderzoek doen naar de jaarreke-
ningen van RTV West over 2001 en 2002. Dit naar aanleiding van de
financiële problemen aldaar in 2003. De grondslag voor dat verzoek
was volgens het vonnis artikel 5:20 Awb waarin is opgenomen dat een
ieder verplicht is aan een toezichthouder alle medewerking te verle-
nen die deze redelijkerwijs kan vorderen bij het uitoefenen van zijn
bevoegdheid. Ik neem aan dat het verzoek tevens gebaseerd was op
artikel 5:16 en 5:17 Awb waarin is opgenomen dat een toezichthouder
bevoegd is inlichtingen te vorderen respectievelijk inzage te vorderen
van zakelijke gegevens. De accountant weigerde die medewerking.
Aangezien het CvdM op grond van Mediawet niet bevoegd is om
bestuursdwang toe te passen en derhalve geen last onder dwangsom
kan opleggen bij het niet medewerken, diende het CvdM zich in kort
geding tot de civiele rechter te wenden teneinde de medewerking af
1 Zo oordeelde ook de bestuursrechter Rotterdam in een vergelijkbare zaak (zaak
02/259,
Texaco/NMa, 7 augustus 2003).
2 Een bevoegdheid wordt door een toezichthouder slechts gebruikt voor zover
dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is.
te dwingen op grond van onrechtmatige daad. De voorzieningen-
rechter oordeelt dat de inlichtingenplicht opgenomen in artikel 5:20
Awb (bedoeld zal zijn medewerkingplicht) zich richt tot de betrokke-
nen in de zin van de Awb, en in dit geval meer in het bijzonder tot de
betrokkenen in de zin van de Mediawet. Daaronder valt volgens de
voorzieningenrechter bijvoorbeeld RTV West omdat dit de partij is
op wie het CvdM toezicht houdt. De accountant valt daar volgens de
voorzieningenrechter niet onder `een ieder' zoals bedoeld in artikel
5:20 Awb.
Uitspraak voorzieningenrechter Rotterdam
De voorzieningenrechter Rotterdam denkt daar anders over. In die
(bestuursrechtelijke) procedure was door de Minister van Economi-
sche Zaken (die wel bestuursdwang mag toepassen) aan de accoun-
tant een last onder dwangsom opgelegd wegens de weigering van de
accountant om aan een vordering om inlichtingen van de Minister
van Economische Zaken te voldoen. Dat verzoek was gebaseerd op
artikel 18.7 Telecommunicatiewet waarin is opgenomen dat de
Minister en OPTA bevoegd zijn voor een juiste uitvoering van het
bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet van een ieder te
allen tijde inlichtingen te vorderen, en voorts dat degene van wie
inlichtingen gevorderd worden verplicht is die te geven. Artikel 18.7
Tw is een nadere uitwerking van artikel 5:16 en verder Awb. Tegen de
opgelegde last heeft de accountant bezwaar gemaakt en tegelijkertijd
heeft hij een voorlopige voorziening gevraagd van de voorzieningen-
rechter, te weten schorsing van het besluit. De accountant verwijst in
deze procedure naar bovengenoemd vonnis waarin `een ieder' zoals
bedoeld in 5:20 beperkt is uitgelegd, en meent dat dit ook geldt voor
`een ieder' zoals bedoeld in artikel 18.7 Tw. De voorzieningenrechter
deelt echter het standpunt van de Minister van Economische Zaken
dat de personenkring van artikel 18.7 Tw met de woorden `een ieder'
ruim en dus zonder beperking is geformuleerd. In de memorie van
toelichting staat weliswaar dat het veelal zal gaan om geregistreerde
telecommunicatieaanbieders of vergunninghouders. Uit het woord
`veelal' blijkt echter reeds dat de groep ruimer is en dus ook accoun-
tants onder het toepassingsbereik vallen. Het beroep op het vonnis
van de voorzieningenrechter Den Haag wordt afgewezen omdat de
Mediawet niet een met artikel 18.7 Tw vergelijkbaar artikel kent.
Beoordeling
Het feit dat de Mediawet niet een met artikel 18.7 Tw vergelijkbaar
artikel kent maakt mijns inziens niet dat het hier niet om vergelijk-
bare zaken gaat. Het CvdM heeft haar vordering gebaseerd op 5:16 j
o
5:20 Awb. Artikel 18.7 Tw is zoals gezegd een uitwerking van die arti-
kelen. De beide zaken lijken dan ook wel degelijk vergelijkbaar.
Mijns inziens terecht heeft de voorzieningenrechter Rotterdam
bepaald dat het begrip `een ieder' in artikel 18.7 Tw niet beperkt is tot
degene op wie toezicht wordt uitgeoefend. Dat zou ook een te grote
beperking zijn van de bevoegdheid om de voor het toezicht noodza-
kelijke inlichtingen te vorderen. Er kan een noodzaak zijn om aan
derden een verzoek om inlichtingen te doen wanneer degene die
onder toezicht staat de inlichtingen niet kan verstrekken. In de nota
naar aanleiding van het verslag is over artikel 18.7 Tw opgenomen dat
het artikel bewust zo ruim is geformuleerd, omdat de beschikbaar-
heid van adequate informatie een noodzakelijke voorwaarde is om de
opgedragen taken goed te kunnen uitvoeren.
Dat geldt mijns inziens echter ook voor het vergelijkbare artikel 5:20
Awb. Ik deel het standpuntpunt van de voorzieningenrechter Den
Haag dan ook niet. De tekst van artikel 5:20 Awb biedt geen grond
voor de aanname van een beperking ten aanzien van de personen die
moeten medewerken.
1
Op andere, niet in het vonnis genoemde, wijze
kan er in concrete gevallen echter wel sprake zijn van een beperking.
Bij de uitoefening van de toezichtsbevoegdheden is een toezichthou-
der namelijk gebonden aan het in artikel 5:13 Awb opgenomen even-
redigheidsbeginsel.
2
Uit de toelichting op artikel 5:20 Awb volgt dat
als gevolg van dit evenredigheidsbeginsel de kring van personen tot
wie de toezichthouder zich kan richten in concrete gevallen toch
beperkt kan zijn omdat die beperkt worden door hetgeen redelijker-
wijs bij de invulling daarvan noodzakelijk is. De toezichthouder zal
dus steeds voor ogen moeten hebben wie de meest geëigende persoon
is om informatie op te vragen. In die constructie is het voorstelbaar
dat wanneer in casu bijvoorbeeld de gewenste informatie bij zowel
degene die onder toezicht staat als diens accountant te verkrijgen
was, de toezichthouder zich richt tot degene die onder toezicht staat
en niet tot een derde die niet onder toezicht staat.
Zie ook de bijdrage van Hendrik Jan de Ru in dit nummer.
Mediaforum 2004-9
300
Jurisprudentie nr
.3
3
Mediaforum 2004 - 7/8
7/8
juli/augustus 2004
zestiende jaargang
De Heineken-toeter
Germ Kemper
De Europese Commissie en het
nieuwe telecommunicatierecht:
procedurele waakhond of embryonale
Europese toezichthouder?
Caroline Wolberink en Sophie Steinhauser
Jurisprudentie 27-29
Nr. 27 EHRM 24 juni 2004, Caroline van
Hannover vs. Duitsland m.nt. G.A.I. Schuijt
Nr. 28 CBB 16 april 2004, KPN Telecom vs.
OPTA en Tiscali m.nt. D. Schipper
Nr 29 CBB 7 mei 2004, OPTA vs. Telfort
m.nt. A.T. Ottow
Mediaforum is een uitgave van de Vereniging voor Media- en
Communicatierecht (vmc), en verschijnt tien maal per jaar.
Bestuur vmc: Prof. mr. J.J.C. Kabel (voorzitter), Dr. N.A.N.M.
van Eijk (vice-voorzitter), Mr. J.J. Feenstra (penningmeester),
Mr. C. van Boxtel (secretaris), Mr. C.E. Drion, Mr. J.F. Haeck,
Mr. F. Kuitenbrouwer en Mr. H.M.C. Zeinstra.
www.communicatierecht.nl
Mediaforum wordt in opdracht van de vmc uitgegeven
door Otto Cramwinckel Uitgever.
Citeertitel: Mediaforum (bijv.: Mediaforum 2004-7/8, p. 150-
151; bij jurisprudentie Mediaforum 2004-7/8 nr. 18)
issn:
0924 - 5057
Redactie
Mr. J. van den Beukel, Mr. R.D. Chavannes, Mr. M.J. Geus,
Mr. A.W. Hins, Mr. G.J. Kemper (voorzitter), Prof. mr. K.J.M.
Mortelmans, Mr. A.J. Nieuwenhuis, Mr. A.T. Ottow, Prof. mr.
H.J. de Ru, en Mr. C.J. Flentrop-Turner (eindredactie).
Correspondent België
Prof. dr. D. Voorhoof
Redactiesecretariaat
Voor inlichtingen over het aanleveren van kopij en
andere redactionele aangelegenheden kan contact op-
genomen worden met Mr. C. J. Flentrop-Turner, Univer-
siteit van Amsterdam, Instituut voor Informatierecht,
Rokin 84, 1012 kx Amsterdam, fax: 020-525 3033, e-mail:
flentropAivir.nl
Opmaak
De Elementen vof, Amsterdam
Abonnementen & Lidmaatschap
Abonnementen worden per jaargang (januari-december)
afgesloten. Facturering vindt plaats jaarlijks in het eerste
kwartaal. Opzegging dient te geschieden uiterlijk op
1 december van het lopende abonnementsjaar, bij
niet-tijdige opzegging wordt het abonnement automa-
tisch voortgezet.
Leden vmc: Abonnement inbegrepen bij het lidmaat-
schap.
Kosten lidmaatschap inclusief
abonnement
69,50 per lid per kalenderjaar (studenten 34,50;
rechtspersoon
140,). Opzegging uiterlijk 1 december.
Aanmelding, opzegging, adres- of naamswijziging van
leden schriftelijk of per e-mail opgeven bij: Admini-
stratiekantoor Van Eijk, Vlasstraat 11, 5712 RP Someren,
e-mail: adm.eijkAwxs.nl
Niet-leden:
95, per kalenderjaar. Opgave nieuw abon-
nement, opzegging (uiterlijk 1 december), adreswijzi-
ging e.d. schriftelijk bij Otto Cramwinckel Uitgever,
Herengracht 416, 1017 bz Amsterdam, tel: 020-627 6609,
fax: 020-638 3817, e-mail: infoAcram.nl
Losse nummers: verkrijgbaar bij de gespecialiseerde
boekhandel, of te bestellen bij Otto Cramwinckel
Uitgever
, Herengracht 416, 1017 bz Amsterdam; prijs
8,85.
Het verlenen van toestemming tot publicatie in dit tijdschrift
strekt zich tevens uit tot het in enige vorm elektronisch
beschikbaar stellen.
© 2004 Vereniging voor Media- en Communicatierecht
Mediaforum
Tijdschrift voor Media-
en Communicatierecht
Twaalfde jaargang, nummer 1 Januari 2000
Zestiende jaargang
nummer 7/8
juli/augustus 2004
Inhoud
237 De Heineken-toeter
Germ Kemper
238 Artikel
De Europese Commissie en het nieuwe tele-
communicatierecht: procedurele waakhond of
embryonale Europese toezichthouder?
Caroline Wolberink en Sophie Steinhauser
246 Documentatie
Rechtspraak
Binnenland
Agenda
Jurisprudentie
252 Nr. 27 EHRM 24 juni 2004, Caroline van Han-
nover vs. Duitsland m.nt. G.A.I. Schuijt
262 Nr. 28 CBB 16 april 2004, KPN Telecom vs.
OPTA en Tiscali m.nt. D. Schipper
267 Nr. 29 CBB 7 mei 2004, OPTA vs. Telfort m.nt.
A.T. Ottow
Mediaforum 2004-7/8
237
De Heineken-toeter
Op het moment dat deze bijdrage wordt geschreven staat de
finale van het EK voetbal nog voor de deur. Het Nederlands elf-
tal is thuisgekomen,toegejuicht en wel,en de vraag of Dick
Advocaat opstapt is nog onbeantwoord. Of hij een lintje krijgt
is evenmin bekend maar hij kan in ieder geval een mooie Open
Brief van premier Balkenende,in
de Volkskrant,in zijn prijzen-
kast hangen. Het publieke debat over zijn persoon en vooral
over de vraag of het oliekoekedom was om Robben tegen Tsje-
chië te wisselen is wat verstomd. De vraag blijft over of we hier
weer gedemonstreerd hebben gezien hoe gevaarlijk de pers
kan zijn en in het verlengde daarvan of het niet de hoogste tijd
is dat er anti-demoniseringsmaatregelen moeten worden
getroffen.
Het is goed om onder ogen te zien dat de Robbenwissel mis-
schien wel de concrete aanleiding voor de bestorming van de
bondscoach was maar dat er al veel langer een imagoprobleem
bestond. De resultaten van de oefenwedstrijden gaven de lief-
hebbers en de professionele critici aanleiding te veronderstel-
len dat de coach,als enige in Nederland,geen flauw idee had
hoe hij zijn team zou moeten samenstellen. Dat in combinatie
met een wat hoekige en onbeholpen omgang met de pers had
Advocaat al veel eerder tot Kop-van-Jut gemaakt die in het bij-
zonder in `Kopspijkers' met regelmaat voor vrolijkheid kon
zorgen. Zo wordt een voedingsbodem gecreëerd waarin die
vermaledijde wissel niet een incident was maar het laatste en
finale bewijs dat er een prutser aan het hoofd van de troepen
was terechtgekomen. Zó werken die dingen in een open en
pluralistische samenleving en wie het anders wil zal dus moe-
ten beseffen dat de vrijheid om verslag te doen van de verrich-
tingen van het Nederlands elftal ook omvat,dat gemeld mag
worden dát er zo af en toe wordt verloren en waarom dat
gebeurt. Aldus groeit een imago,positief of negatief,van de
hoofdrolspelers. Er zijn op het eerste gezicht maar twee
wegen om daar een eind te maken: ander werk zoeken of win-
nen. Er blijkt nog een derde mogelijkheid te zijn,verrassend
genoeg. Daags na Tsjechië was Advocaat nog de gebeten hond
maar vervolgens kwamen stemmen los,eerst voorzichtig en
vervolgens,onder meer in hoofdartikelen in
de Volkskrant en
NRC Handelsblad,dat we toch wel erg raar bezig waren. De
Brief van Balkenende luidde niet de omslag in maar markeer-
de het eindpunt,en zo past het trouwens ook een prudent
staatsman. Zo werd in het tijdsbestek van een kleine week
eigenlijk perfect gedemonstreerd hoe dat nu zit met de vrij-
heid van meningsuiting. Een bepaalde opvatting wordt uitge-
dragen en die prikkelt tot tegenspraak of in ieder geval tot
bezinning. Hoe scherper de `eerste' mening,des te groter de
kans op tegenspraak en dus de kans op een uiteindelijk genu-
anceerd,evenwichtig beeld. Wie wat cynisch ingesteld is,kan
dus niet alleen toejuichen dat hij gedwongen is geworden om
zich in de zaak te verdiepen en zich een eigen oordeel te vor-
men. Hij kan ook de conclusie bereiken dat het Nederlands
elftal beter presteerde dan verwacht,omdat de spelers zich
solidariseerden met hun verguisde coach en alsnog de een-
heid vormden die die coach niet op eigen kracht had kunnen
smeden. Het zal in huize Advocaat een schrale troost zijn,
want het blijft een gegeven dat de persvrijheid individuele
slachtoffers maakt.
Misschien de gedachte is niet nieuw maar de vader is niet
aan te wijzen speelt ook een rol dat de sport en in het bijzon-
der het voetbal zich onttrekken aan elders gangbare wetten. In
Het Parool werd,na afloop van Nederland-Duitsland,bericht
over de Heineken-toeter. Dat gaat om een oranje puntmuts die
met behulp van een handgreep ook aan de mond kan worden
gezet om als megafoon dienst te doen. Het geheel wordt
natuurlijk opgefleurd met het logo van de bierfabrikant. Denk
aan de ergernis van degene die in het stadion per ongeluk ach-
ter de drager van een Heineken-toeter is komen te zitten,zie
zijn opluchting als de muts eindelijk wordt afgezet en de kille
woede die ontstaat als blijkt dat het apparaat dan wordt
gebruikt om Dick Advocaat uit te schelden. Een verbod ligt
voor de hand maar
niet omdat,zoals uit Het Parool bleek,het
meevoeren van de toeter schadelijk werd geacht voor de belan-
gen van hoofdsponsor Carlsberg. Zelfs als wij aannemen dat
het verbod redelijk was dichtgemetseld,met Algemene Voor-
waarden en nog eens een specifieke regelgeving op het toe-
gangsbewijs,dan blijft het raadselachtig dat een monopolisti-
sche organisatie als de UEFA zomaar kan verhinderen dat
bezoekers zich naar eigen smaak kleden en hun expressievrij-
heid kan beperken. Mededingingsrechtelijke aspecten laat ik
voorzichtigheidshalve buiten beschouwing en daar zal het wel
kloppen (Heineken heeft niet hoorbaar gepiept). Maar we zijn
niet ver meer af van de situatie dat het spandoek `Meppel groet
Ajax!' het Feyenoord-stadion niet meer inkomt omdat de
exploitant dat liever niet ziet. Reclame is óók meningsuiting
net als kleding zelf,zoals uit het hoofddoekjesdebat blijkt.
Het is niet onlogisch dat het verbod werkte en er tijdens de
wedstrijd geen toeter was te zien. Voor een Portugese voorzie-
ningenrechter in stelling is gebracht,is de wedstrijd immers
voorbij. Maar het doet wrang aan dat de bezoeker zich in de
kledingvoorschriften van de exploitant moet schikken,die
bovendien nalaat op te treden wanneer diezelfde bezoeker zijn
expressievrijheid uitleeft in `oerwoudgeluiden' of sisklanken
die ontsnappend gas voor moeten stellen,op het moment dat
een donker gekleurde speler de bal beroert. Voetbal laat zich
kennelijk alleen door commercie reguleren en het overige
speelt zich af in vogelvrijheid. Misschien is dat ook een nadere
overweging waard voor degenen die zich geschokt toonden
door de aanvallen op Advocaat en aan wie aldus een inkijkje
werd vergund in een tot dan onbekende wereld.
Opinie
Germ Kemper*
*
Mr. G. J. Kemper is advocaat te Amsterdam en voorzitter van de redactie van dit
blad.
Mediaforum 2004-7/8
238
Achtergrond
Het nieuwe regelgevingskader voor de elektronische commu-
nicatiesector bestaat uit een Kaderrichtlijn en vier bijzondere
richtlijnen.
1
Het kader is ontworpen voor een dynamische sector,
waarin technologische veranderingen zich in hoog tempo vol-
trekken. Flexibele regelgeving en discretionaire bevoegdheden
voor toezichthouders zijn van belang om maatwerk te kunnen
leveren. Het is de bedoeling de sectorspecifieke ex ante regelge-
ving in te krimpen naarmate de concurrentie op de markt zich
ontwikkelt. Waar mogelijk moet worden volstaan met de ex
post instrumenten van het algemene mededingingsrecht.
2
*
Mr. C.L. Wolberink en mr. S.A. Steinhauser zijn beiden advocaat te Amsterdam
bij Stibbe.
1 Richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002
inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronische communi-
catienetwerken en -diensten,
PbEG 2002,L 108/33,gepubliceerd en in werking
getreden op 24 april 2002 (Kaderrichtlijn); Richtlijn 2002/19/EG van het Euro-
pees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de toegang tot en intercon-
nectie van elektronische communicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten,
PbEG 2002,L 108/7,gepubliceerd en in werking getreden op 24 april 2002 (Toe-
gangsrichtlijn); Richtlijn 2002/22/EG van het Europees Parlement en de Raad
van 7 maart 2002 inzake de universele en gebruiksrechten met betrekking tot
elektronische communicatienetwerken en -diensten,
PbEG 2002,L 108/51,gepu-
bliceerd en in werking getreden op 24 april 2002 (Universeledienstrichtlijn);
Richtlijn 2002/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002
betreffende de machtiging voor elektronische communicatienetwerken en
-diensten,
PbEG 2002,L 108/21,gepubliceerd en in werking getreden op 24 april
2002 (Machtigingsrichtlijn); Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement
en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en
de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische com-
municatie,PbEG 2002,L 201/37,gepubliceerd en in werking getreden op 31 juli
2002 (Privacyrichtlijn). Zie voor meer informatie omtrent het nieuwe regelge-
vingskader: S. Farr en V. Oakley,
EU Communications Law,Palladian Law Publish-
ing Ltd 2002; `Dossier: Implementatie telecommunicatierichtlijnen' met bijdra-
gen van E. J. Dommering,A.T. Ottow,N.A. N. M. van Eijk,W.A. M.
Steenbruggen,N. Sitompoel en D. Stevens,C. Uyttendaele & P. Valcke,
Computer-
recht 2003-1; C. Borba Lefèvre,`Doorwerking van de nieuwe richtlijnen voor elek-
tronische communicatienetwerken en -diensten in het Nederlandse telecom-
municatierecht',
Mediaforum 2003.7/8; C.M.I. Cramer,M.J. de Meij en R. Stil,`De
nieuwe Europese richtlijnen voor elektronische communicatie; beter voor de
markt?',
M&M 2002-7,p. 233-238; M.J. Geus en G.J. Zwenne,`Het Europese tele-
communicatierecht na 24 juli 2003 en de gevolgen voor de Nederlandse wetge-
ving',
Mediaforum 2002-6,p. 196-205.
2 Overwegingen 25 en 27 Kaderrichtlijn. Zie ook P. Larouche en S. Lavrijssen,
`EG-regulering van elektronische communicatie. Een kritische beschouwing
van de onderliggende aannames van de EG-regelgeving betreffende elektroni-
sche communicatie',
SEW 2002-7/8,p. 258-268; S. van der Voorde,`Het nieuwe
sectorspecifieke mededingingsrecht in de communicatiesector',
M&M 2003-5.
De Europese Commissie en het nieuwe
telecommunicatierecht: procedurele
waakhond of embryonale Europese
toezichthouder?
In het nieuwe regelgevingskader voor de elektronische communicatiesector
heeft de Europese Commissie vergaande bevoegdheden gekregen om invloed
uit te oefenen op maatregelen van nationale toezichthouders, vooral op het
gebied van marktafbakening en dominantieanalyse. Een grote groep beslui-
ten van nationale toezichthouders moet worden voorgelegd aan de Commis-
sie, die niet alleen commentaar mag geven maar ook een veto mag uitspre-
ken. In dit artikel brengen wij in kaart wat de nieuwe bevoegdheden inhouden
en hoe de Commissie daar tot nu gebruik van heeft gemaakt. De verstrek-
kendheid van de bevoegdheden van de Commissie en de actieve wijze waarop
zij die blijkt toe te passen, doen vanzelf de vraag rijzen naar rechtsmiddelen:
welke actoren kunnen in welke fase rechtsmiddelen aanwenden tegen besliss-
ingen van de Commissie? Hoe verhouden die zich tot de nationale rechtsmid-
delen? Hoewel het er op het eerste gezicht op lijkt dat de Commissie niet
meer dan een procedurele waakhondfunctie heeft gekregen, noopt onze ana-
lyse veeleer tot de conclusie dat wij thans getuige zijn van de eerste, voorzich-
tige stappen van een nieuwe Europese telecomtoezichthouder.
Caroline Wolberink en
Sophie Steinhauser*
Mediaforum 2004-7/8
239
In het nieuwe regime moet een nationale regelgevende
instantie (hierna: `NRI')
3
op basis van marktonderzoek geogra-
fische producten- en dienstenmarkten definiëren
4
en aan de
hand van de structuur van die markten analyseren of er onder-
nemingen met aanmerkelijke marktmacht zijn aan wie ex
ante verplichtingen kunnen worden opgelegd.
5
Een onderne-
ming heeft aanmerkelijke marktmacht
wanneer zij, alleen ofsamen met anderen, een aan machtspositie
gelijkwaardige positie, dat wil zeggen een economische kracht
bezit die haar in staat stelt zich in belangrijke mate onafhanke-
lijk van haar concurrenten, klanten en uiteindelijk consumenten
te gedragen.
6
De verplichtingen waaruit de NRI kan kiezen,zijn bekend uit
het oude ONP kader: transparantie,informatieverschaffing,
nondiscriminatie,kostentoerekening,kostenoriëntatie,toe-
gang en tariefregulering.
Deze procedure vergt een nieuw denkkader van NRI's; bij
het definiëren en analyseren van markten,en het opleggen
van verplichtingen,dienen zij het mededingingsrecht toe te
passen in overeenstemming met het Gemeenschapsrecht en
de regelgevende praktijk van de Commissie. De Commissie
heeft ter bevordering van een consistente toepassing van het
regelgevingskader in de lidstaten reeds bepaalde relevante
markten op wholesale- en retailniveau gedefinieerd in de Aan-
beveling betreffende relevante producten- en dienstenmark-
ten in de elektronische communicatiesector (`Aanbeveling').
7
De NRI's kunnen slechts verplichtingen opleggen aan partijen
op markten die afwijken van die welke in de Aanbeveling wor-
den genoemd,wanneer dit wordt gerechtvaardigd door speci-
fieke nationale omstandigheden. Bij de marktanalyse dienen
de NRI's de door de Commissie uitgevaardigde Richtsnoeren
voor marktanalyse en de beoordeling van aanmerkelijke
marktmacht (`Richtsnoeren'
8
) te hanteren.
9
Naast de invloed die de Commissie door middel van de Aan-
beveling en de Richtsnoeren vooraf heeft op de nationale
besluitvorming,heeft de Commissie ook nog eens de bevoegd-
heid om opmerkingen te maken bij een maatregel van een NRI
alvorens deze mag worden vastgesteld (artikel 7,lid 3,Kader-
richtlijn). In bepaalde gevallen heeft de Commissie zelfs het
recht een veto uit te spreken ten aanzien van een voorgeno-
men maatregel (artikel 7,lid 4,Kaderrichtlijn).
De NRI's dienen de aanzienlijke discretionaire bevoegd-
heden waarover zij beschikken uit te oefenen binnen dit
controlemechanisme. Doel hiervan is geharmoniseerde Euro-
peesrechtelijke beginselen en beleidsdoelstellingen
10
te verwe-
zenlijken. Bovendien is een consistente toepassing van Euro-
pese regelgeving van belang voor het functioneren van de
interne markt. Hiertoe is nauwe coördinatie en samenwer-
king met NRI's in andere lidstaten en met de Commissie
noodzakelijk geacht.
11
Coördinatieprocedure
De in artikel 7 Kaderrichtlijn opgenomen coördinatieproce-
dure bestaat uit twee onderdelen: artikel 7,lid 3 en artikel 7,lid
4,waarop in artikel 7,lid 6 uitzonderingen zijn toegelaten.
Hierna worden deze procedures en de uitzonderingen daarop
toegelicht.
12
Artikel 7, lid 3, Kaderrichtlijn: opmerkingen
Artikel 7,lid 3 Kaderrichtlijn bepaalt dat een NRI de Commis-
sie en NRI's in andere lidstaten
vooraf in kennis stelt van voorge-
nomen maatregelen met de daarbij behorende motivering.
De notificatie is verplicht indien:
1. de voorgenomen maatregel betrekking heeft op:
a. het definiëren van relevante markten die verschillen
van de in de Aanbeveling van de Commissie genoem-
de markten (artikel 15,lid 3,Kaderrichtlijn);
b. het vaststellen of een markt daadwerkelijk concurre-
rend is en zo nee,het bepalen welke ondernemingen
op de markt aanmerkelijke marktmacht hebben (arti-
kel 16,leden 3-6,Kaderrichtlijn);
c. het intrekken van verplichtingen van ondernemin-
gen op een markt die daadwerkelijk concurrerend is
of het opleggen,wijzigen of handhaven van passende
verplichtingen ten aanzien van ondernemingen met
een aanmerkelijke marktmacht op markten die niet
daadwerkelijk concurrerend zijn (artikel 16,leden 3-
6,Kaderrichtlijn,artikelen 5 en 8 Toegangsrichtlijn
13
en artikel 16 Universeledienstrichtlijn);
14
2.
en de maatregel van aanzienlijke invloed is op de han-
del tussen de lidstaten.
15
3 Een nationale regelgevende instantie wordt in artikel 2,onder g,Kaderricht-
lijn gedefinieerd als `
een ofmeer lichamen die door een lidstaat zijn belast met een van
de regelgevende taken die in deze richtlijn en de bijzondere richtlijnen worden opgelegd'.
4 Zie D. P. Kuipers en G. J. Zwenne,`Marktafbakening ten behoeve van ex ante-
regulering in de e-communicatiesector',
Mediaforum 2003-1,p. 2-9.
5 Artikelen 15 en 16 van de Kaderrichtlijn. Zie over deze procedure S. Loetz en A.
Neumann,`The Scope of Sector-specific Regulation in the European Regulato-
ry Framework for Electronic Communications',
German Law Journal,Vol. 4 No.
12,p. 1307-1334.
6 Artikel 14,lid 2,Kaderrichtlijn. Deze definitie komt overeen met het begrip
`machtspositie' als gedefinieerd in de rechtspraak van het Hof van Justitie en
het Gerecht van Eerste Aanleg van de Europese Gemeenschap.
7 Aanbeveling van de Commissie betreffende relevante producten- en diensten-
markten in de elektronische communicatiesector die overeenkomstig Richtlijn
2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad inzake een gemeenschap-
pelijk regelgevingskader voor elektronische communicatienetwerken en -dien-
sten aan regelgeving ex ante kunnen worden onderworpen van 11 februari
2003,
PbEG 2003,L 114/45,gepubliceerd en in werking getreden op 8 mei 2003.
8 Richtsnoeren van de Commissie voor de marktanalyse en de beoordeling van
aanmerkelijke marktmacht in het bestek van het gemeenschappelijk regelge-
vingskader voor elektronische communicatienetwerken en -diensten,
PbEG
2002,C/165/6,gepubliceerd en in werking getreden op 11 juli 2002.
9 Artikel 15 Kaderrichtlijn.
10 Artikel 8 Kaderrichtlijn noemt de volgende doelstellingen en beginselen: (1)
bevorderen van de concurrentie bij de levering van elektronische communica-
tienetwerken en diensten en de bijbehorende faciliteiten en diensten; (2) bij-
dragen aan de ontwikkeling van de interne markt; (3) bevorderen van de belan-
gen van de burgers van de Europese Unie.
11 Overweging 15 en artikel 7,lid 2,Kaderrichtlijn. Om de samenwerking tussen
de NRI's in de verschillende lidstaten te bevorderen is de European Regula-
tors' Group (ERG) opgericht; zie http://erg.eu.int/
12 Zie voor een schematisch overzicht van het besluitvormingsproces van artikel
7,leden 3 en 4,Kaderrichtlijn A.T. Ottow,`Review van het Toezicht',
Computer-
recht 2003-1,p. 12-18.
13 Op grond van artikel 5 Toegangsrichtlijn kunnen NRI's voor zover noodzake-
lijk verplichtingen opleggen om toegang en interconnectie te waarborgen,
zonder dat de betreffende ondernemingen over aanmerkelijke marktmacht
hoeven te beschikken.
14 In de praktijk zullen NRI's deze drie stappen vaak laten samenvallen in één
ontwerpmaatregel; zie par. 6 Aanbeveling van de Commissie betreffende ken-
nisgevingen,termijnen en raadplegingen als bedoeld in artikel 7 van Richtlijn
2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake
een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronische communicatie-
netwerken en -diensten van 23 juli 2003,C(2003)2647 final; zie ook artikel 6b.6
Telecommunicatiewet.
15 Deze procedure is vastgelegd in artikel 6b.2,leden 1 en 2,Telecommunicatie-
240
Dat het moet gaan om een maatregel die van `aanzienlijke'
invloed is op de handel tussen lidstaten,is slechts opgenomen in
de Nederlandse versie van artikel 7,lid 3,onder 2,Kaderricht-
lijn.
16
In een dergelijk geval moet de bepaling worden uitgelegd
in het licht van de tekst in de andere officiële talen en met
inachtneming van de algemene opzet en doelstelling van de
regeling waarvan zij een onderdeel vormt.
17
In overweging 38
van de Nederlandse en anderstalige versies van de Kaderrichtlijn
wordt uitgelegd wat bedoeld wordt met een maatregel die van
invloed is op de handel en staat het woord `aanzienlijke' wel:
maatregelen die direct ofindirect, feitelijk ofin potentie, van
invloed kunnen zijn op het handelspatroon tussen de lidstaten op
een wijze die een belemmering kan vormen voor de interne markt.
Het gaat om maatregelen die van aanzienlijke invloed zijn op
aanbieders ofgebruikers in andere lidstaten, waarbij het onder
meer kan gaan om: maatregelen die de prijzen voor gebruikers in
andere lidstaten beïnvloeden; maatregelen die gevolgen hebben
voor de mogelijkheden van een onderneming in een andere lidstaat
in een elektronische communicatiedienst te verlenen, in het bijzon-
der maatregelen die gevolgen hebben voor de mogelijkheid diensten
te verlenen op transnationale basis; en maatregelen die gevolgen
hebben voor de marktstructuur ofde toegang tot de markt, met
nadelige gevolgen voor ondernemingen in andere lidstaten.
18
In deze overweging wordt de Dassonville-formule gebruikt.
19
Hieruit volgt dat niet hoeft te worden aangetoond dat de ont-
werpmaatregel daadwerkelijk van invloed is op de handel tus-
sen lidstaten. Het gaat om iedere maatregel die van invloed kan
zijn op de handel. Uit de voorbeelden blijkt dat een brede reeks
van maatregelen bij de Commissie en NRI's in andere lidstaten
gemeld moet worden. Uit toespraken van medewerkers van de
Commissie is bovendien wel duidelijk dat de Commissie al snel
vindt dat een ontwerpmaatregel in de zin van artikel 7,lid 3,
Kaderrichtlijn invloed heeft op de handel tussen lidstaten,nu
dergelijke maatregelen de mogelijkheden beïnvloeden voor
toetreding door marktpartijen uit andere lidstaten.
De van de ontwerpmaatregel in kennis gestelde NRI's en de
Commissie kunnen binnen maximaal één maand hun opmer-
kingen mededelen aan de betrokken NRI.
20
De NRI dient op
grond van artikel 7,lid 5,Kaderrichtlijn zoveel mogelijk reke-
ning te houden met de opmerkingen van andere NRI's en de
Commissie.
21
De betrokken NRI kan de ontwerpmaatregel ver-
volgens goedkeuren en mededelen aan de Commissie.
22
Alleen
indien de ontwerpmaatregel die een NRI wil aannemen ten
opzichte van de aan de Commissie voorgelegde ontwerpmaat-
regel belangrijke wijzigingen bevat,die de Commissie nog
niet heeft kunnen zien bijvoorbeeld ten gevolge van een
gelijktijdig lopende nationale consultatieprocedure als
bedoeld in artikel 6 Kaderrichtlijn zou het zo kunnen zijn
dat de ontwerpmaatregel opnieuw moet worden gemeld vol-
gens de procedure van artikel 7,lid 3,Kaderrichtlijn.
23
Er wordt gebruik gemaakt van vage termen,die niet nader
worden toegelicht. Wat wordt precies bedoeld met `zoveel
mogelijk rekening houden' met opmerkingen? En wat zijn de
gevolgen daarvan? Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de
Kaderrichtlijn blijkt dat deze bepaling samenhangt met de
doelstelling een consistente toepassing van de Europese regel-
geving door de NRI's te waarborgen.
24
Deze doelstelling kan
slechts worden behaald,indien daadwerkelijk gevolg wordt
gegeven aan de opmerkingen van de Commissie. Onzes inziens
kunnen NRI's de opmerkingen van de Commissie slechts in de
uitzonderingsgevallen naast zich neerleggen. Dat de Commis-
sie deze bepaling serieus neemt,blijkt uit een mededeling van
de Commissie aan de Finse NRI,waarin zij op grond van artikel
7,lid 3,Kaderrichtlijn opmerkingen maakt naar aanleiding van
een ontwerpmaatregel. In de mededeling dreigt de Commissie
haar bevoegdheid op grond van artikel 226 EG aan te wenden
om een actie wegens verdragsinbreuk te starten,indien de NRI
de ontwerpmaatregel ongewijzigd vaststelt.
25
Wat zijn de gevolgen van het niet aanmelden van een ont-
werpmaatregel bij de Commissie en NRI's,terwijl dat volgens
de criteria van artikel 7,lid 3,Kaderrichtlijn wel had moeten
gebeuren? Ook dan kan de Commissie ambtshalve of op ver-
zoek van een marktpartij een verdragsinbreukprocedure
inleiden. Marktpartijen kunnen tegen een niet aangemeld
besluit ook opkomen op grond van het nationale recht. In
Nederland kan dit bij het College van Beroep voor het bedrijfs-
leven (`CBB').
26
Artikel 7, lid 4, Kaderrichtlijn: vetorecht
In bepaalde gevallen kan de Commissie de vaststelling van de
ontwerpmaatregel met nog eens twee maanden uitstellen. Bin-
nen deze periode kan de Commissie besluiten dat een NRI de
ontwerpmaatregel moet intrekken. De Commissie heeft hier-
mee een vetorecht gekregen ten aanzien van besluiten van
NRI's. Wanneer de Commissie het vetorecht uitoefent,dient het
besluit vergezeld te gaan van een gedetailleerde en objectieve
wet,waarin is weggelaten dat het moet gaan om een maatregel die van `aan-
zienlijke' invloed is op de handel tussen lidstaten.
16 De Engelse,Franse en Duitse versies van de Kaderrichtlijn luiden op dit punt
respectievelijk als volgt: `
would affect trade between Member States'; `qui aurait des
incidences sur les échanges entres les Etats membres'; `Auswirkungen aufden Handel zwi-
schen Mitgliedstaaten haben werden'. Zie http://europa.eu.int/information_socie-
ty/topics/telecoms/regulatory/newrf/indexen.htm#tab
17 HvJEG 2 april 1998,zaak C-296/95,par. 36 (
EMU Tabac); HvJEG 20 november
2003,zaak C-152/01,par. 32-33 (
Kyocera); HvJEG 9 januari 2003,zaak C-257/00,
par. 36-37 (
Givane). Zie ook Kamerstukken II 2002/03,28 851,nr. 3,p. 135.
18 In de Engelse,Franse en Duitse versies van overweging 38 Kaderrichtlijn
wordt respectievelijk gesproken van: `
significant impact',`incidence notable' en
`
erhebliche Auswirkungen'.
19 De Dassonville-formule is ontleend aan de omschrijving die het Hof hanteert
voor het begrip `overeenkomsten welke de handel tussen lidstaten beïnvloe-
den' uit artikel 81,lid 1,EG. Zie HvJEG 23 september 1964,zaken 56/64 en
58/64,Jur. p. 449 (
Grundig/Consten); zie ook HvJEG 9 juli 1969,zaak 5/69,Jur. p.
295 (
Völk). Dat artikel 7,lid 3,onder b,Kaderrichtlijn aansluit bij artikel 81,lid
1,EG is onder meer af te leiden uit de hierboven geciteerde Engelse versie,die
vermoedelijk de werktaal bij de totstandkoming van de richtlijn was. Voor de
uitleg van artikel 7,lid 3,onder b zijn derhalve van belang de Richtsnoeren van
de Commissie betreffende het begrip `beïnvloeding van de handel' in de arti-
kelen 81 en 82 van het Verdrag,
PbEG 2004 C101/81. P. J.G. Kapteyn en P. VerLo-
ren van Themaat,
Het recht van de Europese Unie en de Europese Gemeenschappen,
Deventer: Kluwer 2003,p. 503 en 536.
20 In artikel 6b.4 Telecommunicatiewet is bepaald dat OPTA zijn opmerkingen
doet toekomen aan een NRI die een ontwerpbesluit heeft voorgelegd,binnen
een door die NRI gestelde termijn. Naar verluidt komt in de praktijk weinig
terecht van het maken van opmerkingen door NRI's op ontwerpmaatregelen.
Dit heeft te maken met de korte periode en met het feit dat de ontwerpmaatre-
gelen vaak alleen beschikbaar zijn in de oorspronkelijke taal.
21 Dit is vastgelegd in artikel 6b.2,lid 3,Telecommunicatiewet.
22 In de Aanbeveling van de Commissie betreffende kennisgevingen als bedoeld
in artikel 7 van de Kaderrichtlijn,
PbEG 2002,L 108/33,preciseert de Commissie
de manier waarop de kennisgeving plaatsvindt,welke elementen deze bevat
en de berekening van de termijnen.
23 Bijvoorbeeld EC 23 maart 2004,zaak UK/2004/0041; EC 6 februari 2004,zaken
UK/2003/0035,UK/2003/0036,UK/2003/0037,UK 2003/0038 en UK/2003/0039.
24 Zie voor een overzicht http://europa.eu.int/informationsociety/topics/tele-
coms/regulatory/newrf/indexen.htm
25 EC 17 december 2003,zaak FI/2003/0031.
26 Overweging 19 Aanbeveling van de Commissie; par. 3.3 Toelichting op de Aan-
beveling. Zie ook A.T. Ottow,`Kort commentaar op enkele procedurele wijzi-
gingen in de nieuwe Telecommunicatiewet',
Mediaforum 2004-1,p. 2-5.
Mediaforum 2004-7/8
Mediaforum 2004-7/8
241
analyse van de redenen waarom de ontwerpmaatregel niet mag
worden genomen. Daarnaast moet het besluit specifieke voor-
stellen tot wijziging van de ontwerpmaatregel bevatten. De
Commissie kan op grond van artikel 7,lid 4,Kaderrichtlijn het
vetorecht uitoefenen indien:
1. de ontwerpmaatregel als bedoeld in artikel 7,lid 3,
Kaderrichtlijn betrekking heeft op
a. het definiëren van een relevante markt die verschilt
van de markten die in de Aanbeveling van de Com-
missie zijn gedefinieerd; of
b. het al dan niet aanwijzen van een onderneming die,
hetzij individueel of gezamenlijk met anderen,aan-
merkelijke marktmacht heeft overeenkomstig artikel
16,leden 3,4,of 5,Kaderrichtlijn;
2
. en
a. de ontwerpmaatregel van invloed zou zijn op de han-
del tussen lidstaten en de Commissie heeft medege-
deeld dat de ontwerpmaatregel een belemmering
voor de interne markt opwerpt; of
b. indien de Commissie ernstige twijfel heeft omtrent
de verenigbaarheid van de ontwerpmaatregel met
het Gemeenschapsrecht en met name met de in arti-
kel 8 genoemde doelstellingen.
27
De formuleringen van artikel 7,lid 3 en artikel 7,lid 4,
Kaderrichtlijn sluiten niet op elkaar aan. Het verschil in reik-
wijdte tussen deze bepalingen is veroorzaakt door de onenig-
heid tussen de Commissie en de Raad tijdens de totstandko-
ming van de Kaderrichtlijn. In het oorspronkelijke voorstel
van de Commissie was het vetorecht van de Commissie van
toepassing op alle (in het huidige artikel 7,lid 3,Kaderrichtlijn
opgesomde) ontwerpmaatregelen die haar kenbaar zouden
worden gemaakt. De ontwerpmaatregel moest worden voor-
gelegd aan de Commissie en NRI's in andere lidstaten,maar
alleen de NRI's konden opmerkingen maken.
28
De Raad vond
de invloed van de Commissie op de nationale besluitvor-
mingsprocedure echter te groot en verving het vetorecht van
de Commissie door de mogelijkheid om in bepaalde gevallen
een niet bindende opinie te geven.
29
De Commissie ging echter
niet akkoord. Volgens haar was deze mogelijkheid geen effec-
tief middel om het doel van het vetorecht het verzekeren van
een consistente Europese reguleringspraktijk in overeenstem-
ming met het Gemeenschapsrecht te waarborgen. Het Parle-
ment kwam met een compromis,dat overeenkwam met het in
de aangenomen Kaderrichtlijn opgenomen artikel 7. Het veto-
recht van de Commissie is geconcentreerd op twee belangrijke
punten in het kader van het handhaven van een consistente
regulering: (1) marktdefiniëring (artikel 15,lid 1,Kaderricht-
lijn) en (2) het al dan niet aanwijzen van een onderneming met
aanmerkelijke marktmacht (artikel 16,leden 3-5,Kaderricht-
lijn).
30
De reikwijdte van artikel 7,lid 4,Kaderrichtlijn is der-
halve beperkter dan de reikwijdte van artikel 7,lid 3,Kader-
richtlijn.
Beide
bepalingen
hebben
betrekking
op
marktdefiniëring en marktanalyse,maar alleen artikel 7,lid 3,
Kaderrichtlijn omvat het opleggen van verplichtingen. Daar-
over kan de Commissie dus geen veto uitspreken.
31
Het vetorecht van de Commissie strekt zich onzes inziens
niet uit tot besluiten van NRI's in lidstaten waar het nieuwe
regelgevingskader nog niet is geïmplementeerd. NRI's kun-
nen immers pas op grond van bepalingen uit het nieuwe kader
besluiten nemen waarvoor de notificatieplicht van artikel 7,
lid 3,Kaderrichtlijn geldt. Totdat NRI's de marktanalyse als
bedoeld in artikel 16 Kaderrichtlijn hebben voltooid,dienen
de lidstaten verplichtingen die zijn opgelegd onder het oude
kader te handhaven (artikel 27 Kaderrichtlijn).
Artikel 7, lid 6, Kaderrichtlijn: spoedprocedure
In uitzonderlijke omstandigheden kan een NRI die oordeelt
dat er een dringende noodzaak is om te handelen,in afwijking
van de hierboven beschreven procedures,onmiddellijk even-
redige en voorlopige maatregelen vaststellen (artikel 7,lid 6,
Kaderrichtlijn). De maatregel dient in dit geval gericht te zijn
op het waarborgen van de concurrentie en beschermen van de
belangen van de gebruikers. De NRI moet de maatregel wel
onverwijld,met redenen omkleed,meedelen aan de Commis-
sie en andere NRI's.
32
In de Richtsnoeren is vastgelegd dat de
Commissie vervolgens de verenigbaarheid van de maatregelen
met het Gemeenschapsrecht onderzoekt en in het bijzonder
nagaat of deze in evenredigheid zijn met de beleidsdoelstel-
lingen van artikel 8 Kaderrichtlijn.
33
Het gebruik van de mogelijkheid om onmiddellijk voorlopige
spoedeisende maatregelen vast te stellen,zal onzes inziens
beperkt zijn. De toetsing van de voorlopige maatregelen aan het
Gemeenschapsrecht brengt een zware motiveringsplicht voor de
NRI's met zich mee,zodat zij terughoudend zullen zijn in het
hanteren van de spoedprocedure. Bovendien geeft de Commissie
in de Richtsnoeren aan dat slechts een beperkt gebruik van de
procedure kan worden gemaakt ten aanzien van marktdefinië-
ring en marktanalyse. De Commissie licht dit als volgt toe:
Het is moeilijk voorstelbaar dat er omstandigheden zijn waarin
het gerechtvaardigd is met spoed een markt te definiëren of een
exploitant aan te wijzen als exploitant met aanmerkelijke
marktmacht, aangezien dergelijke maatregelen doorgaans niet
op korte termijn uitvoerbaar zijn. De Commissie verwacht daar-
om niet dat NRI's in dergelijke gevallen een beroep zullen doen op
spoedprocedures.
34
27 Zie voetnoot 10. Deze procedure is vastgelegd in artikel 6b.2,leden 4-6,Tele-
communicatiewet,waarin niet is opgenomen in welke gevallen de Commissie
een veto kan uitspreken,namelijk ten aanzien van ontwerpbesluiten met
betrekking tot marktdefiniëring en dominantieanalyse. Dit blijkt wel uit de
Memorie van Toelichting
(Kamerstukken II,2002/03,28 851,nr. 3,p. 136).
28 Artikel 6 Proposal for a directive of the European Parliament and of the Coun-
cil on a common regulatory framework for electronic communications netw-
orks and services van 12 juli 2000.
29 Van deze gevallen was sprake indien de ontwerpmaatregel,zoals vormgegeven
nadat zoveel mogelijk rekening was gehouden met opmerkingen van de Com-
missie en andere NRI's,(1) significant verschilde van de in eerste instantie
gecommuniceerde ontwerpmaatregel of (2) de Commissie had medegedeeld
ernstig te twijfelen omtrent de verenigbaarheid van de ontwerpmaatregel met
de Gemeenschappelijke markt. De Commissie kon evenals NRI's in andere lid-
staten opmerkingen maken op de ontwerpmaatregel. Artikel 6 Common Posi-
tion by the Council with a view to the adoption of a Directive of the European
Parliament and of the Council on a common regulatory framework for electro-
nic communications networks and services van 17 september 2001.
30 Zie ook Opinion of the Commission van 7 juli 2002,p. 3.
31 Dat is waarschijnlijk de reden dat door artikel 8,lid 3,Toegangsrichtlijn toe-
stemming van de Commissie wordt vereist,indien een NRI andere verplichtin-
gen met betrekking tot toegang en interconnectie wil opleggen dan genoemd
in de artikelen 9 tot en met 13 Toegangsrichtlijn.
32 Deze procedure is vastgelegd in artikel 6b.3 Telecommunicatiewet. In dit arti-
kel volgt de tijdelijke werking van de maatregel uit lid 2,waarin is bepaald dat
een besluit geldt voor maximaal 26 weken. Niet in artikel 6b.3 Telecommuni-
catiewet maar wel in de Memorie van Toelichting is opgenomen dat de maat-
regel onverwijld en gemotiveerd aan de Commissie en NRI's in andere lidsta-
ten wordt gezonden (
Kamerstukken II,2002/03,28 851,nr. 3,p. 137). In artikel
6b.3 Telecommunicatiewet worden de besluiten waarop de spoedprocedure
van toepassing kan zijn genoemd.
33 Zie hieromtrent hoofdstuk 6.4,par. 153 van de Richtsnoeren.
34 Hoofdstuk 6.4,par. 154 van de Richtsnoeren.
242
Wanneer kan deze procedure dan wel worden toegepast? Naar
onze mening vooral voor het opleggen of wijzigen van verplich-
tingen aan ondernemingen waarvan reeds is vastgesteld dat zij
aanmerkelijke marktmacht hebben op een bepaalde afgebaken-
de markt. Voorts is het denkbaar dat de spoedprocedure wordt
gevolgd voor marktdefiniëring en marktanalyse,indien reeds
eerder afgebakende markten zich nadien splitsen,bijvoorbeeld
door technologische ontwikkelingen. Om te voorkomen dat de
onderneming met aanmerkelijke marktmacht deze macht aan-
wendt om haar machtspositie uit te breiden naar de nieuwe
deelmarkt,is denkbaar dat spoedmaatregelen geboden zijn. Op
de NRI's rust dan wel een zware motiveringsplicht.
35
Toepassing artikel 7 Kaderrichtlijn door
de Commissie
De Commissie heeft op het moment van het schrijven van
dit artikel
36
vierentwintig mededelingen gedaan,naar aanlei-
ding van de aan haar,met name door de Engelse en Finse
NRI's,voorgelegde ontwerpmaatregelen.
37
De mededelingen
zijn van groot belang voor de NRI's en marktpartijen in ande-
re lidstaten. Hierna wordt inzicht gegeven in de manier waar-
op de Commissie omgaat met haar bevoegdheden.
Vetobesluit
Ten aanzien van één van de ontwerpmaatregelen heeft de
Commissie gebruik gemaakt van haar vetorecht. Het betrof een
ontwerpmaatregel van de Finse NRI,Ficora,met betrekking tot
de markten voor internationale telefoniediensten. Ficora con-
cludeerde een marktanalyse nadat er op de relevante markten
geen ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht waren,
ondanks de aanwezigheid van een onderneming met een
marktaandeel hoger dan 50%. Nadat de Commissie Ficora om
opheldering en aanvullende informatie had gevraagd,deelde
zij Ficora mede dat zij van oordeel was dat de ontwerpmaatregel
onder artikel 7,lid 4,onder b,Kaderrichtlijn viel betreffende het
al dan niet aanwijzen van een onderneming met aanmerkelijke
marktmacht en de maatregel de handel tussen lidstaten zou
beïnvloeden. De Commissie had voorts ernstige twijfels
omtrent de verenigbaarheid van de ontwerpmaatregel met het
Gemeenschapsrecht (artikelen 10 en 82 EG) en in het bijzonder
de doelstelling van artikel 8,lid 2,onder b,Kaderrichtlijn
(bevordering van de concurrentie). De hoofdoorzaak was een
combinatie van een onvoldoende onderbouwde analyse en het
op het eerste gezicht aanwezige bewijs van een onderneming
met aanmerkelijke marktmacht,namelijk hoge marktaande-
len. De Commissie bepaalde dat de ontwerpmaatregel niet bin-
nen twee maanden mocht worden aangenomen.
38
De Commissie plaatste een mededeling op haar website,
waarin zij derden uitnodigde binnen vijf werkdagen opmer-
kingen te maken op haar `ernstige twijfels brief'. Hierna ont-
stond wederom een dialoog tussen de Commissie en Ficora.
De Commissie verzocht Ficora aanvullende informatie te ver-
strekken met betrekking tot opmerkingen van derden en de
marktanalyse. Na de reactie van Ficora nam de Commissie een
beschikking,waarin zij gelastte dat Ficora de ontwerpmaatre-
gel introk. Daarbij gaf de Commissie Ficora aanwijzingen over
de wijze waarop zij de marktanalyse in overeenstemming met
de Richtsnoeren dient uit te voeren.
39
Voor marktpartijen is het gezien de korte periode van vijf
dagen waarbinnen zij opmerkingen kunnen maken op de
`ernstige twijfels brief' van de Commissie van belang de web-
site van de Commissie goed in de gaten te houden. Voor NRI's
geldt een zware motiveringsplicht voor ontwerpmaatregelen
die afwijken van de Richtsnoeren en de Aanbeveling.
Opmerkingen
In een aantal mededelingen uitte de Commissie kritiek op
de beoordeling door een NRI van de aanwezigheid van een
onderneming met aanmerkelijke marktmacht,maar liet zij
het daarbij. Dit hing samen met het oordeel dat een maatregel
niet de handel tussen lidstaten in de zin van artikel 7,lid 4 en
overweging 38 van de Kaderrichtlijn zou kunnen beïnvloe-
den.
40
Een onderzoek naar door een NRI smaller afgebakende
markten dan in de Aanbeveling achtte de Commissie niet
nodig,omdat de aanbevolen marktdefiniëring waarschijnlijk
niet zou leiden tot een andere uitkomst van de marktanalyse.
41
In een mededeling naar aanleiding van een andere,reeds
genoemde ontwerpmaatregel van Ficora dreigde de Commis-
sie haar bevoegdheid op grond van artikel 226 EG uit te oefe-
nen. Dit dreigement had betrekking op een bepaling uit de
Finse Telecommunicatiewet
42
die Ficora,in strijd met bepalin-
gen uit de Machtigings- en Toegangsrichtlijn,ervan had weer-
houden marktpartijen een bepaald recht toe te kennen. Hier-
bij wees de Commissie op jurisprudentie van het Hof van
Justitie die vereist dat iedere nationaalrechtelijke bepaling die
in strijd is met het Gemeenschapsrecht,buiten toepassing
gelaten dient te blijven (artikel 10 EG).
43
Dit is een voorbeeld
van een geval buiten de reikwijdte van artikel 7,lid 4,Kader-
richtlijn,zodat de Commissie geen gebruik kon maken van
het vetorecht. Desondanks dreigde de Commissie met een
actie wegens verdragsinbreuk. Het is de vraag of dit mogelijk
is,nu de Commissie op grond van de Kaderrichtlijn geen
ingrijpend middel als het vetorecht heeft ten aanzien van
maatregelen van NRI's tot het al dan niet opleggen van ver-
plichtingen aan ondernemingen. Daar staat tegenover dat een
verdragsinbreukprocedure complexer en tijdrovender is dan
het vetorecht,doordat andere criteria gelden.
44
Dat geschilbesluiten in bepaalde gevallen ook onder de reik-
wijdte van artikel 7,lid 3,Kaderrichtlijn kunnen vallen,blijkt
uit een mededeling van de Commissie inzake van een ontwerp-
besluit ter beslechting van een geschil.
45
De Oostentijkse NRI,
TKK,was voornemens voor een onbeperkte periode intercon-
35 In de Memorie van Toelichting bij artikel 6b.3 Telecommunicatiewet wordt
opgemerkt dat het uit oogpunt van concurrentie nodig is dat bijvoorbeeld
direct toegangsverplichtingen worden opgelegd aan een aanbieder die op de
desbetreffende relevante markt beschikt over aanmerkelijke marktmacht om
te voorkomen dat de situatie ontstaat dat de aanbieder die van de voorgeschre-
ven toegang gebruik wil maken,op het moment dat het uiteindelijke besluit is
genomen,inmiddels van de markt is verdrongen (
Kamerstukken II 2002/03,28
852,nr. 3,p. 137).
36 Afgesloten op 10 juni 2004.
37 De mededelingen zijn gepubliceerd op http://forum.europa.eu.int/Public/irc/
infso/ecctf/home
38 EC 18 december 2003,zaken FI/2003/0024 en FI/2003/0027.
39 EC 20 februari 2004,zaken FI/2003/0024 en FI/2003/0027.
40 EC 24 september 2003,zaken UK/2003/0007,UK/2003/0008,UK/2003/009 en
UK/2003/0010; EC 24 september 2003,zaak UK/2003/0006.
41 EC 24 september 2003,zaken UK/2003/0007,UK/2003/0008,UK/2003/009 en
UK/2003/0010.
42 Communications market Act No. 323 of 23 May 2003.
43 EC 17 december 2003,zaak FI/2003/0031.
44 Zie voor een omschrijving van de actie wegens verdragsinbreuk P. J.G. Kapteyn
en P. VerLoren van Themaat,
Het recht van de Europese Unie en de Europese Gemeen-
schappen,Deventer: Kluwer 2003,p. 362-368.
45 EC 29 april 2004,zaak AT/2004/0044.
Mediaforum 2004-7/8
Mediaforum 2004-7/8
243
nectie te bevelen van het vaste openbare communicatienetwerk
van Telekom Austria en het mobile virtual network (MVN) van
Tele2. Voorts wilde TKK de tarieven reguleren voor het termine-
ren van verkeer van het vaste netwerk van Telekom Austria naar
het MVN van Tele2. De tariefregulering zou van toepassing zijn
gedurende een overgangsperiode,totdat TKK de marktdefinië-
ring en -analyse zou hebben voltooid. De Commissie merkte op
dat TKK op grond van de artikelen 5 Toegangsrichtlijn en 20
Kaderrichtlijn verplichtingen wilde opleggen ten aanzien van
interconnectiediensten,die zouden kunnen vallen binnen de
reikwijdte van een in de Aanbeveling gedefinieerde markt
(gespreksafgifte op afzonderlijke mobiele netwerken). De Com-
missie benadrukte dat de voorlopige bevindingen in het kader
van de geschilbeslechting de uitkomst van de marktanalyse en
het al dan niet aanwijzen van een onderneming met aanmerke-
lijke marktmacht niet mochten beïnvloeden.
46
TKK moest deze
taken op grond van de artikelen 15 en 16 Kaderrichtlijn zo snel
mogelijk voltooien ter bevordering van de rechtszekerheid van
marktpartijen,om het aantal geschillen terug te brengen en de
behoefte aan mogelijke wijzigingen van overgangsverplichtin-
gen voorafgaande aan een volledige marktanalyse te vermijden.
In dit geval legde de NRI in het kader van geschilbeslechting
verplichtingen op waaraan geen aanwijzing van een onderne-
ming met aanmerkelijke marktmacht vooraf hoefde te gaan
(artikel 5 Toegangsrichtlijn). Onzes inziens is het ook denk-
baar is dat een geschilbesluit onder de procedure van artikel 7,
lid 3,Kaderrichtlijn valt,wanneer daarin eerder aan een
AMM-partij opgelegde algemene verplichtingen worden
geconcretiseerd. De marktdefiniëring en -analyse zijn dan
reeds voltooid. Aan een onderneming opgelegde maatregelen
zijn al snel van invloed op de handel tussen lidstaten,zoals
artikel 7,lid 3,onder b,Kaderrichtlijn vereist. Voor een onder-
neming die wil dat aan een concurrent verplichtingen worden
opgelegd,is het gezien de vertraging waarschijnlijk nadelig
als de Commissie in kennis moet worden gesteld van een voor-
genomen geschilbesluit. Aangezien geschilbesluiten meestal
betrekking zullen hebben op het opleggen van verplichtingen
en niet op het definiëren van markten of het aanwijzen van
ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht,achten wij
de kans klein dat geschilbesluiten onder de reikwijdte van de
vetoprocedure van artikel 7,lid 4,zullen vallen.
Ook in de overige mededelingen heeft de Commissie uitge-
breide opmerkingen gemaakt met betrekking tot de gedefi-
nieerde markt,uitgevoerde marktanalyse en opgelegde ver-
plichtingen. Hierbij hield de Commissie de doelstellingen van
artikel 8 Kaderrichtlijn nauwgezet in het oog.
47
Verplichtingen
die worden opgelegd aan ondernemingen met aanmerkelijke
marktmacht dienen proportioneel en gerechtvaardigd te zijn in
het licht van deze doelstellingen en moeten gebaseerd zijn op
de aard van het geïdentificeerde probleem. Voorts vroeg de
Commissie aandacht voor ontwikkelingen in de toekomst,die
ertoe zouden kunnen leiden dat de marktdefiniëring en -analy-
se aangepast moeten worden. Ten aanzien van ontwerpmaatre-
gelen waarin verschillende verplichtingen waren opgelegd aan
verschillende ondernemingen binnen dezelfde gedefinieerde
markten,merkte de Commissie herhaaldelijk op dat een ade-
quate motivering van de betreffende NRI's hiervoor ontbrak.
48
Daarnaast moesten NRI's in een aantal gevallen meer aandacht
besteden aan de invloed van bestaande verplichtingen op de uit-
komst van een marktanalyse.
49
Ook gaf de Commissie een toe-
lichting op de driestappentoets die een NRI op grond van over-
weging 9 van de Aanbeveling moet volgen bij het afbakenen van
een markt die afwijkt van de Aanbeveling.
50
Uit de praktijk blijkt vooralsnog niet dat NRI's moeten moti-
veren dat algemeen mededingingsrecht niet volstaat en sector-
specifieke regulering nodig is. Dit is opmerkelijk aangezien het
doel van het regelgevingskader is om sectorspecifieke (ex ante)
regulering terug te dringen naarmate de mededinging toe-
neemt.
51
Voorts is opvallend dat de Commissie ten aanzien van
een aantal ontwerpmaatregelen aangaf het wel opleggen van
(concretere) verplichtingen,anders dan de betreffende NRI's,
gepast te vinden. De Commissie motiveerde dit met het waar-
borgen van de doelstellingen van artikel 8 Kaderrichtlijn.
52
In het merendeel van de mededelingen ziet de Commissie
met name scherp toe op de procedurele aspecten van de toe-
passing van het regelgevingskader door NRI's. De discretio-
naire bevoegdheden van de NRI's blijven overeind. Ondanks
de vergaande bevoegdheden van de Commissie is (nog) sprake
van een marginale toetsing,vergelijkbaar met de toetsing die
in Nederland door de bestuursrechter plaatsvindt. De mede-
delingen van de Commissie met betrekking tot de ontwerp-
maatregelen van OPTA hebben derhalve gevolgen voor proce-
dures die marktpartijen in Nederland aanhangig maken ten
aanzien van deze maatregelen. Indien de Commissie heeft
geoordeeld dat een maatregel niet in strijd is met het Gemeen-
schapsrecht,valt voor marktpartijen bij de bestuursrechter
nog moeilijk te bewijzen dat dit wel het geval is. Daarentegen
worden marktpartijen geholpen in hun bewijslast door mede-
delingen waarin de Commissie kritiek uit op (onderdelen van)
ontwerpmaatregelen. In ieder geval is het voor marktpartijen
en NRI's van groot belang om mededelingen van de Commis-
sie aan NRI's in het eigen land en in andere lidstaten nauw-
keurig te volgen.
Rechtsmiddelen met betrekking tot
Commissiebesluiten
Artikel 230 EG voorziet in de mogelijkheid om de wettig-
heid van beschikkingen van de Commissie,voor zover het
geen aanbevelingen of adviezen betreft,bij het Hof van Justi-
tie van de Europese Gemeenschap (`het Hof') te betwisten. Het
Hof is bevoegd uitspraak te doen inzake elk door een lidstaat
ingesteld beroep wegens,kort gezegd,schending van het EG-
verdrag en/of vormvoorschriften dan wel wegens onbevoegd-
heid of misbruik van bevoegdheid. Een natuurlijke of rechts-
persoon
(waaronder
tevens
worden
begrepen
een
publiekrechtelijk lichaam van de staat en een privaatrechtelijk
lichaam bekleed met bepaalde openbare bevoegdheden) kan
op dezelfde gronden beroep instellen tegen een tot hem
gerichte beschikking,alsmede tegen een beschikking gericht
tot een derde persoon die hem rechtstreeks en individueel
raakt. Het beroep moet bij het Gerecht van Eerste Aanleg van
de Europese Gemeenschap (`het Gerecht') worden ingediend.
46 Artikel 20,lid 3,Kaderrichtlijn.
47 Bijvoorbeeld EC 29 augustus 2003,zaak UK/2003/0001; EC 17 december 2003,
zaken FI/2003/0028 en FI/2003/0029.
48 Bijvoorbeeld EC 17 december 2003,zaken FI/2003/0028 en FI/2003/0029.
49 EC 17 december 2003,zaken FI/2003/0020,FI 2003/0021; EC 17 december 2003,
zaken FI/2003/0/23 en FI/2003/0026.
50 EC 23 september 2003,zaken 2003/0004 en UK/2004/0005.
51 Op grond van de Toelichting op de Aanbeveling (p. 12) is de beoordeling van de
doeltreffendheid van het mededingingsrecht op zichzelf doorslaggevend voor
de beslissing om een markt te omschrijven als markt waar ex ante regelgeving
gerechtvaardigd is.
52 Bijvoorbeeld EC 17 december 2003,zaken FI/2003/0028 en FI/2003/0029; EC 5
februari 2004,zaak UK/2003/0040.
244
Hieronder zal worden nagegaan of NRI's en marktpartijen op
grond van artikel 230 EG beroep in kunnen stellen bij het
Gerecht tegen een opmerking (artikel 7,lid 3,Kaderrichtlijn) of
vetobesluit (artikel 7,lid 4,Kaderrichtlijn) van de Commissie.
Daartoe zal eerst worden onderzocht of in deze twee gevallen
sprake is van een `beschikking' in de zin van artikel 230 EG. Ver-
volgens zal worden bezien of NRI's als geadresseerden en der-
den-belanghebbenden van beschikkingen en marktpartijen als
rechtstreeks en individueel geraakt kunnen worden beschouwd.
Het begrip `beschikking'
Een beroep tegen opmerkingen van de Commissie op grond
van artikel 7,lid 3,Kaderrichtlijn kan slechts ontvankelijk zijn
indien het een beschikking als bedoeld in artikel 230 EG betreft.
Onder het begrip `beschikking' vallen alle maatregelen van de
communautaire overheid die rechtsgevolgen hebben of kunnen
hebben voor een (rechts)persoon. De vorm van de beschikking is
daarbij niet van belang.
53
Brieven en mededelingen kunnen der-
halve ook onder het begrip `beschikking' vallen.
In beginsel is communicatie van de Commissie met betrek-
king tot interpretaties van de communautaire wetgeving niet
een voor beroep vatbare beschikking.
54
De toepassing en uit-
voering van de communautaire wetgeving vindt plaats door
de nationale autoriteiten. De Commissie mag wel haar eigen
mening of interpretatie van die wetgeving geven,maar de
nationale autoriteiten zijn niet aan mededelingen van de
Commissie gebonden. Juridisch gezien hebben de mededelin-
gen slechts het karakter van een advies.
55
Onzes inziens hebben de opmerkingen met betrekking tot
een ontwerpmaatregel van een NRI die door de Commissie in
het kader van artikel 7,lid 3,Kaderrichtlijn worden gemaakt
(en die door middel van een brief aan de NRI's worden medege-
deeld) niet slechts het karakter van een advies. Nu de NRI's,
zoals hiervoor reeds is opgemerkt,op grond van artikel 7,lid 5,
Kaderrichtlijn en de nationale implementaties daarvan
56
zoveel
mogelijk rekening dienen te houden met door de Commissie
gemaakte opmerkingen ten aanzien van ontwerpmaatregelen,
kan aangenomen worden dat de opmerkingen van de Commis-
sie rechtsgevolg kan worden toegekend. Bepalend is dat de
NRI's aan de opmerkingen zijn gebonden. Een NRI of een
rechtspersoon die rechtstreeks en individueel wordt geraakt
door de opmerkingen van de Commissie,moet dus beroep
kunnen instellen tegen een opmerking van de Commissie.
Van het vetobesluit van de Commissie gebaseerd op artikel 7,
lid 4,Kaderrichtlijn kan naar onze mening zonder meer
gesteld worden dat het rechtsgevolg heeft.
Het begrip `rechtstreeks en individueel geraakt'
Als geadresseerde van de opmerkingen van de Commissie op
grond van artikel 7,lid 3,Kaderrichtlijn of het vetobesluit op
grond van artikel 7,lid 4,Kaderrichtlijn,kan de betreffende NRI
in beroep bij het Gerecht en op een van de in artikel 230 EG
genoemde gronden de nietigverklaring van het besluit vorde-
ren. Daarnaast kunnen particuliere ondernemingen en publiek-
rechtelijke lichamen die rechtstreeks en individueel door één
van de beschikkingen geraakt zijn,in beroep bij het Gerecht.
Rechtstreeks en individueel geraakt zullen diegenen zijn
die in de beschikking worden genoemd,bijvoorbeeld de
ondernemingen die aanmerkelijke marktmacht hebben en
aan wie al dan niet verplichtingen worden opgelegd. Derden-
belanghebbenden,bijvoorbeeld concurrenten en/of afnemers
van de marktpartij die in de beschikking wordt genoemd,zul-
len waarschijnlijk niet-ontvankelijk zijn in een beroep. Het is
vaste rechtspraak van het Hof dat zij die niet de adressaten van
een beschikking van de Commissie zijn,slechts kunnen stel-
len dat zij individueel worden geraakt in de zin van artikel 230
EG,indien deze beschikking hen betreft uit hoofde van zekere
bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie,welke
hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hen derhal-
ve individualiseert op soortgelijke wijze als de adressaat.
57
Conform de Eridania-rechtspraak kan de positie van een parti-
culier beïnvloed worden doordat de betrokken maatregelen
een wijziging van de marktverhouding tot gevolg hebben,
maar houdt dit nog niet in dat er sprake is van rechtstreeks en
individueel raken:
De enkele omstandigheid dat een besluit invloed kan uitoefenen
op de mededingingsverhoudingen zoals die zich op de betrokken
markt voordoen brengt niet mede dat iedere ondernemer die op
enigerlei wijze in een concurrentieverhouding staat tot de adres-
sant van het besluit, als rechtstreeks en individueel door hetzelfde
geraakt is te beschouwen.
58
Belanghebbenden die aanspraak kunnen maken op een
bepaald recht van procedurele aard,zoals het indienen van een
klacht,het verschaffen van informatie of het recht om gehoord
te worden,en van dat recht gebruik hebben gemaakt,kunnen
in bepaalde omstandigheden wel tegen handelingen van de
Commissie beroep instellen.
59
Uit het hierboven genoemde
Ficora-besluit blijkt dat de Commissie,voordat zij een vetobe-
sluit neemt,marktpartijen de mogelijkheid geeft om een opi-
nie over de voorgenomen maatregel van een NRI te geven. Dit
horen van marktpartijen vloeit echter niet voort uit een in de
communautaire wetgeving aan marktpartijen toegekend recht
om gehoord te worden. Onzes inziens betekent het gebruik
maken van de gelegenheid om opmerkingen te maken in het
kader van de totstandkoming van een vetobesluit dan ook niet
dat marktpartijen daarmee rechtstreeks en individueel geraakt
worden door het vetobesluit.
60
Ook ten aanzien van NRI's die
opmerkingen hebben gemaakt ten aanzien van een ontwerp-
besluit van een andere NRI,geldt onzes inziens dat zij niet
rechtstreeks en individueel geraakt worden door een besluit
van de Commissie gericht tot die andere NRI.
53 HvJEG 14 december 1962,zaken 16/62 en 17/62,
Jur. p. 901 (CNPFL/Raad) en
zaken 19-22/62,
Jur. p. 943 (FNBG/Raad) en zaken 207/86, Jur. p. 2151
(
APESCO/Commissie).
54 Zie R. Barents,
Procedures en procesvoering voor het Hofvan Justitie en het Gerecht van
eerste aanleg van de EG,Deventer: Kluwer 2002,p. 124 en 125; HvJEG 17 mei 1989,
zaak 151/88,
Jur. p. 1255 (Italië/Commissie); HvJEG 13 juni 1991,zaak C-50/90,Jur.
p. I-2917 (
Sunzest/Commissie); HvJEG 28 juni 1993,zaak C-64/93,Jur. p. I-3595
(
Donatab/Commissie).
55 HvJEG 4 februari 1959,zaak 17/57,
Jur. p. 926 (Gezamenlijke Steenkoolmijnen);
HvJEG 27 maart 1980,zaak 133/79,
Jur. p. 1299 (Sucrimex/Commissie).
56 Zie bijvoorbeeld artikel 6b.2,lid 3,Telecommunicatiewet.
57 HvJEG 15 juli 1963,zaak 25/62,
Jur. 1963,p. 205 (Plaumann).
58 HvJEG 10 december 1969,zaken 10 en 18/68,
Jur. p. 465 (Eridania/Raad).
59 Zie R. Barents,
Procedures en procesvoering voor het Hofvan Justitie en het Gerecht van eer-
ste aanleg van de EG,Deventer: Kluwer 2002,p. 170 en 171; HvJEG 25 oktober 1977,
zaak 26/76,Jur. p. 1875 (
Metro I,inzake concurrentieregels); HvJEG 28 januari
1986,zaak 169/84,
Jur. p. 391 (Cofaz I,inzake staatssteun); HvJEG 4 oktober 1983,
zaak 246/82,
Jur. p. 849 (Timex,inzake anti-dumping).
60 Zie omtrent deze problematiek bijvoorbeeld GvEA EG 18 december 2003,zaak
T-326/99,
Jur. 2003,p. 00000,waarin een derde-belanghebbende in beroep
tegen een Commissiebeschikking niet-ontvankelijk werd verklaard met
betrekking tot de betwiste wettigheid van de beschikking,aangezien de der-
Mediaforum 2004-7/8
Mediaforum 2004-7/8
245
Het ziet er dus naar uit dat slechts de geadresseerde NRI en
de in een beschikking genoemde marktpartij beroep kunnen
instellen tegen opmerkingen en vetobesluiten van de Commis-
sie. Derden-belanghebbenden kunnen slechts voorafgaand aan
een vetobesluit opmerkingen maken ten aanzien van te nemen
maatregelen met betrekking tot andere ondernemingen.
Echter,op grond van recente Nederlandse jurisprudentie
kunnen concurrenten van de marktpartij tot wie een besluit
van OPTA is gericht,dit besluit aanvechten bij het CBB
61
en
indirect via de weg van de prejudiciële procedure ex artikel 234
EG toch de tot OPTA gerichte beschikking van de Commissie
bij het Hof ter discussie stellen.
62
NRI's die opmerkingen heb-
ben gemaakt met betrekking tot een ontwerpbesluit van een
andere NRI zouden beroep kunnen instellen tegen een besluit
van de betrokken NRI,indien geen of onvoldoende rekening is
gehouden met hun opmerkingen. De Afdeling Bestuursrecht-
spraak van de Raad van State heeft recentelijk in de HMG juris-
dictiezaak geoordeeld dat in een dergelijk geval het orgaan van
de ene lidstaat aan het orgaan van de andere lidstaat verzoekt
om een intrekking van zijn besluit. In het geval van een eventu-
ele weigering kan het orgaan het verschil voorleggen aan de
nationale rechterlijke instanties van de lidstaat waartoe het
weigerende orgaan behoort. De Afdeling baseerde dit oordeel
op het beginsel van gemeenschapstrouw ex artikel 10 EG dat
impliceert dat bestuursorganen moeten optreden om de ver-
wezenlijking van de doelstellingen van het Gemeenschaps-
recht te realiseren.
63
Dit kan betekenen dat de mogelijkheden
voor buitenlandse belanghebbenden om bezwaar of beroep in
te stellen tegen besluiten van een bestuursorgaan groter zijn
geworden.
64
Mogelijk kan een buitenlandse NRI de betrokken
NRI verzoeken om haar opmerkingen in aanmerking te
nemen,bij gebreke waarvan de buitenlandse NRI beroep kan
instellen bij het CBB op de grond dat OPTA de werking van het
EG-telecommunicatierecht in gevaar brengt.
Conclusie
In het nieuwe regelgevingskader voor elektronische com-
municatie heeft de Commissie een belangrijke sturende rol
gekregen. Uit het beleid en de mededelingen van de Commis-
sie blijkt dat zij scherp toeziet op met name de procedurele
aspecten van de toepassing van het regelgevingskader door
NRI's en derhalve `marginaal' toetst. Niet valt echter uit te
sluiten dat de procedurele waakhond zich op den duur ont-
popt tot een meer materiële Europese toezichthouder. Dat zal
een aanzienlijke uitbreiding van de capaciteit van de Commis-
sie vergen. Uit de mededingingsrechtpraktijk blijkt immers
dat de Commissie onder meer bij gebrek aan capaciteit zaken
afstoot naar de nationale toezichthouders. Het is dus maar de
vraag of de Commissie de rol van Europese toezichthouder op
zich kan en wil nemen. Indien het nieuwe regelgevingskader
voor elektronische communicatie goed functioneert,zou dit
als model kunnen fungeren voor andere geliberaliseerde net-
werksectoren.
De mededelingen van de Commissie hebben gevolgen voor
de bewijslast van marktpartijen in nationale procedures. Het
is voor marktpartijen en NRI's van groot belang om de mede-
delingen van de Commissie naar aanleiding van ontwerp-
maatregelen (ook in andere lidstaten) nauwlettend te volgen.
Interessant is de vraag wat in het nieuwe reguleringskader
de beroepsmogelijkheden voor deze marktpartijen en de
NRI's zijn. Uit de jurisprudentie van het Hof met betrekking
tot artikel 230 EG vloeit onzes inziens voort dat NRI's tot wie
commissiebeschikkingen zijn gericht en de direct betrokken
marktpartijen,dat wil zeggen de in de beschikking genoemde
marktpartijen,de mogelijkheid hebben om bij het Gerecht
beroep in te stellen tegen opmerkingen of een vetobesluit van
de Commissie. Andere belanghebbenden zullen waarschijn-
lijk niet rechtstreeks en individueel worden geraakt door een
tot een ander gerichte beschikking en bijgevolg geen beroeps-
mogelijkheid hebben. Voor hen is het van belang dat de Com-
missie derden de gelegenheid biedt om een opinie te geven
met betrekking tot een ontwerpmaatregel die de Commissie
wil blokkeren. Zij zullen dus de website van de Commissie
goed in de gaten moeten houden. De termijn voor het indie-
nen van opinies is kort (vijf dagen). Zij kunnen ook proberen
om via nationale rechtsmiddelen besluiten van OPTA,die op
aanwijzingen van de Commissie zijn gebaseerd,aan te vech-
ten.
de-belanghebbende weliswaar voorafgaand aan de vaststelling van de beschik-
king was gehoord,maar er geen verplichting rustte op de Commissie om bij de
derde-belanghebbende inlichtingen in te winnen. Wel had de derde-belang-
hebbende er recht op zich ervan te vergewissen dat de Commissie de door haar
verstrekte inlichtingen had onderzocht en in aanmerking had genomen. Een
ander voorbeeld is GvEA EG 9 augustus 1995,zaak T-585/93,
Jur. 1995,p. II-
02205 waarin werd bepaald dat een derde-belanghebbende aan het enkele
indienen van een klacht en/of het verstrekken van informatie,zonder dat de
Commissie verplicht was de derde-belanghebbende te raadplegen of te horen
alvorens een besluit te nemen,geen procesbevoegdheid kan ontlenen.
61 De Rechtbank Rotterdam heeft op 7 januari 2002 overwogen dat het `
gelet op de
rol
die een ex ante-toezichthouder als verweerder inneemt op de markten waarop het
toezicht wordt uitgeoefend en op de wenselijkheid van het handhaven van een evenwicht
in rechtsbeschermingsmogelijkheden,
in de rede ligt het belanghebbende-begrip met
betrekking tot regulerende besluiten van verweerder, zo te interpreteren dat niet alleen de
marktpartij tot welke een besluit is gericht, maar ook die marktpartijen die in een concur-
rentiële ofanderszins rechtens relevante relatie staan tot de gereguleerde ofte reguleren
marktpartij en op welke (rechts)positie het betrokken besluit in voldoende mate recht-
streeks van invloed is, als belanghebbende bij dit besluit worden aangemerkt'. Zie voor
een interpretatie de noot van A.T. Ottow,
Computerrecht 2002-3,p. 182-187.
62 Volgens vaste jurisprudentie vallen alle handelingen van de communautaire
lichamen binnen de werkingssfeer van artikel 234 EG,zowel voor wat betreft
de uitlegging als voor de beoordeling van de rechtsgeldigheid daarvan. Zie o.a.
HvJEG 12 oktober 1978,zaak 156/77 (
Commissie/België), Jur. p. 1888. Hierin werd
geoordeeld dat tegen de uitvoering door lidstaten van tot hen gerichte
beschikkingen die op een individueel geval betrekking hebben,particulieren
beroep kunnen instellen voor de nationale rechter en in het kader daarvan de
onrechtmatigheid van deze beschikking aanvechten. Zie hieromtrent tevens
R. Barents,
Procedures en procesvoering voor het Hofvan Justitie en het Gerecht van Eer-
ste Aanleg van de EG,Deventer: Kluwer 2002,p. 263-264.
63 ABRvS 6 augustus 2003,zaak 200203476/1,LJN nr. AI0788 (
HMG Groep/Com-
missariaat voor de Media).
64 Zie hieromtrent K. Mortelmans,`RTL4 en RTL5: toch een verwijzing naar
Luxemburg!',
Mediaforum 2003-9,p. 280-287.
Mediaforum 2004-7/8
246
Rechtspraak
Van rechtspraak aangeduid met een
is bij het redactiesecretariaat schriftelijk een
kopie te bestellen. Kosten:
0,50 per pagina,
met een minimum van
7, per bestelling.
Faxtoeslag
11,50. Prijzen zijn exclusief BTW.
J
integraal in dit nummer opgenomen
een kopie is verkrijgbaar bij de re-
dactie
AB
AB Rechtspraak Bestuursrecht
DomJur Domeinnaamjurisprudentie
KG
Kort Geding
LJN-nr.
www.rechtspraak.nl
NJ
Nederlandse Jurisprudentie
NJF
NJ Feitenrechtspraak
EHRM 13 mei 2004, Öllinger vs. Oostenrijk,
www.echr.coe.int (appl. nr. 74245/01)
Artikel 10 EVRM · Smaad · Ontvankelijk-
heid
A. Holding, het bedrijf van de zakenman
H.L., nam in mei 1995 een groot staalbedrijf
over. H.L. beloofde toen dat er bij de Weense
vestiging van dit bedrijf binnen 3 à 4 jaar
geen ontslagen zouden vallen. In maart 1999
werden alsnog vele werknemers ontslagen.
Klager,
parlementslid en woordvoerder
sociale zaken van de Groenen, liet hierop een
persbericht verspreiden waarin hij stelde dat
H.L. zijn belofte gebroken had. Op vorde-
ring van H.L. verbieden de Oostenrijkse
rechters klager deze beschuldiging te herha-
len. Ook moet klager rectificeren. Deze
beperking van de uitingsvrijheid acht het
Hof in Straatsburg niet in strijd met artikel
10 EVRM. De Oostenrijkse rechters hebben
terecht aangenomen dat de beschuldiging
van klager een feitelijke bewering inhield.
Zij mochten tevens aannemen dat de belofte
om geen personeel te ontslaan niet de volle
vier jaar bestreek en dat klager zijn beschul-
diging dus niet had kunnen bewijzen. De
klacht is niet-ontvankelijk.
EHRM 13 mei 2004, Krone Verlag Gesellschaft
en Walter vs. Oostenrijk,
www.echr.coe.int
(appl. nr. 36961/02)
Artikel 10 EVRM · Smaad · Ontvankelijk-
heid
Tussen 1993 en 1997 werd Oostenrijk geteis-
terd door een reeks aanslagen op politici door
middel van bombrieven. Een expert conclu-
deerde destijds dat deze brieven waren ver-
stuurd door één persoon. Een andere theorie
was echter dat een groep rechts-extremisten
achter de brieven zat. Nadat de man achter de
bombrieven, Franz Fuchs, in 1997 was gear-
resteerd, verweten sommigen de minister van
Binnenlandse Zaken dat hij de theorie van de
enkele dader had genegeerd. Vervolgens ver-
scheen in maart 2001 de televisiefilm `Der
Briefbomber'. In deze film, een werk van fic-
tie, geeft het personage van de minister van
Binnenlandse Zaken om politieke redenen de
voorkeur aan de theorie die de bombrieven
toeschrijft aan de rechts-extremisten en
negeert daarom de theorie van de enkele
dader. De tweede klager schrijft over deze
film een artikel in de
Neue Kronen Zeitung, uit-
gegeven door de eerste klager. In het artikel
schrijft hij onder meer dat de film `zeer dicht
bij de politieke waarheid' zit, een `explosieve
boodschap tegen de voormalige minister van
Binnenlandse Zaken' bevat en de kwaliteit
van een documentaire heeft. De Oostenrijkse
rechters oordelen dat klagers niet enkel de
inhoud en boodschap van de film hebben
gereproduceerd, maar tevens de lezer de
indruk hebben gegeven dat zij zich met de
boodschap van de film identificeren en dat de
minister van Binnenlandse Zaken daadwer-
kelijk op politieke gronden zijn plicht heeft
verzaakt. Volgt een veroordeling tot geldboe-
te wegens smaad. Het Hof in Straatsburg ziet,
gelet op het artikel als geheel, in het bijzonder
de gebruikte woorden en de wijze waarop het
artikel is geschreven, geen reden om van de
bevindingen van de Oostenrijkse rechters af
te wijken. De beschuldiging aan het adres van
de minister van Binnenlandse Zaken is een
feitelijke bewering en het Hof neemt aan dat
deze bewering onjuist is. Nu er geen enkele
aanwijzing is dat de minister zijn plicht heeft
verzaakt en hij ook nooit officieel beschul-
digd is, kan niet worden gezegd dat klagers
destijds voldoende stappen hebben genomen
om hun feitelijke bewering te bewijzen. De
klacht is niet-ontvankelijk.
EHRM 18 mei 2004, Eccleston vs. Verenigd
Koninkrijk,
www.echr.coe.int (appl. nr. 42841/02)
Artikel 10 EVRM · Ontvangstvrijheid ·
Ontvankelijkheid
Klager, die vanaf zijn tweede levensjaar bij
pleeggezinnen heeft gewoond en bij een van
deze gezinnen zwaar is misbruikt, heeft in
eigen land diverse malen inzage geëist in
zijn persoonsgegevens. Deze verzoeken leid-
den tot jarenlange procedures, waarbij kla-
ger steeds een beetje meer informatie heeft
verkregen. Het Hof in Straatsburg meent dat
de vertraging bij het verstrekken van de per-
soonsgegevens geen onmenselijke of verne-
derende behandeling als bedoeld in artikel 3
EVRM oplevert, hoe frustrerend die vertra-
ging ook voor klager moet zijn geweest. Ook
artikel 8 EVRM (recht op respect voor privé-
leven) is niet geschonden. Hetzelfde geldt
voor artikel 10 EVRM, aangezien het recht
om informatie te ontvangen in artikel 10
EVRM betrekking heeft op informatie die
anderen willen communiceren. Artikel 10
EVRM legt anderen geen verplichting op om
informatie te verstrekken. De klachten zijn
niet-ontvankelijk.
EHRM 25 mei 2004, Österreichischer Rund-
funk. vs. Oostenrijk,
appl. nr. 57597/00
Portretrecht · Publicatieverbod
Publicatieverbod van portret van iemand die
verdachte is geweest van het verzenden van
bombrieven, maar daarvan later werd vrijge-
sproken. Het gaat om dezelfde persoon als de
geportretteerde in EHRM 11 januari 2000,
Mediaforum 2000-3, nr. 14 m. nt. G.A.I. Schuijt
(News Verlag), namelijk B. Het verbod betrof
de publicatie van zijn portret als verdachte
zonder vermelding van de vrijspraak, terwijl
tevens de indruk werd gewekt dat hij een
neo-nazi was zonder te vermelden dat hij
zijn straf voor overtreding van de Verbotsge-
setz had uitgezeten en inmiddels weer vrij
was. Het EHRM ziet thans verschillen met de
kwestie die in `News Verlag' aan de orde was:
toen betrof het een absoluut verbod, thans
een verbod in een specifieke context; voorts
was B. ten tijde van het verbod dat News Ver-
lag werd opgelegd nog verdachte in een
geruchtmakende zaak, thans is hij vrij man.
Er was geen noodzaak voor verdere stigmati-
sering. Het publicatieverbod was beperkt tot
de specifieke omstandigheden van het geval.
De klacht is niet ontvankelijk.
EHRM 27 mei 2004, Vides Aizsardzibas Klubs
vs. Letland,
www.echr.coe.int (appl. nr. 57829/00)
Artikel 10 EVRM · Smaad · Public watch-
dog
Klager is een vereniging die zich richt op de
bescherming van het milieu. Zij stelde in 1997
een resolutie op waarin zij haar zorg uitsprak
over de staat van een duingebied aan de Golf
van Riga. De resolutie bevatte de beschuldi-
ging dat de burgemeester van Mersrags ille-
gale documenten, besluiten en certificaten
had getekend, waardoor illegale bouw in het
duingebied mogelijk werd gemaakt. Boven-
dien zou de burgemeester expres bevelen van
hogere milieu-autoriteiten om de illegale
bouw te staken hebben genegeerd. De resolu-
tie wordt gepubliceerd in een regionale krant.
Enige tijd later stuurt de minister van Milieu-
bescherming een brief aan klager waarin hij
meldt dat ambtenaren van zijn ministerie bij
een onderzoek naar aanleiding van de resolu-
tie meerdere overtredingen van de regels heb-
ben geconstateerd. Klager wordt hartelijk
bedankt voor haar inspanningen. De burge-
meester begint echter met succes een proce-
dure wegens smaad. Klager wordt veroor-
deeld tot het publiceren van een officiële
verontschuldiging en het betalen van een
schadevergoeding. Het Hof in Straatsburg
constateert unaniem een schending van arti-
kel 10 EVRM. Het gaat hier om een resolutie
die als voornaamste doel had om de overheid
te wijzen op een gevoelige zaak van algemeen
belang, namelijk onregelmatigheden in een
belangrijke sector die wordt gerund door de
lokale autoriteiten. Klager heeft volgens het
Hof als gespecialiseerde non-gouvernemente-
le organisatie zijn rol van waakhond uitgeoe-
fend onder de Letse Milieubeschermingswet.
Een dergelijke participatie is essentieel voor
een democratische samenleving en het Hof
acht haar vergelijkbaar met de rol van de pers
zoals omschreven in zijn constante jurispru-
dentie. Om haar taak goed te kunnen uitvoe-
ren, moet een organisatie als klager in staat
worden gesteld feiten van belang aan het
publiek te verstrekken en daarover haar
mening te geven om aldus bij te dragen aan de
transparantie van de activiteiten van de auto-
riteiten. De beschuldiging dat de burgemees-
ter documenten heeft getekend en bevelen
heeft genegeerd is een feitelijke bewering, die
klager moest bewijzen. Dat heeft klager ook
gedaan volgens het Hof. Het ziet niet in wat
onder redactie van
Laurens Dragstra, Lars Huisman, Annetje Ottow en Gerard Schuijt
Met medewerking van Stef van Gompel
D o c u m e n t a t i e
Mediaforum 2004-7/8
247
klager nog meer had moeten doen. Dat klager
het gedrag van de burgemeester `illegaal'
heeft genoemd is een waardeoordeel, inhou-
dende een persoonlijke mening van juridi-
sche aard. In een democratische samenleving
zijn de autoriteiten aan een permanente con-
trole door burgers onderworpen en een ieder
heeft, gesteld dat hij te goeder trouw handelt,
het recht om de aandacht van het publiek te
richten op situaties die hij onrechtmatig acht.
De veroordeling is niet noodzakelijk in een
democratische samenleving.
EHRM 27 mei 2004, Rizos en Daskas vs. Grie-
kenland,
www.echr.coe.int (appl. nr. 65545/01)
Artikel 10 EVRM · Artikel 6 EVRM · Smaad
In 1995 verscheen een artikel van de hand
van de tweede klager in de krant
Adesmeftos
Typos, waarvan de eerste klager de uitgever
is. Het artikel was getiteld `Er zijn bepaalde
openbare aanklagers in Epirus...' en ging
over onrechtmatig handelen door een open-
bare aanklager in het stadje Preveza. Gemeld
werd voorts dat een onderzoek was gestart
naar deze en nog twee andere aanklagers.
Deze drie aanklagers zouden een gemeen-
schappelijke vriend hebben, de deken van de
Orde van Advocaten van Arta, en aan hen
zou geen enkele sanctie worden opgelegd
omdat zij erg geliefd waren bij bepaalde
kaders van de regerende politieke partij. Eén
van de aanklagers begint hierop een proce-
dure wegens smaad en omdat het gaat om
een drukpersdelict wordt een speciale, veel
snellere procedure gevolgd. Klagers worden
veroordeeld tot het betalen van schadever-
goeding en wenden zich na het zonder suc-
ces doorlopen van de nationale procedures
tot het Hof in Straatsburg. Dat overweegt
dat er geen enkele aanwijzing is dat de toe-
passing van de speciale procedure voor druk-
persdelicten klagers in hun belangen
geschaad heeft. Van een schending van arti-
kel 6 lid 1 EVRM is dus geen sprake. Wel is er
sprake van een schending van artikel 10
EVRM. Volgens het Hof hebben klagers met
hun uitlatingen niet de grenzen van toelaat-
baar commentaar op een actuele zaak over-
schreden. Het belang van de aanklager dat
zijn reputatie wordt beschermd weegt min-
der zwaar dan het belang dat het publiek
wordt geïnformeerd over een zaak die raakt
aan het functioneren van het rechtssysteem.
EHRM 15 juni 2004, Sîrbu e.a. vs. Moldavië,
www.echr.coe.int (appl. nrs. 73562/01, 73565/01,
73712/01, 73744/01, 73972/01 en 73973/01)
Artikel 10 EVRM · Ontvangstvrijheid ·
Ontvankelijkheid
Deze zaak gaat voornamelijk over artikel 6
EVRM en artikel 1 Eerste Protocol EVRM,
maar heeft ook een aspect dat artikel 10 EVRM
betreft. De Moldavische regering heeft name-
lijk besloten om een besluit waarbij de salaris-
sen van het personeel van bepaalde ministe-
ries
(Defensie,
Staatsveiligheid
en
Binnenlandse Zaken) werden verhoogd,
geheim te houden. Klagers voeren in Straats-
burg aan dat dit in strijd is met artikel 10
EVRM. Het Hof herhaalt dat de vrijheid om
inlichtingen te ontvangen, zoals gewaarborgd
door artikel 10 EVRM, `basically prohibits a
government from restricting a person from
receiving information that others wish or may
be willing to impart to him'. Die vrijheid legt
aan een staat, in omstandigheden zoals in
deze zaak, geen positieve verplichting op om
geheime documenten of informatie betreffen-
de leger, inlichtingendiensten of politie open-
baar te maken. In zoverre is het verzoekschrift
niet-ontvankelijk.
EHRM 24 juni 2004, Caroline van Hannover
vs. Duitsland,
nr. 27 m. nt. G.A.I. Schuijt
J
Privacy · Uitingsvrijheid · Entertain-
mentpers · Portretrecht
Prinses Caroline van Hannover klaagt over
schending van art. 8 EVRM omdat de Duitse
rechter haar te weinig bescherming zou bie-
den tegen inbreuken op haar privacy door de
entertainmentpers. Het Hof overweegt dat
de beslissende factor in de belangenafwe-
ging tussen de bescherming van de persoon-
lijke levenssfeer en de uitingsvrijheid dient
te liggen in de bijdrage die de gepubliceerde
foto's leveren aan debat van publiek belang.
Dat is in de publicaties waarover de prinses
klaagt niet het geval. Die gaan alleen over
haar privé-leven. Het publiek heeft niet een
gerechtvaardigd belang te weten waar klaag-
ster zich bevindt en hoe zij zich in het alge-
meen gedraagt in haar privé-leven zelfs als
zij verschijnt op plaatsen die niet beschouwd
kunnen worden als afgezonderd en ondanks
het feit dat zij een bekende persoonlijkheid
is. Schending van artikel 8.
HvJ EG 11 december 2003, Deutscher Apothe-
kerverband vs. DocMorris,
NJ 2004, 278
Geneesmiddelenreclame · EG-Verdrag ·
Richtlijn Geneesmiddelenreclame
Nationaal verbod van postorderverkoop van
geneesmiddelen die in de betrokken lidstaat
uitsluitend in de apotheken mogen worden
verkocht, is mogelijk doch slechts voorzover
het verbod receptplichtige geneesmiddelen
betreft. Een nationaal reclameverbod voor de
postorderverkoop van geneesmiddelen die
uitsluitend in de apotheken mogen worden
verstrekt is niet geoorloofd voorzover het
verbod receptvrije geneesmiddelen betreft.
HR 28 mei 2004, Sena vs. NOS, LJN-nr. AA6180
Naburige rechten · Billijke vergoeding
De Hoge Raad heeft bij arrest van 9 juni 2000
(zie
Mediaforum 2000-7/8, nr. 44 m.nt. D. J.G.
Visser) vragen van uitleg gesteld aan het Hof
van Justitie terzake van het begrip billijke
vergoeding in de richtlijn over naburige
rechten. Hierop heeft het HvJEG geant-
woord bij arrest van 6 februari 2003 (zie
Mediaforum 2003, p. 88), waarna de zaak weer
bij de HR terecht is gekomen. De HR leidt uit
het arrest van het HvJEG af dat het begrip
`billijke vergoeding' een communautair
begrip is, maar dat geen harmonisatie is
nagestreefd van de wijze waarop de billijke
vergoeding dient te worden vastgesteld. Ver-
volgens beoordeelt de HR het rekenmodel
dat door het Haagse Hof in deze procedure
was opgesteld. Volgens de HR is het Hof er
daarbij ten onrechte vanuit gegaan dat de
verschuldigde vergoeding in de eerste jaren
na de invoering van de Wet op de Naburige
Rechten ongeveer gelijk diende te blijven
aan hetgeen de NOS voordien al vrijwillig
betaalde. Uit het arrest van het HvJEG blijkt
immers dat bij de bepaling van de hoogte
van deze vergoeding een juist evenwicht
dient te worden bereikt tussen het belang
van uitvoerende kunstenaars en producen-
ten van muziek aan de ene kant en de belan-
gen van derden om deze muziek onder rede-
lijke voorwaarden te kunnen uitzenden aan
de andere kant. Op dit punt wordt het arrest
van het Hof Den Haag vernietigd en terug-
verwezen voor verdere behandeling.
Hof Amsterdam 18 maart 2004, Canal+ vs. UPC
Telecommunicatie · Doorgiftevergoeding
Canal+ is een aanbieder van betaaltelevisie.
Voor de distributie van haar programma's is
zij in de verzorgingsgebieden van UPC aange-
wezen op het netwerk van UPC. Dit geding
gaat over de doorgiftevergoeding waarop
UPC jegens Canal+ aanspraak maakt. Omdat
UPC meent nog vorderingen op Canal+ te
hebben, heeft zij beslag laten leggen op enke-
le bankrekeningen. Met betrekking tot het
doorgiftetarief voor het verzorgingsgebied
Groot-Amsterdam heeft de OPTA op grond
van artikel 8.7 Telecommunicatiewet een bin-
dende aanwijzing gegeven. Na de uitspraak
van het CBB van 3 december 2003 (zie
Mediafo-
rum 2004-2, p. 47) is dit tarief tussen partijen
bindend. Voor de overige verzorgingsgebie-
den is er nog geen bindend tarief vastgesteld.
Volgens UPC is Canal+ hiervoor echter een
zelfde tarief verschuldigd. In het onderhavige
kort geding vordert Canal+ opheffing van de
gelegde beslagen, omdat UPC ter zake van de
overige verzorgingsgebieden beslag zou heb-
ben laten leggen voor een nog niet bestaande
vordering. Het Hof oordeelt dat de voorzie-
ningenrechter deze vordering terecht heeft
afgewezen. Door het aangaan van een over-
eenkomst omtrent de doorgifte van program-
ma's is tussen partijen een rechtsverhouding
ontstaan. Voor zover UPC op grond van deze
overeenkomst diensten heeft verricht, heeft
zij een opeisbare vordering tot betaling van
de verschuldigde doorgiftevergoeding. Niet
summierlijk is gebleken dat die vordering
ondeugdelijk is. Wel beperkt het Hof het
bedrag waarvoor het beslagverlof is verleend.
Rb. Arnhem 17 december 2003, A e.a. vs. D, NJF
2004, 255
Portretrecht · Inbeslagneming fotomate-
riaal · Vernietiging foto's
Zie Mediaforum 2004-3, nr. 8 en het commentaar
van G.A.I. Schuijt op p. 61
Rb. Arnhem 2 juni 2004, De Lotto vs. Ladbrokes,
LJN-nr. AP0418
Gokken op internet · Vrij dienstenver-
keer · Nederlands beleid
In de aan deze bodemzaak voorafgaande
kort geding procedure heeft het Hof Arn-
hem bepaald dat de website van de Engelse
bookmaker Ladbrokes mede gericht is op
Nederland en dat Ladbrokes aldus in strijd
handelt met artikel 1a van de Wet op de
Kansspelen (zie
Mediaforum 2003-10, p. 326),
aangezien zij geen vergunning heeft gekre-
gen. Tegen dit arrest is cassatie ingesteld. De
bodemrechter sluit zich nu bij dit oordeel
aan, maar gaat tevens in op de vraag of de
WoK in strijd is met het vrije dienstenver-
keer. Uit het arrest Gambelli van het HvJEG
(zie
Mediaforum 2004-1, p. 7) leidt de Rb. af
dat dit inderdaad het geval is en dat dus zal
moeten worden getoetst of deze beperking
wordt gerechtvaardigd door dwingende
redenen van algemeen belang zoals die zijn
geformuleerd in de rechtspraak van het
Mediaforum 2004-7/8
248
HvJEG. De Rb. oordeelt dat de uitgangspun-
ten van de WoK zoals deze onlangs door de
minister van Justitie zijn verwoord (tegen-
gaan van gokverslaving, bescherming con-
sument en tegengaan van illegaliteit en cri-
minaliteit) sporen met de volgens het HvJEG
toelaatbare beperkingen op het vrije dien-
stenverkeer. Het in de WoK gehanteerde
selectieve vergunningenstelsel is in het alge-
meen geschikt om deze doelstellingen te
realiseren. Blijft nog de vraag over of de
woorden van de minister wel stroken met de
daden. De Rb. oordeelt dat uit diverse publi-
caties blijkt dat vergunninghouder De Lotto
een gewoon bedrijf is dat in een gewone
markt streeft naar omzetmaximalisatie en
marktaandeelvergroting. Daarnaast maken
de vergunninghouders niet op matige wijze
reclame voor hun kansspelen, maar zijn hun
marketingactiviteiten alom tegenwoordig
in de Nederlandse samenleving. Dit alles
past niet in een restrictief overheidsbeleid
dat zoveel mogelijk erop gericht is de moge-
lijkheid tot deelname aan kansspelen echt te
verminderen. De ultieme consequentie van
dit alles zou moeten zijn dat artikel 1a WoK
niet in stelling kan worden gebracht tegen
Ladbrokes en anderen zoals zij. Daar wil de
Rb. echter nog niet aan, omdat zij eerst de
visie van de minister van Justitie wil verne-
men. Zij nodigt De Lotto daarom uit om een
reactie van de minister in het geding te bren-
gen of om de minister te laten tussenkomen.
Rb. Breda 14 januari 2004, DaimlerChrysler vs.
Van M.,
NJF 2004, 268
Domeinnamen · Merkenrecht
Van M. drijft een onderneming in nieuwe en
gebruikte auto's van het merk Mercedes-
Benz. Hij is niet aangesloten bij de dealeror-
ganisatie van DaimlerChrysler. Voor zijn
onderneming exploiteert Van M. onder ande-
re een website onder de domeinnaam xxx-
mercedes.nl. Deze domeinnaam vermeldt hij
ook in advertenties. DaimlerChrysler is van
mening dat Van M. inbreuk maakt op haar
merk Mercedes-Benz. De rechtbank is van
oordeel dat het gebruik van een automerk is
toegestaan ter aanduiding van de waren
waarin zijn onderneming handelt, zolang
niet de indruk kan worden gewekt dat er een
zekere relatie bestaat tussen deze onderne-
ming en (de onderneming van de) merkhou-
der. Daarbij wordt verwezen naar de uitspra-
ken van het HvJEG van 23 februari 1999 en 25
september 2000 in de zaak
BMW/Deenik. Van
M. mag de merken echter niet gaan combine-
ren met zijn eigen naam tot een (nieuwe)
handelsnaam. Omdat Van M. dat met betrek-
king tot de domeinnaam wel doet, moet het
gebruik van deze domeinnaam worden ver-
boden. De rechtbank acht overdracht van
deze domeinnaam aan DaimlerChrysler een
passend middel om voortgezet gebruik van
deze domeinnaam te voorkomen. Van M. zal
daartoe zijn medewerking moeten verlenen.
Rb. Breda 5 maart 2004, Transseksueel vs.
Gemeente Breda,
NJF 2004, 294
Verzoekschrift transseksueel · Recht op
privé-leven
Verzoekster is transseksueel. Zij bemerkt dat
door de ambtenaar van de burgerlijke stand
afschriften van haar geboorteakte zijn ver-
strekt aan instellingen, waar zij sollicitaties
heeft lopen. Uit dergelijke afschriften blijkt
de historische gang van zaken van iemands
leven. Uit angst om op grond van seksehisto-
rie gediscrimineerd te worden, en als gevolg
hiervan inkomensvormende arbeid mis te
lopen, dient zij een verzoekschrift in. Dit
verzoek strekt ertoe de ambtenaar van de
burgerlijke stand te gelasten om op elk ver-
zoek van een derde om afschrift van haar
geboorteakte uitsluitend een uittreksel te
verstrekken.
Een
uittreksel
openbaart
slechts de actuele stand van zaken. Verzoek-
ster doet daarbij een beroep op artikel 8
EVRM, ingevolge waarvan iedereen recht
heeft op eerbiediging van zijn of haar privé-
leven. Het verzoek wordt door de rechtbank
toegewezen. Teneinde te voorkomen dat
afschriften worden verstrekt aan derden die
daarbij geen gerechtvaardigd belang hebben
(zoals toekomstige werkgevers), moet op elk
verzoek om een afschrift van de geboorteak-
te van verzoekster uitsluitend een uittreksel
worden verstrekt. Wanneer een eventueel
gerechtvaardigd
belang
schriftelijk
en
gemotiveerd wordt aangetoond, mag een
afschrift wel verstrekt worden.
Rb. Den Haag 16 juni 2004, De Nederlandse
Dagbladpers e.a. vs. De Staat
Auteursrecht · Digitale knipselkranten
De Nederlandse Dagbladpers behartigt de
belangen van alle dagbladondernemingen
in Nederland. Met de dagbladen komt zij in
deze zaak op tegen de verspreiding van digi-
tale knipselkranten binnen de 13 ministe-
ries. Zij stellen dat het dagelijks inscannen
van voor ieder ministerie relevante berichten
uit de krant en de verspreiding daarvan met
het auteursrecht strijdige verveelvoudi-
gings- en openbaarmakingshandelingen
zijn. De inbreukactie is gebaseerd op twee
specifieke gronden: de door de Staat bepleite
exceptie voor knipselkranten is niet geoor-
loofd op grond van de Auteursrechtrichtlijn
én de uitgevers hebben een uitdrukkelijk
auteursrechtvoorbehoud gemaakt in de zin
van artikel 15 lid 1 sub 4 Auteurswet. Voor
wat betreft het eerste punt gelast de Rb. een
comparitie. Voordat de Rb. kan bepalen of de
Staat in het licht van de zgn. driestappen-
toets uit de Auteursrechtrichtlijn met succes
een beperking van het auteursrecht van de
uitgevers kan inroepen moeten partijen zich
namelijk uitlaten over (bewijslast van) het
gebruik van het digitale knipselsysteem en
de belemmeringen die de uitgevers daarvan
ondervinden. Ook zal worden gekeken of er
prejudiciële vragen aan het HvJ EG moeten
worden gesteld. Ten aanzien van het vraag-
stuk of de uitgevers met hun algemene
auteursrechtvoorbehoud ook een uitdruk-
kelijk voorbehoud hebben gemaakt in de zin
van art. 15 lid 1 sub 4 Aw overweegt de Rb.
eveneens om vragen van uitleg te stellen.
Rb. Rotterdam 28 april 2004, X vs. OPTA
Tw · Geschilbeslechting verlegging kabels
· Bevoegdheid OPTA
In verband met het voornemen om gronden
te verkopen ten behoeve van woningbouw
heeft de gemeente Lelystad aan X (eiseres)
opgedragen haar kabels in het tracé op eigen
kosten te verplaatsen. X heeft zich hiertegen
verzet. Bij besluit van 9 mei 2001 heeft OPTA
in het geschil tussen eiseres en de gemeente
Lelystad besloten dat X de verleggingskosten
van de interlokale kabels in het tracé voor
haar rekening dient te nemen. In beroep
heeft eiseres aangevoerd dat OPTA niet
bevoegd is te beslissen in geschillen tussen
een gedoogplichtige en een aanbieder van
een
openbaar
telecommunicatienetwerk
over de vraag of is voldaan aan de voorwaar-
den als bedoeld in art. 5.7, lid 1 Tw. De geschil-
beslechtende bevoegdheid heeft volgens eise-
res slechts betrekking op geschillen over de
hoogte van de kosten die moeten worden ver-
goed. Gelet op het feit dat het systeem van de
TW een voortzetting van de systematiek van
de Wet op de telecommunicatievoorzienin-
gen vormt en gelet op de letterlijke tekst van
art. 5.7, lid 1 Tw concludeert de rechtbank dat
de bevoegdheid van OPTA zich beperkt tot
geschillen over de kosten. OPTA had zich
derhalve onbevoegd dienen te verklaren.
Geschillen over de voorwaarden blijven ter
competentie van de burgerlijke rechter.
Rb. Rotterdam 9 juni 2004, KPN Telecom vs.
OPTA,
LJN-nr. AP1805
Tw · Experiment met geografische num-
mers
Rabobank heeft bij OPTA toestemming
gevraagd voor een experiment met geografi-
sche nummers, waarbij de lokale banken tij-
dens openingstijden het telefoonverkeer op
het hoofdnummer van de desbetreffende
bank doorschakelen naar een centraal callcen-
ter, de zogenoemde optie 1. Deze optie behelst
het doorrouteren van het verkeer binnen het
netwerk van KPN, zodat het verkeer aankomt
bij een andere aansluiting dan die bij het geko-
zen geografische nummer hoort. Daarbij `her-
kent' het netwerk van KPN het gekozen num-
mer als een nummer ter zake waarvan KPN
met Rabobank is overeengekomen dat het
voor dat nummer bestemde verkeer naar een
centraal punt in Nederland wordt doorgeleid.
Dit verkeer bereikt derhalve niet het netwerk-
aansluitpunt van het gekozen geografische
nummer, maar wordt eerder doorgeschakeld.
OPTA heeft zich in de brief van 19 juni 2001
onbevoegd verklaard terzake van deze aan-
vraag, aangezien de doorschakeling in het
gevraagde experiment een permanent karak-
ter heeft. De rechtbank oordeelt dat OPTA op
goede gronden tot zijn besluit is gekomen. De
wijze van doorschakelen als voorgesteld in
optie 1 is in beginsel in strijd met het Num-
merplan. Bovendien is er geen aanknopings-
punt voor het standpunt dat de Europese
regelgever alle vormen van doorschakeling
zonder meer mogelijk heeft willen maken.
Vzr. Rb. Almelo 17 mei 2004, X & Health Founda-
tion vs. Dagblad Tubantia,
LJN-nr. AO9844
Perspublicatie · Portretrecht · Redactie-
statuut
Publicatie in
Tubantia zet vraagtekens bij de
ontwikkeling van vitaminepreparaten en
andere activiteiten op het gebied van
natuurgeneeswijzen van eiser. De uitlatin-
gen zijn echter feitelijk onjuist noch onvolle-
dig, onnodig grievend noch negatief. Eiser
profileert zich als persoon die de heilzame
werking van vitamines verkondigt. Daartoe
zoekt hij veelvuldig de publiciteit. Dit leidt
tot reacties van personen die er anders over
denken. Met betrekking tot de publicatie
van het portret van eiser wordt geoordeeld
dat de beeltenis van eiser te zien is op veel
van zijn producten en in advertenties. Het
verweer van
Tubantia dat de hoofdredacteur
als verantwoordelijke voor de krant niet
gebonden is aan een eventuele veroordeling
Mediaforum 2004-7/8
249
tot rectificatie van de uitgeverij-vennoot-
schap wordt verworpen. Directie en hoofdre-
dactie vormen van die vennootschap blij-
kens het redactiestatuut de dagelijkse
leiding, die zich moet richten naar een ver-
oordeling van de vennootschap.
Vzr. Rb. Amsterdam 3 juni 2004, Jerney Kaag-
man vs. Essensie (Deze Week),
LJN-nr. AP0556
Portretrecht · Naaktfoto's · Publicatie op
internetsites
Publicatie in
Deze Week van naaktfoto's die van
eiseres meer dan tien jaar geleden met haar
(nauw omschreven) toestemming in
Penthouse
hebben gestaan en thans op sommige inter-
netsites te zien waren. Beroep van gedaagde
dat het verzet van Kaagman tegen het circule-
ren van de foto's op het internet een nieuws-
feit is en dat
Deze Week heeft willen aantonen
dat het beeldmateriaal voor eenieder toegan-
kelijk was, gaat niet op. Honorering van dit
beroep zou tot gevolg hebben dat iemand van
wie eenmaal foto's in omloop zijn, zich nooit
meer tegen verdere publicatie zou kunnen
verzetten, aangezien dan het verzet zelf het
publiceren van de foto's zou rechtvaardigen.
De omstandigheid dat de foto's op zeker
moment op het internet zouden circuleren
betekent niet dat het vervolgens eenieder vrij-
staat om de foto's nog verder openbaar te
maken.
Deze Week wordt op straffe van een
dwangsom verboden om nog naaktfoto's van
Kaagman in haar blad te plaatsen.
Vzr. Rb. Arnhem 18 maart 2004, Accell Group vs.
Gazelle,
NJF 2004, 252
Misleidende reclame · Rectificatie
Zie Mediaforum 2004-4, p. 118
Vzr. Rb. Arnhem 28 mei 2004, Gemeente Wage-
ningen vs. UPC,
LJN-nr. AP0224
Exploitatievoorschriften kabel · Strijd
met openbare orde · Artikel 7 Grondwet
UPC exploiteert in Wageningen het kabelnet
en is gebonden aan een overeenkomst die
haar rechtsvoorganger daarover heeft geslo-
ten met de gemeente. Sinds 1997 bepaalt de
Mediawet dat het programma-aanbod moet
worden onderverdeeld in een basispakket,
waarover moet worden geadviseerd door een
door de gemeente in te stellen programma-
raad en een bovenwettelijk pakket. Partijen
zijn het erover eens dat hun overeenkomst
hieraan moet worden aangepast, maar ver-
schillen van mening over de wijze waarop. In
een eerdere procedure heeft de Rb. Amster-
dam UPC in het gelijk gesteld en bepaald dat
de oude contractsbepalingen op grond van
artikel 3:40 lid 1 BW nietig zijn (zie
Mediafo-
rum 2004-3, nr. 7). In deze zaak is hoger
beroep ingesteld. UPC heeft vervolgens haar
tariefsverhoging doorgezet en tevens een
vernieuwde tariefsverhoging aangekondigd.
In dit kort geding vordert de gemeente dat
daar een verbod tegen wordt uitgesproken,
nu UPC nog aan de oude overeenkomst zou
zijn gebonden zolang de voor UPC gunstige
beslissing geen kracht van gewijsde heeft. Uit
een arrest van de Hoge Raad maakt de Vzr.
echter op dat in situaties zoals deze de Vzr.
zijn oordeel op dat van de al eerder gegeven
bodemrechter in eerste aanleg moet afstem-
men, tenzij dat oordeel bijvoorbeeld berust
op een kennelijke misslag of een nieuw feit
zich aandoet dat een noodtoestand oplevert
voor de in het ongelijk gestelde. Van een ken-
nelijke misslag is zeker geen sprake en het
feit dat UPC zijn tarieven verhoogt, levert
ook geen noodtoestand op. Het eventuele
restitutierisico bij vernietiging van het
bodemvonnis komt voor rekening van UPC.
Vzr. Rb. Groningen 9 maart 2004, Internet
Domein Registratie vs. KvK Groningen,
NJF
2004, 253
Uitingen in de pers over spookfacturen ·
Geen rectificatie
Zie Mediaforum 2004-4, p. 117
Vzr. Rb. Den Haag 5 april 2004, Gem. Alphen
a.d. Rijn vs. Casema,
NJF 2004, 289
Kabelnettarieven · Artikel 7 lid 2 Grond-
wet · Artikel 10 EVRM
Zie Mediaforum 2004-5, p. 166
Vzr. Rb. Den Haag 26 mei 2004, Marshall Bruce
Mathers III vs. Rams Horn
Naburige rechten · Portretrecht · Mislei-
dende mededelingen
Eiser is muzikant en bekend onder de artie-
stennaam Eminem. Rams Horn brengt zon-
der zijn toestemming CD's en een DVD op de
markt met uitvoeringen van Eminem samen
met andere artiesten én met covers van Emi-
nem door andere artiesten. Voor wat betreft
de cover-cd oordeelt de Vzr. dat er sprake is
van misleidende mededelingen in de zin van
art. 6:194 nu de suggestie wordt gewekt dat
deze CD opnames van Eminem bevat. Voor
de overige CD's en DVD geldt dat inbreuk
wordt gemaakt op het portretrecht, het
gemeenschapsmerk `Eminem' én de naburi-
ge rechten van Eminem op zijn uitvoeringen.
Vzr. Rb. Haarlem 11 maart 2004, Medisch Cen-
trum Boerhaave vs. Sanoma,
NJF 2004, 290
Rectificatie
Zie Mediaforum 2004-4, p. 118
Vzr. Rb. Haarlem 1 april 2004, Lycos vs. Pessers,
LJN-nr. AO7187
Executiegeschil · Verstrekking NAW-
gegevens · Geen inspanningsverplich-
ting om juiste gegevens te achterhalen
Executiegeschil naar aanleiding van het von-
nis, waarbij internetprovider Lycos geboden
werd de NAW-gegevens van de houder van
een website te verstrekken aan postzegelver-
zamelaar Pessers, omdat die website schade-
lijk over laatstgenoemde publiceerde (zie
Mediaforum 2003-10, p. 328). Omdat Lycos
daarop onjuiste gegevens zou hebben ver-
strekt, incasseert Pessers de verschuldigde
dwangsom. Lycos vordert in onderhavig
geding dat deze dwangsomveroordeling zal
worden opgeheven c.q. dat Pessers gedwon-
gen wordt haar executiemaatregelen te sta-
ken. Lycos voert daartoe aan dat ze aan het
genoemde vonnis heeft voldaan door de afgif-
te van de NAW-gegevens zoals die in haar sys-
teem zijn geregistreerd. Nu deze gegevens
onjuist blijken te zijn is Pessers van mening
dat van Lycos redelijkerwijs mag worden ver-
wacht om de juiste gegevens te achterhalen.
De voorzieningenrechter oordeelt echter dat
het gebod om de NAW-gegevens te verstrek-
ken vanzelfsprekend slechts ziet op de gege-
vens zoals die bij Lycos bekend zijn. Er geldt
derhalve geen inspanningsverplichting om
de juiste gegevens te achterhalen. De dwangs-
omveroordeling wordt opgeheven.
ABRvS 14 januari 2004, B. vs. Minister van Bin-
nenlandse Zaken,
AB 2004, 174
WOB · Veiligheid van de staat
Appellant verzocht om inzage in de gege-
vens over hem bij de BVD resp. AIVD. De
minister gaf enkele niet-actuele gegevens ter
inzage, maar deelde hem mee dat voor het
overige geen niet-actuele gegevens werden
aangetroffen. Voorzover het verzoek inzage
betrof in actuele gegevens beriep de minister
zich gemotiveerd op de veiligheid van de
staat. Dat kon de minister doen omdat hij
volgens de rechtspraak het verstrekken van
informatie die zicht kan bieden op het actu-
ele kennisniveau van de BVD, thans AIVD,
achterwege mag laten, aangezien vestrek-
king van dergelijke gegevens het functione-
ren van de dienst en daarmee de veiligheid
van de staat zou kunnen schaden.
ABRvS 31 maart 2004, X vs. Minister van Alge-
mene Zaken,
AB 2004, 159 m.nt. P. J. Stolk
WOB · Draaiboek koninklijke uitvaart
Zie Mediaforum 2004-5, p. 167
ABRvS 23 juni 2004, Minister van EZ vs. KPN
Mobile,
LJN-nr. AP3347
Verificatiebevoegdheid Europese Com-
missie · Assistentie OPTA
Bij besluiten van 20 juni 2000 kreeg een aan-
tal ambtenaren opdracht tot het verlenen
van bijstand als bedoeld in artikel 14, vijfde
lid, van de Eerste verordening over de toe-
passing van de artikelen 85 en 86 van het
Verdrag (hierna: de Verordening), bij de veri-
ficatie die medewerkers van het Directoraat-
Generaal Concurrentie van de Commissie
van de Europese Gemeenschappen (hierna:
de Commissie) bij KPN Mobile NV en haar
dochteronderneming
zullen
verrichten.
Ingevolge artikel 14, vijfde lid, van de Veror-
dening kunnen de functionarissen van de
bevoegde autoriteit van de Lid-Staat op het
grondgebied waarvan de verificatie moet
worden verricht, op verzoek van deze autori-
teit of van de Commissie, de personeelsleden
van de Commissie bijstaan bij het vervullen
van hun opdracht. De opdrachten tot het
verlenen van bijstand bij het verificatieon-
derzoek zijn gericht aan ambtenaren van de
Nederlandse mededingingsautoriteit (NMa)
en van OPTA. KPN is gekant tegen de inzet
van OPTA-ambtenaren, omdat zij meent dat
dit zal leiden tot belangenverstrengeling.
Anders dan de rechtbank ziet de Afdeling
echter niet in dat het belang van KPN op eni-
gerlei wijze rechtstreeks is betrokken bij het
besluit tot opdrachtverlening. De vrees voor
belangenverstrengeling en voor de daaruit
voortvloeiende benadeling van KPN door
bijvoorbeeld nadere onderzoeken van de
kant van OPTA, kan niet als een voldoende
actueel en objectief bepaalbaar belang wor-
den gezien. Ook overigens valt niet in te zien
dat het belang van KPN rechtstreeks bij dit
besluit is betrokken.
Mediaforum 2004-7/8
250
CBB 3 december 2003, Canal+, UPC vs. OPTA, AB
2004,
189 m.nt. G. J. M. Cartigny
Telecommunicatie · Bevoegdheid OPTA ·
Tarieven toegang tot de kabel
Zie Mediaforum 2004-2, p. 47
CBB 16 april 2004, Tiscali en OPTA vs. KPN, nr.
28 m. nt. D. Schipper
J
Telecommunicatie · Bevoegdheid OPTA ·
Bitstroomtoegang
Zie de vooraankondiging in Mediaforum 2004-5,
p. 167
CBB 7 mei 2004, OPTA vs. Telfort e.a., nr. 29
m. nt. A.T. Ottow
J
Mobiele terminating tarieven · Geschil-
beslechting · Bevoegdheid OPTA
Zie de vooraankondiging in Mediaforum 2004-6,
p. 215
Binnenland
Elektronische handel
Bij koninklijk besluit van 18 juni 2004 is
bepaald dat de Aanpassingswet richtlijn
inzake elektronische handel op 30 juni 2004
in werking treedt. Deze wet is besproken in
Mediaforum 2002-3, p. 92 en 2004-6, p. 215.
Stb. 2004, 285.
Colorful Radio
Bij besluit van 18 mei 2004 heeft het Commis-
sariaat voor de Media bepaald dat de wijze
waarop de Publieke Omroep vorm en inhoud
wil geven aan het themakanaal Colorful
Radio niet strookt met de Mediawet. Er is
onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het
radioprogramma zich laat kwalificeren als
een minderhedenprogramma. Er lijkt vee-
leer sprake te zijn van het opzetten van een
tweede landelijke algemene jongerenzender
(naast Radio 3FM). De regering is van mening
dat er aanleiding is om te onderzoeken of dit
besluit van het Commissariaat vernietigd
dient te worden wegens strijd met het recht
of het algemeen belang. Daarom heeft zij bij
koninklijk besluit van 11 juni 2004 het besluit
van het Commissariaat voor de duur van een
half jaar geschorst.
Stb. 2004, 264; www.cvdm.nl; zie ook Mediaforum
2004-4, nr. 14.
Vaste boekenprijs
Minister Brinkhorst van EZ heeft bij brief van
28 mei 2004 de visie van de NMa op het wets-
voorstel vaste boekenprijs (zie
Mediaforum
2003-1, p. 24) aan de Tweede Kamer overlegd.
De visie betreft met name eventuele strijdig-
heid van het voorstel met de Mededingings-
wet en het EG-Verdrag. In het vervolg van zijn
brief gaat ook de minister zelf nog in op de
relatie van het wetsvoorstel met het Europese
recht. Inmiddels heeft de beraadslaging in de
Tweede Kamer over het voorstel een aanvang
genomen. Op 9 juni 2004 vond de eerste ter-
mijn van de Kamer plaats, waarna op 23 juni
2004 het kamerlid Dittrich (D66), één van de
drie initiatiefnemers, aan het woord kwam.
Ook zijn er amendementen ingediend. Deze
hebben betrekking op zelfregulering (waar-
door handhaving door een zelfstandig
bestuursorgaan overbodig wordt gemaakt),
evaluatie van de wet en een vaste boekenprijs
voor schoolboeken. De initiatiefnemers heb-
ben hun wetsvoorstel enigszins aangepast na
bespreking van de tekst van het voorstel met
ambtenaren van de Europese Commissie.
Waarschijnlijk zal eind juni een derde bijeen-
komst aan het wetsvoorstel gewijd worden,
waarna de stemming volgt. Vooralsnog lijkt
alleen de fractie van de VVD tegen het voorstel
te zijn.
Kamerstukken II 2003/04, 28 652, nr. 13-21; Hande-
lingen II 2003/04, nr. 82, p. 5282-5297.
Visitatie landelijke publieke omroep
Bij brief van 11 juni 2004 heeft staatssecreta-
ris Van der Laan van OCW namens het kabi-
net een reactie gegeven op het rapport
`Omzien naar de omroep' van de visitatie-
commissie Rinnooy Kan. Deze commissie
heeft het functioneren van de publieke
omroep geëvalueerd in de eerste helft van de
concessieperiode 2000-2005 (zie ook
Mediafo-
rum 2004-5, p. 168). Zij concludeert dat welis-
waar de omroepen die deel uitmaken van het
bestel redelijk tot goed presteren, maar dat
de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor
het geheel ernstig tekort schiet. Dit heeft tot
gevolg dat het programma-aanbod en het
bereik onder de bevolking achterblijven bij
de doelstellingen. Deze knelpunten in aan-
bod en bereik zijn volgens de commissie
mede het gevolg van een slecht functioneren-
de organisatie. Het kabinet wil daarom nog
deze zomer een wetsvoorstel in procedure
brengen dat moet bijdragen aan een eendui-
dige besturing van de programmering op de
zenders en netten. Het kabinet streeft naar
een gezamenlijke strategie en afspraken over
algemeen programmabeleid, een duidelijke
regie van de programmering op de netten en
een heldere scheiding tussen toezicht,
bestuur en professie. Het wetgevingsproces
zal volgens het kabinet bij voorkeur voor 1
januari 2005 moeten zijn afgerond. In het
voorjaar van 2005 zal het kabinet dan zijn
lange termijnvisie op de toekomst van de
publieke omroep aan de Tweede Kamer over-
leggen. Daarin zullen ook voorstellen voor
een nieuwe inrichting van de publieke
omroep worden gedaan. Deze voorstellen
zouden nog tijdens deze kabinetsperiode
gerealiseerd moeten worden, zodat de her-
vorming van de publieke omroep voor 1 janu-
ari 2007 moet zijn afgerond. De nieuwe situ-
atie kan dan rond 1 september 2008 ingaan.
Deze ambities nopen tot een aanpassing van
de procedure voor de komende verlening van
erkenningen. De erkenningen zullen worden
verkort tot 3 jaar en een wetsvoorstel daartoe
zal tegelijk met het voorstel tot verbetering
van de besturing van de publieke omroep in
procedure gebracht worden.
Kamerstukken II 2003/04, 29 657, nr. 1.
Coproducties
Bij brief van 24 mei 2004 heeft premier Bal-
kenende, minister van Algemene Zaken, aan
de Tweede Kamer een overzicht gegeven van
de coproducties die in 2002 en 2003 in
samenwerking tussen ministeries en omroe-
pen tot stand zijn gekomen. In 2002 zijn
twaalf van de in totaal zeventien coproduc-
ties tijdig aangemeld bij de RVD, drie zijn er
achteraf aangemeld en van twee producties
was geen informatie meer terug te vinden.
De aanmeldingen zijn getoetst aan een uit
2000 daterende richtlijn. Negen producties
voldeden aan de richtlijn, vier niet en de
twee overige gedeeltelijk. Dit was een verbe-
tering ten opzichte van voorgaande jaren,
maar de bestaande richtlijn bood ruimte
voor interpretatieverschillen. De RVD heeft
daarom in overleg met de Voorlichtingsraad,
het Commissariaat voor de Media en OCW
een aangescherpte regeling voor coproduc-
ties en andere omroepprogramma's opge-
steld (in de vorm van aanwijzingen). Een en
ander heeft er toe geleid dat in 2003 van de
twaalf uitgevoerde coproducties er twee niet
aan de eisen voldeden. Inmiddels wordt de
laatste hand gelegd aan de definitieve aan-
wijzingen inzake coproducties. Deze zou-
den per 1 januari 2005 moeten ingaan.
Kamerstukken II 2003/04, 29 200 III, nr. 19.
Frequentiebeleid
De vaste commissie voor Economische
Zaken heeft 21 vragen over het frequentiebe-
leid gesteld aan minister Brinkhorst van EZ.
De vragen hadden betrekking op een brief
van de minister van 23 maart 2004 inzake
het financieel overzicht van Zero Base, tarie-
ven voor middengolfzenders, zendmasten
Midden-Utrecht, Nozema en Digitenne en
ontvangstklachten met betrekking tot de
publieke omroepen (zie
Mediaforum 2004-5,
p. 168). De minister heeft deze vragen inmid-
dels beantwoord, waarna een lijst van vragen
en antwoorden op 28 mei 2004 als kamer-
stuk is vastgesteld.
Kamerstukken II 2003/04, 24 095, nr. 163.
Kabeldoorgifte Sporza
Door een recente wijziging van artikel 82i
van de Mediawet, die zelfs kamerleden was
ontgaan, zijn kabelexploitanten niet ver-
plicht méér dan twee Vlaamse televisiepro-
gramma's door te geven. Daardoor zal het
tijdelijke sportkanaal van de Vlaamse
publieke omroep Sporza dat deze zomer alle
grote sportgebeurtenissen verslaat op een
afzonderlijk televisie- en radiokanaal niet
overal in Nederland zijn te ontvangen. Het
bezorgde kamerlid Örgü (VVD) had er naar
gevraagd bij de staatssecretaris van OCW,
Van der Laan. Deze wees het kamerlid op
artikel I, onderdeel D van de wet van 23
februari 2004 tot wijziging van de Mediawet
in verband met verlaging van de rijksom-
roepbijdrage (
Stb. 2004, 94; zie ook Mediafo-
rum 2004-4, p. 119). In een voetnoot schrijft
de staatssecretaris nog het volgende: `Voor
de goede orde merk ik op dat er ook een wij-
ziging van artikel 82i van de Mediawet is
opgenomen in de wet van 13 mei 2004 tot
wijziging van de Mediawet (het vervallen
van de verspreidingsbeperking voor de pro-
gramma's van lokale en regionale omroepin-
stellingen, wijziging van de doorgifteplicht
via omroepnetwerken van de programma's
van lokale omroepinstellingen, alsmede wij-
ziging van bepalingen inzake de program-
maraden) (
Stb. 233). Om te voorkomen dat de
wijziging van artikel 82i, eerste lid, van de
Mediawet ten aanzien van de verplichte
doorgifte van de televisieprogramma's van
de Vlaamse publieke omroep door deze late-
re wijziging van de Mediawet weer onge-
daan wordt gemaakt, is in artikel II van de
wet van 23 februari 2004 tot wijziging van de
mediawet in verband met verlaging van de
rijksomroepbijdrage (
Stb. 94) een bepaling
opgenomen, die voorziet in de benodigde
afstemming tussen de beide hier bedoelde
wijzigingswetten'. Tot zover de bewinds-
vrouw. Goed dat zij uitlegt waarom het
kamerlid (en waarschijnlijk velen met hem)
een en ander met betrekking tot de Media-
wet ontgaan was.
Aanhangsel Handelingen II 2003/04, nr. 1707.
Maximering posttarieven
Bij brief van 21 juni 2004 heeft minister Brink-
horst van EZ de Tweede Kamer geïnformeerd
over een recente ontwikkeling ten aanzien van
Mediaforum 2004-7/8
251
de vaststelling van de tarieven voor de post-
diensten. Het gaat hier om het besluit tot wij-
ziging van het Besluit algemene richtlijnen
post (Barp) van september 2003 (zie
Mediafo-
rum 2003-11/12, p. 372). Tegen dit besluit,
waarbij de tarieven voor het opgedragen post-
vervoer zijn gemaximeerd, heeft concessie-
houder TPG een bezwaarschrift ingediend.
Volgens TPG biedt de huidige Postwet onvol-
doende basis voor een besluit tot maximering.
De minister schrijft dat hij tot de conclusie is
gekomen dat de juridische basis daarvoor
inderdaad ontoereikend is. De minister kan
weliswaar tariefregels stellen, maar deze
regels moeten het karakter hebben van een
algemene richtlijn. Het besluit tot maxime-
ring wijkt daar teveel van af, want de tarieven
zijn gemaximeerd op een niveau dat al bereikt
is. Het bezwaarschrift van TPG is dus gegrond
en dat betekent dat het vorige systeem (een
price cap systeem waarbij de cap wordt
bepaald door de loonkostenindex) herleeft.
Kamerstukken II 2003/04, 29 502, nr. 2.
Optreden van extreemrechtse bands in
Bladel
De Kamerleden Jager en Sterk (beiden CDA)
hebben schriftelijke vragen gesteld aan
minister Remkes van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijkrelaties over het optreden van
extreemrechtse bands in OJC De Nieuwe Paz-
zop in Bladel. De minister heeft kennis geno-
men van dit optreden en heeft de gemeente
Bladel om opheldering gevraagd. De gemeen-
te Bladel heeft aangegeven dat het om een
voor publiek toegankelijk concert ging, dat
gelet op het karakter van de bijeenkomst
kon worden aangemerkt als een manifestatie
op een andere dan openbare plaats. Derhalve
zou het onder het regime van artikel 8 van de
Wet openbare manifestaties vallen. Aange-
zien deze bepaling geen preventief ingrijpen
toestaat, was de mogelijkheid van bestuurlijk
optreden tegen de bijeenkomst beperkt. De
burgemeester zou alleen een opdracht tot
beëindiging hebben kunnen geven indien de
bescherming van de gezondheid of de bestrij-
ding van wanordelijkheden dat zou vorderen.
Gezien de feitelijke gebeurtenissen die er
hebben plaatsgevonden is er verder geen
reden om met de gemeente Bladel in overleg
te treden over de optredens.
Aanhangsel Handelingen II 2003/04, nr. 1718.
Islam en uitingsvrijheid
Bij brief van 26 mei 2004 heeft minister Don-
ner van Justitie aan de Tweede Kamer het
kabinetsstandpunt inzake de motie Wilders-
Sterk-Nawijn
gegeven.
In
deze
motie
betreffende de Al Tawheed-moskee in
Amsterdam werd de regering onder meer ver-
zocht om te bezien of vervolging van de mos-
kee en andere organisaties die zich beroepen
op grondrechten binnen de huidige wetge-
ving mogelijk is (zie ook
Mediaforum 2004-6, p.
216-217). Die vraag wordt bevestigend beant-
woord: fundamentele vrijheden vinden hun
grenzen in de (straf)wet en vormen dus in
beginsel geen beletsel om tot strafvervolging
over te gaan. De rechter zal in geval van discri-
minatoire en kwetsende uitlatingen rekening
houden met de context waarin die uitlatingen
zijn gedaan. Het OM zal bij de beoordeling of
een strafvervolging moet worden ingesteld
rekening dienen te houden met bestaande
jurisprudentie. In de rest van de brief gaat de
minister in op andere moskeeën waar moge-
lijk strafbare feiten worden gepleegd, de
gevolgen van een strafrechtelijke veroorde-
ling voor het verblijf in Nederland van imams
en de mogelijkheid tot verbodenverklaring en
ontbinding van rechtspersonen. De conclusie
van het kabinet is dat grote delen van de motie
reeds praktijk zijn of, indien daartoe aanlei-
ding bestaat, onder de huidige wetgeving
kunnen worden uitgevoerd.
Kamerstukken II 2003/04, 29 200 VI, nr. 163.
Reclamesleepvliegen
Staatssecretaris Schultz van Haegen-Maas
Geesteranus van V&W heeft de Tweede Kamer
bij brief van 1 juni 2004 op de hoogte gesteld
van de eerste evaluatie van het convenant
reclamesleepvliegen. Dit convenant is op 21
februari 2002 gesloten tussen de ministers
van V&W, EZ en VROM en de Vereniging van
Nederlandse Luchtvaartondernemingen en
heeft als doel het terugdringen van geluids-
hinder ten gevolge van reclamesleepvliegen.
De staatssecretaris constateert tevreden dat de
50% daling van het aantal klachten over
geluidshinder sinds de inwerkingtreding van
het convenant een duidelijk signaal is dat het
convenant zijn vruchten afwerpt. Zij rept ove-
rigens met geen woord over het nog immer
aanhangige initiatiefwetsvoorstel tot wijzi-
ging van de Luchtvaartwet dat beoogt te
komen tot een algeheel verbod op reclame-
sleepvliegen door gemotoriseerde luchtvaar-
tuigen (zie
Mediaforum 2002-6, p. 218). Dat het
rond dit wetsvoorstel nogal stil is, ligt ver-
moedelijk (mede) aan het feit dat de initiatief-
nemer, Van der Steenhoven van GroenLinks,
inmiddels geen kamerlid meer is.
Kamerstukken II 2003/04, 26 893, nr. 51.
Grondrechten in een pluriforme samen-
leving
Bij brief van 17 mei 2004 heeft minister de
Graaf van Bestuurlijke Vernieuwing de nota
`Grondrechten in een pluriforme samenle-
ving' aan de Tweede Kamer aangeboden. In
de nota staat de vraag centraal of er in onze
pluriforme samenleving een voldoende even-
wicht bestaat tussen een aantal klassieke
grondrechten. Het gaat in het bijzonder om
het discriminatieverbod enerzijds en de vrij-
heid van meningsuiting, godsdienst en
onderwijs anderzijds. Speciale aandacht
wordt besteed aan uitlatingen die zijn geba-
seerd op religieuze of levensbeschouwelijke
opvattingen. Achtergrond van de nota is het
feit dat er zich in de afgelopen jaren verschil-
lende gebeurtenissen hebben voorgedaan die
commotie veroorzaakten en die verband
houden met de toegenomen pluriformiteit
van de samenleving. Uit de soms heftige
debatten naar aanleiding van deze gebeurte-
nissen kwam naar voren dat er onzekerheid
bestaat over de grenzen van de door grond-
rechten gegarandeerde vrijheden en over de
wijze waarop de verschillende grondrechten
zich ten opzichte van elkaar verhouden. Dat
blijkt ook uit de motie-Dittrich, waarin de
regering werd gevraagd om een notitie over
het spanningsveld tussen het discriminatie-
verbod, de vrijheid van meningsuiting en de
vrijheid van godsdienst (zie
Mediaforum 2002-
1, p. 25). In deze motie vindt de nota mede
haar oorsprong. In de nota wordt overigens,
op verzoek van de Kamer, ook ingegaan op
het dragen van kledingstukken en sieraden
die uitdrukking geven aan godsdienstige of
levensbeschouwelijke opvattingen.
Kamerstukken II 2003/04, 29 614, nr. 1-2. Zie ook de
bijdrage van Aernout Nieuwenhuis (`Over grond-
rechten, botsing en voorrang') in Mediaforum
2004-6, p. 197.
Nieuw samenwerkingsprotocol OPTA/
NMa
De OPTA en de NMa hebben op 24 juni 2004
een nieuw protocol opgesteld over de wijze
van samenwerking bij aangelegenheden van
wederzijds belang. De in het protocol vastge-
legde afspraken komen voort uit de gezamen-
lijke interne evaluatie van een eerder samen-
werkingsprotocol (zie
Mediaforum 2001-2, p.
60). In het protocol zijn tevens afspraken
opgenomen die voortvloeien uit het nieuwe
regelgevende kader zoals uiteengezet in de
Europese richtlijnen betreffende elektroni-
sche communicatie en de recente wijziging
van de Telecommunicatiewet (zie
Mediaforum
2004-6, p. 215). De afspraken hebben onder
meer tot doel om samenlopende bevoegdhe-
den onderling afgestemd uit te oefenen, een
consistente uitleg te geven aan juridische
begrippen, elkaar te consulteren bij de afba-
kening van markten en het vaststellen van de
mate van effectieve mededinging en machts-
posities, in voorkomend geval met elkaar
overeenstemmende beleidsregels vast te stel-
len, informatie uit te wisselen, elkaar met
raad en daad bij te staan en in voorkomend
geval gezamenlijk op te treden of gezamen-
lijk de communicatie te verzorgen.
Stcrt. 2004, 121, p. 21.
Agenda
Licentiecontracten, Kluwer Opleidingen,
28 september 2004, Bilthoven; sprekers S.A.
Klos en J.L.R.A. Huydecoper;
575,-; aan-
melden en info: tel. 0570-64757; www.klu-
weropleidingen.nl; opleidingen kluwer.nl
Actueel recht voor de media in de prak-
tijk, Euroforum 30 september 2004 te Hil-
versum; sprekers B. le Poole, D. van der Kolk,
K. Gilhuis, E. de Bock en forumdiscussie met
Felix Meurders en Henk Steenhuis;
899,-;
info en aanmelden tel. 040-2974977; fax
040-2974984;
www.euroforum.nl/media.htm
Grotius specialisatieopleiding Informati-
carecht gaat in september 2004 van start.
Doelgroep: advocaten, bedrijfsjuristen, leden
van de rechterlijke macht en alle andere juris-
ten die op een of andere wijze met informati-
carecht te maken hebben en reeds een gede-
gen basiskennis hebben van het betreffende
rechtsgebied. De cursus geeft toepasbare
gespecialiseerde informatie aangaande het
informaticarecht. De cursus beoogt op uit-
drukkelijk gevorderd niveau zowel een breed
overzicht over de stof als geheel als een ver-
diept inzicht in kernbegrippen van dit
rechtsgebied te bieden.
Zwaartepunten o.m.:
intellectuele eigendom (auteurs- en octrooi-
rechtelijke softwarebescherming, domeinna-
men en databanken), aansprakelijkheid van
leverancier,
IT-overeenkomsten,
outsour-
cing, e-commerce, telecommunicatierecht,
privacy, aanbesteding en computercriminali-
teit.
Inlichtingen/aanmeldingen: Grotius Acade-
mie: Postbus 10520, 6500 MB Nijmegen, tel.
024-3612492, e-mail: grotius@cpo.kun.nl,
website: www.grotiusacademie.nl
Actualiteiten auteursrecht 2004; Juri-
disch PAO Leiden, 1, 8 en 15 november 2004;
sprekers. D. J.G. Visser, D.W.F. Verkade, C.B.
van der Net, M.R. de Zwaan, R. J.Q. Klomp,
J.L.R.A. Huydecoper, W.D.H. Asser, M. J.
Frequin, J. Seignette, J.I. Krikke en J.A.
Schaap;
895,-; 8 studiepunten; aanmeldin-
gen en info: tel. 071-5278666; fax 071-
5277895; e-mail: pao@law.leidenuniv.nl;
www.juridischpao.leidenuniv.nl
Mediaforum 2004-7/8
252
Jurisprudentie nr
.2
7
Nr 27
Caroline von Hannover vs. Duitsland
EHRM 24 juni 2004
Application no. 59320/00
This judgment will become final in the circumstances set out in Article 44 § 2 of
the Convention. It may be subject to editorial revision.
The Court (Third Section), sitting as a Chamber composed of:
Mr I. Cabral Barreto, President,
Mr G. Ress,
Mr L. Caflisch
Mr R. Türmen
Mr B. Zupancic,
Mr J. Hedigan,
Mr K. Traja, judges,
and Mr V. Berger, Section Registrar,
Having deliberated in private on 6 November 2003 and on 3 June
2004,
Delivers the following judgment, which was adopted on the last-
mentioned date:
PROCEDURE
[...]
THE FACTS
I. THE CIRCUMSTANCES OF THE CASE
8. The applicant, who is the eldest daugher of Prince Rainier III of
Monaco, was born in 1957. Her official residence is in Monaco but she
lives in the Paris area most of the time. As a member of Prince Rai-
nier's family, the applicant is the president of certain humanitarian
or cultural foundations, such as the "Princess Grace" foundation or
the "Prince Pierre de Monaco" foundation, and also represents the
ruling family at events such as the Red Cross Ball or the opening of
the International Circus Festival. She does not, however, perform any
function within or on behalf of the State of Monaco or one of its insti-
tutions.
A. Background to the case
9. Since the early 1990s the applicant has been trying often through
the courts in a number of European countries to prevent the publi-
cation of photos about her private life in the tabloid press.
10. The photos that were the subject of the proceedings described
below were published by the publishing company Burda in the Ger-
man magazines
Bunte and Freizeit Revue and by the publishing compa-
ny Heinrich Bauer in the German magazine
Neue Post.
1. The first series of photos
(a) The five photos of the applicant published in Freizeit Revue
magazine (edition no. 30 of 22 July 1993)
11. These photos show her with the actor Vincent Lindon at the far end
of a restaurant courtyard in Saint-Rémy-de-Provence. The first page
of the magazine refers to "the tenderest photos of her romance with
Vincent" ("
Die zärtlichsten Fotos Ihrer Romanze mit Vincent") and the pho-
tos themselves bear the caption "these photos are evidence of the ten-
derest romance of our time" ("
Diese Fotos sind der Beweis für die zärtlich-
ste Romanze unserer Zeit").
(b) The two photos of the applicant published in Bunte maga-
zine (edition no. 32 of 5 August 1993)
12. The first photo shows her on horseback with the caption "Caroline
and the blues. Her life is a novel with innumerable misfortunes, says
the author Roig" ("
Caroline und die Melancholie. Ihr Leben ist ein Roman
mit unzähligen Unglücken, sagt Autor Roig"). The second photo shows her
with her children Peter and Andrea. The photos are part of an article
entitled "I don't think I could be a man's ideal wife" ("
Ich glaube nicht,
dass ich die ideale Frau für einen Mann sein kann").
(c) The seven photos of the applicant published in Bunte maga-
zine (edition no. 34 of 19 August 1993)
13. The first photo shows her canoeing with her daughter Charlotte,
the second shows her son Andrea with a bunch of flowers in his arms.
The third photo shows her doing her shopping with a bag slung over
her shoulder, the fourth with Vincent Lindon in a restaurant and the
fifth alone on a bicycle. The sixth photo shows her with Vincent Lin-
don and her son Pierre. The seventh photo shows her doing her shop-
ping at the market, accompanied by her bodyguard. The article is
entitled "Pure happiness" ("
Vom einfachen Glück").
2. The second series of photos
(a) The ten photos of the applicant published in Bunte maga-
zine (edition no. 10 of 27 February 1997)
14. These photos show the applicant on a skiing holiday in Zürs/Arl-
berg. The accompanying article is entitled "Caroline ... a woman
returns to life" ("
Caroline...eine Frau kehrt ins Leben zurück").
(b) The eleven photos of the applicant published in Bunte
magazine (edition no. 12 of 13 March 1997)
15. Seven photos show her with Prince Ernst August von Hannover
visiting a horse show in Saint-Rémy-de-Provence. The accompanying
article is entitled "The kiss. Or: they are not hiding anymore" ("
Der
Kuss. Oder: jetzt verstecken sie sich nicht mehr"). Four other photos show
her leaving her house in Paris with the caption "Out and about with
Princess Caroline in Paris" ("
Mit Prinzessin Caroline unterwegs in Paris").
(c) The seven photos of the applicant published in Bunte maga-
zine (edition no. 16 of 10 April 1997)
16. These photos show the applicant on the front page with Prince
Ernst August von Hannover and on the inside pages of the magazine
playing tennis with him or both putting their bicycles down.
3. The third series of photos
17. The sequence of photos published in
Neue Post magazine (edition
no. 35/97) shows the applicant at the Monte Carlo Beach Club, dressed
in a swimsuit and wrapped up in a bathing towel, tripping over an
obstacle and falling down. The photos, which are quite blurred, are
accompanied by an article entitled "Prince Ernst August played fisti-
cuffs and Princess Caroline fell flat on her face" ("
Prinz Ernst August
haute auf den Putz und Prinzessin Caroline fiel auf die Nase").
B. The proceedings in the German courts
The first set of proceedings
[...]
(d) Judgment of the Federal Constitutional Court of 15 Decem-
ber 1999
[...]
25. In a landmark judgment of 15 December 1999, delivered after a
hearing, the Constitutional Court allowed the applicant's appeal in
part on the ground that the three photos that had appeared in the
32nd and 34th editions of Bunte magazine, dated 5 August 1993 and
19 August 1993, featuring the applicant with her children had infrin-
ged her right to the protection of her personality rights guaranteed
by sections 2(1) and 1(1) of the Basic Law, reinforced by her right to
family protection under section 6 of the Basic Law. It referred the case
to the Federal Court of Justice on that point. However, the Constitu-
tional Court dismissed the applicant's appeal regarding the other
photos.
The relevant extract of the judgment reads as follows:
"The appeal is well-founded in part.
...
II.
The decisions being appealed do not fully satisfy the requirements of
section 2(1) read in conjunction with section 1(1) of the Basic Law.
1. The provisions of sections 22 and 23 of the KUG (Kunsturheberge-
setz Copyright Act) on which the civil courts based their decisions
in the present case are, however, compatible with the Basic Law.
Under section 2(1) of the Basic Law general personality rights are
guaranteed only within the framework of the constitutional order.
The provisions concerning the publication of photographical repre-
Mediaforum 2004-7/8
253
Jurisprudentie nr
.2
7
sentations of persons listed in sections 22 and 23 of the KUG are part
of that constitutional order. They derive from an incident which at
the time caused a scandal (photos of Bismarck on his deathbed ... )
and from the ensuing politico-legal debate sparked by this incident
..., they aim to strike a fair balance between respect for personality
rights and the community's interest in being informed ... .
Under section 22, first sentence, of the KUG pictures can only be dis-
seminated or exposed to the public eye with the express approval of
the person represented. Pictures relating to contemporary society are
excluded from that rule under section 23(1) of the KUG ... . Under
23(2) of the KUG, however, that exception does not apply where the
dissemination interferes with a legitimate interest of the person
represented. The protection by degrees under these rules ensures that
they take account of both the need to protect the person being repre-
sented and the community's desire to be informed and the interest of
the media which satisfy that desire. That much has already been
established by the Federal Constitutional Court ... .
...
(b) In the instant case regard must be had, in interpreting and
applying sections 22 and 23 of the KUG, not only to general person-
ality rights, but also to the freedom of the press guaranteed by section
5(1), second sentence, of the Basic Law in so far as the provisions in
question also affect those freedoms.
...
The fact that the press fulfils the function of forming public opinion
does not exclude entertainment from the functional guarantee under
the Basic Law. The formation of opinions and entertainment are not
opposites. Entertainment also plays a role in the formation of opin-
ions. It can sometimes even stimulate or influence the formation of
opinions more than purely factual information. Moreover, there is a
growing tendency in the media to do away with the distinction
between information and entertainment both as regards press cover-
age generally and individual contributions, and to disseminate infor-
mation in the form of entertainment or mix it with entertainment
("infotainment"). Consequently, many readers obtain information
they consider to be important or interesting from entertaining cover-
age ... .
or can mere entertainment be denied any role in the formation of opin-
ions. That would amount to unilaterally presuming that entertain-
ment merely satisfies a desire for amusement, relaxation, escapism
or diversion. Entertainment can also convey images of reality and
propose subjects for debate that spark a process of discussion and
assimilation relating to philosophies of life, values and behaviour
models. In that respect it fulfils important social functions ... . When
measured against the aim of protecting press freedom, entertainment
in the press is neither negligible nor entirely worthless and therefore
falls within the scope of application of fundamental rights ... .
The same is true of information about people. Personalization is an
important journalistic means of attracting attention. Very often it is
this which first arouses interest in a problem and stimulates a desire
for factual information. Similarly, interest in a particular event or
situation is usually stimulated by personalised accounts. Additional-
ly, celebrities embody certain moral values and lifestyles. Many peo-
ple base their choice of lifestyle on their example. They become
points of crystallisation for adoption or rejection and act as examples
or counter-examples. This is what explains the public interest in the
various ups and downs occurring in their lives.
As regards politicians this public interest has always been deemed to
be legitimate from the point of view of transparency and democratic
control. Nor can it in principle be disputed that it exists in respect of
other public figures. To that extent it is the function of the press to
show people in situations that are not limited to specific functions or
events and this also falls within the sphere of protection of press free-
dom. It is only when a balancing exercise has to be done between
competing personality rights that an issue arises as to whether mat-
ters of essential interest for the public are at issue and treated serious-
ly and objectively or whether private matters, designed merely to
satisfy the public's curiosity, are being disseminated ... .
(c) The decision of the Federal Court of Justice largely stands up to an
examination of its compatibility with the constitutional rules.
(aa) The Federal Court of Justice cannot be criticised under constitu-
tional law for assessing the conditions of application (Tatbestandsvo-
raussetzungen) of section 23(1) no. 1 of the KUG according to the crite-
rion of the community's interest in being informed and deciding on
that basis that the photos showing the applicant outside her repre-
sentative function in the Principality of Moncao were lawful.
Under section 23(1) no. 1 of the KUG the publication of pictures por-
traying an aspect of contemporary society are exempted from the
obligation to obtain the consent of the person concerned within the
meaning of section 22 of the KUG. Judging from the drafting history
to the Act ... and from the meaning and purpose of the words used,
the provision in question takes into consideration the community's
interest in being informed and the freedom of the press. Accordingly,
the interpretation of this element (Tatbestandsmerkmal) must take
account of the interests of the public. Pictures of people who are of no
significance in contemporary society should not be made freely acces-
sible to the public: they require the prior consent of the person con-
cerned. The other element that is affected by fundamental rights,
that of a "legitimate interest" for the purposes of section 23(2) of the
KUG, concerns only and this must be stressed at the outset figures
of contemporary society and cannot therefore take sufficient account
of the interests of the freedom of the press if these have previously
been neglected when the circle of the persons concerned was defined.
It is in keeping with the importance and scope of the freedom of the
press, and not unreasonably restrictive of the protection of personali-
ty rights, that the concept of contemporary society referred to in sec-
tion 23(1) no. 1 of the KUG should not only cover, in accordance with a
definition given by the courts, events of historical or political signifi-
cance, but be defined on the basis of the public interest in being in-
formed ... . The kernel of press freedom and the free formation of
opinions requires the press to have sufficient margin of manoeuvre to
allow it to decide, in accordance with its publishing criteria, what the
public interest demands and the process of forming opinion to estab-
lish what amounts to a matter of public interest. As has been stated,
entertaining coverage is no exception to these principles.
Nor should the Federal Court of Justice be criticised for including in
the "domain of contemporary society", within the meaning of section
23(1) no. 1 of the KUG, pictures of people who have not only aroused
public interest at a certain point on the occasion of a particular histor-
ical event but who, on account of their status and importance, attract
the public's attention in general and not just on the odd occasion.
Account should also be taken in this regard of the fact that, compared
to the situation at the time the Copyright Act was passed, increased
importance is given today to illustrated information. The concept of a
"figure of contemporary society par excellence" (absolute Person der
Zeitgeschichte), often employed in this respect in the case-law and
legal theory, does not conclusively derive from statute or the Consti-
tution. If, as was done by the Court of Appeal and the Federal Court of
Justice, it is interpreted as a shortened expression designating people
whose image is deemed by the public to be worthy of respect out of
consideration for the people concerned, it is irreproachable from the
point of view of constitutional law at least as long as a balancing exer-
cise is carried out, in the light of the circumstances of the case,
between the public's interest in being informed and the legitimate
interests of the person concerned.
General personality rights do not require publications that are not
subject to prior consent to be limited to pictures of figures of contem-
porary society in the exercise of their function in society. Very often
the public interest aroused by such figures does not relate exclusively
to the exercise of their function in the strict sense. It can, on the con-
trary, by virtue of the particular function and its impact, extend to
information about the way in which these figures behave generally
that is, also outside their function in public. The public has a legiti-
mate interest in being allowed to judge whether the personal behav-
iour of the individuals in question, who are often regarded as idols or
role models, convincingly tallies with their behaviour on their official
engagements.
If, on the other hand, the right to publish pictures of people consid-
ered to be figures of contemporary society were to be limited to their
official functions, insufficient account would be taken of the public
interest properly aroused by such figures and this would, moreover,
favour a selective presentation that would deprive the public of cer-
tain necessary judgmental possibilities in respect of figures of socio-
political life, having regard to the function of role model of such fig-
ures and the influence they exert. The press is not, however, allowed
to use any picture of figures of contemporary society. On the contrary,
section 23(2) of the KUG gives the courts adequate opportunity to
apply the protective provisions of section 2(1) read in conjunction
with section 1(1) of the Basic Law ... .
(bb) In theory the criteria established by the Federal Court of Justice
for interpreting the concept of "legitimate interest" used in section
23(2) of the KUG are irreproachable from the point of view of consti-
tutional law.
According to the decision being appealed, the privacy meriting pro-
tection that must also be afforded to "figures of contemporary society
par excellence" presupposes that they have retired to a secluded place
with the objectively perceptible aim of being alone and in which, con-
fident of being alone, they behave differently from how they would
behave in public. The Federal Court of Justice accepted that there had
been a breach of sections 22 and 23 of the KUG where this type of
picture was taken secretly or by catching the person unawares.
The criterion of a secluded place takes account of the aim, pursued by
the general right to protection of personality rights, of allowing the
individual a sphere, including outside the home, in which he does
not feel himself to be the subject of permanent public attention and
relieves him of the obligation of behaving accordingly and in which
he can relax and enjoy some peace and quiet. This criterion does not
excessively restrict press freedom because it does not impose a blan-
ket ban on pictures of the daily or private life of figures of contem-
porary society, but allows them to be shown where they have ap-
peared in public. In the event of an overriding public interest in being
informed, the freedom of the press can even, in accordance with that
case-law authority, be given priority over the protection of the private
sphere ... .
The Federal Court of Justice properly held that it is legitimate to draw
conclusions from the behaviour adopted in a given situation by an
individual who is clearly in a secluded spot. However, the protection
against dissemination of photos taken in that context does not only
apply where the individual behaves in a manner in which he would
not behave in public. On the contrary, the development of the person-
ality cannot be properly protected unless, irrespective of their beha-
viour, the individual has a space in which he or she can relax without
having to tolerate the presence of photographers or cameramen. That
is not in issue here, however, since, according to the findings on
which the Federal Court of Justice based its decision, the first of the
conditions to which protection of private life is subject has not been
met.
Lastly, there is nothing unconstitutional, when balancing the public
interest in being informed against the protection of private life, in
attaching importance to the method used to obtain the information
in question ... . It is doubtful, however, that the mere fact of photo-
graphing the person secretly or catching them unawares can be dee-
med to infringe their privacy outside the home. Having regard to the
function attributed to that privacy under constitutional law and to
the fact that it is usually impossible to determine from a photo
whether the person has been photographed secretly or caught un-
awares, the existence of unlawful interference with that privacy can-
not in any case be made out merely because the photo was taken in
those conditions. As, however, the Federal Court of Justice has already
established in respect of the photographs in question that the appel-
lant was not in a secluded place, the doubts expressed above have no
bearing on the review of its decision.
(cc) However, the constitutional requirements have not been satisfied
in so far as the decisions of which the appellant complains did not
take account of the fact that the right to protection of personality
rights of a person in the appellant's situation is strengthened by sec-
tion 6 of the Basic Law regarding that person's intimate relations
with their children.
(dd) The following conclusions can be drawn from the foregoing con-
siderations with regard to the photographs in question:
The decision of the Federal Court of Justice cannot be criticised under
constitutional law regarding the photos of the appellant at a market,
doing her market shopping accompanied by her bodyguard or dining
with a male companion at a well-attended restaurant. The first two
cases concerned an open location frequented by the general public.
The third case admittedly concerned a well circumscribed location,
spatially speaking, but one in which the appellant was exposed to the
other people present.
It is for this reason, moreover, that the Federal Court of Justice
deemed it legitimate to ban photos showing the applicant in a restau-
rant garden, which were the subject of the decision being appealed
but are not the subject of the constitutional appeal.
The presence of the applicant and her companion there presented all
the features of seclusion. The fact that the photographs in question
were evidently taken from a distance shows that the applicant could
legitimately have assumed that she was not exposed to public view.
Nor can the decision being appealed be criticised regarding the pho-
tos of the applicant alone on horseback or riding a bicycle. In the
Federal Court of Justice's view, the appellant had not been in a seclud-
ed place, but in a public one. That finding cannot attract criticism
under constitutional law. The applicant herself describes the photos
in question as belonging to the intimacy of her private sphere merely
because they manifest her desire to be alone. In accordance with the
criteria set out above, the mere desire of the person concerned is not
relevant in any way.
The three photos of the applicant with her children require a fresh
examination, however, in the light of the constitutional rules set out
above. We cannot rule out the possibility that the review that needs to
be carried out in the light of the relevant criteria will lead to a differ-
ent result for one or other or all the photos. The decision must there-
fore be set aside in that respect and remitted to the Federal Court of
Justice for a fresh decision.
(d) The decisions of the Regional Court and the Court of Appeal resul-
ted in a violation of fundamental rights by limiting to the home the
privacy protected by section 2(1) read in conjunction with section 1(1)
of the Basic Law in accordance, moreover, with a rationale that was in
keeping with the case-law at the time.
The decisions in question do not need to be set aside, however, since
the violation complained of has been remedied in part by the Federal
Court of Justice and the remainder of the case remitted to that court.
..."
(e) Sequel to the proceedings
26. Following the remittal of the case to the Federal Court of Justice
in connection with the three photos that had appeared in Bunte
magazine (edition no. 32 of 5 August 1993 and no. 34 of 19 August
1993) showing the applicant with her children, Burda publishers
undertook not to republish the photos (Unterlassungserklärung).
The second set of proceedings
[...]
(c) Decision of the Federal Constitutional Court of 4 April 2000
31. As the Court of Appeal did not grant leave to appeal on points of
law to the Federal Court of Justice, the applicant lodged a constitu-
tional appeal directly with the Federal Constitutional Court relying
on her earlier submissions.
32. In a decision of 4 April 2000 the Federal Constitutional Court,
ruling as a panel of three judges, refused to entertain the appeal. It
referred in particular to the Federal Court of Justice's judgment of 19
December 1995 and to its own landmark judgment of 15 December
1999.
The third set of proceedings
[...]
(c) The decision of the Federal Constitutional Court of 13 April 2000
37. As the Court of Appeal did not grant the applicant leave to appeal
on points of law to the Federal Court of Justice, the applicant lodged a
constitutional appeal directly with the Federal Constitutional Court
on the basis of her earlier submissions.
38. In a decision of 13 April 2000 the Federal Constitutional Court,
ruling as a panel of three judges, refused to entertain the appeal,
referring in particular to the Federal Court of Justice's judgment of 19
December 1995 and to its own landmark judgment of 15 December
1999.
The Constitutional Court held that the ordinary courts had properly
found that the Monte Carlo Beach Club was not a secluded place and
that the photos of the applicant wearing a swimsuit and falling down
were not capable of constituting an infringement of her right to
respect for her private life.
II. RELEVANT DOMESTIC AND EUROPEAN LAW
A. The Basic Law
39. The relevant provisions of the Basic Law are worded as follows:
Section 1(1): "The dignity of human beings is inviolable. All public
authorities have a duty to respect and protect it."
Section 2(1): "Everyone shall have the right to the free development of
their personality provided that they do not interfere with the rights of
others or violate the constitutional order or moral law (Sittengesetz)."
Section 5(1): "(1) Everyone shall have the right freely to express and
disseminate his or her opinions in speech, writing and pictures and
freely to obtain information from generally accessible sources. Free-
dom of the press and freedom of reporting on the radio and in films
shall be guaranteed. There shall be no censorship.
Mediaforum 2004-7/8
254
Jurisprudentie nr
.2
7
Mediaforum 2004-7/8
255
Jurisprudentie nr
.2
7
(2) These rights shall be subject to the limitations laid down by the
provisions of the general laws and by statutory provisions aimed at
protecting young people and to the obligation to respect personal
honour (Recht der persönlichen Ehre)."
Section 6(1) and (2): "(1) Marriage and the family enjoy the special pro-
tection of the State.
(2) The care and upbringing of children is the natural right of parents
and a duty primarily incumbent on them. The State community shall
oversee the performance of that duty."
B. The Copyright (Arts Domain) Act
40. Section 22(1) of the Copyright (Arts Domain) Act provides that
images can only be disseminated with the express approval of the
person concerned.
41. Section 23(1) no. 1 of that Act provides for exceptions to that rule,
particularly where the images portray an aspect of contemporary
society (Bildnisse aus dem Bereich der Zeitgeschichte) on condition
that publication does not interfere with a legitimate interest (berech-
tigtes Interesse) of the person concerned (section 23(2)).
C. Resolution 1165 (1998) of the Parliamentary Assembly of the
Council of Europe on the right to privacy
42. The full text of this resolution, adopted by the Parliamentary
Assembly on 26 June 1998, is worded as follows:
"1. The Assembly recalls the current affairs debate it held on the right
to privacy during its September 1997 session, a few weeks after the
accident which cost the Princess of Wales her life.
2. On that occasion, some people called for the protection of privacy,
and in particular that of public figures, to be reinforced at the Euro-
pean level by means of a convention, while others believed that priva-
cy was sufficiently protected by national legislation and the Europe-
an Convention on Human Rights, and that freedom of expression
should not be jeopardised.
3. In order to explore the matter further, the Committee on Legal
Affairs and Human Rights organised a hearing in Paris on 16 Decem-
ber 1997 with the participation of public figures or their representati-
ves and the media.
4. The right to privacy, guaranteed by Article 8 of the European Con-
vention on Human Rights, has already been defined by the Assembly
in the declaration on mass communication media and human rights,
contained within Resolution 428 (1970), as "the right to live one's own
life with a minimum of interference".
5. In view of the new communication technologies which make it
possible to store and use personal data, the right to control one's own
data should be added to this definition.
6. The Assembly is aware that personal privacy is often invaded, even
in countries with specific legislation to protect it, as people's private
lives have become a highly lucrative commodity for certain sectors of
the media. The victims are essentially public figures, since details of
their private lives serve as a stimulus to sales. At the same time, public
figures must recognise that the special position they occupy in socie-
ty in many cases by choice automatically entails increased pres-
sure on their privacy.
7. Public figures are persons holding public office and/or using public
resources and, more broadly speaking, all those who play a role in
public life, whether in politics, the economy, the arts, the social
sphere, sport or in any other domain.
8. It is often in the name of a one-sided interpretation of the right to
freedom of expression, which is guaranteed in Article 10 of the Euro-
pean Convention on Human Rights, that the media invade people's
privacy, claiming that their readers are entitled to know everything
about public figures.
9. Certain facts relating to the private lives of public figures, particu-
larly politicians, may indeed be of interest to citizens, and it may
therefore be legitimate for readers, who are also voters, to be in-
formed of those facts.
10. It is therefore necessary to find a way of balancing the exercise of
two fundamental rights, both of which are guaranteed by the Euro-
pean Convention on Human Rights: the right to respect for one's pri-
vate life and the right to freedom of expression.
11. The Assembly reaffirms the importance of every person's right to
privacy, and of the right to freedom of expression, as fundamental to
a democratic society. These rights are neither absolute nor in any hier-
archical order, since they are of equal value.
12. However, the Assembly points out that the right to privacy afford-
ed by Article 8 of the European Convention on Human Rights should
not only protect an individual against interference by public authori-
ties, but also against interference by private persons or institutions,
including the mass media.
13. The Assembly believes that, since all member states have now rati-
fied the European Convention on Human Rights, and since many sys-
tems of national legislation comprise provisions guaranteeing this
protection, there is no need to propose that a new convention guaran-
teeing the right to privacy should be adopted.
14. The Assembly calls upon the governments of the member states to
pass legislation, if no such legislation yet exists, guaranteeing the
right to privacy containing the following guidelines, or if such legis-
lation already exists, to supplement it with these guidelines:
(i) the possibility of taking an action under civil law should be guar-
anteed, to enable a victim to claim possible damages for invasion of
privacy;
(ii) editors and journalists should be rendered liable for invasions of
privacy by their publications, as they are for libel;
(iii) when editors have published information that proves to be false,
they should be required to publish equally prominent corrections at
the request of those concerned;
(iv) economic penalties should be envisaged for publishing groups
which systematically invade people's privacy;
(v) following or chasing persons to photograph, film or record them,
in such a manner that they are prevented from enjoying the normal
peace and quiet they expect in their private lives or even such that
they are caused actual physical harm, should be prohibited;
(vi) a civil action (private lawsuit) by the victim should be allowed
against a photographer or a person directly involved, where paparaz-
zi have trespassed or used "visual or auditory enhancement devices"
to capture recordings that they otherwise could not have captured
without trespassing;
(vii) provision should be made for anyone who knows that informa-
tion or images relating to his or her private life are about to be
disseminated to initiate emergency judicial proceedings, such as
summary applications for an interim order or an injunction postpon-
ing the dissemination of the information, subject to an assessment by
the court as to the merits of the claim of an invasion of privacy;
(viii) the media should be encouraged to create their own guidelines
for publication and to set up an institute with which an individual
can lodge complaints of invasion of privacy and demand that a rectifi-
cation be published.
15. It invites those governments which have not yet done so to ratify
without delay the Council of Europe Convention for the Protection of
Individuals with regard to Automatic Processing of Personal Data.
16. The Assembly also calls upon the governments of the member
states to:
(i) encourage the professional bodies that represent journalists to
draw up certain criteria for entry to the profession, as well as stan-
dards for self-regulation and a code of journalistic conduct;
(ii) promote the inclusion in journalism training programmes of a
course in law, highlighting the importance of the right to privacy vis-
à-vis society as a whole;
(iii) foster the development of media education on a wider scale, as
part of education about human rights and responsibilities, in order
to raise media users' awareness of what the right to privacy necessari-
ly entails;
(iv) facilitate access to the courts and simplify the legal procedures
relating to press offences, in order to ensure that victims' rights are
better protected."
THE LAW
I. ALLEGED VIOLATION OF ARTICLE 8 OF THE CONVENTION
43. The applicant submitted that the German court decisions had inf-
ringed her right to respect for her private and family life guaranteed
by Article 8 of the Convention, which is worded as follows:
"1. Everyone has the right to respect for his private and family life, his
home and his correspondence.
2. There shall be no interference by a public authority with the exer-
cise of this right except such as is in accordance with the law and is
necessary in a democratic society in the interests of national security,
public safety or the economic well-being of the country, for the pre-
vention of disorder or crime, for the protection of health or morals, or
for the protection of the rights and freedoms of others."
A. Submissions of the parties and interveners
1. The applicant
44. The applicant stated that she had spent more than ten years in
unsuccessful litigation in the German courts trying to establish her
right to the protection of her private life. She alleged that as soon as
she left her house she was constantly hounded by paparazzi who fol-
lowed her every daily movement, be it crossing the road, fetching her
children from school, doing her shopping, out walking, practising
sport or going on holiday. In her submission, the protection afforded
to the private life of a public figure like herself was minimal under
German law because the concept of a "secluded place" as defined by
the Federal Court of Justice and the Federal Constitutional Court was
much too narrow in that respect. Furthermore, in order to benefit
from that protection the onus was on her to establish every time that
she had been in a secluded place. She was thus deprived of any priva-
cy and could not move about freely without being a target for the
paparazzi. She affirmed that in France her prior agreement was
necessary for the publication of any photos not showing her at an
official event. Such photos were regularly taken in France and then
sold and published in Germany. The protection of private life from
which she benefited in France was therefore systematically circum-
vented by virtue of the decisions of the German courts. On the subject
of the freedom of the press the applicant stated that she was aware of
the essential role played by the press in a democratic society in terms
of informing and forming public opinion, but in her case it was just
the entertainment press seeking to satisfy its readers' voyeuristic ten-
dencies and make huge profits from generally anodyne photos
showing her going about her daily business. Lastly, the applicant
stressed that it was materially impossible to establish in respect of
every photo whether or not she had been in a secluded place. As the
judicial proceedings were generally held several months after publi-
cation of the photos, she was obliged to keep a permanent record of
her every movement in order to protect herself from paparazzi who
might photograph her. With regard to many of the photos that were
the subject of this application it was impossible to determine the
exact time and place at which they had been taken.
2. The Government
45. The Government submitted that German law, while taking
account of the fundamental role of the freedom of the press in a
democratic society, contained sufficient safeguards to prevent any
abuse and ensure the effective protection of the private life of even
public figures. In their submission, the German courts had in the
instant case struck a fair balance between the applicant's rights to
respect for her private life guaranteed by Article 8 and the freedom of
the press guaranteed by Article 10, having regard to the margin of
appreciation available to the State in this area. The courts had found
in the first instance that the photos had not been taken in a secluded
place and had, in the second instance, examined the limits on the pro-
tection of private life, particularly in the light of the freedom of the
press and even where the publication of photos by the entertainment
press were concerned. The protection of the private life of a figure of
contemporary society "par excellence" did not require the publica-
tion of photos without his or her authorisation to be limited to
showing the person in question engaged in their official duties. The
public had a legitimate interest in knowing how the person behaved
generally in public. The Government submitted that this definition
of the freedom of the press by the Federal Constitutional Court was
compatible with Article 10 and the European Court's relevant case-
law. Furthermore, the concept of a secluded place was only one factor,
albeit an important one, of which the domestic courts took account
when balancing the protection of private life against the freedom of
the press. Accordingly, while private life was less well protected whe-
re a public figure was photographed in a public place other factors
could also be taken into consideration, such as the nature of the pho-
tos, for example, which should not shock the public. Lastly, the
Government reiterated that the decision of the Federal Court of Jus-
tice which had held that the publication of photos of the applicant
with the actor Vincent Lindon in a restaurant courtyard in Saint-
Rémy-de-Provence were unlawful showed that the applicant's pri-
vate life was protected even outside her home.
3. The interveners
46. The Association of Editors of German Magazines submitted that
German law, which was half way between French law and United
Kingdom law, struck a fair balance between the right to protection of
private life and the freedom of the press. In its submission, it also
complied with the principles set out in Resolution no. 1165 of the
Council of Europe on the right to privacy and the European Court's
case-law, which had always stressed the fundamental role of the press
in a democratic society.
The public's legitimate interest in being informed was not limited to
politicians, but extended to public figures who had become known
for other reasons. The press's role of "watchdog" could not be narrow-
ly interpreted here. In that connection account should also be taken
of the fact that the boundary between political commentary and
entertainment was becoming increasingly blurred. Given that there
was no uniform European standard concerning the protection of pri-
vate life, the State had a wide margin of appreciation in this area.
47. Burda joined the observations of the Association of Editors of Ger-
man Magazines and stated that German law required the courts to
balance the competing interests of informing the public and protec-
ting the right to control of the use of one's image very strictly and on
a case by case basis. Even figures of contemporary society "par excel-
lence" enjoyed a not inconsiderable degree of protection and recent
case-law had even tended towards reinforcing that protection. Since
the death of her mother in 1982 the applicant had officially been First
Lady of the reigning family in Monaco and was as such an example
for the public (Vorbildfunktion). Moreover, the Grimaldi family had
always sought to attract media attention and was therefore itself
responsible for the public interest in it. The applicant could not
therefore, especially if account were taken of her official functions, be
regarded as a victim of the press. The publication of the photos in
question had not infringed her right to control the use of her image
because they had been taken while she was in public and had not been
damaging to her reputation.
B. The Court's assessment
1. As regards the subject of the application
48. The Court notes at the outset that the photos of the applicant with
her children are no longer the subject of this application, as it stated
in its admissibility decision of 8 July 2003. The same applies to the
photos published in
Freizeit Revue magazine (edition no. 30 of 22 July
1993) showing the applicant with Vincent Lindon at the far end of a
restaurant courtyard in Saint-Rémy-de-Provence (see paragraph 11
above). In its judgment of 19 December 1995 the Federal Court of Jus-
tice prohibited any further publication of the photos on the ground
that they infringed the applicant's right to respect for her private life
(see paragraph 23 above).
49. Accordingly, the Court considers it important to specify that the
present application concerns the following photos, which were
published as part of a series of articles about the applicant:
(i) the photo published in
Bunte magazine (edition no. 32 of 5 August
1993) showing the applicant on horseback (see paragraph 12 above)
(ii) the photos published in
Bunte magazine (edition no. 34 of 19
August 1993) showing the applicant shopping on her own; with Mr
Vincent Lindon in a restaurant; alone on a bicycle; and with her body-
guard at a market (see paragraph 13 above);
(iii) the photos published in
Bunte magazine (edition no. 10 of 27
February 1997) showing the applicant on a skiing holiday in Austria
(see paragraph 14 above);
(iv) the photos published in
Bunte magazine (edition no. 12 of 13 March
1997) showing the applicant with Prince Ernst August von Hannover
or alone leaving her Parisian residence (see paragraph 15 above);
(v) the photos published in
Bunte magazine (edition no. 16 of 10 April
1997 showing the applicant playing tennis with Prince Ernst August
von Hannover or both of them putting their bicycles down (see para-
graph 16 above);
(vi) the photos published in
Neue Post magazine (edition no. 35/97)
showing the applicant tripping over an obstacle at the Monte Carlo
Beach Club (see paragraph 17 above).
2. As regards the applicability of Article 8
50. The Court reiterates that the concept of private life extends to
aspects relating to personal identity, such as a person's name (see
Burghartz v. Switzerland, judgment of 22 February 1994, Series A no.
280-B, p. 28, § 24), or a person's picture (see Schüssel v. Austria (dec.),
no. 42409/98, 21 February 2002). Furthermore, private life, in the
Court's view, includes a person's physical and psychological integrity;
the guarantee afforded by Article 8 of the Convention is primarily
intended to ensure the development, without outside interference, of
the personality of each individual in his relations with other human
beings (see, mutatis mutandis, Niemietz v. Germany, judgment of
16 December 1992, Series A no. 251-B, p. 33, § 29, and Botta v. Italy,
judgment of 24 February 1998, Reports of Judgments and Decisions
1998-I, p. 422, § 32). There is therefore a zone of interaction of a person
with others, even in a public context, which may fall within the scope
of "private life" (see, mutatis mutandis, P.G. and J.H. v. the United
Kingdom, no. 44787/98, § 56, ECHR 2001-IX, and Peck v. the United
Kingdom, no. 44647/98, § 57, ECHR 2003-I.).
Mediaforum 2004-7/8
256
Jurisprudentie nr
.2
7
Mediaforum 2004-7/8
257
Jurisprudentie nr
.2
7
51. The Court has also indicated that, in certain circumstances, a per-
son has a "legitimate expectation" of protection and respect for his or
her private life. Accordingly, it has held in a case concerning the inter-
ception of telephone calls on business premises that the applicant
"would have had a reasonable expectation of privacy for such calls"
(see Halford v. the United Kingdom, judgment of 25 June 1997,
Reports 1997-III, p.1016, § 45).
52. As regards photos, with a view to defining the scope of the protec-
tion afforded by Article 8 against arbitrary interference by public au-
thorities, the Commission had regard to whether the photographs
related to private or public matters and whether the material thus
obtained was envisaged for a limited use or was likely to be made
available to the general public (see, mutatis mutandis, Friedl v. Aus-
tria, judgment of 31 January 1995, Series A no. 305-B, Friendly Settle-
ment, Commission opinion, p. 21, §§ 49-52; P.G. and J.H., cited above,
§ 58; and Peck, cited above, § 61).
53. In the present case there is no doubt that the publication by
various German magazines of photos of the applicant in her daily life
either on her own or with other people falls within the scope of her
private life.
3. Compliance with Article 8
a. The domestic courts' position
54. The Court notes that, in its landmark judgment of 15 December
1999, the Federal Constitutional Court interpreted sections 22 and 23
of the Copyright (Arts Domain) Act (see paragraphs 40-41 above) by
balancing the requirements of the freedom of the press against those
of the protection of private life, that is, the public interest in being
informed against the legitimate interests of the applicant. In doing so
the Federal Constitutional Court took account of two criteria under
German law, one functional and the other spatial. It considered that
the applicant, as a figure of contemporary society "par excellence",
enjoyed the protection of her private life even outside her home but
only if she was in a secluded place out of the public eye "to which the
person concerned retires with the objectively recognisable aim of
being alone and where, confident of being alone, behaves in a manner
in which he or she would not behave in public". In the light of those
criteria the Federal Constitutional Court held that the Federal Court
of Justice's judgment of 19 December 1995 regarding publication of
the photos in question was compatible with the Basic Law. The court
attached decisive weight to the freedom of the press, even the enter-
tainment press, and to the public interest in knowing how the appli-
cant behaved outside her representative functions (see paragraph 25
above).
55. Referring to its landmark judgment, the Federal Constitutional
Court did not entertain the applicant's appeals in the subsequent
proceedings brought by her (see paragraphs 32 and 38 above).
b. The general principles governing the protection of private
life and the freedom of expression
56. In the present case the applicant did not complain of an action by
the State, but rather of the lack of adequate State protection of her
private life and her image.
57. The Court reiterates that although the object of Article 8 is essen-
tially that of protecting the individual against arbitrary interference
by the public authorities, it does not merely compel the State to
abstain from such interference: in addition to this primarily negative
undertaking, there may be positive obligations inherent in an effec-
tive respect for private or family life. These obligations may involve
the adoption of measures designed to secure respect for private life
even in the sphere of the relations of individuals between themselves
(see, mutatis mutandis, X and Y v. the Netherlands, judgment of 26
March 1985, Series A no. 91, p. 11, § 23; Stjerna v. Finland, judgment of
25 November 1994, Series A no. 299-B, p. 61, § 38; and Verliere v. Swit-
zerland (dec.), no. 41953/98, ECHR 2001-VII). That also applies to the
protection of a person's picture against abuse by others (see Schüssel,
cited above).
The boundary between the State's positive and negative obligations
under this provision does not lend itself to precise definition. The
applicable principles are, nonetheless, similar. In both contexts
regard must be had to the fair balance that has to be struck between
the competing interests of the individual and of the community as a
whole; and in both contexts the State enjoys a certain margin of
appreciation (see, among many other authorities, Keegan v. Ireland,
judgment of 26 May 1994, Series A no. 290, p. 19, § 49, and Botta, cited
above, p. 427, § 33).
58. That protection of private life has to be balanced against the free-
dom of expression guaranteed by Article 10 of the Convention. In that
context the Court reiterates that the freedom of expression constitutes
one of the essential foundations of a democratic society. Subject to para-
graph 2 of Article 10, it is applicable not only to "information" or "ide-
as" that are favourably received or regarded as inoffensive or as a matter
of indifference, but also to those that offend, shock or disturb. Such are
the demands of that pluralism, tolerance and broadmindedness with-
out which there is no "democratic society" (see Handyside v. the United
Kingdom, judgment of 7 December 1976, Series A no. 24, p. 23, § 49).
In that connection the press plays an essential role in a democratic
society. Although it must not overstep certain bounds, in particular in
respect of the reputation and rights of others, its duty is nevertheless
to impart in a manner consistent with its obligations and responsi-
bilities information and ideas on all matters of public interest (see,
among many authorities, Observer and Guardian v. the United King-
dom, judgment of 26 November 1991, Series A no. 216, p. 29-30, § 59,
and Bladet Tromsø and Stensaas v. Norway [GC], no. 21980/93, § 59,
ECHR 1999-III). Journalistic freedom also covers possible recourse to
a degree of exaggeration, or even provocation (see Prager and Ober-
schlick v. Austria, judgment of 26 April 1995, Series A no. 313, p. 19, §
38; Tammer v. Estonia, no. 41205/98, § 59-63, ECHR 2001-I; and Pris-
ma Press v. France (dec.), nos. 66910/01 and 71612/01, 1 July 2003).
59. Although freedom of expression also extends to the publication
of photos, this is an area in which the protection of the rights and
reputation of others takes on particular importance. The present case
does not concern the dissemination of "ideas", but of images contain-
ing very personal or even intimate "information" about an individ-
ual. Furthermore, photos appearing in the tabloid press are often
taken in a climate of continual harassment which induces in the per-
son concerned a very strong sense of intrusion into their private life
or even of persecution.
60. In the cases in which the Court has had to balance the protection
of private life against the freedom of expression it has always stressed
the contribution made by photos or articles in the press to a debate of
general interest (see, as a recent authority, News Verlags GmbH &
CoKG v. Austria, no. 31457/96, § 52 et seq., ECHR 2000-I, and Krone
Verlag GmbH & Co. KG v. Austria, no. 34315/96, § 33 et seq., 26 Febru-
ary 2002). The Court thus found, in one case, that the use of certain
terms in relation to an individual's private life was not "justified by
considerations of public concern" and that those terms did not
"[bear] on a matter of general importance" (see Tammer, cited above,
§ 68) and went on to hold that there had not been a violation of Article
10. In another case, however, the Court attached particular importan-
ce to the fact that the subject in question was a news item of "major
public concern" and that the published photographs "did not dis-
close any details of [the] private life" of the person in question (see
Krone Verlag, cited above, § 37) and held that there had been a viola-
tion of Article 10. Similarly, in a recent case concerning the publica-
tion by President Mitterand's former private doctor of a book contai-
ning revelations about the President's state of health, the Court held
that "the more time passed the more the public interest in President
Mitterand's two seven-year presidential terms prevailed over the
requirements of the protection of his rights with regard to medical
confidentiality" (see Plon (Société) v. France, no. 58148/00, 18 May
2004) and held that there had been a breach of Article 10.
c. Application of these general principles by the Court
61. The Court points out at the outset that in the present case the pho-
tos of the applicant in the various German magazines show her in sce-
nes from her daily life, thus engaged in activities of a purely private
nature such as practising sport, out walking, leaving a restaurant or on
holiday. The photos, in which the applicant appears sometimes alone
and sometimes in company, illustrate a series of articles with such ano-
dyne titles as `Pure happiness", "Caroline ... a woman returning to
life", "Out and about with Princess Caroline in Paris" and "The kiss.
Or: they are not hiding anymore ..." (see paragraphs 11-17 above).
62. The Court also notes that the applicant, as a member of the Prince
of Monaco's family, represents the ruling family at certain cultural or
charitable events. However, she does not exercise any function within
or on behalf of the State of Monaco or one of its institutions (see para-
graph 8 above).
63. The Court considers that a fundamental distinction needs to be
made between reporting facts even controversial ones capable of
contributing to a debate in a democratic society relating to politicians
in the exercise of their functions, for example, and reporting details
of the private life of an individual who, moreover, as in this case, does
not exercise official functions. While in the former case the press
exercises its vital role of "watchdog" in a democracy by contributing
to "impart[ing] information and ideas on matters of public interest
(Observer and Guardian, cited above, ibid.) it does not do so in the lat-
ter case.
64. Similarly, although the public has a right to be informed, which is
an essential right in a democratic society that, in certain special cir-
cumstances, can even extend to aspects of the private life of public
figures, particularly where politicians are concerned (see Plon
(Société), cited above, ibid.), this is not the case here. The situation
here does not come within the sphere of any political or public debate
because the published photos and accompanying commentaries rela-
te exclusively to details of the applicant's private life.
65. As in other similar cases it has examined, the Court considers that
the publication of the photos and articles in question, of which the
sole purpose was to satisfy the curiosity of a particular readership
regarding the details of the applicant's private life, cannot be deemed
to contribute to any debate of general interest to society despite the
applicant being known to the public (see, mutatis mutandis, Jaime
Campmany y Diez de Revenga and Juan Luís Lopez-Galiacho Perona
v. Spain (dec.), no. 54224/00, 12 December 2000; Julio Bou Gibert and
El Hogar Y La Moda J.A. v. Spain (dec.), no. 14929/02, 13 May 2003; and
Prisma Presse, cited above).
66. In these conditions freedom of expression calls for a narrower
interpretation (see Prisma Presse, cited above, and, by converse impli-
cation, Krone Verlag, cited above, § 37).
67. In that connection the Court also takes account of the resolution
of the Parliamentary Assembly of the Council of Europe on the right
to privacy, which stresses the "one-sided interpretation of the right to
freedom of expression" by certain media which attempt to justify an
infringement of the rights protected by Article 8 of the Convention
by claiming that "their readers are entitled to know everything about
public figures" (see paragraph 42 above, and Prisma Presse, cited
above).
68. The Court finds another point to be of importance: even though,
strictly speaking, the present application concerns only the publica-
tion of the photos and articles by various German magazines, the con-
text in which these photos were taken without the applicant's
knowledge or consent and the harassment endured by many public
figures in their daily lives cannot be fully disregarded (see paragraph
59 above).
In the present case this point is illustrated in particularly striking
fashion by the photos taken of the applicant at the Monte Carlo Beach
Club tripping over an obstacle and falling down (see paragraph 17
above). It appears that these photos were taken secretly at a distance
of several hundred metres, probably from a neighbouring house,
whereas journalists and photographers' access to the club was strictly
regulated (see paragraph 33 above).
69. The Court reiterates the fundamental importance of protecting
private life from the point of view of the development of every
human being's personality. That protection as stated above
extends beyond the private family circle and also includes a social
dimension. The Court considers that anyone, even if they are known
to the general public, must be able to enjoy a "legitimate expecta-
tion" of protection of and respect for their private life (see paragraph
51 above and, mutatis mutandis, Halford, cited above, § 45).
70. Furthermore, increased vigilance in protecting private life is
necessary to contend with new communication technologies which
make it possible to store and reproduce personal data (see point 5 of
the Parliamentary Assembly's resolution on the right to privacy see
paragraph 42 above and, mutatis mutandis, Amann v. Switzerland
[GC], no. 27798/95, § 65-67, ECHR 2000-II; Rotaru v. Romania [GC],
no. 28341/95, § 43-44, ECHR 2000-V; P.G. and J.H., cited above, § 57-
60, ECHR 2001-IX; and Peck, cited above, §§ 59-63, and § 78). This also
applies to the systematic taking of specific photos and their dissemi-
nation to a broad section of the public.
71. Lastly, the Court reiterates that the Convention is intended to
guarantee not rights that are theoretical or illusory but rights that are
practical and effective (see Artico v. Italy, judgment of 13 May 1980,
Series A no. 37, p. 15-16, § 33).
72. The Court has difficulty in agreeing with the domestic courts' inter-
pretation of section 23(1) of the Copyright (Arts Domain) Act, which
consists in describing a person as such as a figure of contemporary
society "par excellence". Since that definition affords the person very
limited protection of their private life or the right to control the use of
their image, it could conceivably be appropriate for politicians exercis-
ing official functions. However, it cannot be justified for a "private"
individual, such as the applicant, in whom the interest of the general
public and the press is based solely on her membership of a reigning
family whereas she herself does not exercise any official functions.
In any event the Court considers that, in these conditions, the Act has
to be interpreted narrowly to ensure that the State complies with its
positive obligation under the Convention to protect private life and
the right to control the use of one's image.
73. Lastly, the distinction drawn between figures of contemporary
society "par excellence" and "relatively" public figures has to be clear
and obvious so that, in a state governed by the rule of law, the individ-
ual has precise indications as to the behaviour he or she should adopt.
Above all, they need to know exactly when and where they are in a
protected sphere or, on the contrary, in a sphere in which they must
expect interference from others, especially the tabloid press.
74. The Court therefore considers that the criteria on which the
domestic courts based their decisions were not sufficient to protect
the applicant's private life effectively. As a figure of contemporary
society "par excellence" she cannot in the name of freedom of the
press and the public interest rely on protection of her private life
unless she is in a secluded place out of the public eye and, moreover,
succeeds in proving it (which can be difficult). Where that is not the
case, she has to accept that she might be photographed at almost any
time, systematically, and that the photos are then very widely dis-
seminated even if, as was the case here, the photos and accompanying
articles relate exclusively to details of her private life.
75. In the Court's view, the criterion of spatial isolation, although
apposite in theory, is in reality too vague and difficult for the person
concerned to determine in advance. In the present case merely classi-
fying the applicant as a figure of contemporary society "par excel-
lence" does not suffice to justify such an intrusion into her private
life.
d. Conclusion
76. As the Court has stated above, it considers that the decisive factor
in balancing the protection of private life against freedom of expres-
sion should lie in the contribution that the published photos and
articles make to a debate of general interest. It is clear in the instant
case that they made no such contribution since the applicant exercis-
es no official function and the photos and articles related exclusively
to details of her private life.
77. Furthermore, the Court considers that the public does not have a
legitimate interest in knowing where the applicant is and how she
behaves generally in her private life even if she appears in places that
cannot always be described as secluded and despite the fact that she is
well known to the public. Even if such a public interest exists, as does
a commercial interest of the magazines in publishing these photos
and these articles, in the instant case those interests must, in the
Court's view, yield to the applicant's right to the effective protection
of her private life.
78. Lastly, in the Court's opinion the criteria established by the
domestic courts were not sufficient to ensure the effective protection
of the applicant's private life and she should, in the circumstances of
the case, have had a "legitimate expectation" of protection of her pri-
vate life.
79. Having regard to all the foregoing factors, and despite the margin
of appreciation afforded to the State in this area, the Court considers
that the German courts did not strike a fair balance between the com-
peting interests.
80. There has therefore been a breach of Article 8 of the Convention.
81. Having regard to that finding, the Court does not consider it
necessary to rule on the applicant's complaint relating to her right to
respect for her family life.
II. APPLICATION OF ARTICLE 41 OF THE CONVENTION
82. Article 41 of the Convention provides:
"If the Court finds that there has been a violation of the Convention
or the Protocols thereto, and if the internal law of the High Contract-
Mediaforum 2004-7/8
258
Jurisprudentie nr
.2
7
Mediaforum 2004-7/8
259
Jurisprudentie nr
.2
7
ing Party concerned allows only partial reparation to be made, the
Court shall, if necessary, afford just satisfaction to the injured party."
83. The applicant claimed 50,000 (EUR) in non-pecuniary damage on
the ground that the German courts' decisions prevented her from
leading a normal life with her children without being hounded by
the media. She also claimed EUR 142,851.31 in reimbursement of her
costs and expenses for the many sets of proceedings she had had to
bring in the German courts.
84. The Government contested the amounts claimed. As regards non-
pecuniary damage, they reiterated that, under German law, the appli-
cant enjoyed protection of her private life even outside her home,
particularly where her children were concerned. With regard to costs
and expenses, they submitted that not all the proceedings could be
taken into account, that the value of parts of the subject-matter was
less than the amount stated, and that the legal fees being claimed, in
view of the amount concerned, could not be reimbursed.
85. The Court considers that the question of the application of Article
41 is not ready for decision. Accordingly, it shall be reserved and the
subsequent procedure fixed having regard to any agreement which
might be reached between the Government and the applicant.
FOR THESE REASONS, THE COURT UNANIMOUSLY
1. Holds that there has been a violation of Article 8 of the Convention;
2. Holds that the question of the application of Article 41 is not ready
for decision; and
accordingly,
(a) reserves the said question in whole;
(b) invites the Government and the applicant to submit, within six
months from the date on which the judgment becomes final accord-
ing to Article 44 § 2 of the Convention, their written observations on
the matter and, in particular, to notify the Court of any agreement
that they may reach;
(c) reserves the further procedure and delegates to the President of
the Chamber the power to fix the same if need be.
Done in French, and delivered at a public hearing in the Human
Rights Building, Strasbourg, on 24 June 2004.
CONCURRING OPINION OF JUDGE CABRAL BARRETO
I am of the opinion that there has been a violation of Article 8 of the
Convention, but am unable to follow the entire reasoning of the
majority.
1. My colleagues state in their conclusions that "the decisive factor in
balancing the protection of private life against freedom of expression
should lie in the contribution that the published photos and articles
make to a debate of general interest" and that "the public does not
have a legitimate interest in knowing where the applicant is and how
she behaves generally in her private life even if she appears in places
that cannot always be described as secluded and she is well known to
the public".
In the majority's view the publication of the photos and articles in
question was not such as to contribute to a debate of general interest
because the applicant was not performing official functions and the
published photos and accompanying commentaries related exclu-
sively to details of her private life.
In my view, however, the applicant is a public figure and the public
does have a right to be informed about her life.
The solution therefore needs to be found in the fair balance that has
to be struck between the applicant's right to her private life and the
public's right to be informed.
2. The applicant is a public figure, even if she does not perform any
function within or on behalf of the State of Monaco or one of its insti-
tutions.
Public figures are persons holding public office and/or using public
resources and, more broadly speaking, all those who play a role in
public life, whether in politics, the economy, the arts, the social
sphere, sport or in any other domain paragraph 7 of Resolution 1165
(1998) of the Parliamentary Assembly of the Council of Europe on the
right to privacy (see paragraph 42 of the judgment).
It is well known that the applicant has for years played a role in Euro-
pean public life, even if she does not perform any official functions in
her own country. To measure the degree of public interest in her, it is
sufficient to look at the amount of media coverage devoted to her
public or private life. Very recently the press drew attention to the fact
that, on her arrival at the ceremony of the marriage of Crown Prince
Felipe of Spain, the applicant was one of the people from Europe's
and the world's high society to be the most widely greeted by the
public.
The applicant is, in my view, a public figure and information about
her life contributes to a debate of general interest. The general inter-
est does not have to be limited to political debate.
As pointed out by the Parliamentary Assembly "certain facts relating
to the private lives of public figures, particularly politicians, may
indeed be of interest to citizens". If that is true of politicians it is also
true for all other public figures in whom the public takes an interest.
It is therefore necessary to strike a balance between two fundamental
rights: the right of public figures to respect for their private life and
everyone's right to freedom of expression, which embraces the right
of the public to be informed.
I agree with the majority that the private life of a public figure does
not stop at their front door.
However, it has to be acknowledged that, in view of their fame, a
public figure's life outside their home, and particularly in public
places, is inevitably subject to certain constraints.
Fame and public interest inevitably give rise to a difference in treat-
ment of the private life of an ordinary person and that of a public
figure.
As the Federal Constitutional Court pointed out, "the public has a
legitimate interest in being allowed to judge whether the personal
behaviour of the individuals in question, who are often regarded as
idols or role models, convincingly tallies with their behaviour on
their official engagements". Admittedly, determining the limit of a
public figure's private life is no easy task.
Furthermore, a strict criterion might lead to solutions that do not
correspond to the "nature of things".
It is clear that if the person is in an isolated spot everything that hap-
pens there must be covered by the protection of private life. It appears
to me, however, that the criterion of spatial isolation used by the Ger-
man courts is very restrictive. In my view, whenever a public figure
has a "legitimate expectation" of being safe from the media his or her
right to private life prevails over the right to freedom of expression or
the right to be informed. It will never be easy to define in concrete
terms the situations that correspond to this "legitimate expectation"
and a case-by-case approach is therefore justified. This casuistic
approach may also give rise to differences of opinion.
The majority attach importance, for example, to the fact that the pho-
tos at the Monte Carlo Beach Club had been taken secretly. I do not
dispute the need to take account of the fact that the photos were
taken from a distance, particularly if the person was somewhere they
could legitimately believe did not expose them to public view. Howe-
ver, the beach club swimming pool was an open place frequented by
the general public and, moreover, visible from the neighbouring
buildings. Is it possible in such a place to entertain a reasonable
expectation of not being exposed to public view or to the media? I do
not think so. I believe that this same criterion is valid for photos
showing the applicant in other situations in her daily life in which
she cannot expect her private life to be protected.
I have in mind the photos of her doing her shopping. However, other
photos for example those of the applicant on horseback or playing
tennis were taken in places and circumstances that would call for
the opposite approach.
It is thus in the knowledge of the limits to the exercise (I refer in this
connection to Judge Zupancic's opinion) that I have found a violation
of Article 8 of the Convention.
CONCURRING OPINION OF JUDGE ZUPANCIC
I adhere to the hesitations raised by my colleague, Judge Cabral Bar-
reto. And while I find the distinctions between the different levels of
permitted exposure, as defined by the German legal system, too
Begriffsjurisprudenz-like, I nevertheless believe that the balancing
test between the public's right to know on the one hand and the
affected person's right to privacy on the other hand must be ade-
quately performed. He who willingly steps upon the public stage can-
not claim to be a private person entitled to anonymity. Royalty, actors,
academics, politicians etc. perform whatever they perform publicly.
They may not seek publicity, yet, by definition, their image is to some
extent public property.
Here I intend to concentrate not so much on the public's right to
know this applies first and foremost to the issue of the freedom of
the press and the constitutional doctrine concerning it , but rather
on the simple fact that it is impossible to separate by an iron curtain
private life from public performance. The absolute incognito exis-
tence is the privilege of Robinson; the rest of us all attract to a greater
or smaller degree the interest of other people.
Privacy, on the other hand, is the right to be left alone. One has the
right to be left alone precisely to the degree to which one's private life
does not intersect with other people's private lives. In their own way,
legal concepts such as libel, defamation, slander etc. testify to this
right and to the limits on other people's meddling with it. The Ger-
man private-law doctrine of Persönlichkeitsrecht testifies to a broad-
er concentric circle of protected privacy. Moreover, I believe that the
courts have to some extent and under American influence made a
fetish of the freedom of the press.
The Persönlichkeitsrecht doctrine imparts a higher level of civilized
interpersonal deportment.
It is time that the pendulum swung back to a different kind of bal-
ance between what is private and secluded and what is public and
unshielded.
The question here is how to ascertain and assess this balance. I agree
with the outcome of this case. However, I would suggest a different
determinative test: the one we have used in Halford v. United King-
dom, judgment of 25/06/1997, Reports 1997-III, which speaks of
"reasonable expectation of privacy."
The context of criminal procedure and the use of evidence obtained
in violation of the reasonable expectation of privacy in Halford do
not prevent us from employing the same test in cases such as the one
before us.
The dilemma as to whether the applicant here was or was not a public
figure, ceases to exist; the proposed criterion of reasonable expecta-
tion of privacy permits a nuanced approach to every new case. Per-
haps is this what Judge Cabral Barreto has in mind when he refers to
the emerging case-law concerning the balancing exercise between
the public's right to know and the private person's right to shield
him- or herself.
Of course, one must avoid a circuitous reasoning here. The "reasona-
bleness" of the expectation of privacy could be reduced to the afore-
mentioned balancing test. But reasonableness is also an allusion to
informed common sense, which tells us that he who lives in a glass
house may not have the right to throw stones.
Noot
Gerard Schuijt
Prof. mr. G.A.I. Schuijt was hoofddocent mediarecht aan de Universiteit van
Amsterdam en bijzonder hoogleraar aan de Universiteit Leiden.
Caroline von Hannover, dochter van prins Rainier III van Monaco,
beklaagt zich bij het Europese Hof over schending door Duitsland
van haar recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer tegen-
over de roddelpers, ook wel entertainmentpers genoemd. De prinses
procedeerde tegen de publicatie van foto's van haar, al dan niet in
gezelschap van haar kinderen of vrienden. Slechts met betrekking tot
de publicatie van één foto vond zij gehoor bij het Bundesgerichtshof.
Later oordeelde het Bundesverfassungsgericht (BVFG) nog dat ook de
publicatie van de foto's van haar met haar kinderen in strijd was met
de grondwettelijke bescherming van gezinsleven en opvoeding.
Maar dat was de prinses niet genoeg. Tal van andere foto's hadden
volgens haar ook niet mogen worden gepubliceerd. Zie voor een
omschrijving van de foto's met bijschriften par. 9-17. Van de Duitse
rechters zijn hierboven alleen de door het EHRM geciteerde overwe-
gingen van het Bundesverfassungsgericht opgenomen (par. 25), voor
de overwegingen van lagere rechters raadplege men de op
www.echr.coe.int volledig gepubliceerde uitspraak.
In dit arrest blijkt het Europese Hof een andere benadering van dit
conflict voor te staan dan de Duitse rechter en zoals de Nederlandse
rechter in een geval als dit pleegt te doen. Het arrest kan dus ook voor
de rechtspraak te onzent van belang zijn. Het gaat daarbij vooral om
de uitleg van begrippen als `public figure' en `publiek belang' en de
afbakening van wat `public figures' aan belangstelling van de zijde
van de media hebben te accepteren of niet. Om het belang van het
arrest te illustreren zal ik hieronder eerst kort uiteenzetten hoe de
Duitse rechtspraak de privacybescherming van bekende personen
benadert. Daarna zet ik summier de benadering volgens de Neder-
landse rechtspraak uiteen om vervolgens de andere benadering van
het EHRM in het licht te kunnen zetten. Voorts besteed ik kort aan-
dacht aan twee interessante concurring opinions en probeer ik de
consequenties van het arrest voor onze rechtspraak aan te geven.
Het Duitse portretrecht zit iets anders in elkaar dan het Nederland-
se. De algemene regel is dat men in Duitsland een verbodsrecht heeft
ten aanzien van de publicatie van zijn portret. Daarop geldt echter
een uitzondering. `Bildnisse aus dem Bereich der Zeitgeschichte'
mogen zonder toestemming worden gepubliceerd, echter voor zover
een legitiem belang van de geportretteerde zich daartegen niet ver-
zet (art. 22 en 23 van de Kunsturhebergesetz). Het `redelijk belang'
van de zogenaamde `Personen der Zeitgeschichte' leidt in de Duitse
rechtspraak evenals bij ons tot een belangenafweging tussen het
belang van de persvrijheid aan de ene kant en dat van de privacybe-
scherming aan de andere kant. Daarbij men leze de overwegingen
van het BVFG wordt ten gunste van de vrijheid van de media een
ruime opvatting gehanteerd. Entertainment draagt ook bij aan de
publieke meningsvorming. Bekende personen belichamen bepaalde
morele waarden en vervullen een voorbeeldfunctie of rolmodel door
de wijze waarop zij leven en zich gedragen. Daarom is het publiek
geïnteresseerd in de `ups and downs occurring their lives'. Dit geldt
niet alleen voor politici maar ook voor andere bekende persoonlijk-
heden uit de showbizz-wereld, de sport en dergelijke. De functie van
de pers is te laten zien hoe zij in het openbaar verschijnen en zich
gedragen en dat is niet beperkt tot de vervulling van specifieke func-
ties of tot speciale gelegenheden van politieke of historische beteke-
nis. Het Duitse recht maakt voorts onderscheid tussen absolute Per-
sonen der Zeitgeschichte, die `als zodanig' nieuws vormen (in het
hier besproken arrest vertaald met `figure of contemporary society
par excellence') en relatieve Personen der Zeitgeschichte, die in het
nieuws zijn gekomen doordat zij bij een bepaalde gebeurtenis
betrokken waren (zie ook A. J. Nieuwenhuis,
Tussen privacy en persoon-
lijkheidsrecht, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2001, p. 85-112, i.h.b. p. 102.).
Caroline van Hannover werd aangemerkt als een absolute Person der
Zeitgeschichte. Public figures zijn echter niet geheel onbeschermd.
Zij kunnen, zoals gezegd, een redelijk belang aanvoeren. Dat hebben
zij zonder meer in eigen huis en tuin, maar de bescherming van hun
privacy houdt niet op als zij hun voordeur achter zich dicht trekken.
Zij hebben ook buitenshuis recht op bescherming, namelijk als zij
zich hebben afgezonderd op een plek waar zij duidelijk behoefte
hebben om alleen te zijn en waar zij, in het vertrouwen dat zij alleen
zijn, zich anders kunnen gedragen dan wanneer zij zich in het open-
baar vertonen. Op grond van deze overwegingen oordeelde het Bun-
desgerichtshof volgens het BVFG terecht dat de foto van de prinses,
toen zij met de acteur Vincent Landon zat te eten ergens op een afge-
schermde plek achter in de tuin van een restaurant, niet gepubli-
ceerd mocht worden. Dat was dan ook de enige keer dat de prinses
gelijk had gekregen van de lagere rechter (en die foto is dus ook niet
meer aan de orde in Straatsburg; par. 48). Maar een openbaar zwem-
bad als de Monte Carlo Beach Club werd niet als zo'n afgeschermde
plek beschouwd, ook al was fotograferen er ten strengste verboden
en was de gewraakte foto met een telelens van buiten het zwembad
genomen (par. 38). Wel geeft het Duitse recht extra bescherming aan
kinderen van bekende personen op grond van artikel 6 van de Duitse
Grondwet. Zo stelt het Bundesverfassungsgericht de prinses in het
gelijk met betrekking tot de foto's van haar met haar kinderen. Ook
die foto's zijn in Straatsburg niet meer aan de orde, par. 48. Kort
samengevat dus: een ruim begrip van `public figures'; public figures
zijn in eigen huis en tuin beschermd; vertonen zij zich buitenshuis
dan zal de belangenafweging in het algemeen in het voordeel van de
persvrijheid uitvallen, tenzij zij zich bevinden op een duidelijk als
zodanig kenbare afgeschermde plaats.
Het portretrecht in Nederland is geen verbodsrecht, althans met
betrekking tot niet in opdracht gemaakte portretten. Het `redelijk
belang' van artikel 21 Auteurswet leidt tot een belangenafweging aan
de hand van alle omstandigheden van het geval. Weliswaar is de
bescherming van de persoonlijke levensfeer in beginsel een redelijk
belang, maar dat sluit die belangenafweging niet uit: HR 1 juli 1988,
NJ 1988, 1000 (Vondelpark); HR 21 januari 1994, NJ 1994, 473 (Ferdi E.).
Elke omstandigheid kan in de belangenafweging betrokken worden.
De aard, de ernst en de duur van de inbreuk komen in de weegschaal
te liggen tesamen met de persoon om wie het gaat, de juistheid van de
(bijgaande) informatie, de contekst waarin het portret werd gepubli-
ceerd, de plaats waar en wijze waarop de foto tot stand kwam en het
maatschappelijk belang van de desbetreffende publicatie, hetgeen er
ook bij ons toe leidt dat public figures (zowel politici als andere
bekende Nederlanders) meer moeten dulden dan andere personen,
maar toch ook weer niet vogelvrij zijn (bijvoorbeeld naarmate de
inbreuk ernstiger is en het maatschappelijk belang van de publicatie
minder). Zie
Onrechtmatige Daad (losbladig), VII, aant. 111. Anders dan
in het Duitse recht begint de belangenafweging dus niet bij bekende
personen, maar zijn de vragen of men bekende persoon is en waar
men zich bevindt omstandigheden van het geval die in een integrale
belangenafweging worden betrokken.
Hoewel artikel 8 EVRM volgens het Hof in essentie bescherming ver-
leent tegen inmenging van de overheid in de persoonlijke levenssfeer
van de burger, verplicht het de overheid niet louter tot onthouding.
Mediaforum 2004-7/8
260
Jurisprudentie nr
.2
7
Mediaforum 2004-7/8
261
Jurisprudentie nr
.2
7
Het artikel impliceert volgens het EHRM een positieve verplichting
voor de overheid om ervoor te zorgen dat de persoonlijke levenssfeer
ook door medeburgers wordt gerespecteerd (par. 57). Deze derden-
werking van het grondrecht had het Hof al eerder erkend, zoals ook
onze eigen Hoge Raad in het arrest over de Edamse bijstandsvrouw:
HR 9 januari 1987,
NJ 1987, 928.
Met betrekking tot de klacht van Caroline von Hannover stelt het
EHRM voorop dat de bescherming van de persoonlijke levenssfeer
moet worden afgewogen tegen de vrijheid van expressie die in artikel
10 wordt gegarandeerd (par. 58). In dat kader brengt het Hof enkele
principiële overwegingen met betrekking tot het belang van de pers-
vrijheid in herinnering (par. 58), die ik hier niet hoef te herhalen.
Bij die belangenafweging is het beslissende punt van het Hof de
vraag of het gaat om een bijdrage aan het maatschappelijk debat of,
anders gezegd, of de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer wordt
gerechtvaardigd door overwegingen van publiek belang, zoals de bij-
drage aan het publieke debat ook bij andere perspublicaties vaak
doorslaggevend is om een beperking van een desbetreffende uiting in
strijd met artikel 10 EVRM te vinden (par. 59 en 60). Dat was ook het
geval in voorgaande portretrechtzaken, waarin het Hof een publica-
tieverbod in strijd achtte met artikel 10 EVRM: EHRM 11 januari
2000,
Mediaforum 2000-3, nr. 14 (News Verlag) en EHRM 26 februari
2002, appl. nr. 34315/96 (
Krone Verlag).
Ten opzichte van de Duitse rechterlijke beslissingen legt het Hof drie
beperkingen aan. De eerste is dat het Caroline van Hannover niet wil
aanmerken als een absolute Person der Zeitgeschichte. Het Hof bena-
drukt dat de prinses weliswaar behoort tot de familie van de Prins van
Monaco en als zodanig die familie soms representeert bij bepaalde
gebeurtenissen, maar dat zij geen enkele functie uitoefent in de staat
Monaco of in een der instellingen van die staat (par. 62, 63 en 72). Ster-
ker nog, het Hof tikt Duitsland op de vingers met zijn overweging
dat het onderscheid tussen absolute en relatieve Personen der Zeitge-
schichte helder en duidelijk zou moeten zijn, zodat men zou weten
waar men aan toe is, hetgeen in Duitsland volgens het Hof niet het
geval is (par. 73 en 74). Het tweede verschil is dat het Hof nadruk legt
op het privé-karakter van aangelegenheden in het openbaar als
paardrijden, boodschappen doen en het bezoeken van restaurants
(par. 61), welke informatie niet kan worden beschouwd als een bijdra-
ge aan enig debat over publieke aangelegenheden (par. 65), terwijl de
Duitse rechter voor de openbare meningsvorming ook belang hecht
aan entertainment en de rolmodelfunctie van public figures. Het der-
de verschil is dat het Hof eerder geneigd is te spreken van een duide-
lijk als zodanig kenbare afgezonderde plaats doordat het meer
belang hecht aan de omstandigheid dat de toegang van journalisten
en fotografen tot de Monte Carlo Beach Club strikt was gereguleerd
en de foto's van de prinses aldaar heimelijk vanaf grote afstand geno-
men waren. Anders dan de Duitse rechter vindt het Hof dat de prinses
er daar op mocht vertrouwen dat haar privacy er beschermd was (par.
68 en 69). Ook het criterium van de duidelijk kenbare afgezonderde
plaats vindt het Hof niet duidelijk genoeg (par. 75).
Wat de gevolgen zijn voor de Nederlandse rechtspraak is minder dui-
delijk dan voor de Duitse. De Nederlandse rechter hecht niet op voor-
hand belang aan één omstandigheid, maar weegt álle omstandighe-
den van het geval, dus ook of en
in welke mate inbreuk wordt gemaakt
op de persoonlijke levenssfeer. Foto's van intimiteiten, waar ook
gemaakt, zelfs gemaakt op de openbare weg, kunnen dan al gauw
niet door de beugel: HR 1 juli 1988,
NJ 1988, 1000 (Vondelpark); Rb.
Amsterdam 10 juli 1996,
Mediaforum 1996-10, p. B136-B138 (Wasteland-
party). In deze twee zaken betroffen de foto's geen public figures,
maar Karin Bloemen is dat wel en zij ageerde met succes tegen publi-
catie van een foto van haar op een openbaar naaktstrand (Rb. Amster-
dam 13 oktober 2003,
Mediaforum 2004-1, nr. 2) Tegen publicatie van
onschuldiger foto's kan men minder gauw een redelijk belang aan-
voeren: Pres. Rb. Amsterdam 18 december 1997,
Mediaforum 1998-2,
nr.8 (
Catherine Keyl in zondoorlaatbaar badpak); Rb. Amsterdam 7 mei
2003, LJN-nr. AF8332 (
Paul de Leeuw met zijn zoontje op de fiets) en eigen-
lijk vond ook Hof Amsterdam (27 april 1989,
AMI 1989-5, p. 125-126)
de Vondelparkfoto van het gearmd lopende paartje tamelijk onschul-
dig, maar hechtte belang aan de onverhoedse wijze waarop de foto
was genomen en de contekst waarin zij was gepubliceerd. Wat betreft
bekende Nederlanders erkent de Nederlandse rechtspraak dat zij
zich meer moeten laten welgevallen, maar voor kinderen (en zeker
kinderen van een lid van de koninklijke familie dat geen troonaan-
spraken en geen officiële functie meer heeft) gaat dat minder snel op:
HR 4 maart 1988,
NJ 1989, 361 (Kinderen prinses Irene). Voor anderen, bij-
voorbeeld zij die zichzelf hebben blootgesteld aan de publieke
belangstelling geldt dat de belangenafweging eerder ten gunste van
de vrijheid van de media uitvalt: HR 21 januari 1994,
NJ 1994, 473 (Fer-
di E.). Maar steeds afhankelijk van de omstandigheden.
Ik kan in het onderhavige arrest geen aanwijzingen vinden dat het
Hof deze Nederlandse
benadering zal afkeuren. Maar ik lees in het
arrest van het Hof een aanhalen van de banden ten gunste van de
bescherming van de privacy tégen de entertainmentpers en dat zou
gevolgen kunnen hebben voor het gewicht dat de Nederlandse rech-
ter aan bepaalde omstandigheden gaat geven. Ik lees dat in de nadruk
op de `decisive factor', de vraag of de publicatie van een portret bij-
draagt aan het publieke debat, wat het Hof enger opvat dan publieke
meningsvorming (dat volgens de Duitse rechter ook bijvoorbeeld
mode en lifestyle betreft) (par. 76) en op de nadruk dat de prinses geen
functies vervult in de staat Monaco (alsof iemand de politiek van dat
staatje interesseert). Het Hof vindt ook dat het publiek niet een legi-
tiem belang heeft te weten wat de prinses doet als zij in het openbaar
verschijnt, ook al is zij een bekende persoonlijkheid (par. 77). Ik lees
het ook in overwegingen als par. 66 `In these conditions freedom of
expression calls for a narrower interpretation' en de verwijzing naar
de integraal in par. 42 opgenomen resolutie van de Parlementaire
Vergadering van de Raad van Europa `which stresses the "one-sided
interpretation of the right to freedom of expression" by certain
media which attempt to justify an infringement of the rights protec-
ted by Article 8 of the Convention by claiming that "their readers are
entitled to know everthing about public figures"' (par. 67) en tenslot-
te in de overweging dat de contekst waarin de foto's zijn genomen
zonder dat de prinses het wist en de kwelling (`continual haras-
sment') die veel public figures in hun dagelijks leven ondervinden,
niet buiten beschouwing kunnen blijven (par. 59 en 68). Kortom, het
EHRM laat de privacy, ook van bekende personen, zwaar wegen en ik
acht het niet uitgesloten, dat de Nederlandse rechter daar in zal mee-
gaan, voorzover hij dat al niet deed.
Het is opvallend dat twee rechters het met het resultaat eens zijn,
maar niet met de overwegingen die het Hof daartoe brachten. Rech-
ter Barreto vindt prinses Carolina een public figure is en het publiek
heeft volgens hem een recht over haar te worden geïnformeerd. Hij
hangt een ruimere opvatting aan van wat een bijdrage aan `a debate of
general interest' is, waarvoor ook hij verwijst naar de resolutie van de
Parlementaire vergadering van de Raad van Europa. Rechter Supan-
cic hecht aan de reasonable expectation of privacy als criterium en
vindt dat public figures haar minder gauw mogen koesteren, maar
beiden zien uiteindelijk de oplossing in een belangenafweging aan
de hand van de omstandigheden.
Wat mij opvalt is, dat het Hof dat óók als uitgangspunt die belangen-
afweging tussen twee grondrechten neemt, de klacht slechts vanuit
één hoek, de privacybescherming bekijkt en zich dan afvraagt of er
een maatschappelijke noodzaak is inbreuk op dat recht te maken (en
die is er niet vanwege het ontbreken van een bijdrage aan het publie-
ke debat). Daarmee beoordeelt het Hof impliciet de noodzaak van de
publicatie, terwijl het dat, als het een beperking van de uitingsvrij-
heid beoordeelt, juist niet doet. Dan beoordeelt het de noodzaak van
de beperking op de uitingsvrijheid (waarbij onder meer van belang is
of de gewraakte uitlating een bijdrage levert aan het publieke debat).
In zijn bijdrage aan de De Meij-bundel signaleert A. J. Nieuwenhuis
reeds dit probleem (A. J. Nieuwenhuis, `Het EHRM en het belang van
het publiek', in: A.W. Hins & A. J. Nieuwenhuis (red.)
Van ontvanger
naar zender, Amsterdam: Cramwinckel 2003, p.269-272). Hij formu-
leert het probleem aldus: Krijgt de burger over wie bericht is gelijk,
dan zal er sprake zijn van een beperking van de persvrijheid, die
onder de werking van het verdrag geoorloofd zal moeten zijn. Meent
de rechter dat de persvrijheid het zwaarste moet wegen, dan zal de
inbreuk op de privacy acceptabel moeten zijn. Kan de rechter echter,
vraagt Nieuwenhuis, één van beide grondrechten voorop stellen en
zich derhalve concentreren op één noodzakelijkheidstoets of moet
hij steeds een dubbele noodzakelijkheidstoets toepassen? Om uit dit
probleem te geraken ziet Nieuwenhuis bij uitlatingen die deel uitma-
ken van het politieke debat maar niet de kern van de privacy raken, de
uitingsvrijheid als vertrekpunt. Omgekeerd acht hij het voor de hand
te liggen dat bij uitlatingen die de kern van de privacy raken maar
geen deel uitmaken van het publieke debat, de toets aan artikel 8
EVRM vooropstaat. Moeilijker ligt het bij publicaties die bijdragen
aan het maatschappelijk debat en tegelijkertijd privacygevoelige
informatie bevatten. Dan zal de rechter beide toetsen moeten toepas-
sen en dat in zijn motivering van het uiteindelijke resultaat van zijn
belangenafweging moeten laten zien. Ook bij (beperkingen van)
publicaties die noch bijdragen aan het maatschappelijk debat noch de
kern van de privacy raken, dient de rechter een dubbele toets toe te
passen. Het ziet er naar uit dat het EHRM gekozen heeft voor de
tweede situatie die Nieuwenhuis voor ogen staat, zonder dat het Hof
expliciteert dat het uit meerdere mogelijkheden kon kiezen of waar-
om het niet voor een dubbele noodzakelijkheidstoets heeft gekozen.
Toch hangt een dergelijke keuze nauw samen met de vraag wat men
onder maatschappelijk debat verstaat en wat onder een inbreuk op
het privéleven. Zoals uit de concurring opinions blijkt valt zeer goed
te verdedigen, dat in de onderhavige zaak eerder Nieuwenhuis' derde
situatie aanwezig was. Dat de bijdrage aan het maatschappelijk debat
een zwaarwegende omstandigheid is, moet echter worden onder-
schreven. In mijn `Mediarechtelijk in memoriam' stelde ik dat de
rechter niet eerst de juistheid van bepaalde mededelingen over
iemands privéleven zou moeten beoordelen, maar eerst zou moeten
nagaan of de mededelingen, indien waar, maatschappelijk relevant
gerechtvaardigd door een publiek belang waren (
Mediaforum 2002-
11/12, p. 347), overigens zonder de slotvraag en check vanuit oogpunt
van vrijheid van meningsuiting uit het oog te verliezen. Maar men
kan het niet omkeren. Als de bijdrage aan het publieke debat ont-
breekt wil dat niet zeggen dat de publicatie niet beschermd is door
artikel 10 EVRM. Ook dán moet men nagaan of en in hoeverre
inbreuk gemaakt wordt op iemands persoonlijke levenssfeer. Bij
tamelijk onschuldige foto's moet dan m.i. voorrang gegeven worden
aan de persvrijheid (en de behoefte van het publiek om geïnformeerd
te worden) Zie daarover ook mijn
Inzoomen op de Eikenhorst. Over maken
en openbaar maken, Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2004, p. 10-
14. Iets anders is, dat een `continual harassment' of een journalistiek
stalken, ook al gaat het om betrekkelijk onschuldige foto's, een ern-
stige inbreuk vormt op de persoonlijke levenssfeer. In de Duitse
zaken werd echter geen stalk- of postverbod gevraagd, maar een
publicatieverbod van de foto's. Het Hof laat de wijze waarop sommi-
ge foto's tot stand kwamen wel zwaar mee wegen alsmede het grote
aantal publicaties met foto's van klaagster, waarmee het dus eigenlijk
dat lastig vallen veroordeelt. Alles duidt erop dat het een waarschu-
wende vinger willen opheffen tegen (de publicaties en wijze van
nieuwsgaren van) `certain media'.
Zoals de Hof de grenzen thans getrokken heeft lijkt er nauwelijks
nog plaats voor een belangenafweging. Het lijkt haast op de situatie
in Nederland na het Vondelparkarrest, toen men zich ook afvroeg of
er nog wel ruimte was voor een belangenafweging nu de Hoge Raad
elke inbreuk op de privacy als een redelijk belang in de zin van artikel
21 Auteurswet had bestempeld. Later heeft de Hoge Raad die vrees
weggenomen door uit te leggen dat het Vondelparkarrest wel dege-
lijk ruimte laat voor belangenafweging. De Hoge Raad had daar
immers gezegd: er is
in beginsel een redelijk belang als de privacy is
aangetast. Voor diegenen die thans vrezen dat het EHRM een belan-
genafweging uitsluit (en dus de persvrijheid op een lager plan heeft
gezet), moet opgemerkt worden dat het ook volgens het Hof nog
steeds gaat om een `fair balance between competing interests' en dat
het Hof nog steeds refereert aan de uitgangspunten van zijn recht-
spraak over de in artikel 10 beschermde vrijheid van meningsuiting.
Daar moeten we dan maar op vertrouwen. Maar ik had liever wat
meer overwegingen als die van rechter Barreto in het arrest aange-
troffen. Het uitgangspunt uit oogpunt van vrijheid van meningsui-
ting en informatie moet immers zijn dat de burger bepaalt wat hij wil
weten en de media bepalen wat zij publiceren. De rechter moet
slechts nagaan of er noodzaak is daaraan beperkingen te stellen. Dat
lees ik wel bij Barrreto, maar niet in het arrest.
Mediaforum 2004-7/8
262
Jurisprudentie nr
.2
7
Nr 28
KPN Telecom vs. OPTA en Tiscali
College van Beroep voor het Bedrijfsleven 16 april 2004
Zaaknr: AWB 03/1365 en 03/1401
Uitspraak inzake de hoger beroepen van:
1. Tiscali B.V (Tiscali), gevestigd te Utrecht (nr. AWB 03/1365),
gemachtigde: mr. G. J. Zwenne, advocaat te 's-Gravenhage;
2. de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit (OPTA)
(nr. AWB 03/1401), te 's-Gravenhage, gemachtigde: mr. E. J. Daalder,
advocaat te 's-Gravenhage,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank
Rotterdam van 30 oktober 2003 in het geding tussen KPN Telecom
B.V. (KPN), gevestigd te 's-Gravenhage, en OPTA, met als derde partij:
Tiscali.
Gemachtigden van KPN: mr. J. Erwteman en mr. Q.R. Kroes, advoca-
ten te Amsterdam.
[...]
7. De toepasselijke regelgeving
Deel 1 van Bijlage I bij Richtlijn 97/33/EG van het Europees Parlement
en de Raad van 30 juni 1997 inzake interconnectie op telecommunica-
tiegebied (...) (interconnectie-richtlijn) bepaalt het volgende:
`Het vaste openbare telefoonnetwerk
Het vaste openbare telefoonnetwerk is het openbare geschakelde telecom-
municatienetwerk voor de overdracht tussen netwerkaansluitpunten op
vaste locaties van spraak en van audio-informatie met een bandbreedte
van 3,1 kHz, o.a. voor:
spraaktelefonie;
groep iii-faxcommunicatie, in overeenstemming met de ITU-T-aan-
bevelingen van de T-reeks;
spraakbanddatatransmissie via modems met een snelheid van ten
minste 2 400 bit/s, in overeenstemming met de ITU-T-aanbevelingen
van de V-serie.
De toegang tot het netwerkaansluitpunt van de eindgebruiker vindt
plaats via een nummer of een aantal nummers in het nationaal num-
merplan.
Richtlijn 98/10/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26
februari 1998 inzake de toepassing van Open Network Provision
(ONP) op spraaktelefonie en inzake de universele telecommunicatie-
dienst in een door concurrentie gekenmerkt klimaat (spraaktelefo-
nierichtlijn) bevat onder meer de volgende bepalingen:
Artikel 2 Definities
[...]
3. Voor deze richtlijn geldt het volgende:
a) de begrippen `vast openbaar telefoonnetwerk' en `mobiel openbaar
telefoonnetwerk' staan omschreven in bijlage I van Richtlijn
97/33/EG inzake interconnectie.
[...]
Artikel 16 Bijzondere netwerktoegang
1. De nationale regelgevende instanties zorgen ervoor dat de organi-
saties met een aanmerkelijke macht op de markt voor het aanbieden
van telefoondiensten over vaste openbare telefoonnetwerken redelij-
ke verzoeken van organisaties die telecommunicatiediensten aanbie-
den, om toegang tot het vaste openbare telefoonnet op andere net-
werkaansluitpunten dan de in bijlage ii, deel 1, genoemde
aansluitpunten, in behandeling nemen. Deze verplichting mag
alleen worden beperkt van geval tot geval en als er technische en eco-
nomisch levensvatbare alternatieven voor de gevraagde bijzondere
toegang voorhanden zijn en wanneer de gevraagde toegang niet in
een redelijke verhouding staat tot de beschikbare middelen om aan
het verzoek te voldoen.
[...]
Mediaforum 2004-7/8
263
Jurisprudentie nr
.2
8
7. De nationale regelgevende instanties zorgen ervoor dat de in lid 1
bedoelde organisaties met een aanmerkelijke macht op de markt het niet-
discriminatiebeginsel in acht nemen bij het gebruik van het vaste open-
bare telefoonnet, en in het bijzonder het gebruik van enige vorm van bij-
zondere netwerktoegang, voor het aanbieden van algemeen beschikbare
telecommunicatiediensten. Deze organisaties passen op organisaties die
dezelfde diensten verrichten onder dezelfde omstandigheden dezelfde
voorwaarden toe en verschaffen faciliteiten voor bijzondere netwerktoe-
gang aan andere organisaties onder dezelfde voorwaarden en van dezelf-
de kwaliteit als die welke zij voor hun eigen diensten of diensten van hun
dochterondernemingen of partners bieden.
[...]
De Tw bevat onder meer de volgende bepalingen:
Artikel 1.1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
[...]
d. telecommunicatienetwerk: de overdrachtsapparatuur en, waar van
toepassing, de routeringsapparatuur en andere technische middelen die
de overdracht mogelijk maken van signalen tussen netwerkaansluitpun-
ten via kabels, radiogolven, optische middelen of andere elektromagneti-
sche middelen;
[...]
j. bijzondere toegang: toegang tot een telecommunicatienetwerk op ande-
re punten dan de netwerkaansluitpunten die aan de meeste gebruikers
worden aangeboden;
[...]
k. vaste openbare telefoondienst: openbare telecommunicatiedienst die
bestaat in de directe overdracht en routering van spraak van en naar net-
werkaansluitpunten op vaste locaties van een telecommunicatienet-
werk, waarvan iedere gebruiker van op een dergelijk netwerkaansluit-
punt aangesloten apparatuur gebruik kan maken om met een ander
netwerkaansluitpunt te communiceren;
l. vast openbaar telefoonnetwerk: de elementen van een openbaar tele-
communicatienetwerk die geheel of gedeeltelijk worden gebruikt voor de
levering van de vaste openbare telefoondienst;
[...].
Artikel 6.1
1. Aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken of openbare
telecommunicatiediensten in Nederland, die daarbij de toegang tot net-
werkaansluitpunten van eindgebruikers controleren, dragen zorg voor de
interconnectie van de betrokken telecommunicatienetwerken teneinde te
verzekeren dat de daarop aangesloten gebruikers over en weer met elkaar
kunnen communiceren.
[...]
6. Onverminderd het derde en vierde lid, dient ter uitvoering van het
eerste, [...] lid iedere daar bedoelde aanbieder met andere daar bedoelde
aanbieders in onderhandeling te treden om te komen tot overeenkom-
sten op basis waarvan de interconnectie tot stand komt. In het geval de
in de vorige zin bedoelde verplichting dient ter uitvoering van het eerste
lid kan het college aanbieders bij het uitblijven van een overeenkomst
een termijn stellen, waarbinnen deze tot stand moet zijn gekomen. Na
ommekomst van deze termijn zijn betrokken aanbieders in gebreke,
tenzij door een of meer van hen een beroep gedaan is op artikel 6.3, eer-
ste lid.
[...].
Artikel 6.3
1. Indien aanbieders geen overeenkomst als bedoeld in artikel 6.1, zesde
lid, tot stand brengen, kan het college op aanvraag van een of meer van
hen, de regels vaststellen die tussen hen zullen gelden. [...]
[...]
Artikel 6.4
1. De aanbieders van vaste openbare telefoonnetwerken en vaste openba-
re telefoondiensten, de aanbieders van mobiele openbare telefoonnetwer-
ken en mobiele openbare telefoondiensten, en de aanbieders van huurlij-
nen, die in het gebied waarin zij binnen Nederland actief zijn op de
markt met betrekking tot de vaste openbare telefoonnetwerken of de vas-
te openbare telefoondienst, onderscheidenlijk op de markt met betrekking
tot de mobiele openbare telefoonnetwerken of de mobiele openbare tele-
foondienst, onderscheidenlijk op de markt voor huurlijnen, beschikken
over een aanmerkelijke macht worden als zodanig aangewezen door het
college.
Artikel 6.5
Aanbieders, aangewezen door het college krachtens artikel 6.4, eerste lid:
a. [...];
b. verstrekken aan andere aanbieders, die krachtens artikel 6.1 verzoeken
om interconnectie, deze onder gelijke voorwaarden als die welke onder
gelijke omstandigheden gelden voor henzelf of hun dochtermaatschap-
pijen;
[...].
Artikel 6.6
1. Aanbieders van vaste openbare telefoonnetwerken, vaste openbare tele-
foondiensten en van huurlijnen, aangewezen door het college krachtens
artikel 6.4, eerste lid, [...], dragen er zorg voor dat de tarieven voor intercon-
nectie op transparante wijze worden bepaald en op kosten zijn georiënteerd.
2. Aanbieders van vaste openbare telefoonnetwerken, vaste openbare tele-
foondiensten en van huurlijnen, aangewezen door het college krachtens
artikel 6.4, eerste lid, dragen er bovendien zorg voor dat de tarieven voor
interconnectie in voldoende mate zijn uitgesplitst.
[...]
Artikel 6.9
1. Aanbieders, aangewezen door het college krachtens artikel 6.4, eerste
lid, voldoen aan alle redelijke verzoeken tot bijzondere toegang.
2. De artikelen 6.2, 6.3 en 6.5 zijn van overeenkomstige toepassing, met
dien verstande dat het in artikel 6.5, onderdelen a en b, vastgelegde ver-
eiste van non-discriminatie, behoudens het bepaalde in het derde lid,
mede ziet op de ten behoeve van de totstandbrenging van interconnectie
als bedoeld in artikel 6.1 geboden bijzondere toegang.
3. Onverminderd het eerste en tweede lid, is voor aanbieders van vaste
openbare telefoonnetwerken of vaste openbare telefoondiensten die zijn
aangewezen krachtens artikel 6.4, eerste lid, artikel 6.6 van overeenkom-
stige toepassing ten aanzien van verzoeken om bijzondere toegang
gedaan door hen die in of buiten Nederland openbare telecommunicatie-
diensten aanbieden.
[...]
In de Memorie van Toelichting bij de Tw (Tweede Kamer, vergader-
jaar 1996-1997, 25 533, nr. 3, pagina 28) staat vermeld:
Bij bijzondere toegang is sprake van twee aanbieders van telecommuni-
catiediensten, waarbij de ene partij wel en de andere partij geen eigen
aansluitnet heeft. Wanneer de laatstgenoemde gebruik wil maken van
het netwerk van bijvoorbeeld een aanbieder van openbare telecommuni-
catienetwerken vraagt deze speciale voorzieningen, opdat de abonnees
van deze netwerken toch de diensten kunnen afnemen van deze dienst-
aanbieder.
8. De beoordeling
Ingevolge artikel 6.9, eerste lid, van de Tw dienen krachtens artikel
6.4, eerste lid, aangewezen aanbieders te voldoen aan redelijke ver-
zoeken tot bijzondere toegang. De bepaling geeft niet uitdrukkelijk
aan waartoe bij bedoelde verzoeken toegang gevraagd dient te wor-
den. In ieder geval betreft het gelet op de definitie van het begrip
bijzondere toegang in artikel 1.1, onder j, van de Tw toegang tot een
telecommunicatienetwerk. Verder is het logisch dat een aanbieder
niet meer kan dan toegang verlenen tot een dergelijk netwerk waar-
over hij als aanbieder beschikt.
Aanbieders kunnen beschikken over verschillende soorten telecom-
municatienetwerken. In het bijzonder valt te denken aan het
beschikken over enerzijds vaste telefoonnetwerken en anderzijds
mobiele telefoonnetwerken. Naar het oordeel van het College ligt het
in de rede te veronderstellen dat artikel 6.9, eerste lid, van de Tw aan
de aanbieder die op grond van artikel 6.4 van de Tw is aangewezen als
aanbieder met aanmerkelijke macht op de markt met betrekking tot
hetzij de vaste openbare telefoonnetwerken of de vaste openbare tele-
foondienst, hetzij de mobiele openbare telefoonnetwerken of de
mobiele openbare telefoondienst, geen verdergaande verplichting
oplegt dan het verschaffen van toegang tot onderscheidenlijk het
openbare vaste en het openbare mobiele telefoonnetwerk. Immers,
het ligt niet voor de hand te veronderstellen dat een verzoek om toe-
gang tot een mobiel netwerk aan een aanbieder die slechts ten aan-
zien van zijn vaste netwerk een aanmerkelijke marktmacht bezit, zou
dienen te worden afgewezen met als argument dat een dergelijk ver-
zoek niet voldoet aan het element `redelijk' uit bedoelde wetsbepa-
ling.
Het voorgaande leidt er dus toe, dat het voor een juiste interpretatie
van artikel 6.9, eerste lid, van de Tw nodig is in ieder geval enig ver-
band te leggen met de reikwijdte van de aanwijzing die op grond van
artikel 6.4 heeft plaatsgevonden.
De (thans van belang zijnde) aanwijzing van KPN op grond van
artikel 6.4 van de Tw heeft betrekking op vaste openbare telefoonnet-
werken en de vaste openbare telefoondienst. Blijkens de definitiebe-
paling van artikel 1, onder l, van de Tw bestaat een vast openbaar tele-
foonnetwerk uit de elementen van een openbaar telecommunicatie-
netwerk, die geheel of gedeeltelijk worden gebruikt voor de levering
van de vaste openbare telefoondienst. Elementen van het telecommu-
nicatienetwerk die niet worden gebruikt voor laatstbedoelde dienst
maken dus geen deel uit van het vaste openbare telefoonnetwerk in
de zin van de Tw.
Ingevolge artikel 1, onderdeel k, van de Tw is de vaste openbare tele-
foondienst de openbare telecommunicatiedienst die, voorzover hier
van belang, bestaat in de directe overdracht en routering van spraak.
In termen van de Tw is dus geen sprake van een (vast openbaar) tele-
foonnetwerk, voorzover het betrokken telecommunicatienetwerk
bestaat uit elementen die uitsluitend anders worden gebruikt dan
voor directe overdracht en routering van spraak.
Tiscali heeft bijzondere toegang verzocht tot een gedeelte van het
telecommunicatie-netwerk van KPN dat bestaat uit verschillende ele-
menten. KPN heeft gesteld dat bepaalde elementen die behoren tot
het telecommunicatienetwerkgedeelte waartoe bijzondere toegang
wordt verzocht, elementen betreffen die enkel worden gebruikt voor
overdracht van data en dus in het geheel niet voor directe overdracht
en routering van spraak, in welk verband in het bijzonder de zoge-
noemde DSLAM is vermeld. Bedoelde stelling is door Tiscali en OPTA
slechts gemotiveerd weersproken, voorzover door hen wordt gesteld
dat nieuwe technieken Voice over DSL dan wel Voice over IP het
mogelijk maken ook spraakverkeer via evenbedoelde elementen te
laten verlopen. Het College overweegt hieromtrent dat naar valt op
te maken uit hetgeen partijen hieromtrent naar voren hebben
gebracht het hier gaat om nieuwe technieken die het mogelijk
maken spraakverkeer om te zetten in data die via de breedbandme-
thode kunnen worden overgedragen en niet op één lijn zijn te stellen
met het traditionele spraakverkeer (en het hiermee door partijen
gelijk gestelde smalbandverkeer) zoals dit de wetgever ten tijde van
de totstandkoming van de Tw voor ogen moet hebben gestaan.
Temeer waar KPN onvoldoende gemotiveerd weersproken heeft
gesteld dat zij zelf ten tijde van het bij de rechtbank bestreden besluit
bedoelde voicetechnieken nog niet had aangeboden, zodat aanneme-
lijk is dat de DSLAM niet hetgeen artikel 1, onder l, van de Tw voor
het aanmerken van bedoeld element als deel van het vaste openbaar
telefoonnetwerk zou eisen wordt gebruikt voor de overdracht van
spraak via bedoelde technieken, brengt het bestaan van bedoelde voi-
cetechnieken niet met zich dat ook de DSLAM's van KPN elementen
zouden zijn die behoren tot het vaste openbaar telefoonnetwerk.
Tiscali en OPTA hebben aangevoerd dat de rechtbank de bedoeling
van de wetgever, zoals deze naar voren komt uit de wetsgeschiedenis,
heeft miskend. Tiscali leidt uit twee door haar vermelde passages uit
de Memorie van Toelichting op het voorstel dat leidde tot de Tw en
uit de aan de Tweede Kamer uitgebrachte Nota naar aanleiding van
het Verslag af, dat het begrip bijzondere toegang ruim moet worden
uitgelegd, omdat de regeling dienaangaande is bedoeld om de ont-
wikkeling van nieuwe diensten te bevorderen. Het College overweegt
hieromtrent dat uit de door Tiscali bedoelde passages inderdaad valt
op te maken, dat de minister het passend achtte via de flexibele raam-
regeling van de bijzondere toegang een aanbod van verschillende,
niet op voorhand te benoemen, nieuwe diensten mogelijk te maken,
hetgeen een positief te waarderen stimulans voor innovatie en
ontwikkeling van de telecommunicatiemarkt zou betekenen. Noch
in bedoelde passages, noch elders in de wetsgeschiedenis heeft het
College evenwel aanknopingspunten gevonden om te veronderstel-
len dat de wetgever tevens heeft beoogd aldus bijzondere toegang
mogelijk te maken tot onderdelen van het telecommunicatienetwerk
van KPN die niet zouden behoren tot het vaste telefoonnetwerk van
KPN.
Door Tiscali is gewezen op Mededeling 2000/C272/10 van de Com-
missie. Deze mededeling betreft ontbundelde toegang tot het aan-
sluitnet en gaat in paragraaf 5.2 dan ook in op bijzondere toegangs-
verplichtingen die rusten op een exploitant die onder Richtlijn
98/10/EG (spraaktelefonierichtlijn) is aangemeld als exploitant met
een aanmerkelijk macht op de markt voor het aanbieden van tele-
foondiensten over vaste openbare telefoonnetwerken en die voor zijn
eigen diensten gedeelde toegang tot het aansluitnet verleent. In para-
graaf 5.3 van haar mededeling geeft de Commissie vervolgens aan dat
de gevestigde exploitant die DSL bitstroomdiensten aan zijn eigen
diensten of dochteronderneming levert, dergelijke vormen van toe-
gang eveneens onder transparante en niet-discriminerende voor-
waarden aan anderen dient te leveren. De Commissie leidt een en
ander af uit artikel 16, zevende lid, van de spraaktelefonierichtlijn.
Noch bedoelde bepaling van de spraaktelefonierichtlijn zelf, noch
evenbedoelde passages van de Mededeling, dwingen ertoe aan te
nemen dat hier voor de aanbieder met aanmerkelijke marktmacht
verdergaande verplichtingen worden beoogd dan verplichtingen die
betrekking hebben op toegang tot netwerkelementen die geheel of
gedeeltelijk worden gebruikt voor de levering van spraakdiensten
(waaronder mede begrepen smalbandige datadiensten). Het vaste
openbare telefoonnet, bij het gebruik waarvan de aanbieder met aan-
merkelijk marktmacht ingevolge artikel 16, zevende lid, van de
spraaktelefonierichtlijn het non-discriminatiebeginsel in acht dient
te nemen, is immers ingevolge artikel 2, derde lid, onder a, van de
spraaktelefonierichtlijn het vaste openbare telefoonnetwerk, zoals
dit staat omschreven in bijlage I bij Richtlijn 97/33/EG (interconnec-
tierichtlijn). Voorzover hier van belang wordt ingevolge bedoelde bij-
lage onder het vaste openbare telefoonnetwerk verstaan: het openba-
re geschakelde telecommunicatienetwerk voor de overdracht van
spraak en van audio-informatie met een bandbreedte van 3,1 kHz, o.a.
voor spraaktelefonie en spraakbanddatatransmissie. Tot dit netwerk
vallen niet te rekenen de netwerkelementen die niet (mede) gebruikt
worden voor spraaktelefonie en smalbandige datadiensten.
Gelet op het voorgaande kan de verwijzing naar Mededeling
2000/C272/10 Tiscali niet het door haar beoogde resultaat opleveren.
Hetzelfde geldt met betrekking tot de verwijzing door Tiscali naar
enkele bladzijden uit het werkdocument van het Communications
Committee van 20 juni 2003. Uit bedoelde passages valt niet meer op
te maken dan dat de praktijk ten aanzien van bitstroomtoegang
varieert per lidstaat voor wat betreft het punt waarop toegang tot het
netwerk wordt geboden. Uit de overgelegde passages kan het College
niet opmaken dat bedoeld comité van oordeel is dat de incumbent
bitstroomtoegang zou moeten verlenen tot netwerkelementen die
niet (mede) gebruikt worden voor spraaktelefonie en smalbandige
datadiensten. Gelet op de varianten van bitstroomregulering in ver-
schillende lidstaten, kan aan de enkele verwijzing door Tiscali naar
een beslissing van de Franse toezichthouder al evenmin beslissende
betekenis toekomen voor de onderhavige zaak.
Nu vaststaat dat Tiscali met haar verzoek toegang verlangt tot een
gedeelte van het telecommunicatienetwerk dat elementen bevat die
niet zijn te brengen onder het begrip vast openbaar telefoonnetwerk,
dient als volgt te worden geconcludeerd. Artikel 6.9 van de Tw brengt
voor KPN als op grond van artikel 6.4 van de Tw aangewezen aanbie-
der van vaste openbare telefoonnetwerken, niet de verplichting met
zich om te voldoen aan het verzoek tot bijzondere toegang van Tisca-
li. De rechtbank heeft dan ook terecht geconstateerd dat OPTA niet de
bevoegdheid toekwam om met toepassing van artikel 6.3, eerste lid,
in samenhang met artikel 6.9, tweede lid, van de Tw regels vast te
stellen als is geschied bij het na bezwaar gehandhaafde besluit.
Appellanten hebben nog gewezen op het risico dat een minder ruime
uitleg van artikel 6.9 van de Tw aanbieders die zijn aangewezen als
partij met aanmerkelijke marktmacht de mogelijkheid biedt om
door een beperkte technische ingreep in het netwerk, waardoor een
of meer voor de bijzondere toegang benodigde elementen niet langer
voor spraaktelefonie worden benut, te bewerkstelligen dat geen ver-
plichtingen tot het verlenen van bijzondere toegang kunnen ont-
staan. Het College ziet hierin geen aanleiding anders te oordelen.
Hiertoe overweegt het College dat gesteld noch gebleken is dat KPN
met het oog op het afhouden van bijzondere toegang bepaalde net-
werkelementen exclusief voor dataverkeer zou hebben bestemd. In
het vooralsnog hypothetische geval dat een aangewezen aanbie-
der zich wel aan een dergelijk handelen met een dergelijk oogmerk
schuldig maakt, is het aan de hierdoor benadeelde partij dan wel de
terzake bevoegde toezichthouder om hiertegen alsdan met gebruik
van de hiertoe wettelijk openstaande middelen stappen te onderne-
men.
Het College komt niet toe aan een beoordeling van de stelling van
Tiscali dat OPTA in ieder geval bevoegd is op grond van de wettelijke
bepalingen met betrekking tot huurlijnen. Deze stelling valt buiten
het bestek van dit geschil, aangezien het besluit van 22 augustus
2003, waartegen het beroep van Tiscali was gericht, niet op bedoelde
bepalingen is gebaseerd.
Het vorenstaande leidt het College tot de conclusie dat beide hoger
beroepen ongegrond zijn en dat de uitspraak van de rechtbank dient
te worden bevestigd. Het College acht geen termen aanwezig voor
een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de
Awb.
Mediaforum 2004-7/8
264
Jurisprudentie nr
.2
8
Mediaforum 2004-7/8
265
Jurisprudentie nr
.2
8
9. De beslissing
Het College bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. D. Roemers, mr. M. J. Kuiper en mr. C. J. Bor-
man, in tegenwoordigheid van mr. R. Meijer, als griffier, en uitge-
sproken in het openbaar op 16 april 2004.
Noot
Dido Schipper
Mr. D. Schipper is advocaat te Amsterdam (Stibbe).
Inleiding
Op 16 april 2004 deed het College van Beroep voor het Bedrijfsleven
uitspraak in het geschil tussen Tiscali en OPTA enerzijds en KPN
Telecom B.V. anderzijds. Met deze uitspraak komt een einde aan een
procedure die aanving met het besluit van de OPTA van 1 mei 2003
waarin de OPTA bepaalde dat KPN aan Tiscali een aanbod moest
doen voor bitstroomtoegang.
1
Het voornaamste onderwerp van geschil vormt de vraag of het juri-
disch kader zoals vervat in artikel 6.1 6.9 van de Tw grondslag kan
vormen voor het opleggen van toegangsverplichtingen ten behoeve
van digitale (internet)toegangsdiensten.
Uitspraak CBB
Aan de uitspraak lagen onder meer de navolgende twee overwegin-
gen ten grondslag.
Allereerst overwoog het CBB dat het voor een juiste interpretatie van
de verplichting van een aanbieder op grond van artikel 6.9 om bij-
zondere toegang te verlenen, nodig is om `in ieder geval enig verband
te leggen met de reikwijdte van de aanwijzing' op grond van artikel
6.4 van de Telecommunicatiewet, hierna: `Tw'. Vervolgens hanteerde
het CBB een strikt taalkundige uitleg van de definitie van een vast
openbaar telefoonnetwerk en de vaste openbare telefoondienst op
grond van artikel 1, onder resp. l en k van de Tw. Het CBB overwoog
dat aangezien een vast openbaar telefoonnetwerk bestaat uit elemen-
ten van een openbaar telecommunicatienetwerk die geheel of gedeel-
telijk worden gebruikt voor de levering van de vaste openbare tele-
foondienst, elementen van een telecommunicatienetwerk die niet
worden gebruikt voor laatstbedoelde dienst (spraak) aldus geen deel
uitmaken van het vaste openbare telefoonnetwerk in de zin van de
Tw.
Het is de vraag of deze interpretatie juist is. Een taalkundige inter-
pretatie van de definitie van vast openbaar telefoonnetwerk `geheel of
gedeeltelijk' impliceert nu juist dat er ook delen van dat telefoonnet-
werk kunnen zijn die niet worden gebruikt voor de overdracht van
spraak. Teneinde echter niet te vervallen in een woordenspel, lijkt het
voor de beantwoording van de vraag of dit telecommunicatienetwerk
als telefoonnetwerk in de zin van de Tw kan worden aangemerkt,
raadzaam aanknoping te zoeken bij (i) de opbouw van het telecom-
municatienetwerk waartoe toegang wordt verzocht en (ii) bij de doel-
stelling van de Tw.
(i) Telecommunicatienetwerk
Het CBB overwoog dat KPN heeft gesteld dat bepaalde elementen die
behoren tot het telecommunicatienetwerkgedeelte waartoe bijzon-
dere toegang wordt verzocht, elementen betreffen die enkel worden
gebruikt voor overdracht van data en dus in het geheel niet voor
directe overdracht en routering van spraak. In dit verband is in het
bijzonder de DSLAM vermeld. Het CBB gaf zelf geen weergave van
dat telecommunicatienetwerk, maar zocht aansluiting bij de weerga-
ve daarvan in de aangevallen uitspraak van de Voorzieningenrechter
van de rechtbank te Rotterdam.
2
Het telefoonnetwerk van verzoekster [...] loopt vanaf de adressen van
abonnees (hierna: particulier(en)) naar een locale nummercentrale, ver-
der aan te duiden als de aansluitlijnen, en vervolgens naar een regionale
verkeerscentrale. Bij een ADSL-aansluiting van een particulier wordt de
aansluitlijn zowel voor spraak- als dataverkeer gebruikt en wel zodanig
dat het spraakverkeer gebruik maakt van het lage deel van het frequen-
tiespectrum en het dataverkeer van het hoge deel van dat spectrum. Deze
twee delen van het spectrum worden in de locale nummercentrale
gescheiden, waarna spraak- en dataverkeer afzonderlijke bewerkingen
ondergaan (het spraakverkeer wordt via een telefooncentrale geleid en
het dataverkeer via een DSLAM). Daarna worden beide stromen naar de
regionale verkeerscentrale behorend bij de betreffende locale nummercen-
trale gestuurd. De verbinding tussen beide centrale wordt door verweer-
der als universeel transportnetwerk aangeduid. Dit netwerk kent drie
digitale verkeersstromen, namelijk spraakverkeer, dataverkeer en ver-
keer via huurlijnen. Van belang is dat deze stromen door de transmissie-
apparatuur gescheiden worden gehouden in die zin dat sprake is van
vastgestelde maximale capaciteiten voor iedere verkeersstroom, en er
geen overloop mogelijk is indien een of twee van die stromen hun maxi-
male capaciteit hebben bereikt. Of er van een fysieke scheiding van deze
stromen sprake is kan niet in zijn algemeenheid worden vastgesteld en
hangt mede af van de locale situatie zoals de technische specificaties van
de aanwezige kabelverbinding(en). [...] De regionale verkeerscentrale is
het punt waarop volgens het bestreden besluit verzoekster bitstroomtoe-
gang aan de derde-partij dient te geven, ook wel aangeduid als uitkoppel-
punt.
Met andere woorden, thans wordt niet verzocht om toegang tot de
aansluitlijn (het netwerk tussen de abonnee en de locale verkeerscen-
trale) maar om toegang tot het transportnetwerk (het netwerk tussen
de regionale en locale verkeerscentrale).
Terug naar de overweging van het CBB hieromtrent. Het is mogelijk
om spraakverkeer via `Voice over DSL' of `Voice over IP' aan te bieden
via de DSLAM. Van deze mogelijkheid maakte KPN echter ten tijde
van het besluit nog geen gebruik. Daarom overwoog het CBB:
temeer waar KPN onvoldoende gemotiveerd weersproken heeft gesteld
dat zij zelf ten tijde van het bij de rechtbank bestreden besluit bedoelde
voicetechnieken nog niet had aangeboden, zodat aannemelijk is dat de
DSLAM niet hetgeen artikel 1, onder l, van de Tw voor het aanmerken
van bedoeld element als deel van het vaste openbaar telefoonnetwerk zou
eisen wordt gebruikt voor de overdracht van spraak via bedoelde tech-
nieken, brengt het bestaan van bedoelde voice-technieken niet met zich
dat ook de DSLAM's van KPN elementen zouden zijn die behoren tot het
vaste openbaar telefoonnetwerk.
Aangezien de DSLAM geen spraakverkeer transporteert, maakt het
geen onderdeel uit van het telefoonnetwerk. Echter blijkens de
hierboven weergegeven beschrijving van het telecommunicatienet-
werk volgt dit netwerk de topografie van het `oude' telefoonnet-
werk. Het transport van spraak- en dataverkeer zijn slechts van elkaar
gescheiden door middel van een splitter, terwijl niet in zijn alge-
meenheid kan worden gezegd dat er sprake is van een fysieke schei-
ding van het spraak- en dataverkeer. Dit roept de vraag op, of er über-
haupt wel sprake is van een afzonderlijk telecommunicatienetwerk.
Men kan ook beargumenteren dat het oude telefoonnetwerk door
middel van moderniseringen en nieuwe toepassingen, te weten de
DSLAM, geschikt is gemaakt voor nieuwe toepassingen. Hetzelfde is
geschiedt met de aansluitlijn dat door middel van de xDSL-techniek
geschikt werd gemaakt voor transport van spraak- én dataverkeer. In
deze visie is het bepaald verdedigbaar dat er geen sprake is van een
nieuw, afzonder telecommunicatienetwerk, maar een telecommuni-
catienetwerk dat onderdeel uitmaakt van het oude telefoonnetwerk.
Dit telefoonnetwerk wordt gedeeltelijk gebruikt voor het transport
van spraakverkeer en gedeeltelijk voor het transport van dataverkeer.
Gelet hierop, en het feit dat een taalkundige interpretatie van de
1
Besluit inzake geschil Tiscali B.V. en KPN Telecom BV, 1 mei 2003, kenmerk
OPTA/IBT/2003/201727, beschikbaar op www.opta.nl. Genoemd besluit werd
op 17 juli 2003 geschorst (Vzr. Rb. Rotterdam 17 juli 2003, zaaknr. VTELC
03/1400-HRK,
Mediaforum 2003-11/12, nr. 53 m.nt. D. Schipper). In het besluit op
bezwaar van de OPTA werd het besluit in primo grotendeels gehandhaafd.
OPTA, beslissing op bezwaar, JB 03036, OPTA/JUZ/2003/202984. Tegen het
besluit op bezwaar werd beroep ingesteld en werd tevens verzocht om een
voorlopige voorziening tegen het besluit op bezwaar. Bij uitspraak van 30
oktober 2003 wees de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige
voorziening toe waarbij tevens toepassing werd gegeven aan artikel 8:86 van de
Algemene Wet Bestuursrecht (hierna: AWB) en bepaalde dat OPTA een nieuw
besluit op bezwaar moest nemen met inachtneming van hetgeen in deze uit-
spraak is overwogen (Vzr. Rb. Rotterdam 30 oktober 2003, zaaknr. VTELEC
03/2569, LJN-nr. AN4631). Tegen deze laatste uitspraak is hoger beroep inge-
steld, hetgeen aanleiding gaf tot de thans te bespreken uitspraak van het CBB.
2 Vzr. Rb.Rotterdam 17 juli 2003, zaaknr. VTELEC 03/1400-HRK, LJN-nr. AI0514
en Vzr. Rb. Rotterdam 30 oktober 2003, zaaknr. VTELEC 03/2569, LJN-nr.
AN4631.
definitie van vast openbaar telefoonnetwerk `geheel of gedeeltelijk'
nu juist impliceert dat er ook delen van dat telefoonnetwerk zijn die
niet worden gebruikt voor de overdracht van spraak, is de overwe-
ging van het CBB naar mijn mening niet juist. In ieder geval had het
CBB hieromtrent de bedoeling van zowel de Europese als de nationa-
le wetgever in ogenschouw dienen te nemen.
(ii) Doelstelling Tw
OPTA en Tiscali verwijzen zowel naar de wetsgeschiedenis van de Tw,
als de Europese wetgeving en beleidsdocumenten terzake. Voor wat
betreft de Europese wetgeving werd door OPTA onder meer gewezen
op paragraaf 5.3 van de mededeling van de Commissie inzake ont-
bundelde toegang.
3
De Europese wetgever is van mening dat wanneer
een gevestigde exploitant het vaste openbare telefoonnetwerk
gebruikt voor het leveren van DSL bitstreamdiensten aan zijn eigen
diensten of dochterondernemingen, deze exploitant deze diensten
op grond van het non-discriminatiebeginsel ook aan derden dient te
leveren.
Deze stelling wordt echter verworpen met de overweging dat de
Mededeling inzake ontbundelde toegang alleen ziet op een vast
openbaar telefoonnetwerk en dat `tot dit netwerk vallen niet te reke-
nen de netwerkelementen die niet (mede) gebruikt worden voor
spraaktelefonie en smalbandige datadiensten.' Echter, deze overwe-
ging adresseert noch beantwoordt de vraag of hier niet sprake is van
`het vast oude telefoonnetwerk dat wordt gebruikt voor het leveren
van snelle toegangs- en transmissiediensten'.
4
Deze vraag is dan ook terecht aan de orde gesteld door OPTA daar
waar zij blijkens de uitspraak op het risico wees dat een minder ruime
uitleg van artikel 6.9 Tw aanbieders die zijn aangewezen als partij
met aanmerkelijke marktmacht (KPN) de mogelijkheid biedt om
door een beperkte technische ingreep in het netwerk, waardoor een
of meer voor de bijzondere toegang benodigde elementen niet langer
voor spraaktelefonie worden benut, te bewerkstelligen dat geen ver-
plichtingen tot het verlenen van bijzondere toegang kunnen ont-
staan. Het CBB overwoog hieromtrent het navolgende:
Het College ziet hierin geen aanleiding anders te oordelen. Hiertoe over-
weegt het College dat gesteld noch gebleken is dat KPN met het oog op het
afhouden van bijzondere toegang bepaalde netwerkelementen exclusief
voor dataverkeer zou hebben bestemd. In het vooralsnog hypothetische
geval dat een aangewezen aanbieder zich wel aan een dergelijk hande-
len met een dergelijk oogmerk schuldig maakt, is het aan de hierdoor
benadeelde partij dan wel de terzake bevoegde toezichthouder om hierte-
gen alsdan met gebruik van de hiertoe wettelijk openstaande middelen
stappen te ondernemen.
Onduidelijk is echter op welke wettelijk openstaande middelen het
CBB doelt. De wetgever heeft getracht door middel van de Tw het ONP-
regelgevingskader zoals dit voortvloeit uit de Europese richtlijnen te
implementeren. De doelstelling van het ONP-regelgevingskader is om
het oude telefoonnetwerk open te stellen voor andere marktpartijen
die alsdan via dit telefoonnetwerk diensten kunnen aanbieden aan de
eindgebruikers. Daartoe is de bevoegdheid in het leven geroepen om
op grond van artikel 6.3. j
o
6.4 j
o
6.9 bijzondere toegangverplichtingen
op te leggen. In het kader van deze besluitvorming die in deze proce-
dure derhalve rechtstreeks aan de orde is dient de vraag te worden
beantwoord of bepaalde telecommunicatienetwerken waartoe toegang
wordt verzocht, dienen te worden aangemerkt als zijnde onderdeel van
het oude telefoonnetwerk. Het is dan ook in dit kader dat de politiek-
economische vraag moet worden beantwoord of investeringen in een
telefoonnetwerk van zodanige aard zijn dat zij niet meer kunnen wor-
den toegeschreven aan de voordelen die de incumbent heeft van het
opgebouwde oude telefoonnetwerk, maar dat er sprake is van een
nieuw, afzonderlijk telecommunicatienetwerk, opgebouwd door, en
met de eigen middelen van, de incumbent. Het CBB heeft zich echte
beperkt tot het hanteren van een strikt taalkundige interpretatie van
het begrip telefoonnetwerk en heeft deze vraag buiten beschouwing
gelaten, hetgeen valt te betreuren.
Nieuw regelgevingskader
Thans is de nieuwe Tw in werking getreden.
5
Het nieuwe regelge-
vingskader is van toepassing op alle elektronische communicatienet-
werken en diensten, derhalve ook op (onderdelen van) telecommu-
nicatienetwerken waarlangs uitsluitend data wordt getransporteerd.
Echter, alvorens de sectorspecifieke (toegangs)verplichtingen op
grond van de Tw toepassing vinden, dient eerste de relevante markt
en de positie van KPN en/of andere marktpartijen op die markt te
worden afgebakend. Het telecommunicatienetwerk waartoe men
toegang wenst te verkrijgen dient deel uit te maken van een product-
markt waarop de eigenaar van het telecommunicatienetwerk een eco-
nomische machtspositie inneemt. In het kader van deze marktanaly-
se dient de politiek-economische vraag te worden beantwoord of de
positie die KPN op deze markt inneemt van zodanige aard is dat er
aanleiding is om aan KPN sector-specifieke (toegangs)verplichtingen
op te leggen. Daarbij dient de doelstelling van het ONP-regelgevings-
kader alsmede de belangen van KPN en de nieuwkomer op deze
markt in ogenschouw te worden genomen. Anders dan het CBB, kan
men zich daarbij niet beperken tot een louter taalkundige interpreta-
tie van de begrippen uit de Tw.
Mediaforum 2004-7/8
266
Jurisprudentie nr
.2
8
3 In paragraaf 5.3 van de Mededeling inzake ontbundelde toegang tot het aan-
sluitnetwerk is het navolgende overwogen: `Het gemeenschapsrecht schrijft
geen verplichte levering van snelle bitstreamdiensten voor, maar wanneer een
gevestigde exploitant DSL bitstream diensten levert aan zijn eigen diensten,
dochteronderneming of een andere partij, moet deze exploitant volgens het
Gemeenschapsrecht dergelijke vormen van toegang onder transparante en niet
discriminerende voorwaarden ook aan anderen leveren (richtlijn 98/10/EG,
artikel 16, lid 7).' Zie ook artikel 1, lid 3 van de Verordening inzake ontbundelde
toegang tot het aansluitnet, alsmede artikel 16, lid 7 van de Spraakrichtlijn II.
4 Zie artikel 1, lid 3 van de Verordening inzake ontbundelde toegang tot het aan-
sluitnet.
5 Wet van 22 april 2004 tot wijziging van de Telecommunicatiewet en enkele
andere wetten in verband met de implementatie van een nieuw Europees regel-
gevingskader voor elektronische communicatienetweken en -diensten en de
nieuwe dienstenrichtlijn van de Commissie van de Europese Gemeenschap-
pen,
Stb. 2004, 189.
Mediaforum 2004-7/8
267
Jurisprudentie nr
.2
9
Nr 29
OPTA vs.Telfort
College van Beroep voor het Bedrijfsleven 's-Gravenhage 7 mei 2004
No. AWB 03/623
Uitspraak inzake het hoger beroep van:
Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit (hierna: OPTA),
te Den Haag, gemachtigde: mr. E. J. Daalder, advocaat te Den Haag,
tegen de uitspraak van de rechtbank te Rotterdam van 25 april 2003,
reg.nr. TELEC 02/2156 GERR en TELEC 02/2339 GERR, in de geschil-
len tussen appellante en
1. Telfort BV (hierna: Telfort), te Amsterdam, gemachtigde mr. A.A.
Donia, advocaat te Den Haag,
2. KPN Mobile The Netherlands BV (hierna: KPN), te Den Haag,
gemachtigde: mr. S. J. van der Voorde, advocaat te Amsterdam.
1. De procedure
Op 4 juni 2003 heeft het College van OPTA een hoger beroepschrift
ontvangen tegen voormelde uitspraak van de rechtbank, die is ver-
zonden op 29 april 2003.
Bij deze uitspraak zijn de beroepen van KPN en Telfort tegen het
besluit van OPTA van 19 juli 2002, strekkende tot deels gegrond- en
deels ongegrondverklaring van hun bezwaarschriften tegen de toe-
passing van artikel 6.3, eerste lid, van de Telecommunicatiewet (hier-
na: Tw), gegrond verklaard, onder vernietiging van dat besluit.
Bij brief van 20 juni 2003 heeft Versatel Nederland BV (hierna: Versa-
tel) verzocht als partij tot het geding te worden toegelaten, welk ver-
zoek bij brief van 23 juni 2003 is ingewilligd.
Telfort en KPN hebben op onderscheidenlijk 31 juli 2003 en 1 augus-
tus 2003 een schriftelijke uiteenzetting toegezonden.
Bij brief van 28 augustus 2003 heeft OPTA het College haar stand-
punt omtrent de vraag of Versatel partij is doen toekomen.
Bij beschikking van 19 november 2003 heeft het College de toelating
van Versatel als partij in dit geding beëindigd.
Bij brieven van 5 december 2003 hebben KPN en Telfort verzocht het
hoger beroep van OPTA niet-ontvankelijk te verklaren omdat tussen
KPN en Telfort geen geschil meer zou bestaan.
Bij brief van 15 december 2003 heeft OPTA uiteengezet welk belang er
voor haar is blijven bestaan bij het verkrijgen van een uitspraak van
het College.
Bij brief van 19 december 2003 heeft Telfort hierop gereageerd.
Bij brief van 23 december 2003 heeft OPTA verklaard het hoger
beroep te handhaven.
Bij brieven van 29 december 2003 is partijen afschrift gezonden van de
beschikking van het College van 12 december 2003 waarbij is beslist
omtrent beperking van de kennisneming van enige stukken als bedoeld
in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).
Bij brieven van onderscheidenlijk 8 januari en 13 januari 2004 hebben
Telfort en KPN het College toestemming verleend om uitspraak te
doen op grond van de stukken waarvan een beperking van de kennis-
neming gerechtvaardigd wordt geacht.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart 2004. Bij
die gelegenheid hebben partijen bij monde van hun gemachtigden
hun standpunt toegelicht.
2. De ontvankelijkheid van het hoger beroep
2.1 Het voorliggende geschil betreft de toepassing door OPTA van
artikel 6.3, eerste lid, van de Telecommunicatiewet, naar aanleiding
van een aanvraag van KPN, gedaan omdat zij met Telfort geen over-
eenstemming kon bereiken omtrent de Mobile Terminating Access
(MTA)-tarieven in verband met interconnectie. Inmiddels is zodani-
ge overeenstemming bereikt.
2.2 OPTA is van opvatting dat zij nochtans belang heeft bij een uit-
spraak van het College op haar hoger beroep. Zij heeft daartoe
betoogd dat het voorliggende geschil niet op zichzelf staat, maar in
verband gebracht dient te worden met enige tientallen andere
geschillen tussen haar en mobiele operators met betrekking tot de
vaststelling van MTA-tarieven, waarin de beslissing op bezwaar is
aangehouden in afwachting van de uitspraak van het College. Ook
overigens is voor OPTA als bestuursorgaan een groot belang betrok-
ken bij het verkrijgen van een oordeel over de uitspraak van de recht-
bank, nu daarin is vastgesteld kort gezegd dat indien sprake is van
indirecte interconnectie tussen mobiele aanbieders en om die reden
met toepassing van artikel 6.3, derde lid, Tw ontheffing is verleend
van de in het eerste lid neergelegde interconnectieverplichting, voor
haar geen bevoegdheid bestaat tot het vaststellen van regels als
bedoeld in voormeld eerste lid.
OPTA heeft er verder op gewezen dat zij aansprakelijk kan worden
gehouden voor eventuele door het vernietigde besluit veroorzaakte
schade en dat zij door de rechtbank is veroordeeld in de kosten van de
procedure aan de zijde van KPN en Telfort.
2.3 Het College stelt vast dat blijkens het verhandelde ter zitting niet
alleen overeenstemming bestaat tussen KPN en Telfort, maar dat ook
de geschillen tussen OPTA en KPN en tussen OPTA en Telfort hun
betekenis hebben verloren. Door partijen is ter zitting gewezen op de
`Mededeling inzake beleid OPTA ten aanzien van mobiele termina-
ting tarieven' van 4 december 2003, gedaan naar aanleiding van het
voorstel van de mobiele aanbieders om met ingang van 1 januari 2004
de MTA-tarieven in 3 stappen te verlagen. In deze mededeling is
namens OPTA het volgende opgemerkt.
[...]
Ten aanzien van het door de NMA en OPTA aanvaarde voorstel van de
mobiele aanbieders
15. Het college merkt op dat de door de mobiele aanbieders overeengeko-
men tariefverlagingen de toepassing van bevoegdheden van het college
onder het nieuwe kader niet in de weg staan. In dat verband kan erop
gewezen worden dat ook de Beleidsregels uitgaan van een geleidelijke
overgang van het huidige MTA-tariefniveau naar een redelijker niveau.
Schokeffecten door abrupte marktbrede tariefverlagingen zijn niet bevor-
derlijk voor de ontwikkeling van de bestendige mededinging en dienen in
beginsel zoveel mogelijk te worden voorkomen.
16. Voorts constateert het college, dat hoewel door allerlei juridische pro-
cedures deze verlaging twee jaar is vertraagd, het tempo van de tariefs-
verlagingen overeenkomt met het tempo van de tariefsverlagingen in de
Beleidsregels.
17. Het feit dat de MTA-tarieven op een later tijdstip worden verlaagd
dan in de Beleidsregels is neergelegd brengt met zich mee dat de tijdstip-
pen inmiddels ruimschoots zijn verstreken. Dienaangaande overweegt
het college dat voorzover het al mogelijk en redelijk zou zijn om in geschil-
uitspraken de MTA-tarieven met terugwerkende kracht te verlagen, een
eventuele verlaging van de MTA-tarieven met terugwerkende kracht
naar het verleden toe niet tot gevolg zou hebben dat de eindgebruikerta-
rieven voor het bellen naar mobiel eveneens met terugwerkende kracht
worden verlaagd. Tevens stelt het college vast dat de aanbieders die de
hoge MTA tarieven als inkoopkosten hebben gemaakt voor het aanbieden
voor bellen naar mobiel deze kosten hebben doorbelast naar de eindge-
bruikers. Derhalve zal het college in nog te beslechten geschillen zo nodig
oordelen dat de tarieven zoals die door de mobiele aanbieders in rekening
zijn gebracht vóór 1 januari 2004 niet met terugwerkende kracht gedu-
rende die periode behoeven te worden verlaagd.
[...]
Het standpunt van het college
20. Op basis van de overwegingen in deze mededeling is het college van
oordeel dat de door de mobiele aanbieders voorgestelde verlaging van de
MTA-tarieven in het belang van de eindgebruikers is en de ontwikkeling
van bestendige mededinging op de telecommunicatiemarkt bevordert.
Het college zal zijn aangepast beleid toepassen in geschillen op grond van
artikel 6.3 huidige Tw. Indien een geschil wordt voorgelegd zal het college
het door de NMA en OPTA aanvaarde voorstel van de mobiele aanbieders
inzake de verlaging van de MTA-tarieven hanteren als toetsingskader.
Naar het oordeel van het college is dit op dit moment het best haalbare.
Het College leidt uit een en ander af dat, hoe ook wordt geoordeeld
over de vraag of OPTA al dan niet ingevolge artikel 6.3 Tw bevoegd was
in gevallen waarin sprake is van indirecte interconnectie tussen mobie-
le aanbieders de regels vast te stellen die tussen partijen hebben te gel-
den, OPTA aan dit oordeel in het voorliggende en de overige nog aan-
hangige geschillen geen enkele consequentie zal verbinden, zulks in
het kader van de overeengekomen stapsgewijze verlaging van de tarie-
ven. Bij een uitspraak van het College daarover heeft OPTA dan ook
geen procesbelang. Zodanig procesbelang kan naar het oordeel van het
College ook niet gelegen zijn in de ter zitting geopperde mogelijkheid
voor OPTA om, wanneer zij in de toekomst met de mobiele aanbieders
zal onderhandelen over de alsdan vast te stellen tarieven, na een voor
haar gunstige uitspraak zal kunnen aanvoeren dat de aanbieders gedu-
rende enige jaren te hoge tarieven hebben berekend. Hier is sprake van
een te ver verwijderd verband met het onderwerp van het voorliggende
geschil om een procesbelang te kunnen aannemen. Voor het overige is
Mediaforum 2004-7/8
268
Jurisprudentie nr
.2
9
een beantwoording door het College van de rechtsvraag naar de
bevoegdheid van OPTA in het kader van de toepassing van artikel 6.3,
eerste lid Tw nog slechts van principiële betekenis. De rechtsbescher-
ming ingevolge de Algemene wet bestuursrecht is niet bedoeld om in
die situatie zodanig antwoord te verkrijgen.
2.4 Het College deelt niet de stelling van OPTA dat een procesbelang
is gelegen in de mogelijkheid dat de andere partijen van haar vergoe-
ding van door hen geleden schade zullen vorderen. OPTA heeft noch
in haar beroepschrift noch ter zitting kunnen aangeven welke schade
door haar besluit, dat nimmer is geëffectueerd, zou kunnen zijn gele-
den. Voorts hebben de beide andere partijen ter zitting uitdrukkelijk
verklaard geen schade als gevolg van bedoeld besluit te hebben gele-
den en deswege ook geen vordering tot vergoeding daarvan te zullen
instellen.
2.5 Het College overweegt ten slotte dat tegen het onderdeel van de
uitspraak van de rechtbank, waarin de veroordeling in de kosten van
de procedure is neergelegd, wel afzonderlijk had kunnen worden
opgekomen OPTA heeft dit niet gedaan , maar dat dit niet betekent
dat daarmede een procesbelang ten aanzien van de overige onderdelen
van de uitspraak kan worden gecreëerd. De vraag of de rechtbank op
goede gronden tot de proceskostenveroordeling had kunnen komen
staat los van de inhoudelijke beoordeling van het geschil.
2.6 Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet-ontvankelijk
dient te worden verklaard.
Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenver-
oordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet
bestuursrecht.
3. De beslissing op het hoger beroep
Het College verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus gewezen door mr. C.M. Wolters, mr. M. J. Kuiper en mr. J.A.
Hagen, in tegenwoordigheid van mr. L. van Duuren, als griffier, en
uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2004.
Noot
Annetje Ottow
De mobiele apotheose
De zaak die tot veel consternatie
1
heeft geleid, is nu met een sisser
afgelopen. Het CBB weigert zich nog verder over de zaak uit te laten
nu OPTA reeds samen met de NMa een akkoord heeft bereikt met
de mobiele operators. Dit akkoord heeft geleid tot intrekking van de
lopende geschillen tussen de in deze zaak betrokken mobiele aanbie-
ders (Telfort en KPN). Naar de mening van het college ontbreekt het
OPTA als gevolg hiervan aan enig procesbelang. De nog naar het
oordeel van het college slechts principiële betekenis van een moge-
lijke uitspraak is voor het CBB onvoldoende om een antwoord te krij-
gen op de vraag of OPTA over een wettelijke bevoegdheid beschikte te
oordelen over geschillen betreffende indirecte interconnectie. De
rechtsvraag doet zich onder de nieuwe Telecommunicatiewet
2
niet
meer voor: de wetgever heeft nu uitdrukkelijk vermelddat OPTA
bevoegd is over zowel directe als indirecte interconnectiegeschillen te
oordelen.
3
Het CBB gaat in deze zaak niet in op de nog lopende
geschillen tussen andere partijen die nog niet zijn ingetrokken en die
nog door OPTA (in bezwaar) zullen moeten worden beoordeeld. Dit
ligt ook voor de hand, aangezien de onderhavige zaak slechts betrek-
king heeft op het (voormalige) geschil tussen Telfort en KPN. Wel-
licht krijgt de zaak dus ooit nog een staartje, mochten andere geschil-
len tot het einde worden uitgeprocedeerd.
Voor lopende
bezwaarprocedures is de oude Telecommunicatiewet nog wel van
toepassing
4
en blijft de rechtsvraag over indirecte interconnectie nog
relevant.
1
Zie mijn eerdere annotaties over de diverse uitspraken in deze zaak: Vz. Rb.
Rotterdam 29 november 2002, Mobiele aanbieders vs. OPTA,
Mediaforum 2003-
3, p. 107-108 en Rb. Rotterdam 25 april 2003, O2 vs. OPTA, Mediaforum 2003-9, p.
309-312.
2 Wet van 19 oktober 1998, houdende regels inzake de telecommunicatie (Tele-
communicatiewet), laatstelijk gewijzigd in
Stb. 2004, 189.
3 Zie
Kamerstukken II, 2002-2003, 28851, Memorie van Toelichting, p. 38 en Kamer-
stukken II, 2002-2003, 28 851, Nota naar aanleiding van het verslag, p. 34-35.
4 Art.20.15, lid 2 Telecommunicatiewet.
Mediaforum 2003 - 11/12
11/12
november/december 2003
vijftiende jaargang
Spam: abonnees, ontvangers en de
kracht van de bestuurlijke boete
Remy Chavannes
Mediaberichtgeveing in strafzaken:
Raad van Europa wil soberder
gerechtsjournalistiek
Dirk Voorhoof
De paradox van de medialogica
Gerard Schuijt
Framing Europe.Television news
and European Integration
Kamiel Mortelmans
Jurisprudentie 51-53
Nr. 51 Rb. Amsterdam 16 juli 2003,Van Gas-
teren vs. Hemelrijk m.nt. G.J. Kemper · Nr. 52
Vzr. Rb. Haarlem 11 september 2003, P. vs.
Lycos m.nt. R.D. Chavannes · Nr. 53 Vzr. Rb.
Rotterdam 17 juli 2003, KPN vs. OPTA en
Tiscali m.nt. D. Schipper
Mediaforum is een uitgave van de Vereniging voor Media- en
Communicatierecht (vmc), en verschijnt tien maal per jaar.
Bestuur vmc: Prof. mr. J.J.C. Kabel (voorzitter), Dr. N.A.N.M.
van Eijk (vice-voorzitter), Mr. J.J. Feenstra (penningmeester),
Mr. C. van Boxtel (secretaris), Mr. C.E. Drion, Mr. J.F. Haeck,
Mr. F. Kuitenbrouwer en Mr. H.M.C. Zeinstra.
www.communicatierecht.nl
Mediaforum wordt in opdracht van de vmc uitgegeven
door Otto Cramwinckel Uitgever.
Citeertitel: Mediaforum (bijv.: Mediaforum 2003-11/12,
p. 280-287; bij jurisprudentie Mediaforum 2003-11/12 nr. 43)
issn:
0924 - 5057
Redactie
Mr. J. van den Beukel, Mr. R.D. Chavannes, Mr. M.J. Geus,
Mr. A.W. Hins, Mr. G.J. Kemper (voorzitter), Prof. mr. K.J.M.
Mortelmans, Mr. A.J. Nieuwenhuis, Mr. A.T. Ottow, Prof. mr.
H.J. de Ru, en Mr. C.J. Flentrop-Turner (eindredactie).
Correspondent België
Prof. dr. D. Voorhoof
Redactiesecretariaat
Voor inlichtingen over het aanleveren van kopij en
andere redactionele aangelegenheden kan contact op-
genomen worden met Mr. C. J. Flentrop-Turner, Univer-
siteit van Amsterdam, Instituut voor Informatierecht,
Rokin 84, 1012 kx Amsterdam, fax: 020-525 3033, e-mail:
flentropAjur.uva.nl
Opmaak
De Elementen vof, Amsterdam
Abonnementen & Lidmaatschap
Abonnementen worden per jaargang (januari-december)
afgesloten. Facturering vindt plaats jaarlijks in het eerste
kwartaal. Opzegging dient te geschieden uiterlijk op
1 december van het lopende abonnementsjaar, bij
niet-tijdige opzegging wordt het abonnement automa-
tisch voortgezet.
Leden vmc: Abonnement inbegrepen bij het lidmaat-
schap.
Kosten lidmaatschap inclusief
abonnement
69,50 per lid per kalenderjaar (studenten 34,50;
rechtspersoon
140,). Opzegging uiterlijk 1 december.
Aanmelding, opzegging, adres- of naamswijziging van
leden schriftelijk of per e-mail opgeven bij: Admini-
stratiekantoor Van Eijk, Vlasstraat 11, 5712 RP Someren,
e-mail: adm.eijkAwxs.nl
Niet-leden:
95, per kalenderjaar. Opgave nieuw abon-
nement, opzegging (uiterlijk 1 december), adreswijzi-
ging e.d. schriftelijk bij Otto Cramwinckel Uitgever,
Herengracht 416, 1017 bz Amsterdam, tel: 020-627 6609,
fax: 020-638 3817, e-mail: infoAcram.nl
Losse nummers: verkrijgbaar bij de gespecialiseerde
boekhandel, of te bestellen bij Otto Cramwinckel
Uitgever
, Herengracht 416, 1017 bz Amsterdam; prijs
8,85.
Het verlenen van toestemming tot publicatie in dit tijdschrift
strekt zich tevens uit tot het in enige vorm elektronisch
beschikbaar stellen.
© 2003 Vereniging voor Media- en Communicatierecht
Mediaforum
Tijdschrift voor Media-
en Communicatierecht
Twaalfde jaargang, nummer 1 Januari 2000
Vijftiende jaargang
nummer 11/12
november/december 2003
Inhoud
357 Opinie
Spam: abonnees, ontvangers en de kracht van
de bestuurlijke boete
Remy Chavannes
358 Artikel
Mediaberichtgeving in strafzaken:
Raad van Europa wil soberder gerechts-
journalistiek
Dirk Voorhoof
361 Tekst Recommendation Rec(2003)13,
Principles 1 t/m 18
Council of Europe Committee of Ministers
363 Artikel
De paradox van de medialogica
Gerard Schuijt
367 Boekbespreking
Framing Europe. Television news and
European Integration
Kamiel Mortelmans
369 Documentatie
Rechtspraak
Binnenland
Jurisprudentie
374 Nr. 51 Rb.Amsterdam 16 juli 2003,Van
Gasteren vs. Hemelrijk m.nt. G.J. Kemper
378 Nr. 52 Vzr. Rb. Haarlem 11 september 2003,
P. vs. Lycos m.nt. R.D. Chavannes
382 Nr. 53 Vzr. Rb. Rotterdam 17 juli 2003, KPN vs.
OPTA en Tiscali m.nt. D. Schipper
Verkrijgbaar via de boekhandel of rechtstreeks bij:
Otto Cramwinckel Uitgever
Herengracht 416,
1017 BZ Amsterdam,
T 020-627 6609 · F 020-638 3817,
e-mail: info@cram.nl, of te bestellen via www.cram.nl
Verschenen op 11 september
GEEN BEELDEN
GEEN NIEUWS
Beeldbeperkingen in oud en nieuw auteursrecht
Marcel de Zwaan
`Niet sinds de moord op John F. Kennedy in 1963 heeft een gebeur-
tenis de media wereldwijd zo gedomineerd als de terreuraanslagen
van 11 september 2001. Behalve de ernst van het nieuws speelde
daarbij ook de beschikbaarheid van beeldmateriaal een rol. Omdat
de aanslagen plaats hadden op een stralende ochtend in een stad
waar veel journalisten wonen behoren ze tot de best gedocumen-
teerde ooit. De aanslag op het Pentagon waarvan geen `live'-beeld-
materiaal beschikbaar is, staat al veel minder in het geheugen
gegrift.' (NRC 11 september 2002)
Geen beelden geen nieuws: waarvan geen beelden bestaan is niet
gebeurd; de nieuwswaarde van een gebeurtenis daalt wanneer er
geen beelden van zijn. Foto's, video's en filmbeelden leveren
bovendien het bewijs. Vanuit dat besef was het ook dat het Ameri-
kaanse leger in de meest recente Golfoorlog het fenomeen van de
embedded journalists introduceerde en in een later stadium de
beelden van de gesneuvelde zonen van Saddam zo welbewust
verspreidde. De `beelduitingsvrijheid' is in de nieuwsvoorziening
van onschatbaar belang.
Niet alleen de privacybescherming, maar ook het auteursrecht
stelt grenzen aan de vrijheid om beelden te maken en over te
nemen. In de ruimte die het auteursrecht biedt aan de uitings-
vrijheid worden woord en beeld niet gelijk behandeld. Waar bijvoor-
beeld weinigen twijfelen aan de vrijheid een tekst aan te mogen
halen, slaat de schrik om het hart wanneer men een beeld wil cite-
ren. In het kader van de nieuwsvoorziening mogen de media op
grond van een andere beperking van het auteursrecht nieuwsbe-
richten van elkaar overnemen, maar foto's: no-way.
Wat is het essentiële verschil tussen beeld en woord? En waarom
valt nieuws buiten het auteursrecht, maar nieuwsfoto's niet?
Waarom kapitale bedragen betalen voor beelden die gratis mogen
worden overgenomen? Waarom is voor een foto op de cover bijna
altijd toestemming vereist? Uit wat voor programma's mag je over-
nemen en hoeveel precies? Mogen zonder toestemming ook
archiefbeelden worden gebruikt in een actuele reportage? Waarom
kan het beeld niet door het woord worden vervangen en omge-
keerd? Waarom stelt de Auteurswet soms andere eisen aan het
mogen overnemen van beelden dan aan het overnemen van tek-
sten? Waarom trekt de praktijk zich weinig tot niets aan van het
bestaan van de wettelijke beperkingen?
Dit zijn vragen die Marcel de Zwaan in dit boek wil beantwoorden.
Hij doet dat aan de hand van heel veel boeiende voorbeelden. Wie
kreeg De Telegraaf en SBS zo ver heel veel geld te betalen voor
beelden van een dansende, mogelijk licht beschonken Maxima,
beelden die ze gewoon gratis hadden mogen gebruiken? En waar-
om betaalden de media 20.000 dollar per minuut Bin Laden aan Al
Jazeera voor het exclusieve beeldmateriaal, terwijl de Arabische
nieuwszender de video's waarschijnlijk voor niets kreeg toege-
speeld? Veel aandacht krijgt de vernieuwing van de Auteurswet
die najaar 2003 in de Tweede Kamer wordt behandeld. Als deze
wet wordt aanvaard is het in de reclame, de kunst , de entertain-
ment en de nieuwsvoorziening in ieder geval gemakkelijker beeld-
materiaal te vervaardigen en over te nemen.
ISBN 9075727844, 212 pagina's ing.
Prijs
27,50 (incl btw, excl verzendkosten)
De jurist-journalist Sanne ten Hoove heeft de uitspra-
ken van de Raad voor de Journalistiek uit de jaren
1987-2003 gerubriceerd en geanalyseerd. Aan de hand
daarvan schetst hij een stelsel van normen, waaraan
de media in Nederland hun dagelijks handelen kunnen
toetsen. Kúnnen toetsen, want niet alle media zijn
altijd even gelukkig met de uitspraken van de Raad,
zeker niet als die negatief uitvallen. Ook aan de roerige
geschiedenis van de Raad schenkt dit boek aandacht.
Deze studie, gemaakt in opdracht van de Stichting
Raad voor de Journalistiek, is tot stand gekomen met
financiële steun van het Bedrijfsfonds voor de Pers en
inhoudelijke steun van de Rijksuniversiteit Groningen.
214 pagina's, ingenaaid, isbn 9075727461, prijs
29,50
(incl btw, excl. verzendkosten)
Verkrijgbaar via de boekhandel of rechtstreeks bij:
Otto Cramwinckel Uitgever
Herengracht 416
1017 BZ Amsterdam
T. 020-6276609
F. 020-6383817
e-mail: info@cram.nl.
Bestellen via de website is ook mogelijk: www.cram.nl
Grenzen in de
journalistiek
Uitspraken Raad voor de Journalistiek 1987-2003
Sanne ten Hoove
ZOJUIST VERSCHENEN
Mediaforum 2003-11/12
357
Spam: abonnees,
ontvangers en de kracht van
de bestuurlijke boete
Opinie
Remy Chavannes*
M
et de Richtlijn Privacy en elektronische commu-
nicatie (2002/58/EG) beslechtte de gemeenschaps-
wetgever vorige zomer de `spammen-strijd' in het
voordeel van de `soft opt-in'. Commerciële e-mail zonder voor-
afgaande toestemming van de abonnee wordt verboden, maar
bedrijven mogen hun bestaande klanten ongevraagd blijven
informeren over eigen gelijkaardige producten, mits ze hen
daarbij steeds gelegenheid geven zich alsnog af te melden.
Een deel van de Tweede Kamer wil het implementatievoor-
stel van de regering op twee punten wijzigen: in reikwijdte,
door niet alleen e-mail thuis maar ook e-mail op de werkplek
te beschermen en in handhaving, door het spamverbod straf-
rechtelijk te sanctioneren. Omdat het wetsvoorstel ter imple-
mentatie van de E-commerce richtlijn eerder plenair werd
behandeld dan dat van de telecomrichtlijnen, diende PvdA-
Kamerlid Van Dam zijn amendement bij die gelegenheid in (28
197, nr. 14). In een brief aan de Tweede Kamer van 7 oktober
2003 liet Minister Donner echter weten dat amendement ern-
stig te ontraden (28 197, nr. 16). Ironisch gevolg is dat de imple-
mentatie van de E-commerce richtlijn nog verdere vertraging
oploopt. Maar zijn Donners bezwaren terecht?
Een eerste bezwaar van wetgevingstechnische aard is dat het
spamverbod niet in de E-commerce richtlijn staat en dus niet
thuishoort in deze implementatiewet. Dat is op zich helemaal
waar (zie Aanwijzing voor de regelgeving nr. 337), maar het
wetsvoorstel E-commerce voorziet nu nog in een opt-out sys-
teem (dat mocht nog van de E-commerce richtlijn) en moet dus
sowieso geamendeerd worden.
Vervolgens de reikwijdte van het verbod. Blijkens artikel 13
lid 5 van de richtlijn geldt het spamverbod alleen voor abon-
nees die natuurlijk persoon zijn. Op uw privé-adres (waar u zelf
abonnee bent) bent u dus veilig, maar uw werkadres (waar de
baas de abonnee is) is vogelvrij. In zijn brief aan de Tweede
Kamer schreef Minister Donner dat VNO-NCW hem heeft laten
weten `dat ondernemingen wel degelijk ook graag ongevraagde
elektronische post ontvangen van hun collega-ondernemers.'
Hij geeft er geen blijk van ook de mening van andere organisa-
ties te hebben gevraagd. Ik betwijfel bovendien ten zeerste of
de achterban van VNO-NCW, laat staan de werknemers van de
achterban, dat standpunt deelt; enkele leden hebben al aange-
kondigd toekomstige spam te zullen doorsturen. VNO-NCW
heeft hier dan ook niks mee te maken: de richtlijn beschermt de
privacy van mensen en het voorstel luidt om hen die bescher-
ming ook op hun werk te geven. Het info@onderneming adres
mag wat mij betreft bespamd worden VNO-NCW ook blij
maar het gáát om de werknemer@onderneming adressen: díe
zouden onder het spamverbod gebracht moeten worden. Ver-
bied wat mij betreft dus het zenden van spam aan natuurlijk
personen die geen toestemming hebben gegeven: dan
bescherm je alle ontvangers zowel thuis als op hun werk, behal-
ve kennelijk onpersoonlijke adressen als info@onderneming.
Maar behalve het (m.i. dus onjuiste en irrelevante) standpunt
van VNO-NCW noemt Donner geen enkel argument tegen de
verruiming van het spamverbod die het amendement-Van Dam
voorstelt. Zijn ontrading overtuigt niet.
Maar is Van Dams uitbreiding van het spamverbod van
`abonnees' naar alle `ontvangers' wel in overeenstemming
met de richtlijn? Ik denk het wel. Belangrijk is namelijk het
vervolg van artikel 13 lid 5, dat lidstaten opdraagt tevens de
rechtmatige belangen van andere abonnees dan natuurlijke
personen met betrekking tot ongewenste communicatie vol-
doende te beschermen. Een typisch Brusselse compromisbepa-
ling zou ik zeggen, waar iedere lidstaat mee kan doen wat hij
wil. Wat mij betreft kán Nederland dus, Europeesrechtelijk
bezien, besluiten dat de rechtmatige belangen van bedrijven
alleen voldoende zijn beschermd door hen (én hun werkne-
mers) onder het spamverbod te brengen.
Een ander punt is handhaving van het spamverbod. De minis-
ter heeft grote bezwaren tegen handhaving via het strafrecht
want `daardoor wordt de strafrechtelijke keten immers belast
met de handhaving van normen, die primair een aangelegen-
heid van de daarbij betrokken marktpartijen behoort te zijn.'
Marktpartijen? Spam is géén `marktprobleem'. Het neerleggen
van het spamverbod in een privacyrichtlijn geeft al aan dat het
hier niet gaat om een aangelegenheid tussen marktpartijen maar
om de bescherming van rechten van individuen. Hoewel sommi-
ge individuen marktpartijen zijn (en rechtspersonen niet per
definitie `marktpartij' zijn), is dat niet een onderscheid dat de
richtlijn aanbrengt. De minister vervolgt dat strafbaarstelling
zou leiden tot een toename van aangiften van strafbare feiten;
`dit zal bij beperkt beschikbare middelen ook onvermijdelijk ten
koste gaan van de hoogst noodzakelijke aandacht voor de veilig-
heid.' Het lijkt mij een doelredenering. Had Pim dat gewild?
Ik geef de minister gelijk dat handhaving via het strafrecht
een laatste redmiddel moet zijn. Zo ook Aanwijzing voor de
regelgeving nr. 11: in principe alleen strafrechtelijke handha-
ving als aannemelijk wordt gemaakt dat bestuursrechtelijke of
privaatrechtelijke oplossingen te kort schieten. Een bestuurs-
orgaan kan misschien geen gevangenisstraffen uitdelen (vol-
gens Van Dams voorstel maximaal zes maanden), maar is dat
een realistische straf? Veeleer zou de politierechter een boete
opleggen, in dit geval van maximaal
11.250 (voor een bedrijf
45.000). OPTA, daarentegen, kan boetes opleggen tot
450.000 maar heeft dat in haar hele bestaan pas één keer
gedaan (
375.000 aan KPN in maart 2003 in verband met dis-
criminatie bij informatieverschaffing over ADSL-bestellin-
gen). Wat handhaving betreft gaat het dus niet om het instru-
mentarium maar om het beleid. Volgens de Minister van EZ
zijn zowel OPTA als het College bescherming persoonsgege-
vens terzake bevoegd (28 851, nr. 7, p. 52-54), maar een heldere
taakstelling en prioritering ontbreken. Via een motie moet de
Kamer de Minister van EZ opdragen OPTA de algemene aan-
wijzing te geven het spamverbod streng te handhaven, inclu-
sief centraal meldpunt, een enkele opspoorder en beleidsre-
gels met een indicatie van de hoogte van de op te leggen boetes.
Dan geeft men een veel duidelijker signaal aan de `markt' dat
het Nederland ernst is met de bestrijding van ongevraagde e-
mailreclame van eigen bodem. En hoeven de misdaadstatistie-
ken van dit `handhavingskabinet' er niet onder te lijden.
* Mr. R.D. Chavannes is advocaat te Amsterdam en redacteur van dit blad.
Mediaforum 2003-11/12
358
Inleiding
De openbaarmaking van informatie in verband met bepaalde
strafonderzoeken en de verslaggeving over belangrijke strafza-
ken heeft de voorbije maanden in België, maar ook in andere
landen, voor opmerkelijke spanningen gezorgd tussen politie,
justitie, advocaten en media. Het onderzoek in de zaak-Dutroux
(ontvoering, seksueel misbruik en moord), de affaire-Cools
(moord op Minister van Staat en topman van de Parti Socialiste)
en de zaak-Van Noppen (moord op veearts en de betrokkenheid
van de `hormonenmaffia') waren wat dat betreft telkens grens-
verleggend. Onlangs veroordeelde de rechtbank te Gent journa-
list José Masschelin van
Het Laatste Nieuws wegens medeplichtig-
heid aan misbruik van het inzagerecht door de burgerlijke partij
in een strafdossier (artikel 460
ter Belgisch Strafwetboek) en er is
de omstreden toepassing in België van artikel 35 van de wet op
het politieambt volgens dewelke politieambtenaren geen aan-
leiding mogen geven tot `media-exposure' van verdachten of
aangehouden personen, op gevaar af van nietigheid van het ver-
kregen bewijs. Onlangs werden in een reglement van de Vlaam-
se Balies aan advocaten bijkomende en fel gecontesteerde beper-
kingen opgelegd in verband met contacten van advocaten met
de media. Eén van de omstreden bepalingen verbiedt de advo-
caat ook maar enige commentaar te geven `vanaf het in beraad
stellen van de zaak tot de uitspraak', behoudens in geval van
repliek op mededelingen van het openbaar ministerie of de
persrechter en voor zover `de wapengelijkheid bepaaldelijk een
reactie noodzakelijk maakt'. Van advocaten wordt bovendien
Mediaberichtgeving in strafzaken:
Raad van Europa wil soberder
gerechtsjournalistiek
Op 10 juli 2003 keurde het Comité van Ministers van de
Raad van Europa een Aanbeveling
1
goed waarin er bij de
45 lidstaten op aangedrongen wordt een aantal princi-
pes nauwlettender in acht te nemen in verband met de
informatieverstrekking over strafzaken aan media en
journalisten. Hoewel de Aanbeveling uiteraard het belang beklemtoont van de vrijheid van expressie en informatie
zoals beschermd door artikel 10 EVRM, wordt sterk de nadruk gelegd op enkele rechtsbelangen die respect ver-
dienen in het kader van de gerechtsverslaggeving, nl. het vermoeden van onschuld, het recht op een eerlijk proces
en het recht op privacy (art. 6 en 8 EVRM). De Aanbeveling schuift 18 principes voorop, waarvan er enkele zeer
algemeen en voor de hand liggend zijn, maar een aantal andere ongetwijfeld voor de nodige problemen zullen zor-
gen bij interpretatie of uitvoering. De Aanbeveling bevat een nadrukkelijke oproep aan politie en justitie om geen
informatie te verstrekken die het risico inhoudt het principe van het `fair trial' in gedrang te brengen (principe 11)
en formuleert een voorwaardelijk verbod op (live) beeldverslaggeving van de terechtzittingen in strafzaken (prin-
cipe 14). Opmerkelijk zijn de bijkomende inspanningen die worden gevraagd van justitie om journalisten beter de
documenteren, te informeren en in functie van de gerechtsverslaggeving aan media en journalisten faciliteiten ter
beschikking te stellen (principes 4, 5, 6, 12-13, 15, 17 en 18). De Aanbeveling is tegelijk een duidelijk signaal dat
beperkingen op informatieverstrekking aan de media niet te ver mogen doorschieten. In een Verklaring van dezelf-
de dag doet het Comité van Ministers ook een oproep tot de media en journalisten om enkele basisprincipes inza-
ke de gerechtsverslaggeving beter in acht te nemen, professionele of ethische normen te ontwikkelen en de nale-
ving ervan te stimuleren. De Verklaring sluit af met de oproep `to entrust reporting on criminal proceedings to
journalists with adequate training in these matters'.
*
Prof. dr. D. Voorhoof is hoogleraar media- en auteursrecht en doceert ook jour-
nalistieke deontologie aan de Universiteit Gent.
1
Recommendation Rec(2003) 13 of the Committee of Ministers to member states
on the provision of information through the media in relation to criminal pro-
ceedings (met Explanatory Memorandum), 10 juli 2003 en Declaration on the
provision of information through the media in relation to criminal procee-
dings, 10 juli 2003, te consulteren via de website van de Raad van Europa, Men-
senrechten, www.coe.int/T/E/Human_Rights/media/. Zie ook EHRM 2 okto-
ber 2000, Du Roy en Malaurie t. Frankrijk; EHRM 25 februari 2003,
Roemen en
Schmit t. Luxemburg; EHRM 15 juli 2003, Ernst e.a. t. België en EHRM, 17 juli 2003,
Craxi (n
0
1) t. Italië, www.echr.coe.int; Rb. Brussel 20 september 2001, Auteurs &
Media 2002/1, 77 (recht op afbeelding van gevangene); Pol. Rb. Antwerpen, 18
december 2002,
Nieuw Juridisch Weekblad 2003/18, 97 (bewijsmateriaal nietig
wegens aanwezigheid televisiecamera's); Rb. Gent, 25 juni 2003, onuitg. (ver-
Dirk Voorhoof*
Mediaforum 2003-11/12
359
verwacht dat zij inzage eisen en nakeuring doen van de journa-
listieke bijdrage waaraan zij hun medewerking verleenden.
Vanuit journalistieke hoek lokte het reglement scherpe reacties
uit en er werd gewag gemaakt van `preventieve censuur'. De Ver-
eniging van Vlaamse Journalisten en de Raad voor de Journalis-
tiek zijn overigens op hun beurt herhaaldelijk gevat om uitspra-
ken te doen in verband met nieuwsgaringstechnieken in het
kader van misdaad- en gerechtsverslaggeving, in verband met
het al dan niet respecteren van embargo's, het respect voor het
vermoeden van onschuld, het recht op een eerlijk proces en het
recht op privacy.
Spanningsveld media-justitie in Zweden,
Nederland, Frankrijk, Italië, Luxemburg...
en België
In Zweden zijn zowel politie, justitie als de media zwaar uit-
gegleden naar aanleiding van de aanhouding van de vermeen-
de dader van de moord op de minister van buitenlandse zaken
Anna Lindh. Van Per Olof Svensson werd niet enkel voorbarig
de identiteit bekend gemaakt, maar ook foto's en details uit
zijn privé-leven werden breed uitgesmeerd in de media. Zowel
de informatieverstrekking door de politiediensten als de jour-
nalistieke verslaggeving bleek manifeste fouten te bevatten. In
Nederland zorgde de manier waarop politie en justitie de ver-
slaggeving en beeldvorming hebben georganiseerd in de zaak
Volkert van der G. naar aanleiding van de moord op politicus
Pim Fortuyn voor een opvallend debat over de openbaarheid,
het recht op privacy en het vermoeden van onschuld in strafza-
ken. Niet zolang geleden werd Frankrijk veroordeeld wegens
inbreuk op artikel 10 EVRM omdat onder het mom van de
bescherming van het vermoeden van onschuld, te verregaande
beperkingen werden opgelegd aan de gerechtsverslaggeving.
In een arrest van 17 juli 2003 werd Italië veroordeeld omdat in
het proces tegen voormalig eerste minister Craxi onderzoeks-
gegevens en afgetapte telefoongesprekken via de media open-
baar waren gemaakt in strijd met artikel 8 EVRM. Op 25 febru-
ari 2003 werd Luxemburg veroordeeld wegens schending van
zowel artikel 8 als artikel 10 EVRM naar aanleiding van een
huiszoeking bij een journalist en zijn advocaat in het kader van
een strafzaak. België werd onlangs in de zaak-Ernst e.a., in een
arrest van 15 juli 2003, door het Europees of de vingers getikt
wegens gebrek aan respect voor het journalistiek bronnenge-
heim bij de speurtocht naar lekken in het onderzoek in de
zaak-Cools en de Agusta-affaire. Ondertussen stijgt in de zaak-
Dutroux de spanning bij politie, magistratuur, bij advocaten
en journalisten omtrent de wijze waarop verder aan verslagge-
ving en beeldvorming zal worden gedaan naar aanleiding van
het proces voor het Assisenhof. De advocaten van Dutroux lie-
ten al meermaals verstaan dat een eerlijk proces allang onmo-
gelijk is geworden wegens schending van het vermoeden van
onschuld van hun cliënt en omdat het proces al te voortvarend
in de media is gevoerd, gedurende jaren al, met `medeplichtig-
heid' van politie en justitie. De Aanbeveling Rec(2003)13 die het
Comité van Ministers nu lanceert komt dus wel erg goed op
tijd en kan alvast als kader dienen bij het uittekenen van nieu-
we afspraken en richtlijnen tussen pers, politie, justitie en
advocatuur.
Aanbeveling Rec(2003)13 en de Verklaring
`Media and Criminal Proceedings'
Met de Aanbeveling en de Verklaring van 10 juli 2003 pro-
beert het Comité van Ministers de onderlinge samenhang in
de rechtspraak van het Europees Mensenrechtenhof in ver-
band met expressievrijheid (artikel 10), het recht op privacy
(artikel 8), het recht op een eerlijk proces en het vermoeden
van onschuld (artikel 6) in een aantal basisprincipes te verdui-
delijken. Eén van de uitgangspunten is de bekommernis om
de steeds verder uitdijende commercialisering van de media
en het steeds nadrukkelijker `inzoomen' op misdaad- en
gerechtszaken. De Aanbeveling bevat tegelijk ook een oproep
aan de mediasector om instrumenten van zelfregulering of co-
regulering verder uit te bouwen, naast nog maar eens een
oproep aan de lidstaten en politie en justitie om het journalis-
tiek bronnengeheim op gepaste wijze te respecteren. Het
basisprincipe blijft overigens wel het belang van de mediabe-
richtgeving over zaken met een maatschappelijke impact,
waarin ook de gerechtsverslaggeving een vooraanstaande
plaats opeist. De Aanbeveling benadrukt daarom `the impor-
tance of media reporting in informing the public on criminal
proceedings, making the deterrent function of criminal law
visible as well as in ensuring the public scrutiny of the functio-
ning of the criminal justice system'.
Informatieverstrekking door politie en
justitie aan de media: (enkel) in publiek
belang
In de principes 1 tot 3 worden de klassieke uitgangspunten
nog eens op een rijtje gezet: het belang van mediaverslagge-
ving over strafzaken (1), de bekommernis omtrent het vermoe-
den van onschuld (2) en de noodzaak van accurate, betrouw-
bare informatieverstrekking door politie en justitie aan de
media (3): `Judicial authorities and police services should pro-
vide to the media only verified information or information
which is based on reasonable assumptions'. Een aantal principes
benadrukken de noodzaak aan actieve en passieve informatie-
verstrekking door politiediensten en justitie aan journalisten,
zonder enige vorm van discriminatie (4, 5 en 6). Opmerkelijk is
principe 12 dat journalisten vrije toegang waarborgt tot de
rechtszaal `without discrimination and without prior accredi-
tation requirements', al wordt dit beginsel sterk afgezwakt
wanneer het om audiovisuele verslaggeving gaat (principe 14).
Principe 7 bevat de oproep om de informatie waarover politie
en justitie beschikt niet commercieel te exploiteren, noch te
gebruiken voor oneigenlijke doeleinden: `Judicial authorities
and police services should not exploit information about
on-going criminal proceedings for commercial purposes or
purposes other than those relevant to the enforcement of the
law'. Principe 10 wil dat justitie en politie zich onthouden van
informatieverstrekking `which bears a risk of substantial
prejudice to the fairness of the proceedings', een wel heel erg
breed interpreteerbare uitzonderling op de voorgaande
principes van accurate en actieve informatieverstrekking naar
de media toe. Verdachten moeten overigens ook over een
daadwerkelijk rechtsmiddel beschikken om de informatiever-
strekking die dreigt het eerlijk verloop van het proces in het
oordeling van journalist in toepassing van artikel 460
ter Belgisch Strafwet-
boek - misbruik van inzagerecht strafdossier);
Auteurs & Media 2003/3, 165-169
(ivm advocaat en media),
De Juristenkrant 2003/72, 1 en 10 (ivm advocaat en
media) en Juristenkrant 2003/74, 13 (ivm nieuw recht van antwoord in Vlaan-
deren). Zie ook enkele recente uitspraken van de Raad van de Journalistiek, te
consulteren via www.rvdj.be.
Mediaforum 2003-11/12
360
gedrang te brengen in te perken of te laten sanctioneren. Zoals
principe 11 het formuleert: `Where the accused can show that
the provision of information is highly likely to result, or has
resulted, in a breach of his or her right to a fair trial, he or she
should have an effective legal remedy'.
Principe 8 dringt aan op een correcte bescherming van de
privacy, niet enkel van beschuldigden, verdachten of inver-
denkinggestelden, maar ook van veroordeelden, getuigen en
slachtoffers en van hun familie. Vooral wanneer het minderja-
rigen betreft `or other vulnerable persons' dient dit principe
met bijzondere omzichtigheid te worden toegepast. Voor wat
getuigen betreft dringt principe 16 aan op het niet bekend
maken van hun identiteit, tenzij zij daarvoor zelf de toestem-
ming hebben gegeven of wanneer de bekendmaking een
publiek belang betreft of de getuigenis reeds in het openbaar
is gedaan. Hoe dan ook mag de identiteit van getuigen niet
bekend worden gemaakt `where this endangers their lives or
security. Due respect shall be paid to protection programmes
for witnesses, especially in criminal proceedings against orga-
nised crime or crime within the family.'
Principe 9 benadrukt het belang van het recht van antwoord
als reactiemogelijkheid op onjuiste of lasterlijke informatie.
In dit verband kan melding worden gemaakt van de erken-
ning in Vlaanderen, voor wat radio en televisie betreft, van een
nieuw
sui generis-recht van mededeling dat het recht van ant-
woord uitbreidt voor personen die werden vermeld in het
kader van de gerechtsverslaggeving, maar achteraf werden
vrijgesproken of buiten vervolging werden gesteld.
Geen (live) televisieverslaggeving van
strafzaken, tenzij...
Volgens principe 14 moet bijzonder omzichtig worden omge-
sprongen met beeldverslaggeving van de terechtzittingen,
alhoewel de mogelijkheid ervan niet helemaal wordt uitgeslo-
ten: `Live reporting or recordings by the media in court rooms
should not be possible unless and as far as expressly permitted
by law or by competent judicial authorities'. De voorwaarde
die gesteld wordt maakt dat er in de praktijk echter weinig zal
veranderen ten gevolge van deze Aanbeveling, die immers
bepaalt dat `such reporting should be authorised only were it
does not bear a serious risk of undue influence on victims, wit-
nesses, parties to criminal proceedings, juries or judges'.
Aan journalisten moeten in de rechtszaal voldoende plaat-
sen beschikbaar worden gesteld, al is ook hier de Aanbeveling
bijzonder voorzichtig: `The competent authorities should,
unless it is clearly impracticable, provide in courtrooms a
number of seats for journalists which is sufficient in accor-
dance to the demand, without excluding the presence of the
public as such' (principe 13).
De Aanbeveling sluit af met twee basisprincipes die betrek-
king hebben op mediaberichtgeving nadat uitspraak is ge-
daan in een strafzaak. Principe 17 waarborgt de mogelijkheid
van verslaggeving over de strafuitvoering en contacten tussen
journalisten en veroordeelden, al is ook hier een flinke slag
om de arm gehouden: `Journalists should be permitted to
have contacts with persons serving court sentences in prisons,
as far as this does not prejudice the fair administration of jus-
tice, the right of prisoners and prison officers or the security of
a prison'. Volgens principe 18 moet met het oog op de reclasse-
ring en het recht op privacy van veroordeelden een bijzondere
terughoudendheid in acht worden genomen alvorens deze
personen opnieuw in de publieke belangstelling te brengen,
een erkenning van wat in de Belgische rechtspraak wel eens als
een `droit à l'oubli' is beschouwd. Dit recht geldt volgens de
Aanbeveling evenwel niet wanneer de veroordeelde of het
misdrijf `are of public concern again or have become of public
concern again'. Geen absoluut recht op privacy en `droit à l'ou-
bli' voor veroordeelden dus, al blijft het moeilijk om te bepa-
len wanneer een persoon of een misdrijf `opnieuw' een maat-
schappelijk belang vertoont.
De Aanbeveling: een `wollen' proclamatie?
De Aanbeveling bevat de oproep aan de lidstaten, niet enkel
om de principes ervan te helpen verwezenlijken en daartoe
stappen te ondernemen, maar ook om de tekst van de Aanbe-
veling een ruime verspreiding te geven en onder de aandacht
te brengen van de politie, de magistratuur, de advocatuur en
de journalistieke sector. Al bevat de Aanbeveling geen nieuwe
of scherp afgemeten bepalingen en al betreft het uiteraard de
proclamatie van een aantal basisprincipes, toch vormt de tekst
van de Aanbeveling van het Comité van Ministers een goede
aanleiding om een aantal knelpunten in het spanningsveld
tussen media en justitie op de agenda te brengen voor verder
overleg binnen en tussen de betrokken sectoren. Met name
voor wat de verslaggeving betreft in de fase van de terechtzit-
ting zelf dienen dringend een aantal richtlijnen duidelijker te
worden vastgelegd of gecoördineerd, o.a. ook in verband met
de audiovisuele verslaggeving. De informatieverstrekking
door het parket is dringend aan evaluatie en bijsturing toe, de
functie van de persrechters dient te worden uitgewerkt en een
aantal regels in verband met de contacten tussen advocaten en
de media moet worden herdacht. De journalistieke sector kan
maar beter wat omzichtiger omspringen met misdaad- en
gerechtsverslaggeving, zonder zijn rol te verwaarlozen van
`public watchdog' omtrent aangelegenheden van maatschap-
pelijk belang.
Mediaforum 2003-11/12
361
Recommendation Rec(2003)13
of the Committee of Ministers to member states
on the provision of information through the media
in relation to criminal proceedings
(...)
Appendix to Recommendation Rec(2003)13
Principles concerning the provision of information
through the media in relation to criminal proceedings
Principle 1 - Information of the public via the media
The public must be able to receive information about the
activities of judicial authorities and police services through the
media.Therefore, journalists must be able to freely report and
comment on the functioning of the criminal justice system,
subject only to the limitations provided for under the follow-
ing principles.
Principle 2 - Presumption of innocence
Respect for the principle of the presumption of innocence is
an integral part of the right to a fair trial.Accordingly, opinions
and information relating to on-going criminal proceedings
should only be communicated or disseminated through the
media where this does not prejudice the presumption of inno-
cence of the suspect or accused.
Principle 3 - Accuracy of information
Judicial authorities and police services should provide to the
media only verified information or information which is based
on reasonable assumptions. In the latter case, this should be
clearly indicated to the media.
Principle 4 - Access to information
When journalists have lawfully obtained information in the con-
text of on-going criminal proceedings from judicial authorities
or police services, those authorities and services should make
available such information, without discrimination, to all journa-
lists who make or have made the same request.
Principle 5 - Ways of providing information to the media
When judicial authorities and police services themselves have
decided to provide information to the media in the context of
on-going criminal proceedings, such information should be
provided on a non-discriminatory basis and, wherever possi-
ble, through press releases, press conferences by authorised
officers or similar authorised means.
Principle 6 - Regular information during criminal proceedings
In the context of criminal proceedings of public interest or
other criminal proceedings which have gained the particular
attention of the public, judicial authorities and police services
should inform the media about their essential acts, so long as
this does not prejudice the secrecy of investigations and police
inquiries or delay or impede the outcome of the proceedings.
In cases of criminal proceedings which continue for a long
period, this information should be provided regularly.
Principle 7 - Prohibition of the exploitation of information
Judicial authorities and police services should not exploit
information about on-going criminal proceedings for commer-
cial purposes or purposes other than those relevant to the
enforcement of the law.
Principle 8 - Protection of privacy in the context of on-going criminal
proceedings
The provision of information about suspects, accused or con-
victed persons or other parties to criminal proceedings
should respect their right to protection of privacy in accor-
dance with Article 8 of the Convention. Particular protection
should be given to parties who are minors or other vulnerable
persons, as well as to victims, to witnesses and to the families
of suspects, accused and convicted. In all cases, particular con-
sideration should be given to the harmful effect which the dis-
closure of information enabling their identification may have
on the persons referred to in this Principle.
Principle 9 - Right of correction or right of reply
Without prejudice to the availability of other remedies, every-
one who has been the subject of incorrect or defamatory media
reports in the context of criminal proceedings should have a
right of correction or reply, as the case may be, against the
media concerned.A right of correction should also be available
with respect to press releases containing incorrect information
which have been issued by judicial authorities or police services.
Principle 10 - Prevention of prejudicial influence
In the context of criminal proceedings, particularly those involv-
ing juries or lay judges, judicial authorities and police services
should abstain from publicly providing information which bears
a risk of substantial prejudice to the fairness of the proceedings.
Principle 11 - Prejudicial pre-trial publicity
Where the accused can show that the provision of informa-
tion is highly likely to result, or has resulted, in a breach of his
or her right to a fair trial, he or she should have an effective
legal remedy.
Principle 12 - Admission of journalists
Journalists should be admitted to public court hearings and
public pronouncements of judgements without discrimination
and without prior accreditation requirements.They should not
be excluded from court hearings, unless and as far as the public
is excluded in accordance with Article 6 of the Convention.
Principle 13 - Access of journalists to courtrooms
The competent authorities should, unless it is clearly impracti-
cable, provide in courtrooms a number of seats for journalists
COUNCIL OF EUROPE COMMITTEE OF MINISTERS
Mediaforum 2003-11/12
362
which is sufficient in accordance with the demand, without
excluding the presence of the public as such.
Principle 14 - live reporting and recordings in court rooms
Live reporting or recordings by the media in court rooms
should not be possible unless and as far as expressly permitted
by law or the competent judicial authorities. Such reporting
should be authorised only where it does not bear a serious
risk of undue influence on victims, witnesses, parties to crimi-
nal proceedings, juries or judges.
Principle 15 - Support for media reporting
Announcements of scheduled hearings, indictments or charges
and other information of relevance to legal reporting should
be made available to journalists upon simple request by the
competent authorities in due time, unless impracticable. Jour-
nalists should be allowed, on a non-discriminatory basis, to
make or receive copies of publicly pronounced judgments.
They should have the possibility to disseminate or communi-
cate these judgments to the public.
Principle 16 - Protection of witnesses
The identity of witnesses should not be disclosed, unless a wit-
ness has given his or her prior consent, the identification of a
witness is of public concern, or the testimony has already been
given in public. The identity of witnesses should never be dis-
closed where this endangers their lives or security. Due
respect shall be paid to protection programmes for witnesses,
especially in criminal proceedings against organised crime or
crime within the family.
Principle 17 - Media reporting on the enforcement of court sentences
Journalists should be permitted to have contacts with persons
serving court sentences in prisons, as far as this does not prej-
udice the fair administration of justice, the rights of prisoners
and prison officers or the security of a prison.
Principle 18 - Media reporting after the end of court sentences
In order not to prejudice the re-integration into society of
persons who have served court sentences, the right to protec-
tion of privacy under Article 8 of the Convention should in-
clude the right to protect the identity of these persons in con-
nection with their prior offence after the end of their court
sentences, unless they have expressly consented to the dis-
closure of their identity or they and their prior offence are of
public concern again or have become of public concern again.
Programma:
Inleiding over het rapport Medialogica
drs. H.J. Kaiser, oud-burgemeester van Roermond en lid van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling
Grondrechtelijke aspecten
mr. Lodewijk Asscher, verbonden aan het Instituut voor Informatierecht van de Universiteit van Amsterdam
en lid van de gemeenteraad aldaar
Reacties van:
· Een rechter: mr. R. Orobio de Castro, coördinerend vice-president van de Rechtbank Amsterdam
· Een dagbladjournalist: mr. F.E. Jensma, hoofdredacteur van NRC Handelsblad
· Een omroepjournalist: (gevraagd)
Discussie
Plaats:Trippenhuis, Kloveniersburgwal 29, Amsterdam
(Het Trippenhuis is lopend of per openbaar vervoer te bereiken vanaf Centraal Station Amsterdam.
Vanaf Amsterdam CS en vanaf het Amstel Station kunt u de metro nemen en uitstappen op metrostation
Nieuwmarkt, uitgang Nieuwmarkt of Nieuwe Hoogstraat. Indien u met de auto komt, kunt u parkeren in
de ondergrondse parkeergarage bij de Stopera aan het Waterlooplein.
Telefoon Trippenhuis 020-5510700
Toegang: ook voor niet-leden (tegen betaling)
Medialogica. Het krachtenveld tussen burgers, media en politiek
Studiemiddag Vereniging voor Media- en Communicatierecht
Vrijdag 28 november 2003, 14.00 uur (ledenvergadering 13.45 uur)
Mediaforum 2003-11/12
363
Inleiding
Hebben de media macht? En zo ja, kan dat wel zonder ver-
antwoording af te leggen? Dit thema is aan de orde van de dag.
De Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling bracht begin dit
jaar een advies uit aan de regering over `het krachtenveld tus-
sen burgers, media en politiek'. Jo Bardoel maakte in zijn Nij-
meegse inaugurele rede `Macht zonder verantwoordelijk-
heid?' deze vraag tot centraal thema.
1
Ook het
Nederlands
Juristenblad bleef niet achter. De recente NJB-salon had als dis-
cussiethema `Mediamacht en recht', met robuuste stellingen
als `De macht van de media moet worden gebreideld'. Op 28
november wijdt ook de Vereniging voor Media- en Communi-
catierecht haar najaarsbijeenkomst aan het onderwerp. Stof
voor een beschouwing en misschien een voorzet voor de dis-
cussie op 28 november.
Arena en decor
Het rapport van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikke-
ling is getiteld
Medialogica.
2
Daarmee wordt bedoeld dat het
publieke debat steeds meer wordt bepaald door de mogelijk-
heden én begrenzingen van het medium en dan vooral televi-
sie. Het rapport is vooral interessant vanwege het achttal
bijlagen, waarin de resultaten van onderzoeken door com-
municatiewetenschappers zijn bijeengebracht. Het gaat toch
in de eerste plaats om de vraag of de veronderstelling dat de
media macht hebben door onderzoek kan worden bevestigd.
In dat opzicht is van belang de vaststelling van de VU-hoogle-
raar J. Kleinnijenhuis, dat de publieke agenda nog steeds door
politici wordt bepaald en niet, zoals ook de adviserende Raad
aanvankelijk veronderstelde, door de media.
3
De rol van de
media laat zich volgens Kleinnijenhuis het best omschrijven
als decorbouwers van de publieke zaak. De media bouwen het
decor waarbinnen politici hun rol kunnen spelen en daarmee
oefenen ze een belangrijke invloed uit op de manier waarop
het spel wordt gespeeld. Hij ziet geen onderzoeksgegevens,
die de stelling ondersteunen dat van een
mediacratie sprake zou
zijn. De media volgen nog steeds de politiek. De Raad sluit
zich in zijn advies hierbij aan.
Als je dat zo leest dan gaat het dus eerder om invloed dan om
macht. Kunnen de media de uitslag van verkiezingen bepalen?
Die vraag is actueel omdat de twee recente verkiezingscampag-
nes in dit land zich grotendeels in de media en dan vooral op
televisie hebben afgespeeld. Met deze constatering opent de
Raad zijn advies. Volgens het onderzoek van Kleinnijenhuis
volgt het in politiek min of meer geïnteresseerde publiek
de media die de politiek volgen. Voor de kiezers blijkt inhou-
delijk nieuws nog steeds van doorslaggevend belang. Debat en
politieke strijd rond politieke standpunten via de media blij-
ken kijkers en lezers eerder te overtuigen dan steriele herha-
ling van eigen standpunten (`drammen') , zelfs als voor het
laatste toch media-aandacht verkregen wordt. Nieuws over
conflicten blijkt burgers op te wekken te gaan stemmen, maar
vergroten de onzekerheid over de vraag waarop men dan moet
stemmen. De kiezers bepalen dus zelf hun keuze. Wel ziet
Kleinnijenhuis het verschijnsel `success breeds success'. Als er
sprake is van groot succes of juist van een aaneenschakeling
van blunders en mislukkingen, dan blijkt nieuws over succes
en falen een zichzelf vervullende profetie te kunnen worden.
Ik lees hierin: invloed ja, macht nee. De media kunnen geen
enkele politicus aan een verkiezingsoverwinning helpen als
die politicus niet zelf daaraan ook zijn eigen bijdrage geeft.
Melkert ging af onder meer door de genadeloze registratie van
zijn hautaine zelfverzekerdheid c.q. zijn `mond vol tanden'
tegenover de bluffende, maar o zo vertrouwenwekkend over-
komende Fortuyn. Voer voor communicatiewetenschappers
om uit te vissen of het nu Melkerts resp. Fortuyns media-pre-
sentatie is geweest of de inhoud van het gevoerde c.q. aange-
kondigde beleid, die zo'n aardverschuiving in de politieke ver-
houdingen teweegbracht. Maar één ding is duidelijk: zij
hebben het zelf gedaan, niet de media. Zo heeft ook Wouter
Bos niet door de media de PvdA-kiezers teruggekregen, maar
door zijn mediapresentatie (en/of door de inhoud van zijn pro-
gramma). De media vormden slechts de arena en het decor.
Grotere openheid
Een ander interessante bijlage is `Het ontstaan van een poli-
tiek-publicitair complex 1960-2002' van de hand van F. van
Vree, Chr. Vos, H. Wijfjes en J. Bardoel.
4
Dat is een historisch-
sociologische analyse van een aantal veranderingen in onze
De paradox van de medialogica
Op 28 november a.s. vergadert de Vereniging voor Media- en Communica-
tierecht. (Zie voor details de aankondiging op p. 362). Het onderwerp van
het debat is de relatie tussen de media en de politiek, met als vertrekpunt
het in april van dit jaar verschenen rapport van de Raad voor Maatschap-
pelijke Ontwikkeling, getiteld `Medialogica'. Gerard Schuijt las het en had
zijn bedenkingen.
Gerard Schuijt*
*
Prof. mr. G.A. I. Schuijt is hoofddocent aan de Universiteit van Amsterdam en
bijzonder hoogleraar mediarecht aan de Universiteit Leiden.
1
J. L.H. Bardoel,
Macht zonder verantwoordelijkheid? Media, mediabeleid en de kwaliteit
van de openbare informatievoorziening, Nijmegen: Katholieke Universiteit 2003.
2 Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling,
Medialogica. Over het krachtenveld tus-
sen burgers, media en politiek (Advies nr. 26), Den Haag: RMO 2003; 317 p.
3 Bijlage 4: J. Kleinnijenhuis, `Het publiek volgt media die de politiek volgen', p.
151-205.
4 Bijlage 2: F. van Vree, Chr. Vos, H. Wijfjes en J. Bardoel, `Het ontstaan van een
politiek/publicitair complex 1960-2002', p. 67-98.
Mediaforum 2003-11/12
364
samenleving met eigenlijk weer hetzelfde thema.
5
Ik zou dat
willen samenvatten met de vraag: zijn de ontkerstening en
ontzuiling van onze samenleving door de media veroorzaakt
of hebben de ontkerstening en ontzuiling tot gevolg gehad
dat ook de media zijn ontkerstend en ontzuild? Uiteraard is
het niet óf-óf, maar was er een wisselwerking, waarbij vanzelf-
sprekend de technologische ontwikkelingen en, onverbreke-
lijk daarmee samenhangend, ontwikkelingen op de markt
óók hun invloed op de media hebben uitgeoefend. De onder-
zoekers signaleren het resultaat: vanuit een verzuild media-
landschap, waar de pers zich richtte op elkaar grotendeels uit-
sluitende gebruikersgroepen, heeft het veld zich ontwikkeld
in de richting van een samenhangend stelsel, een integrale
mediamarkt. In die markt moet een sterk toenemend aantal,
steeds professionelere, aanbieders de attentie van individuele
consumenten veroveren. Concurrentie en marketingstrategie,
gericht op wisselende segmenten van het publiek, zijn bepa-
lende mechanismen geworden, zelfs bij het restant van het
publieke omroepbestel. `Deze ontzuiling, commercialisering
en professionalisering hebben niet alleen geleid tot een sterke
groei van het volume, maar ook tot een gelijktijdig optreden
van ogenschijnlijk tegenstrijdige processen van homogenise-
ring en differentiatie in het aanbod. De lezer en kijker zoekt
daarin zijn eigen weg, nauwlettend gevolgd door markton-
derzoekers en adverteerders.' Ook deze onderzoekers signale-
ren de
gemediatiseerde politiek en de veranderingen bij de kie-
zers. Vroeger de serieuze burger, die mede daartoe vanaf de
kansel of in de AJC aangespoord zijn keuze maakte voor een
partij die hem het meeste nastond, omdat hij nu eenmaal in
een rooms, rood of christelijk nest was geboren. Thans is het
ideaal van serieuze overweging van inhoudelijke zaken, zo het
al ooit heeft bestaan, voor deze onderzoekers weliswaar niet
onmogelijk, maar wel veel moeilijker geworden door de wijze
waarop de media over de politiek berichten.
Ook dat lijkt waar. Het nieuws, ook het politieke nieuws, gaat
niet meer via postkoets en trekschuit. Maar uit dit onderzoek,
evenals uit het bovenvermelde van Kleinnijenhuis, die een toe-
genomen openheid constateert, wordt duidelijk dat de media
zorg dragen voor een geheel andere pluriformiteit van de
meningsuiting en informatievoorziening. Niet meer rooms
voor de roomsen, en rood voor de rooien, maar `media voor
allen'. Is dat niet een geweldige vooruitgang vanuit democra-
tisch oogpunt? De burgers kiezen niet meer op grond van
geloof, levensovertuiging en gezinstraditie, maar op grond van
meer en betere informatie en eigen standpuntbepaling. Of
zouden de burgers volgens deze onderzoekers en volgens de
Raad door al die medialogica niet goed hebben gekozen? Wat
mij betreft hadden ze inderdaad niet op Fortuyn moeten stem-
men, maar dat is reden om je zorgen te maken over de politiek
en de samenleving, niet over de media. De paradox van de
medialogica is dat Fortuyn inderdaad geweldig veel aandacht
van de media kreeg terecht want hij zorgde voor sensationeel
nieuws in menig opzicht , en tegelijkertijd dat hij en zijn vol-
gelingen vonden dat hij door de media werd gedemoniseerd!
Commerciële media
Dit is ook de paradox van de media die van oudsher op com-
merciële basis opereren. Dat geldt zèlfs voor de publieke
omroep. De omroepverenigingen concurreerden met elkaar
op de ledenmarkt, thans concurreren zij als (tegen heug en
meug) samenwerkende publieke omroep met commerciële
omroepzenders. Concurrentie betekent journalistieke concur-
rentie, dus haastwerk, primeurjacht, sensatie, riooljournalis-
tiek en roddelpers. Dat zijn de schaduwkanten. Maar het bete-
kent ook dat de media achter misstanden aangaan en die
weten te signaleren (en in een week méér boven water weten te
krijgen dan de hele AIVD bij elkaar). De markt en het daarbij
behorende fusiegedrag van ondernemers zorgden ook voor
kwaliteitskranten als
NRC Handelsblad en Trouw, alsmede voor
een regionale dagbladpers van hoge kwaliteit. Concurrentie
had ook tot gevolg dat de media op de veranderingen in de
samenleving (en dus de nieuwe markten) hebben ingespeeld
en een grotere openheid betrachten en een grotere verscheiden-
heid aan informatie en opinie presenteren en (tot lering en
vermaak) de burgers rechtstreeks confronteren met politici
die om hun stem vragen en niet bereid zijn die zo maar te
geven. Dat is de winst tegenover de schaduwkanten. De media
organiseren die confrontatie van politici met de burger niet
(meer) door de politici onderdanig ongestoord aan het woord
te laten, maar door ze stevig aan de tand te voelen. Gemeten is,
dat tijdens sommige uitzendingen met politici journalisten
zelfs méér aan het woord waren dan de politici. Deze bevin-
ding is voor tweeërlei uitleg vatbaar. Die van de Raad is dat de
journalisten zich dan opwerpen als deelnemers in de politieke
strijd. Dat kan het geval zijn en het mag trouwens uit oog-
punt van vrijheid van meningsuiting. Je kunt het ook zien dat
journalisten de vragen die burgers bezig houden, weten te
verwoorden. Ik zie geen reden aan te nemen dat het één meer
voorkomt dan het ander. Trouwens, er wordt niet bij gezegd,
waardoor het kwam dat die journalisten meer aan het woord
waren. Was dat omdat de politici geen duidelijke antwoorden
gaven of was het gewoon omdat zij gespreksleider waren?
Soms heb je aan kwantitatieve gegevens niet zo veel als ze niet
vergezeld gaan van kwalitatieve informatie.
Maatschappelijke verantwoordelijkheid
Teneinde de schaduwkanten van het commerciële opereren
van de media in te dammen heeft men de maatschappelijke
verantwoordelijkheid uitgevonden. Deze theorie ergens in
de jaren vijftig ontstaan in de VS is enerzijds een verklaring
voor het feitelijk gedrag van de op winst gerichte pers, name-
lijk een verklaring dat die commerciële pers toch `maatschap-
pelijk verantwoord' bezig is, enerzijds simpel uit commercieel
belang een journalist die uit zijn duim heeft gezogen, stelt
de krant in een kwaad daglicht en wordt ontslagen ander-
zijds uit ideële motieven zoals vrijheid van meningsuiting en
de als roeping gevoelde behoefte de samenleving te informe-
ren. Dat besef maatschappelijke verantwoordelijk te zijn leid-
de tot een journalistieke cultuur, tot een redactiecultuur, tot
redactiestatuten met een `scheiding tussen commercie en
redactie', tot codes en tot zelfregulerende organen als een
Raad voor de Journalistiek. De theorie van de maatschappelij-
ke verantwoordelijkheid duidt dus eerder op een correctieme-
chanisme dan op een norm. Bardoel laat in zijn oratie (en in
bijlage 3 van het rapport)
6
zeer overtuigend zien dat die
mechanismen in de loop der tijd steeds anders werden georga-
niseerd en dat elk model van deze sturingsmechanismen (de
markt, de journalistieke professie, de samenleving, de over-
heid) elk hun eigen kracht en zwakheden hebben. Daarom
zoekt hij naar een combinatie die het meest geëigend is om de
maatschappelijke verantwoordelijkheid ook in de toekomst
5 Ook Bardoel's oratie bevat in bewonderenswaardige beknoptheid een mooie
analyse van die ontwikkelingen.
6 Bijlage 3: J. Bardoel & L. d'Haenens, `Media en maatschappelijke verantwoorde-
lijkheid. Van theorie naar praktijk', p. 99-137.
Mediaforum 2003-11/12
365
vorm te geven. Het is absoluut een goede zaak dat journalisten
er voortdurend van worden doordrongen dat zij maatschap-
pelijke verantwoordelijkheid dragen voor de kwaliteit van de
door hun verzorgde informatievoorziening. Ik zet er wel
enkele kanttekeningen bij. Wat precies `maatschappelijk ver-
antwoord' is kan onderwerp zijn van discussie. Verschillen van
opvattingen daarover leiden tot verschillende pluriforme!
media. Media kunnen er zelfs voor kiezen binnen de gren-
zen van de wet
niet maatschappelijk verantwoordelijk te wil-
len zijn. Dat brengt de vrijheid van meningsuiting met zich
mee. Die vrijheid leidt er ook toe dat het `toezicht' op de nale-
ving van de maatschappelijke verantwoordelijkheid proble-
matisch is. De overheid mag zich buiten de gevallen waarin
de rechter oordeelt of het `behoudens ieders verantwoorde-
lijkheid volgens de wet' is overtreden er niet mee bemoeien
en het toezicht van `de' samenleving zal even grote verschillen
van mening opleveren als bij de media en journalisten.
`Steeds meer'?
Tenslotte nog iets over het rapport van de Raad voor Maat-
schappelijke Ontwikkeling. De woorden `steeds meer', `in
toenemende mate' en dergelijke komen in het rapport veel-
vuldig voor en men kan zich afvragen of alle beweringen in
deze zin wel door de onderliggende onderzoeken worden
bevestigd. Er zit nogal wat vooroordeel in het rapport en
gebrek aan historische kennis. De media zijn m.i. niet `steeds'
commerciëler geworden, zij zijn anders geworden dank zij de
informatietechnologie en de veranderde samenleving.
Nieuwswaarde zou `in toenemende mate' bepaald worden
door criteria als het persoonlijk conflict, de wedren naar de
macht (
horse race) en entertainment. De media weten m.i. nog
steeds uitstekend materiaal aan te dragen voor wat gewoon
hete politieke kwesties zijn, ook zonder ze tot persoonlijke
conflicten te herleiden. Maar ja, politiek is altijd machtsvor-
ming en
horse race. De Raad vindt ook dat er een politiek-
publicitair complex is ontstaan waarin de belangen van poli-
tici (aandacht in de media) grotendeels parallel lopen aan die
van de journalistiek (behoefte aan scoops, zappende kijkers
boeien). Dat is tot op zekere hoogte juist en het heeft ook zijn
voordelen, zoals ik hierboven liet zien, maar zijn daarmee de
verschillen tussen politiek en media vervaagd? De Raad
noemt als voorbeeld dat journalisten gemakkelijk overstap-
pen naar voorlichtingsfuncties of naar de politiek en ex-poli-
tici zetten hun carrière voort in de journalistiek. Deze wisse-
lingen van beroep hebben altijd al plaats gehad. De Raad
vermeldt er niet bij dat als een journalist tegenwoordig in de
politiek gaat, zijn werkgever die commerciële omroep of
uitgever! vindt dat hij niet langer journalist kan zijn. Is men
de tijd vergeten dat KVP-leider Romme `staatkundig' hoofd-
redacteur was van
De Volkskrant, AR-leider Bruins Slot hoofd-
redacteur van
Trouw en de hoofdredacteur van Het Vrije Volk
werd benoemd door het partijcongres van de PvdA? Ik meen
dat er eerder van een ontvlechting van politiek en media heeft
plaats gehad. Die Raad doet voorts of het verschijnsel media-
hypes iets nieuws is. Die zijn er altijd al geweest, van de affai-
re Dreyfuss, tot `Linggadjati', de Lockheed-affaire, het huwe-
lijk van Irene, het gedwongen aftreden van Aantjes en ga
maar door. Dat journalisten zich daarbij meer dan vroeger
zouden opwerpen als interpretatoren van wat politici eigen-
lijk zouden willen zeggen, lijkt me, zoals boven gezegd, ook
een nogal boude bewering.
Positieve en negatieve gevolgen van de
medialogica
Maar goed, het rapport komt tot het signaleren van een aan-
tal positieve gevolgen van de medialogica voor de burgers: de
media vervullen nog steeds `met verve' de waakhondfunctie,
er is een hoge informatiedichtheid, er is aandacht voor de bur-
ger in de media, er is `nieuws op maat' (d.w.z. een zeer pluri-
form en gedifferentieerd aanbod), méér kennis bij de burgers.
De negatieve gevolgen van de medialogica voor de burgers
zijn volgens de Raad haastwerk, het vertrouwen dat de bur-
gers dreigen te verliezen in publieke instituties waaronder de
media zelf (cynismespiraal, men gelooft niet langer in de poli-
tiek), de afstand tussen de politiek-bureaucratische arena
enerzijds en de politiek-publicitaire arena anderzijds wordt
vergroot (minder aandacht voor de noeste werkers in `Den
Haag' en het dagelijkse ambtelijke en politieke handwerk,
méér aandacht voor de politieke strijd). Het nadeel hiervan
voor de burgers zou zijn, dat commotie in de publicitaire are-
na kan leiden tot chaotisch en irrationeel beleid, dat de samen-
hang in de bureaucratische arena doorkruist en verder krijgen
de burgers een irreëel beeld van het bestuur.
Die nadelen vallen dus nogal mee, zeker voor zover zij aan
de media zijn te wijten, c.q. door de media zouden kunnen
worden verholpen. Dus vraagt dat enige kritische aandacht
voor de noodzaak van de voorstellen van de Raad. De Raad
vraagt zowel van politici als van journalisten inzet om de
negatieve gevolgen van de medialogica te bestrijden. Welis-
waar zijn politici én journalisten zich bewust van de gevaren
ervan, maar zij verkeren in een
prisoner's dilemma: omdat ieder-
een meedoet kan niemand zich eraan onttrekken. (De Raad
besteedt geen aandacht aan wat bestuurders en politici zélf
kunnen doen om de medialogica te doorbreken. Daarover
komt binnenkort een afzonderlijk advies uit. Toch eigenaar-
dig dat hier zonder meer gesproken wordt over het `doorbre-
ken' van de medialogica, terwijl die zoveel goede kanten
bevat.)
Niet onderbouwde adviezen
Van de overheid vraagt de Raad zorg en stimulerende (geen
vrijheidsbeperkende) maatregelen voor pluriformiteit, onaf-
hankelijkheid en transparantie van de media (`open zijn over
de belangen die zij dienen'). Door een persfusieregeling
moet de overheid zorgen dat de pluriformiteit van kranten
niet onder een bepaalde grens komt, want bij de NMa zou
het concentratietoezicht onvoldoende gewaarborgd zijn. Dit
komt in de aanbevelingen ineens uit de lucht vallen, want
over het concentratietoezicht is tot dan niet gesproken. De
Raad heeft het rapport van de Commissie-Mediaconcentra-
ties uit 1999 kennelijk niet gelezen. Er wordt althans geen
enkel argument aangevoerd waarom het thans anders zou
zijn!
7
In het onderliggende onderzoek van Schillemans
wordt slechts `aanhoudende zorg' gemeld, het verzoek van
de Tweede Kamer om `onderzoek' en verzoeken van het
Commissariaat voor de Media.
8
Dat is een wat magere onder-
bouwing van zo'n uitgesproken advies. (Daarmee heb ik niet
gezegd dat we niet waakzaam zouden moeten zijn dat er
concurrentie blijft tussen de media. Dat behoort nu eenmaal
tot de paradox.)
7 Zie daarover
Mediaforum 1999-5, p. 140-144.
8 Bijlage 6: T. Schillemans,
`Concentratietrends in de media', p. 247-267.
Mediaforum 2003-11/12
366
De Raad vindt dat redactiestatuten bij wet moeten worden
verplicht gesteld. Dit komt ook ineens in de aanbevelingen
naar boven drijven. Er is geen analyse gemaakt van het func-
tioneren van de bestaande statuten en dat het ontbreken van
een wettelijke plicht een probleem zou zijn wordt niet nader
toegelicht. Van een mogelijk constitutioneel bezwaar tegen
zo'n wettelijk voorschrift heeft de Raad (die zich ervan bewust
zegt te zijn dat het onmogelijk is in te grijpen in fundamente-
le vrijheidsrechten) niet gehoord.
Aan de publieke omroep wil de Raad zijn vingers niet bran-
den, maar hij denkt aan `onder meer panels en public
hearings, workshops door het hele land waar verschillende
publieksgroepen worden gehoord over het functioneren van
de omroep en over de programma's die ze uitzendt. Er schijnt
een Canadees voorbeeld te zijn, maar voor mij begint het op de
AVRO-landdagen te lijken of hoe die bijeenkomsten van de
omroepverenigingen vroeger ook heetten.
Daarmee zijn we al beland met het punt wat in de pers nogal
wat aandacht heeft gekregen. Volgens de Raad moeten de
media zich publiekelijk verantwoorden. Er moeten visitaties
komen en burgerpanels, `communities' en `ombudsmannen'
en een jaarlijks `media-politiek verantwoordingsdebat', als-
mede een (wetenschappelijk) mediawatchinstituut. Er is
uiteraard niets tegen. We hebben vrijheid van meningsuiting,
dus laat men het maar organiseren. Ik zie er echter niets in.
Voor mij is het van tweeën één: òfwel de publieksbijeenkom-
sten worden tot niets verplichtende gezellige uitjes, zoals de
vroegere omroep-landdagen, òfwel ze worden professioneel
georganiseerd volgens de gewraakte medialogica. Maar dan
wordt het weer `veel aandacht voor het persoonlijk conflict',
`wedren naar de macht' en `entertainment'. Trouwens, is het
nodig? De Raad merkt terecht op: `Daarnaast bestaat `de tucht
van de openbaarheid'. Media-organisaties werken per defini-
tie (ook) in de openbaarheid, ze verantwoorden zich door wat
ze doen. Elke publicatie kan publiekelijk beoordeeld worden
en bekritiseerd'. Precies, men kan zijn abonnement opzeggen
en men kan naar een andere zender zappen. Maar dat is vol-
gens de Raad kennelijk niet genoeg. Waarom niet, wordt niet
besproken.
Peper in de reet
Ik wil in dit verband niet gezegd hebben dat de media vol-
maakt zijn. Dagelijks worden honderden pagina's geprodu-
ceerd en 24-uur lang uitzendingen verzorgd op meerdere
radio- en televisiezenders. Daarin worden uiteraard fouten
gemaakt. Daar zullen altijd verkeerde mensen op de verkeerde
plek zijn aangesteld. Elke publicatie zal wel hier of daar tot
ergernis aanleiding geven. Men mag daarbij niet vergeten dat
journalisten hun bronnen niet onder ede kunnen horen (zoals
een rechter of parlementaire enquêteurs) en dat zij soms niet
anders kunnen doen dan opschrijven of laten zien wat zij heb-
ben gehoord en gezien. Maar met alle clementie, men moet
jegens de media even kritisch blijven als jegens de politiek.
Kritiek op de media werkt uitstekend als peper in de reet. Zij
kan aansporen tot verbetering en tot zelfreflectie en moet dus
worden toegejuicht. Die kritiek komt in de eerste plaats van
de concurrerende media (die `de publieke opinie' dan toch min
of meer verwoorden). De vrijheid van meningsuiting en con-
currentie zijn de beste waarborgen voor dit correctiemecha-
nisme. In de tweede plaats kan kritiek ook komen van de
wetenschap. Het rapport van J. Wieten over de media en `Sre-
brenica' is daar een mooi voorbeeld van.
9
En als de communi-
catiewetenschappers het nodig vinden om een `mediawatch-
instituut' in het leven te roepen, is dat prima, maar ik dacht
dat ze daar altijd al mee bezig waren!
Tucht moet er zijn
Tenslotte, tot dan geheel onbesproken, komt als een de aap
uit de mouw de aanbeveling dat de rechtsgang moet worden
versterkt voor personen die rekenschap vragen aan de media
wanneer hun belangen zijn geschaad. De Raad voor de Journa-
listiek moet meer tanden krijgen en als dat niet van de grond
komt moet de overheid het vergemakkelijken dat burgers hun
geschillen met de media via de rechterlijke macht oplossen
door een voorportaal voor de rechter te ontwikkelen. Hoezo?
Waarom voldoet de Raad voor de Journalistiek niet? Er is best
iets op de Raad voor de Journalistiek aan te merken, maar als
zo'n aanbeveling tot `meer tanden geven' (bedoeld wordt
natuurlijk `invoeren van tuchtrecht') zonder enige onderbou-
wing wordt gedaan, is dat nogal zwak. Dat geldt ook voor de
suggestie van het voorportaal voor de rechter. Hoezo? Func-
tioneert de rechtspraak niet? Hoe dringend is het probleem
van mensen die door de media worden geschaad? Hoeveel
zaken worden er per jaar bij de rechter daarover uitgevochten
en hoeveel daarover bij de Raad voor de Journalistiek? Niets
van dat alles in het rapport, laat staan cijfers over de aantalen
keren dat de media volgens de Raad of de rechter onzorgvul-
dig hebben gehandeld.
Conclusie
Mijn oordeel over dit rapport luidt: de Raad is er bevooroor-
deeld aan begonnen en kan met moeite toegeven dat de macht
van de media minder groot blijkt te zijn dan hij eerder veron-
derstelde. De Raad begon aan het rapport met ernstige beden-
kingen tegen de medialogica, maar moet aan het eind conclu-
deren dat er meer voordelen dan nadelen zijn. Niettemin, de
Raad had bij voorbaat een aantal maatregelen in zijn hoofd en
die blijven volgens de Raad noodzakelijk om de nadelen
(waarvan men nog kan betwijfelen of het wel nadelen zijn die
aan de media zijn te wijten) tegen te gaan en om de media ter
verantwoording te roepen. De burger blijkt beter geïnfor-
meerd en bewuster te kiezen, maar de Raad blijft vrezen dat
hij door de media op de verkeerde politici stemt. Het riekt mij
allemaal te veel naar vrees voor de media en hun vrijheid en
naar bezorgdheid voor de vrome zieltjes van de burgers die
schade kunnen leiden door wat zij zien en horen via de media.
Net als in de eerste jaren van de radio: de media zijn de onge-
node gast in de huiskamer.
Mijn advies: lees de bijlagen!
9 J. Wieten,
Srebenica en de journalistiek, Amsterdam: ASCOR-NIOS-Boom 2002;
zie ook bijlage 8: A. de Graaf, `Een nieuwe dag, een nieuwe krant. Een kwalita-
tief onderzoek naar zelfreflectie bij vijf Nederlandse dagbladen naar aanlei-
ding van het NIOS-rapport over Srebenica', p. 291-308.
Mediaforum 2003-11/12
367
Dit proefschriftonderzoek is verricht aan de Amsterdam
School of Communications Research. Tijdens een stage bij een
nieuwsprogramma werd de auteur geconfronteerd met een
ogenschijnlijke paradox. Aan de ene kant waren politici, jour-
nalisten en burgers overtuigd van het belang van de Europese
integratie; aan de andere kant vonden dezelfde groepen dit
integratieproces complex bureaucratisch, inefficiënt en saai.
Dit gegeven heeft de auteur verwerkt tot een onderzoek
waarin de positie van de tv- nieuwsjournalist centraal staat en
waarbij de vraag aan de orde komt hoe, door het optreden van
deze journalist, het doen en laten van politici vervolgens de
Europese burgers bereikt.
Drie landen werden in het onderzoek betrokken: Nederland
als traditioneel pro-Europees, Denemarken als niet erg
enthousiast en Groot-Brittannië als Eurosceptisch land. De
drie landen vormden de basis voor een onderzoek dat betrek-
king had op de relatie tussen nieuwsproductie, inhoud van de
programma's en de publieke meningsvorming over Europa.
Het accent ligt op het TV nieuws. Journalisten, politieke cor-
respondenten in de drie betrokken landen, werden geïnter-
viewd, bijvoorbeeld van het NOS Journaal in Nederland. Ook
werd de medewerking verkregen van een aantal politici. Het
onderzoek werd verricht in een periode waarin de Europese
Commissie Santer viel (via de klokkenluider Van Buitenen),
Europese verkiezingen plaatsvonden (1999) en waarin Europa
zich opmaakte voor de euro. Met name dit laatste onderwerp,
een splijtzwam in Europa, was een goed onderzoeksveld om de
tegenstrijdige meningen in Nederland (euroland) en het Ver-
enigd Koninkrijk en Denemarken (geen eurolanden) met
elkaar te vergelijken.
Framing Europe is de titel van het boek. Het concept `framing'
staat centraal in deze studie. Gebeurtenissen hebben op zich
weinig intrinsieke waarde indien ze niet ingebed zijn in een
bepaald kader dat samenhang geeft en toelaat nieuws te `dui-
den'. Het proefschrift gaat uitvoerig in op dit concept, maar
omdat ik onvoldoende ingewerkt ben in het gereedschap van
de communicatiewetenschap, laat ik de behandeling van dit
onderwerp buiten beschouwing.
De centrale onderzoeksvraag is: What characteristics of the
television news production process influence the framing of
Europe in the news and what influence does news have on
public opinion about Europe? (p. 5). Om deze algemene vraag
te beantwoorden, wordt `framing' in verband gebracht met de
redactie (newsroom), het nieuws zelf en het effect op de publie-
ke opinie. Elk van deze drie aanknopingspunten wordt in een
afzonderlijk hoofdstuk belicht. In het hoofdstuk dat hierop
volgt, worden de antwoorden meegenomen in een experiment
dat betrekking heeft op de effecten van dit soort strategisch
nieuws op politiek cynisme. Het laatste hoofdstuk komt met
een aantal conclusies. Deze conclusies nemen als vertrekpunt
de drie aanknopingspunten (redactie, het nieuws en de publie-
ke opinie) en sluiten derhalve goed aan bij de analyse in de
vorige hoofdstukken. In deze hoofdstukken illustreren citaten
de analyse. Ik zal enkele saillante voorbeelden in de bespre-
king verwerken.
Wat de redactie betreft, blijkt dat in de drie landen gewerkt
wordt met een triade: centrale redactie (bijvoorbeeld Hilver-
sum), parlementaire redactie (bijvoorbeeld Den Haag) en Euro-
pese redactie (Brussel). De volgende problemen en uitdagingen
manifesteren zich. Ten eerste de ruimtelijke afstand tussen
deze drie plaatsen. Ten tweede de inhoudelijke afstand omdat
de besluitvorming complex en gesloten is. Ten derde de interne
onenigheid binnen de redactie, bijvoorbeeld tussen pro-Euro-
pese en Eurosceptische journalisten. Ten vierde het gebrek aan
kennis van en interesse voor de publieke opinie. Over de Euro-
pese verkiezingen in Nederland merkte de plaatsvervangend
hoofdredacteur van het NOS Journaal op: `There was no cam-
paign. Even the political parties reduced their campaign activi-
ties to an absolute minimum' (p. 69). Het voornemen van de
redactie om zelf actief te rapporteren, werd daardoor nooit uit-
gevoerd. Dezelfde geïnterviewde merkte verder op': `The
threshold for the European elections to get in the news was
extremely high. These Parliamentary elections are a `non-issue'.
It means nothing to the voters. Added to this were a number of
factors: the war and peace negotiations in Kosovo, our govern-
mental crisis, the resigning Minister of Agriculture, and the
elections in Indonesia and South Africa which in other coun-
tries may not receive much attention but are important in the
Netherlands (...) Under more normal circumstances we would
have covered the European elections more, but even then we
would not have extended the coverage very far' (p. 72-73). Dit
laatste citaat illustreert de bekrompen keuzes die gemaakt wer-
den door de NOS-redactie. Verkiezingen in een oud-kolonie en
in een `gevoelig' land krijgen de voorrang op verkiezingen die
Framing Europe.
Television news and
European Integration
Claes H. de Vreese, Framing Europe.Television news and European
Integration. Proefschrift Universiteit van Amsterdam, 2003 (Am-
sterdam, Aksant, 2003, ISDN 90-5260-080-5)
Boekbespreking
Kamiel Mortelmans*
*
Prof. mr. K. J.M. Mortelmans is hoogleraar aan het Europa Instituut, Universi-
teit Utrecht, en redacteur van dit blad.
Mediaforum 2003-11/12
368
elke Nederlandse burger aangaan. Bij twee andere onderwer-
pen ligt de directe band met Europa voor de hand, maar wordt
deze relatie door de adjunct-hoofdredacteur niet gezien. De
minister van Landbouw, Apotheker, viel over de varkens, een
bij uitstek Europees getint onderwerp. Kosovo vormt een (min-
der geslaagd) aspect van het Europese gemeenschappelijk bui-
tenlands en veiligheidsbeleid (de tweede pijler van de Europese
Unie). Blijft over `our governmental crisis', een versluierde ver-
taling van de Nacht van Wiegel! Het correctief referendum,
waar het orakel van Diever zich glorieus tegen verzette, had
makkelijk in een Europees perspectief geplaatst kunnen wor-
den. Een aantal Europese landen (Ierland, Denemarken en
Frankrijk) had ervaring met een referendum. Kortom: dit item
had, met inschakeling van een aantal buitenlandse correspon-
denten, in een breder Europees perspectief geplaatst kunnen
worden. Naar nu blijkt, wordt in een consultatief referendum
niet alleen de mening van een orakel, maar van het gehele
Nederlandse volk over de Europese grondwet gevraagd.
Het nieuws zelf kan vanuit twee invalshoeken bestreken
worden: Europa, dan wel vanuit de diverse landen. Uit de ana-
lyse van de auteur blijkt dat in de meeste gevallen het Europe-
se nieuws nationaal verpakt wordt: het Europese perspectief
ontbreekt. Een voorbeeld hiervoor zijn de persconferenties
die gegeven worden door de staatshoofden en regeringslei-
ders na een Europese Raad. Men zou kunnen volstaan met een
in alle talen vertaalde persconferentie door het voorzitter-
schap. In feite concentreren de journalisten zich op de natio-
nale deelnemers aan de Europese Raad. Bij de Europese Raad
van Nice 2000 richtte de Nederlandse berichtgeving zich op
het conflict met België over de stemmenweging in de Raad (p.
114): Nederland had één stem meer binnengehaald dan België,
een waarlijk eclatant onderhandelingsresultaat!
Wat verder opviel bij het bestrijken van het nieuws is de ster-
ke nadruk op conflict-items: man bijt hond komt in het
nieuws; hond bijt man niet en slapende honden worden niet
wakker gemaakt. Dezelfde (grotendeels mislukte) Europese
Raad van Nice 2000 levert hiervoor een illustratie: ITN: `Riots
on the Riviera'... `it is nice in Nice, but the summit is in troubled
water. With power and national pride at stake, reaching agree-
ment will be more than difficult' (p. 104).
Het effect op de
publieke opinie. Hier baseert de auteur zich op
een aantal Eurobarometers, evenals op experimenten, uitge-
voerd met de medewerking van het Amsterdamse instituut
waar het proefschriftonderzoek werd verricht. Bij deze experi-
menten werd gekeken naar economische consequenties van
Europa (de euro) en naar strategisch nieuws (de uitbreiding
met vele Oost-Europese landen) De conclusies van dit hoofd-
stuk sluiten nauw aan bij het hoofdstuk dat betrekking heeft
op strategisch nieuws en politiek cynisme. Ik laat dit onder-
werp verder onbesproken, omdat ik, zoals aangegeven, weinig
weet heb over deze tak van wetenschappelijk onderzoek.
Aan het einde van zijn studie (p. 172) merkt de auteur op dat
hij zich bewust is van de beperkingen van zijn onderzoek. Hij
geeft aan dat, op basis van een uitgewerkte theorie van `fram-
ing', nauwkeuriger onderzoek verricht kan worden en conclu-
sies worden gepresenteerd.
Hij komt met een aantal tentatieve conclusies. Journalisten
moeten zich ervan bewust zijn dat het rapporteren over poli-
tieke ontwikkelingen in Europa iets anders is dan het bestrij-
ken van het nationale of plaatselijke veld.
Our man in Diever
heeft, gelet op de in de inleiding geschetste paradox: Europa is
zeer belangrijk, maar complex en saai, andere besognes dan
our woman in Brussels.
Onder de kop `Blaming the messenger: The fault of tele-
vision journalism?' concludeert de auteur: `Given the effects of
television news demonstrated in this study, does this mean
that journalists are responsible for fuelling political cynicism
about Europe? No. It is not a journalistic responsibility as such
to promote integration in Europe. European integration is
but
one of several concurring political, economic, and social
developments that compete for attention in the news. Journal-
ists are obliged to cover the key issues of the political arena,
but only if politicians are convincingly engaged in a topic, the
discussion of
how journalists choose to cover this issue emer-
ges. And still, it is journalism's responsibility to act as a watch-
dog and hold politicians accountable, even though this may be
at stake with politicians' interests.
However, it
is a journalistic and editorial responsibility to
reflect upon the choices made in the `Europe-coverage'. One
conclusion from this study is that `Europe is a choice'. While
television news programs were all pragmatic, that is selective
and critical in their choice of stories, the cross-national design
showed that this may lead journalists to either, by and large,
neglect the European story (such as in the Netherlands) or pro-
actively set an agenda, independent from the politicians'
agenda (such as in Denmark)' (p.180-181).
Uit de studie van De Vreese blijkt dat Nederlandse tv-jour-
nalisten niet gunstig afsteken tegen hun Deense en Britse col-
lega's. Vaak wordt er niet gerapporteerd, soms slordig, dan wel
onjuist. Dit beeld komt overeen met mijn, op eigen ervaring
geformuleerde conclusie (K. Mortelmans. `Schuitenpraatjes:
de journalist en de EG',
Mediaforum 1999, p. 365)
De auteur, geboren in Kopenhagen, heeft een vlot geschre-
ven proefschrift afgeleverd. Het is voor een niet-ingewijde in
communicatietheorieën goed te lezen. Het bronnenwerk is
uitvoerig en de literatuurlijst omvangrijk.
Dit jaar en volgend jaar wordt er onderhandeld over een
Europese Grondwet. In 2004 vinden er Europese verkiezingen
plaats en zal in Nederland vermoedelijk een consultatief refe-
rendum gehouden worden. Per 1 mei 2004 treden 10 nieuwe
lidstaten tot de Europese Unie toe. In het tweede gedeelte van
2004 is Nederland voorzitter van de Europese Unie. Kortom,
de komende maanden bieden de Nederlandse media dé kans
om hun Europese blazoen op te fleuren: prompte berichtge-
ving, goede analyse in een Nederlands en Europees perspec-
tief.
Mediaforum 2003-11/12
369
Rechtspraak
Van rechtspraak aangeduid met een
is bij het redactiesecretariaat schriftelijk een
kopie te bestellen. Kosten:
0,50 per pagina,
met een minimum van
7, per bestelling.
Faxtoeslag
11,50. Prijzen zijn exclusief BTW.
Integraal in de Jurisprudentiebijlage:
J
EHRM 23 september 2003, Karkin vs. Turkije,
www.echr.coe.int (appl. no. 43928/98)
Artikel 10 EVRM · Uitingsvrijheid · Poli-
tiek debat
Klager is een vakbondsman die in 1997 ter
gelegenheid van een Koerdische feestdag een
toespraak heeft gehouden ten overstaan van
een menigte. In deze speech sprak hij onder
andere over `hen die het Koerdische volk wil-
len vernietigen met hun vuile oorlog en hun
moordpartijen'. Bovendien hekelde klager
het kapitalisme en riep hij de menigte op te
strijden voor de bevrijding van de arbeiders
en de onderdrukten. Klager wordt veroor-
deeld tot een jaar gevangenisstraf en een geld-
boete wegens het aanzetten tot haat en vijan-
digheid. Volgens het Hof in Straatsburg kan
de veroordeling niet noodzakelijk worden
geacht in een democratische samenleving.
Klager heeft naar de mening van het Hof een
politiek betoog gehouden, zodat er weinig
ruimte is voor beperking van zijn recht op
vrijheid van meningsuiting. Verder heeft kla-
ger zijn mening verkondigd zonder op te roe-
pen tot geweld, gewapend verzet of oproer.
Bovendien heeft hij zijn speech gehouden op
een vreedzame bijeenkomst, ver weg van de
conflictzone. Tenslotte hekelt het Hof de
zwaarte van de opgelegde straffen. Schending
van artikel 10 EVRM (unaniem).
EHRM 2 oktober 2003, Kizilyaprak vs. Turkije,
www.echr.coe.int (appl. no. 27528/95)
Artikel 10 EVRM · Uitingsvrijheid · Poli-
tiek debat
Klager is eigenaar van een uitgeverij die in
1991 een boek heeft gepubliceerd getiteld `Hoe
wij tegen het Koerdische volk vochten! De
memoires van een soldaat'. In het boek wordt
door een onbekende soldaat onder andere
melding gemaakt van executies, martelingen
en het vergiftigen van drinkwater. Naar aan-
leiding van de publicatie van het boek wordt
klager veroordeeld tot een gevangenisstraf en
een geldboete vanwege het verspreiden van
separatistische propaganda. Volgens het Hof
in Straatsburg kan de veroordeling niet nood-
zakelijk worden geacht in een democratische
samenleving. Hoewel bepaalde passages in
het boek een zeer negatief beeld schetsen van
de Turkse staat en het Turkse leger en het
relaas een vijandige toon geven, wordt ner-
gens opgeroepen tot geweld, gewapend verzet
of oproer. Het Hof is van mening dat de Turk-
se autoriteiten onvoldoende rekening gehou-
den hebben met het recht van het publiek om
vanuit een ander perspectief geïnformeerd te
worden over de situatie in Zuidoost Turkije.
Tenslotte hekelt het Hof de zwaarte van de
opgelegde straffen. Schending van artikel 10
EVRM (unaniem).
HR 23 mei 2003, KNVB vs. Feyenoord, NJ 2003,
494
Stadionrecht · Eénlijnsprestatie
Zie de beknopte weergave in Mediaforum 2003-7/8,
p. 240.
HR 6 juni 2003, NOS vs. Telegraaf, NJ 2003, 505
Programmagegevens · Misbruik van
machtspositie
Zie Mediaforum 2003-7/8, nr. 34 m.nt. G. van der
Klis.
HR 30 september 2003 (strafkamer), www.recht-
spraak.nl (LJN-nr. AG3813)
Openbaarheid · Interview · Correctierecht
Gedaagde werd veroordeeld wegens racisti-
sche uitlatingen tegenover een journalist,
die een interview met haar op band opnam
en op een later tijdstip uitzond. Het Hof
heeft terecht aangenomen dat het delictsbe-
standdeel `in het openbaar' eerst is vervuld
door de uitzending van de desbetreffende
uitlatingen. Daarbij is vereist dat de opzet
van verdachte erop was gericht dat zijn uitla-
tingen ter kennis van het publiek zouden
komen. De verdachte, geschrokken van haar
eigen woorden, had evenwel nadat het
gesprek was opgenomen tegen de journalist
bij herhaling en duidelijk gezegd dat zij niet
wilde dat het gesprek werd uitgezonden.
Het Hof veroordeelde haar niettemin omdat
zij wist dat het zou worden uitgezonden, zij
geen beding had gemaakt de opname te
mogen fiatteren en een algemeen correctie-
recht geen steun vindt in het recht. Dit oor-
deel wordt gecasseerd, omdat het er op zou
neerkomen dat de aanwezigheid van het
opzet louter dient te worden beoordeeld
naar het moment waarop de uitlatingen
tegenover de journalist zijn gedaan zonder
rekening te houden met de tegenover de
journalist uitgesproken wens, dat de uitla-
tingen niet zouden worden uitgezonden.
Verwijzing naar Hof Arnhem.
Hof Amsterdam 21 augustus 2003, Nawijn vs. De
Telegraaf
Perspublicatie · Onderzoeksplicht · Pu-
blieke figuur
Hoger beroep in kort geding zaak tussen
toenmalig minister Nawijn en De Telegraaf.
Artikel over Nawijn waarin hij in verband
werd gebracht met een fikse belastingschuld
van een voetbalclub waarvan Nawijn des-
tijds voorzitter was. De voorzieningenrech-
ter wees de eis tot rectificatie en schadever-
goeding af (zie
Mediaforum 2003-2, p. 56.).
Het Hof oordeelt dat De Telegraaf voldoen-
de zorgvuldig te werk is gegaan in haar
onderzoek naar de feiten en dat niet is geble-
ken dat het artikel op onwaarheden berust of
gepubliceerd is met de bedoeling Nawijn te
beschadigen. De Telegraaf heeft Nawijn in
de gelegenheid gesteld te reageren op de
informatie en heeft vervolgens de reactie van
Nawijn geciteerd in het artikel. Volgens het
Hof heeft de (geciteerde) reactie van Nawijn
het artikel niet zodanig weerlegd dat publi-
catie achterwege had moeten blijven. Het
Hof is met de voorzieningenrechter van oor-
deel dat Nawijn als politicus en (voormalig)
bewindsman een publieke figuur is met gro-
te nieuwswaarde en dus een grotere toleran-
tie moet opbrengen ten aanzien van hetgeen
over hem wordt gepubliceerd dan de gemid-
delde burger, ook als het gaat om publicaties
die zijn eer en goede naam raken. De Tele-
graaf heeft geen grenzen van zorgvuldig-
heid en betamelijkheid overschreden die de
vrijheid van meningsuiting kunnen beper-
ken. Het Hof bekrachtigt het bestreden von-
nis.
Hof Amsterdam 11 september 2003, Racistische
spreker (strafzaak),
www.rechtspraak.nl (LJN-
nr. AK8302)
Aanzetten tot haat · Belediging · Open-
baar karakter
Verdachte wordt vervolgd voor het aanzet-
ten tot haat tegen mensen wegens hun ras en
belediging tijdens twee bijeenkomsten van
CP '86. Het onderhavige arrest is gewezen na
verwijzing door de Hoge Raad (zie
Mediafo-
rum 2001-7/8, p. 233). De Hoge Raad had
namelijk het arrest van het Hof Den Haag
van 7 mei 1999 vernietigd, omdat het open-
bare karakter van de in de bewezenverkla-
ring genoemde uitlatingen niet door de
bewijsmiddelen
werd
gedragen.
Het
Amsterdamse Hof oordeelt dat wel is bewe-
zen dat de uitlatingen in het openbaar zijn
gedaan. Verdachte heeft ter zitting verklaard
dat hij ervan op de hoogte was dat pers aan-
wezig was bij de bijeenkomsten. Voorts heeft
hij zelf een journalist voor één bijeenkomst
uitgenodigd. Tenslotte heeft hij verklaard
het zeker te begrijpen dat de pers zijn uit-
spraken wereldkundig zou maken en dat dat
voor hem ook niet uitmaakte, omdat hij de
uitspraken ook zelf in het openbaar wilde
doen (Zie ook M.M. Dolman, `
Wie bakt ze brui-
ner. Openbaarheid en opzet in geval van opruiïng
en belediging', Mediaforum 2002-1, p. 15-18).
Hof Amsterdam 22 september 2003 (strafzaak tegen
verfbomgooier),
www.rechtspraak.nl
(LJN-nr.
AM2627)
Symbolic speech · Art. 10 EVRM · Beledi-
ging troonopvolger
Hoger beroep van Rb. Amsterdam 30 mei
2002 (
Mediaforum 2002-7/8, nr. 27 m.nt.
G.A.I. Schuijt). Het gooien van een verfbom
naar de gouden koets met het zo juist
getrouwde prinselijk paar Willem-Alexan-
der en Máxima is een opzettelijke beledi-
ging van de vermoedelijke troonopvolger
ex. art. 112 WvSr. Dit is een bij de wet voorzie-
ning beperking van de vrijheid van
meningsuiting,
waarop verdachte zich
beriep, en deze beperking is noodzakelijk in
een democratische samenleving. Conform
vonnis politierechter
250 boete.
onder redactie van
Laurens Dragstra, Lars Huisman, Annetje Ottow en Gerard Schuijt
Met medewerking van Annemarie Jansen
D o c u m e n t a t i e
Hof Amsterdam 22 september 2003 (strafzaak tegen
tampongooier),
www.rechtspraak.nl
(LJN-nr.
AM2717)
Symbolic speech · Belediging troonop-
volger
Het gooien van een natte tampon naar een
rijtuig met daarin jong gehuwden (kroon-
prins Willem-Alexander en prinses Máxima)
tijdens een rijtoer ter ere van hun huwelijk,
kan naar het oordeel van het Hof op grond
van algemeen geldende ervaringsregels in
Nederland niet anders worden aangemerkt
dan als een uiting van minachting jegens de
inzittenden, door welke uiting de eer en goe-
de naam van de betrokkenen worden aange-
tast. Verdachte heeft inbreuk gemaakt op de
waardigheid van het bruidspaar. In het voor-
deel van verdachte laat het Hof wegen de
emotionele staat waarin hij op dat moment
verkeerde als gevolg van de ingrijpende
gebeurtenissen die zich kort tevoren in zijn
relatie hadden voorgedaan. Conform vonnis
politierechter
250 boete.
Hof Amsterdam 13 oktober 2003, Specsavers vs.
Pearle,
www.rechtspraak.nl (LJN-nr. AM1950)
Vergelijkende reclame · Uitingsvrijheid
Hoger beroep van het hieronder te vermel-
den vonnis Vzr. Rb. Amsterdam 2 oktober
2003. Het verbod van de advertentiecampag-
ne van Specsavers in de kranten, zoals gefor-
muleerd door de voorzieningenrechter, is
terecht toegewezen. Anders dan Pearle in het
incidenteel appèl wil, is er geen plaats voor
een ruimer verbod voor `elke afbrekende
en/of misleidende en/of ongeoorloofde ver-
gelijkende reclame ten nadele van Pearle'.
Een dergelijk verbod is te onbepaald en zou
de vrijheid van meningsuiting van Specsa-
vers aantasten. Ook de vorderingen tot ver-
wijdering van de tekst op de website, tot het
plaatsen van een rectificatie en tot verwijde-
ring van de folders uit de winkels is door de
Vzr. terecht toegewezen. Het gebruik van de
slogan `Bij Europa's beste betaal je minder'
kan volgens het Hof, anders dan volgens de
Vzr., wél door de beugel. Het moet gezien
worden als een in de reclamewereld gebrui-
kelijke vorm van overdrijving, die algemeen
luidt en ook voor de consument als overdrij-
ving herkenbaar is.
Rb. Amsterdam 16 juli 2003, Van Gasteren vs.
Hemelrijk,
nr. 51 m.nt. G. J. Kemper
J
Onrechtmatige publicatie · Column
Zie de vooraankondiging in Mediaforum 2003-9,
p. 289
Vzr. Rb. Alkmaar 29 augustus 2003, KPN en
Meweka vs. Multikabel,
KG 2003, 195
Onrechtmatige reclame · Rectificatie
Zie Mediaforum 2003-10, p. 327
Vzr. Rb. Amsterdam 5 september 2003, Stichting
Doelmatige Geneesmiddelenvoorziening vs.
RTL/HMG
Geneesmiddelenreclame · TV-registratie
evenement
RTL 5 zendt de registratie uit van het tennis-
toernooi `US Open'. Langs twee wedstrijdba-
nen wordt reclame gemaakt voor het genees-
middel VIOXX dat in Nederland slechts op
recept verkrijgbaar is. De Stichting Doelma-
tige Geneesmiddelenvoorziening vordert
staking van de uitzending van de beelden
waarop de naam van het middel te zien is. De
rechter gaat na of RTL met de televisiever-
slaggeving artikel 5 van het Reclamebesluit
Geneesmiddelen schendt. Dit artikel ver-
biedt tot het publiek gerichte reclame voor
geneesmiddelen die uitsluitend op recept
mogen worden afgeleverd. Voor grensover-
schrijdende geneesmiddelen reclame heeft
het verbod van artikel 5 betrekking op een
reclame-uiting die opzettelijk in beeld
wordt gebracht en op het Nederlandse
publiek is gericht en niet ziet op reclame-
uitingen als de onderhavige. Het is niet aan-
nemelijk geworden dat de reclame-uiting
VIOXX opzettelijk in beeld wordt gebracht,
specifiek op het Nederlandse publiek is
gericht, de reclame-uitingen langer en met
meer nadruk dan nodig in beeld worden
gebracht of onnodig wordt ingezoomd op de
bestreden reclame-uitingen. De vordering
wordt afgewezen.
Vzr. Rb. Amsterdam 12 september 2003, Prinses
Margarita vs. HP/De Tijd e.a.,
www.recht-
spraak.nl (LJN-nr. AK8308)
Publicatieverbod · Vrijheid van menings-
uiting
Naar aanleiding van de serie interviews in
HP/De Tijd met prinses Margarita en haar
man wil uitgeverij Vassallucci, in samenwer-
king met HP/De Tijd, het boek `Oranjebitter'
op de markt brengen. In het boek zal, buiten
de eerder gepubliceerde interviews, een aan-
tal nieuwe hoofdstukken worden opgeno-
men. Het echtpaar vordert staking van ver-
spreiding. Het voert aan dat de afspraken
gemaakt met HP/De Tijd ten tijde van de
interviews de publicatie van het boek niet toe-
laten; er is geen voorafgaande toestemming
gevraagd voor de nieuwe hoofdstukken. De
rechter stelt vast dat er inderdaad afspraken
zijn gemaakt tussen partijen die voorafgaan-
de goedkeuring van het echtpaar vereisen.
Niettemin zijn de gewraakte artikelen in het
boek geschreven na de interviews en niet
gebaseerd op informatie uit de gevoerde
gesprekken. Deze artikelen vallen onder de
vrijheid van meningsuiting en behoeven dus
geen
voorafgaande
toestemming.
De
gewraakte persoonlijke brieven in het boek
vallen weliswaar onder de toestemming, doch
deze wordt geacht te zijn gegeven bij het
opnemen van (gedeelten van) de brieven in de
gepubliceerde interviews. Slechts één passage
van een persoonlijke brief in het boek schendt
de afspraken tussen partijen volgens de rech-
ter en wordt aangemerkt als onrechtmatig.
De ernst van het verwijt dat in deze passage
wordt gemaakt rechtvaardigt echter, na afwe-
ging van alle betrokken belangen, geen ver-
bod van het boek `Oranjebitter'.
Vzr. Rb. Amsterdam 2 oktober 2003, Pearle vs.
Specsavers,
www.rechtspraak.nl
(LJN-nr.
AL6908)
Vergelijkende reclame
Specsavers
heeft
een
reclamecampagne
gevoerd, waarbij zij in kranten, folders en op
haar website bepaalde prijzen voor enkele van
haar brillenglazen heeft vergeleken met de
prijzen van Pearle. Daarbij heeft zij zich
bediend van de slogan `bij Europa's beste
betaal je minder'. De Vzr. oordeelt dat onder-
delen van de vergelijking misleidend zijn. Zo
heeft Specsavers bijvoorbeeld verzuimd te
melden dat bij haar
45 moet worden betaald
voor re-glazing, terwijl dit bij Pearle gratis is.
Ten aanzien van de slogan overweegt de Vzr.
dat een dergelijke slogan, ook al zouden de
daarin vervatte claims in absolute zin niet
bewijsbaar zijn, niet dermate misleidend is
dat zij daarom zou moeten worden verboden.
Dit soort superlatieven behoort tot de gebrui-
kelijke overdrijving in reclame. In dit geval is
deze bewering echter gekoppeld aan het
onderzoek dat aan de prijsvergelijking met
Pearle ten grondslag ligt. Daarmee is de slo-
gan meer dan een losse kreet, waardoor het
publiek tenminste zal denken dat men goed-
koper uit is bij Specsavers dan bij Pearle. Deze
claim kan Specsavers echter niet onderbou-
wen. Verbod en rectificatie bevolen.
Zie voor het hoger beroep hierboven Hof Amster-
dam 13 oktober 2003
Vzr. Rb. Amsterdam 16 oktober 2003, Hans Anders
vs.
Specsavers,
www.rechtspraak.nl (LJN-
nr.AM0361)
Vergelijkende reclame
In vergelijkende reclame mag de merknaam
van de concurrent worden genoemd. Het
enkele feit dat de onderhavige vergelijkende
reclame niet voldoet aan alle daaraan te stel-
len eisen brengt niet mee dat de vermelding
van de merknaam van de concurrent onrecht-
matig is. De reclame van Specsavers met de
resultaten van een prijsvergelijking is op twee
punten niet misleidend, maar dient gerectifi-
ceerd te worden op de punten waarop zij wél
misleidend is, t.w. het niet vermelden van een
re-glaze-toeslag van
45 en het in de dagblad-
advertentie stellen dat het gaat om `index 1.5'
in plaats van `index 1.6'. Daargelaten of er
sprake is van een typefout is Specsavers
gehouden deze onjuistheid te rectificeren,
aangezien aannemelijk is dat de consument
ten onrechte in de veronderstelling geraakt
dat hij bij Hans Anders voor dunne varifocale
glazen duur uit is, terwijl hij deze prijs alleen
voor superdunne glazen hoeft te betalen.
Vzr. Rb. Amsterdam 9 oktober 2003, X vs. Stich-
ting GSF,
www.rechtspraak.nl (LJN-nr. AL8190)
Mededelingen aan de pers
Eiser is wiskundeleraar op een school die
onderdeel uitmaakt van de Stichting Gooise
Scholen Federatie. Zes leerlingen hebben
zich gemeld bij de vertrouwenspersoon van
de school met klachten over eiser op het
gebied van seksuele intimidatie. De school
start een onderzoek en licht de ouders van de
schoolkinderen in. De pers heeft contact
opgenomen met de school, waarna o.a. de
rector een interview afgeeft. Eiser vordert
tegen de GSF een verbod op het doen van
mededelingen en een rectificatie. Deze vor-
deringen worden afgewezen. De interviews
en berichtgeving van de school naar de pers
zijn niet onrechtmatig. De school heeft de
vrijheid om in algemene termen over het
vervolg van het onderzoek te spreken.
Vzr. Rb. Den Bosch 16 september 2003, Studenten
vs. Hogeschool voor criminologie,
www.recht-
spraak.nl (LJN-nr. AK4534)
Misleiding in studiegids
Eisers zijn in september 2002 met de oplei-
ding criminologie gestart. Voorafgaand
Mediaforum 2003-11/12
370
aan het sluiten van de onderwijsovereen-
komst hadden zij een studiegids ontvangen,
waarin stond vermeld dat met deze oplei-
ding een bachelor- en mastertitel kon wor-
den behaald. In de loop van het collegejaar is
echter gebleken dat de opleiding geen erken-
de HBO-opleiding is, waar ook geen titel
mee kan worden behaald. Eisers hebben
daarop hun onderwijsovereenkomst ont-
bonden wegens dwaling op grond van mis-
leidende reclame. De vordering tot vergoe-
ding van schade bestaande uit het betaalde
collegegeld wordt toegewezen.
Vzr. Rb. Den Haag 6 augustus 2003, NVJ e.a. vs.
Gemeente Wassenaar,
KG 2003, 196
Fotografeerverbod · Vrijheid van nieuws-
garing
Zie Mediaforum 2003-9, nr. 42 en het commentaar
van J.A. Peters, p. 273
Vzr. Rb. Den Haag 1 september 2003, T-Mobile vs.
KPN Telecom
Telecommunicatie · Interconnectieover-
eenkomst
In dit geding strijden partijen over de vraag
of T-Mobile op grond de interconnectieover-
eenkomst de MTA-tarieven eenzijdig heeft
mogen verhogen. Wat er verder ook van deze
discussie zij, feit is dat KPN de door T-Mo-
bile verzochte tariefsverhoging heeft uitge-
voerd en deze hogere tarieven ook int. Nu
KPN daadwerkelijk uitvoering heeft gege-
ven aan dit verzoek en zij die tariefsverho-
ging een op een doorberekent aan de gebrui-
kers van de transitdienst, staat het KPN niet
vrij de geïnde tariefsverhoging niet af te dra-
gen (aan T-Mobile). Indien KPN van mening
is dat zij niet gehouden is of niet gerechtigd
is de tariefsverhoging in te voeren, had zij
niet tot invoering moeten overgaan. Er is
geen rechtvaardiging te vinden voor het in
die situatie onder zich houden van de door
haar geïnde liquiditeiten. Dit geldt in elk
geval nu T-Mobile bereid is een bankgaran-
tie af te geven.
Vzr. Rb. Haarlem 11 september 2003, Pessers vs.
Lycos, nr. 52 m.nt. R.D. Chavannes
J
Onrechtmatige publicatie · Internetpro-
vider · Gegevens over websitehouder
Zie de vooraankondiging in Mediaforum 2003-10,
p. 328.
Vzr. Rb. Rotterdam 13 juni 2003, KPN Telecom
vs. OPTA en MCI WorldCom e.a.
Telecommunicatie · Collocatietarieven
Bij besluit van 5 juni 2003 heeft OPTA KPN
verplicht jegens MCI WorldCom collocatie-
tarieven te hanteren, zoals deze zijn vastge-
steld in de zaak BaByXL Daarbij heeft OPTA
aan KPN een last onder dwangsom opge-
legd. Partijen zijn met name verdeeld over
de vragen (1) of er sprake is van handhaving
met terugwerkende kracht, (2) of deze vorm
van handhaving, gegeven de gekozen wette-
lijke grondslag, mogelijk is, (3) of OPTA de
juiste wettelijke grondslag heeft gekozen en
(4) of handhaving jegens een derde mogelijk
is op basis van een geschilbeslechtende uit-
spraak van OPTA waarbij deze derde geen
partij was. Dit zijn alle vragen waarop het
antwoord niet eenvoudig te geven is. Van
evidente onrechtmatigheid van de bestreden
besluiten is dan ook geen sprake. Het ver-
zoek van KPN tot schorsing wordt afgewe-
zen.
Vz. Rb. Rotterdam 17 juli 2003, KPN Telecom vs.
OPTA en Tiscali, nr. 53 m.nt. D. Schipper
J
Telecommunicatie · bevoegdheid OPTA
geschilbeslechting · bijzondere toegang
Zie de vooraankondiging in Mediaforum 2003-9, p.
291.
Vzr. Rb. Rotterdam 3 oktober 2003, KPN vs. OPTA
en Yarosa
Telecommunicatie · Openbaarmaking ·
Indirecte interconnectie
De gemachtigde van Yarosa heeft bezwaar
gemaakt tegen `actieve' publicatie van de uit-
spraak langs elektronische of papieren weg
voor zover de uitspraak vertrouwelijke
bedrijfsinformatie zou bevatten. De Awb
bevat hieromtrent geen regeling. De voor-
zieningenrechter zal per verzoek tot vers-
trekking conform het bepaalde in art. 8:79,
lid 2 Awb beoordelen in hoeverre de eerbie-
diging van de persoonlijke levenssfeer van
Yarosa vordert dat slechts een uittreksel van
de uitspraak zal worden verstrekt. De voor-
zieningenrechter is van oordeel dat OPTA op
grond van het oude recht (recht van vóór 25
juli 2003) bevoegd was het bestreden besluit
te nemen op grond van art. 6.9, lid 1 Tw. De
voorzieningenrechter is van oordeel dat
OPTA haar bevoegdheid niet heeft verloren
door het van kracht worden van het nieuwe
recht. Hoewel de rechter betwijfelt of OPTA
na implementatie nog bevoegd zal zijn, doet
dat in het licht van het overgangsrecht niet
ter zake. De voorzieningenrechter is het ech-
ter met KPN Mobile eens dat het onredelijk
is om iedere door Yarosa gewenste capaciteit
te leveren. Dit zou de netwerkcapaciteit ern-
stig kunnen aantasten. Een ander twistpunt
tussen partijen is de aankiesbaarheid van de
[***] voor roamers en klanten van service pro-
viders. Het besluit mist op dit punt wettelij-
ke grondslag, aangezien service providers
niet kunnen `meeliften' op de aanwijzing
van KPN Mobile op grond van art. 6.4 Tw en
de interconnectieverplichting van art. 6.1 Tw
niet geldt voor indirecte interconnectie. De
voorzieningenrechter schorst de bestreden
besluiten (ten dele).
Vzr. Rb. Rotterdam 9 oktober 2003, KPN Telecom
vs. OPTA en Tele2 e.a.
Telecommunicatie · Interconnectietarie-
ven · Kostenoriëntatie
Bij besluit van 24 juli 2003 heeft OPTA het
op 15 juli 2003 door KPN Telecom aan hem
(voor de bepaling van de kostengeoriënteer-
de terminating tarieven) ter goedkeuring
voorgelegde BULRIC III-systeem niet goed-
gekeurd. Daarnaast heeft verweerder bij dit
besluit het op 1 mei 2003 door KPN aan
OPTA ter goedkeuring (voor de bijzondere
toegangsdiensten) voorgelegde EDC VI-kos-
tentoerekeningssysteem niet goedgekeurd.
Zonder een diepgaand onderzoek met
betrekking tot de relevante feiten en het
recht kan niet adequaat worden vastgesteld
of de niet-goedkeuring en de opgelegde wij-
ziging van het referentie-aanbod al dan niet
onrechtmatig zijn. Voor een dergelijk onder-
zoek leent de voorlopige-voorzieningenpro-
cedure zich echter niet goed. Nu het spoedei-
send belang van KPN bij de gevraagde voor-
ziening uiterst gering is en de desbetreffen-
de onderdelen van het bestreden besluit niet
evident onrechtmatig zijn, is er geen sprake
van onverwijlde spoed die noopt tot het tref-
fen van een voorlopige voorziening.
Vzr. Rb. Utrecht 31 juli 2003, Holland Casino vs.
Peak Entertainment,
KG 2003, 194
Wet op de kansspelen · Onrechtmatige
daad · Vrij verkeer van diensten
Zie Mediaforum 2003-10, p. 328
Vzr. Rb. Utrecht 18 september 2003, Stichting
Exploitatie Nederlandse Staatsloterij vs. Star-
Games,
www.rechtspraak.nl (LJN-nr. AK4749)
Wet op de Kansspelen · Onrechtmatige
uitingen · Rectificatie
StarGames, een Duitse onderneming, biedt
via colportage in Nederland de mogelijkheid
aan om deel te nemen aan diverse Duitse
kansspelen. Tevens biedt zij aan haar deelne-
mers de kans om gratis mee te spelen in
de Staatsloterij. Bij de Staatsloterij zijn daar-
over diverse vragen en klachten binnengeko-
men. Medewerkers van de Staatsloterij heb-
ben daarop het advies gegeven om o.a.
machtigingen te beëindigen en aangifte te
doen. Tevens hebben zij de suggestie gewekt
dat StarGames rekeningen zou leeghalen en
prijzengeld niet zou uitkeren. De Staatslote-
rij vordert een verbod op het overtreden van
de Wet op de Kansspelen en het aanhaken bij
de bekendheid van de Staatsloterij. De Vzr.
oordeelt dat StarGames, nu zij geen vergun-
ning heeft voor de litigieuze gokdiensten, in
strijd handelt met artikel 1 Wet op de Kans-
spelen.
Deze bepaling strekt niet tot
bescherming van het belang van de Staatslo-
terij. Toch handelt StarGames onrechtmatig
jegens haar, nu zij zich een substantiële
voorsprong heeft verschaft op de Staatslote-
rij die immers aan veel meer eisen moet vol-
doen. De vordering van de Staatsloterij
wordt toegewezen. In reconventie vordert
StarGames een verbod op het doen van
onrechtmatige uitlatingen jegens haar en
een rectificatie. Deze vorderingen worden
eveneens toegewezen. Het enkele feit dat
StarGames onrechtmatig jegens de Staatslo-
terij handelde kan de aan de Staatsloterij toe
te rekenen uitingen voorshands niet recht-
vaardigen.
ABRvS 19 maart 2003, Inwoonster Leeuwarden
vs. B&W van Leeuwarden,
AB 2003, 301, m.nt.
H. Peters
WOB · Awb · Bestuursorgaan
Een inwoonster van Leeuwarden verzoekt,
met een beroep op de WOB, om inzage in
raadkamerverslagen van de commissie voor
advies van de bezwaar- en beroepschriften.
Het college van B&W van Leeuwarden wijst
het verzoek af. Het bezwaar hiertegen wordt
gegrond verklaard, doch de aanvraag wordt
afgewezen nu de verlangde stukken niet
onder het college berusten. De president van
Rb. Leeuwarden bepaalt vervolgens dat het
ingestelde beroep ongegrond is aangezien
de gemeentelijke bezwaarschriftencommis-
sie niet als bestuursorgaan in de zin van de
WOB of Awb kan worden aangemerkt. Vol-
gens de Afdeling is een bestuursorgaan een
orgaan van een rechtspersoon die krachtens
Mediaforum 2003-11/12
371
publiekrecht is ingesteld. De gemeente is
zo'n krachtens publiekrecht ingestelde
rechtspersoon. Voor de vraag of de commis-
sie kan worden beschouwd als een orgaan
daarvan is de aanwezigheid van een publiek-
rechtelijke grondslag bepalend. De commis-
sie is met de vaststelling van de verordening
ingesteld en met bevoegdheden omkleed.
De Afdeling concludeert hieruit dat de com-
missie een bestuursorgaan is in de zin van
artikel 1:1 Awb en in de zin van artikel 1a
WOB. Zodoende gold voor het college van
B&W, op grond van artikel 4 WOB, een door-
zendplicht van het verzoek tot inzage. De
aangevallen uitspraak wordt vernietigd.
ABRvS 9 april 2003, Kist vs. Minister Buiten-
landse Zaken,
AB Rechtspraak Bestuursrecht
2003, 283
WOB · Art. 33(oud) EVRM
Na het arrest van de Hoge Raad in de zaak
Van Gasteren tegen Het Parool heeft Het
Parool een klacht ingediend bij de toenmali-
ge Europese Commissie voor de Rechten van
de Mens over schending van artikel 10
EVRM. Die klacht is niet-ontvankelijk ver-
klaard (Zie
Mediaforum 1999-1, nr. 3). Kist
doet onderzoek naar reputatieschade door
perspublicaties en wilde ten behoeve daar-
van inzage in de tussen Het Parool en de
Staat gewisselde stukken in de procedure bij
de ECRM. Dat is door de Minister van Bui-
tenlandse
Zaken
geweigerd.
De Afd.
Bestuursrechtspraak overweegt dat artikel
33 (oud) EVRM in samenhang met art. 2 van
de European Agreement Relating to Persons
Participating in Proceedings before the
European Commission and Court of Human
Rights, alsmede in samenhang met Rule 17
van de Rules of Procedure van de voormalige
ECRM moet worden aangemerkt als een uit-
puttende regeling inzake openbaarmaking
en geheimhouding van stukken, die als bij-
zondere regeling de Wet Openbaarheid van
Bestuur opzij zet.
Binnenland
Heimelijk cameratoezicht
Bij koninklijk besluit van 11 september 2003
is bepaald dat de wet van 8 mei 2003 tot wij-
ziging van de artikelen 139f en 441b van het
Wetboek van Strafrecht in werking treedt
met ingang van 1 januari 2004. De wet van 8
mei 2003 staat beter bekend als de Wet uit-
breiding strafbaarstelling heimelijk camera-
toezicht. Zoals de naam al aangeeft, beoogt
deze wet de strafbaarstelling uit te breiden
van het heimelijk vervaardigen van een
afbeelding van een persoon met een tech-
nisch hulpmiddel, zowel op voor het
publiek toegankelijke plaatsen als op beslo-
ten plaatsen.
Stb. 2003, 365. Zie ook Mediaforum 2003-7/8, p.
242, 2001-7/8, p. 235 en het artikel van Gerard
Schuijt in Mediaforum 2001-10, p. 299.
Medegebruik omroepzendernetwerken
Bij koninklijk besluit van 3 oktober 2003 is
bepaald dat het Besluit medegebruik om-
roepzendernetwerken op 15 oktober 2003 in
werking treedt. Zie
Mediaforum 2003-9, p. 294
voor een korte beschrijving van de inhoud
van deze algemene maatregel van bestuur.
Reeds op 29 september 2003 had minister
Brinkhorst van Economische Zaken de Rege-
ling gegevensverstrekking medegebruik om-
roepzendernetwerken vastgesteld. Deze op
het Besluit medegebruik omroepzendernet-
werken gebaseerde ministeriële regeling
bevat nadere regels voor de behandeling van
verzoeken tot medegebruik van antenne-
opstelpunten, antennesystemen en anten-
nes. De Regeling is, evenals het eerder
genoemde Besluit, in werking getreden op 15
oktober 2003.
Stb. 2003, 385; Stcrt. 2003, 194, p. 15.
Beleidsregels lokale omroep voor meer-
dere gemeenten
Op grond van de Mediawet bestaat de moge-
lijkheid dat één lokaal omroepprogramma
wordt verzorgd voor een aantal aan elkaar
grenzende gemeenten. Men spreekt hier wel
van `streekomroep'. In verband met deze
streekomroep heeft het Commissariaat voor
de Media op 2 september 2003 de Beleidsre-
gels lokale omroep voor meerdere gemeen-
ten vastgesteld en de oude Beleidslijn lokale
omroep voor meerdere gemeenten van 15
september 1998 ingetrokken. In de beleids-
regels zijn de procedure en de toetsingscrite-
ria vastgelegd die het Commissariaat han-
teert bij aanvragen tot toewijzing van
zendtijd voor lokale omroep voor meerdere
gemeenten. De beleidsregels hebben betrek-
king op de artikelen 30, 42 lid 1, 42 lid 3 en 43
lid 1 Mediawet en zijn op 2 oktober 2003 in
werking getreden.
Stcrt. 2003, 187, p. 25. Zie ook Mediaforum 1998-
11/12, p. 329.
Wijziging Barp
Bij besluit van 21 september 2003 heeft
minister Brinkhorst van EZ het Besluit alge-
mene richtlijnen post (Barp) gewijzigd. De
wijziging houdt verband met een tijdelijke
maximering van de tarieven voor het opge-
dragen postvervoer (tot 1 januari 2005). Het
besluit van de minister is gebaseerd op arti-
kel 5 lid 1 Postwet en is in werking getreden
op 8 oktober 2003.
Stcrt. 2003, 192, p. 14.
Positie Nozema
Minister Brinkhorst van EZ heeft op 7 okto-
ber 2003 een brief aan de Tweede Kamer
gestuurd over de toekomst van Nozema,
mede gelet op de antenne- en zendmastpro-
blematiek. In de brief wordt een aantal opties
geschetst voor het creëren van een `level
playing field' op de markt voor de distributie
van radio- en televisieprogramma's via de
ether. De minister geeft aan dat zijn beleid
gericht is op het tot stand brengen van eerlij-
ke concurrentievoorwaarden in de elektroni-
sche communicatiesector, waaronder ook de
markt voor omroepzendernetwerken valt.
Waar daadwerkelijke concurrentie ont-
breekt,
moet de overheid volgens de
bewindsman kunnen ingrijpen. Hij gaat in
dit verband in op het wetsvoorstel betreffen-
de de implementatie van de nieuwe richtlij-
nen voor de elektronische communicatiesec-
tor (zie
Mediaforum 2003-6, p. 202). Ook
bespreekt hij het nieuwe Besluit medege-
bruik omroepzendernetwerken (zie
Media-
forum 2003-9, p. 294 en hierboven). Tenslotte
gaat de minister in op een nieuwe organisa-
tiestructuur voor Nozema. Hij laat doorsche-
meren dat zijn voorkeur uitgaat naar split-
sing van Nozema in twee economisch en
juridisch separate bedrijven: een netwerkbe-
heerder en een dienstenleverancier.
Kamerstukken II 2003/04, 24 095, nr. 153.
Wijziging Mediawet
De vaste commissie voor OCW heeft op 8
september 2003 een wetgevingsoverleg
gehad met staatssecretaris Van der Laan van
OCW. Onderwerp van gesprek was het op 22
oktober 2002 ingediende wetsvoorstel tot
wijziging van de Mediawet in verband met
het vervallen van de verspreidingsbeperking
voor de programma's van lokale en regionale
omroepinstellingen, wijziging van de door-
gifteplicht via omroepnetwerken van de pro-
gramma's van lokale omroepinstellingen,
alsmede wijziging van bepalingen inzake
programmaraden (zie
Mediaforum 2003-1, p.
24). Het overleg leidde tot een aantal vragen
die door de staatssecretaris bij brief van 10
september 2003 zijn beantwoord. De vragen
betroffen onder meer de uitleg van de Uni-
verseledienstrichtlijn,
het afwijken van
adviezen van programmaraden, de toegan-
kelijkheid van een erotisch kanaal in het
pakket van Digitenne, het toegankelijk
maken van omroepprogramma's voor min-
derhedengroeperingen, de stand van zaken
met betrekking tot het `integratienet' en de
representativiteit van de programmaraden
met het oog op minderheden. Het eerder
genoemde wetsvoorstel is vervolgens op 11
september 2003 met algemene stemmen
aangenomen door de Tweede Kamer.
Kamerstukken II 2002/03, 28 639, nr. 9 en 10;
Kamerstukken I 2002/03, 28 639, nr. 308; Hande-
lingen II 2002/03, p. 5262.
Verdrag voorwaardelijke toegang
De regering heeft op 19 september 2003 het
op 24 januari 2001 te Straatsburg gesloten
Europees Verdrag inzake de wettelijke
bescherming van diensten die op voorwaar-
den toegankelijk zijn ter stilzwijgende goed-
keuring aan de Staten-Generaal overlegd.
Dit verdrag beoogt radio- en televisiedien-
sten en andere diensten in de informatie-
maatschappij die slechts op voorwaarden
toegankelijk zijn, te beschermen tegen bij-
voorbeeld piraterij op het terrein van deco-
ders. De stilzwijgende goedkeuring is ver-
leend indien niet binnen dertig dagen na de
overlegging door of namens één van de
Kamers of door minimaal een vijfde van het
grondwettelijk aantal leden van één der
Kamers de wens te kennen wordt gegeven
dat het verdrag aan uitdrukkelijke goedkeu-
ring (bij wet) zal worden onderworpen.
Kamerstukken I/II 2003/04, 29 236 (R 1743), A en nr.
1. Zie ook Mediaforum 2002-9, p. 291 en 2001-10, p.
306.
Cultuurzender Arte uit pakket UPC
Het kamerlid Halsema (GroenLinks) heeft
schriftelijke vragen gesteld aan staatssecre-
taris Van der Laan van OCW over het voorne-
men van UPC om de cultuurzender Arte uit
haar programma-aanbod te schrappen. In
haar antwoord schrijft de staatssecretaris dat
zij begrepen heeft dat de Amsterdamse Pro-
grammaraad de zender Arte heeft opgeno-
men in zijn advies over het standaardpakket.
Arte zou volgens de APR moeten worden
opgenomen in het aanvullende deel van het
standaardpakket, dus niet in het wettelijk
minimumpakket van 15 zenders. De Rotter-
damse programmaraad heeft wél geadvi-
seerd om Arte in dit minimumpakket op te
nemen. UPC heeft medegedeeld dat deze
zender met ingang van 1 september 2003
niet meer doorgegeven wordt omdat de
kabelmaatschappij geen overeenstemming
heeft kunnen bereiken over de auteursrech-
ten. UPC wijkt hiermee dus af van het advies
van de programmaraad. Op grond van arti-
kel 82i Mediawet mag een kabelexploitant
om zwaarwichtige redenen afwijken van het
advies van een programmaraad over het wet-
Mediaforum 2003-11/12
372
telijk minimumpakket. Of de door UPC aan-
gevoerde redenen voldoende zijn, staat ter
beoordeling van het Commissariaat voor de
Media en de OPTA. `Daar oordeel ik niet
over', aldus de staatssecretaris.
Aanhangsel Handelingen II 2003/04, nr. 31.
Klachten na implementatie zero base
Het kamerlid Heemskerk (PvdA) heeft schrif-
telijke vragen gesteld aan minister Brink-
horst van EZ over klachten van luisteraars
sinds de implementatie van zero base. In zijn
antwoorden geeft de minister aan dat door
de publieke omroepen zelf zeer grote aantal-
len mogelijk getroffen luisteraars zijn
genoemd (tot circa 800.000). Het Agentschap
Telecom heeft daarop de concrete klachten-
meldingen opgevraagd en dat bleken er rond
de 3.000 te zijn. De minister voegt daaraan
toe dat zijn streven er nog steeds op gericht is
om de gemelde klachten, indien deze
gegrond zijn, vóór 1 oktober 2003 te hebben
opgelost. Daarbij moet echter aangetekend
worden dat de implementatie van de ver-
schillende oplossingen veelal niet vóór 1
oktober zal kunnen worden afgerond. De
minister heeft de Tweede Kamer bij brief van
2 oktober 2003 opnieuw geïnformeerd over
het onderzoek naar en de reparatie van de
ontvangstklachten van de publieke omroep.
Aanhangsel Handelingen II 2003/04, nr. 5; Kamer-
stukken II 2003/04, 24 095, nr. 152.
Camerabeelden Rijkswaterstaat
De kamerleden Van Haersma Buma en De
Pater-van der Meer (beiden CDA) wilden van
minister Peijs van V&W weten waarom de
politie geen toegang krijgt tot alle beelden
die in het kader van het verkeerstoezicht
worden gemaakt door camera's van Rijkswa-
terstaat. De minister antwoordde dat op
grond van de Wbp persoonsgegevens in
beginsel niet voor een ander doel mogen
worden gebruikt dan waarvoor ze zijn verza-
meld. Persoonsgegevens van verkeersregis-
tratiesystemen worden primair verwerkt in
het kader van het beheer van waterstaats-
werken, zoals wegen. De minister van V&W
heeft wel de bevoegdheid om de gegevens
voor een ander doel te laten gebruiken in het
belang van de voorkoming, opsporing en
vervolging van strafbare feiten. In het Priva-
cyreglement Verkeersregistratiesystemen is
dan ook bepaald dat inzage gegeven kan
worden aan instanties die zich beroepen op
een toezichthoudende taak of opsporingsbe-
voegdheid, mits gericht naar gegevens
wordt gevraagd. Wanneer de systemen stan-
daard gebruikt zouden kunnen worden voor
toezicht of opsporing, dan zou dit kunnen
leiden tot een onnodige aantasting van de
privacy en een verminderde bereidheid van
betrokkenen om medewerking te verlenen.
Volgens de minister is er dan ook geen aan-
leiding om de politie zonder meer toegang
te verlenen tot alle camerabeelden. Daarvoor
zou overigens ook de Wbp gewijzigd moeten
worden.
Aanhangsel Handelingen II 2003/04, nr. 26.
Aanpak gebruikers peer-to-peer software
De kamerleden Luchtenveld en Blok (beiden
VVD) wilden van minister Donner van Justi-
tie weten of hij ervan op de hoogte was dat
gebruikers van zogenaamde peer-to-peer
software zouden worden aangepakt door de
stichting BREIN. De minister beantwoordde
deze vraag bevestigend, doch ontkende dat
er sprake is van een strafrechtelijke aanpak.
Het gaat namelijk om een civielrechtelijke
aanpak van personen die peer-to-peer soft-
ware gebruiken om auteurs- en nabuurrech-
telijk beschermd materiaal aan te bieden. De
rechthebbenden worden in deze procedures
vertegenwoordigd door de stichting BREIN.
De genoemde aanpak strookt volgens de
minister met het door de overheid geformu-
leerde uitgangspunt dat schending van
auteursrecht civielrechtelijk moet worden
bestreden en dat het strafrecht hier ultimum
remedium is.
Aanhangsel Handelingen II 2003/04, nr. 51.
Information Awareness Office
Minister Donner van Justitie schrijft in ant-
woord op schriftelijke vragen van het kamer-
lid De Wit (SP) dat het Amerikaanse Infor-
mation Awareness Office is opgericht om
innovatieve informatietechnologie, gericht
op het detecteren van terroristische groepe-
ringen, te onderzoeken, te ontwikkelen en te
testen. Het Information Awareness Office
gebruikt voor haar onderzoek uitsluitend
gegevens die naar Amerikaans recht legaal
verkregen zijn en daarnaast volledig artifi-
ciële gegevens. De minister kan niet uitslui-
ten dat in het eerste geval ook gegevens van
Nederlandse burgers worden verwerkt,
maar kan geen schatting geven van de
omvang van die verwerking. Nu het Ameri-
kaanse ministerie van Defensie heeft ver-
klaard volledig te zullen handelen in over-
eenstemming met de geldende Amerikaanse
regelgeving op het gebied van inlichtingen-
activiteiten en privacybescherming, ziet
minister Donner geen enkele aanleiding op
stopzetting van de activiteiten van het Infor-
mation Awareness Office te eisen.
Aanhangsel Handelingen II 2003/04, nr. 44.
Peildatum ledental omroepvereniging
Mediaforum 2003-7/8, p. 243 maakte melding
van het feit dat, in het kader van de komende
procedure voor het verlenen van erkenningen
aan omroepverenigingen, bij besluit van 8
mei 2003 de peildatum voor de vaststelling
van het aantal leden van een omroepvereni-
ging was bepaald op 1 januari 2004. Na de
bekendmaking van dit besluit is gebleken dat
enkele (aspirant) omroepverenigingen in de
veronderstelling verkeerden dat de peilda-
tum op een later tijdstip zou worden vastge-
steld. Deze omroepverenigingen hadden dan
ook hun planning en activiteiten in het kader
van de ledenwerving op een latere datum
afgestemd. Hierop heeft de staatssecretaris
van OCW (mevrouw Van der Laan) in overleg
met het Commissariaat voor de Media en na
consultatie van de publieke omroep, de moge-
lijkheden voor een latere peildatum bekeken.
Dit heeft erin geresulteerd dat bij besluit van
de staatssecretaris van 16 september 2003 de
peildatum is vastgesteld op 1 maart 2004. De
staatssecretaris benadrukt in de toelichting
bij het besluit dat een nog latere datum gelet
op de wet niet mogelijk is.
Stcrt. 2003, 190, p. 16.
Besluiten Bedrijfsfonds voor de Pers
Het Bedrijfsfonds voor de Pers heeft besloten
een uitkering van
98.500,- beschikbaar te
stellen voor het onderzoeksproject Kranten-
wijk. Het geld is bedoeld voor een onderzoek
via een internetexperiment naar de relatie
tussen internet en de nieuwsvoorziening in
wijken. Het internetexperiment heeft tot
doel de wijken een volwaardig nieuwsmedi-
um te bieden en een methode te vinden om
regionale redacties weer voeling te geven
met de regio. In een wijk van Haarlem,
respectievelijk Heerlen zal een verslaggever
(van het
Haarlems Dagblad, respectievelijk het
Limburgs Dagblad) met steun uit de wijk zelf
een wijksite opzetten die dagelijks nieuws
brengt. In een andere zaak heeft het Bedrijfs-
fonds besloten de aanvraag van de Stichting
Sympatheia voor een gelijknamig blad en
een website af te wijzen.
Sympatheia claimt
net als
Volzin de opvolger te zijn van het tijd-
schrift
Hervormd Nederland. Volzin, een voort-
zetting van De Bazuin en Hervormd Neder-
land, ontving in 2002 reeds subsidie van het
Bedrijfsfonds (zie
Mediaforum 2003-1, p. 25).
Het Bedrijfsfonds merkt
Sympatheia aan als
een startend persorgaan en dat heeft tot
gevolg dat de uitgever van het blad niet op
grond van artikel 130 lid 3 Mediawet voor
steunverlening in aanmerking komt. Ook op
grond van de Tijdelijke subsidieregeling
minderhedenbladen en journalistieke inter-
net-informatieproducten (zie
Mediaforum
2002-9, p. 291) kan geen steun worden ver-
leend. Dit omdat
Sympatheia zich niet speci-
fiek op culturele minderheden richt en er
ook geen sprake is van een journalistiek
internet-informatieproduct.
Stcrt. 2003, 189, p. 13
Mediaforum 2003-11/12
373
Mediaforum 2003-11/12
374
Jurisprudentie nr
.5
1
Nr 51
Van Gasteren vs. Hemelrijk
Rechtbank Amsterdam 16 juli 2003
Vonnis in de zaak van:
Louis Alphonse van Gasteren, wonende te Amsterdam, eiser, procu-
reur mr. H.F. Doeleman,
tegen:
Pamela Hemelrijk, wonende te Amsterdam, gedaagde, procureur mr.
E.E. van der Laan.
Partijen worden hierna Van Gasteren en Hemelrijk genoemd.
Verloop van de procedure
De rechtbank is uitgegaan van de volgende processtukken en/of pro-
ceshandelingen:
dagvaarding van 11 mei 2001;
conclusie van eis, met bewijsstukken;
conclusie van antwoord, met bewijsstukken, waaronder processen-
verbaal van de op verzoek van Van Gasteren gehouden voorlopige
getuigenverhoren;
conclusie van repliek en vermeerdering van eis, met bewijsstukken;
conclusie van dupliek;
pleidooi dat gehouden is op 14 februari 2003, het daarvan opge-
maakte proces-verbaal, pleitnotities van de raadslieden en een bij
pleidooi vertoonde videoband;
verzoek vonnis wijzen.
Gronden van de beslissing
Vaststaande feiten
1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet (voldoende)
betwist, alsmede op grond van de in zoverre niet bestreden inhoud
van overgelegde bewijsstukken, staat het volgende vast.
a. Van Gasteren heeft op 24 mei 1943 een bij hem ondergebrachte
joodse onderduiker van Duitse origine genaamd Walter Oettinger
om het leven gebracht. Van Gasteren is terzake op 15 juni 1944 veroor-
deeld wegens doodslag (en het onttrekken van het lijk aan nasporing)
tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar. Op 17 januari 1946
is hem gratie verleend in die zin dat hem het nog onvervulde gedeel-
te van de straf is kwijtgescholden.
b. In een artikel in het NRC Handelsblad van 1 december 1989 heeft
Van Gasteren zich over het ombrengen van Oettinger uitgelaten. In
dit artikel is hij onder meer geciteerd als volgt: `Er zijn in dit land
twee gevallen geweest die als gevolg van verzetsactiviteiten in aanra-
king zijn gekomen met de toenmalige Nederlandse justitie. Een
ervan ben ik. (...) Ik heb al dingen gefilmd en gereconstrueerd, mate-
riaal verzameld uit de oorlog, zelfs over de liquidatie van die onder-
duiker, die voor mij gewoon een levensbedreiging was en niet voor
mij alleen, maar ook voor anderen en na gemeen overleg moest wor-
den geliquideerd.'
c. Naar aanleiding van dit artikel zijn in januari en februari 1990 arti-
kelen verschenen in Het Parool van de hand van Bart Middelburg. Bij
arrest van 26 augustus 1993 heeft het Gerechtshof te Amsterdam (met
vernietiging van het vonnis van deze rechtbank van 10 juli 1991 in
zoverre) voor recht verklaard dat deze artikelen over Van Gasteren,
waarin de beschuldiging overheerst dat hij zich zou hebben schuldig
gemaakt `aan een (ordinaire) roofmoord' voor Van Gasteren beledi-
gend zijn en Het Parool en Middelburg veroordeeld tot betaling van
50.000,- aan materiële schadevergoeding en 50.000,- aan immate-
riële schadevergoeding. Het van deze uitspraak ingestelde cassatiebe-
roep is bij arrest van 6 januari 1995 (
NJ 1995, 422) door de Hoge Raad
verworpen.
d. Bij uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 6 november
1997 in het geding tussen Van Gasteren en de Pensioen en Uitkerings-
raad heeft de Centrale Raad kort gezegd geoordeeld dat het doden
van Oettinger door Van Gasteren niet tot zijn verzet in de zin van arti-
kel 1 eerste lid van de Wet Buitengewoon Pensioen 1940-1945 behoort,
zodat het door Van Gasteren mede op die grond aangevraagde pen-
sioen in zoverre terecht is geweigerd. Daarbij heeft de Centrale Raad
overwogen dat voor het bestaan van een noodsituatie in objectieve
zin, verband houdende met verzetsactiviteiten, geen gegevens aan-
wezig zijn die niet ten gronde berusten op opgaven van Van Gasteren
zelf. Aan zijn oordeel heeft de Centrale Raad toegevoegd dat het feit
dat de Grote Adviescommissie der Illegaliteit in januari 1946 de reha-
bilitatie van Van Gasteren heeft uitgesproken niet tot een andere slot-
som leidt, nu niet is kunnen blijken dat daaraan daadwerkelijk verifi-
catie van feiten ten grondslag ligt en dat dit ook geldt voor de
gratiëring van Van Gasteren in 1946.
e. Op 1 december 1997 was het NPS-televisieprogramma `Het Uur van
de Wolf' gewijd aan een portret van Van Gasteren. Het programma is
op 23 mei 1998 herhaald. In dit programma wordt hij geïnterviewd
over de zaak Oettinger. Van Gasteren zegt daarover onder meer:
Totdat er een advies kwam: je slaat hem bewusteloos en je moet hem ver-
drinken, een geluidloze operatie, en ik zorg dat hij wordt afgevoerd. En dan
komt zo'n auto dus niet. Want dan is er een chauffeur ziek die betrouwbaar
is.(...) Ja, ik ben de uitvoerder van die daad en toen de oorlog dus voorbij
was, had ik verwacht, nou nu treedt er een artikel in werking en dat artikel
wás er dus niet, daar voorzag de Nederlandse grondwet niet in, dat daden,
die voortvloeiden uit het verzet, maar door de Nederlandse Justitie berecht,
dat die ogenblikkelijk voor invrijheidstelling in aanmerking kwamen.(...)
Dus de procedurele zaak was alleen nog maar: ik kan een gratie vragen. En
ben dan de straat op, met welnemen van Majesteit. En dat is dus gebeurd.
En in dat verslag van dat gratieverzoek, wat de minister dan heeft uitge-
schreven, daar wordt dan ook gereleveerd dat ik aan het Nederlandse verzet
heb deelgenomen en toen heeft de Grote Adviescommissie der Illegaliteit
een verklaring doen publiceren in alle toen verschijnende dagbladen: Van
Gasteren is in vrijheid gesteld en daarmee is zijn casus teruggebracht tot de
proporties waar ie hoort: dit was een casus van een liquidatie die diende te
gebeuren in het belang van het verzet. Punt uit af.' De genoemde verklaring
van de Grote Adviescommissie der Illegaliteit verscheen tijdens het inter-
view langdurig en goed leesbaar als persbericht in beeld. Deze verklaring
houdt onder meer in dat Van Gasteren `deze daad moest verrichten in het
belang van het verzet tegen den onderdrukker: het slachtoffer leverde door
zijn gedrag een groot gevaar op voor den verzetsstrijd. Naar aanleiding van
deze feiten is Van Gasteren thans gerehabiliteerd en in vrijheid gesteld.
f. Op 6 oktober 1998 heeft de journalist Hemelrijk een column over
Van Gasteren aangeboden aan het Algemeen Dagblad, met afschrift
aan de procureur van Van Gasteren, met als titel `Verzetsheld aan
mijn hoela'. Nadat de procureur van Van Gasteren daartegen bij brie-
ven van 7 en 8 oktober 1998 had geprotesteerd, heeft het Algemeen
Dagblad afgezien van publicatie van de column.
g. Op 2 november 1998 heeft Hemelrijk naar aanleiding daarvan een
`OPEN BRIEF AAN DE HOGE RAAD' (verder: de Open Brief)
gestuurd, welke eveneens is gestuurd aan een aantal landelijke dag-
bladen en de procureur van Van Gasteren. Ook heeft zij deze (enigs-
zins aangepaste en aangevulde) Open Brief op haar website geplaatst.
Deze Open Brief luidt als volgt:
Amsterdam, 2 november 1998
Geachte Hoge Raad,
Ik schrijf U over een onderwerp dat ik, als ik de juristen geloven mag, nooit
meer kan aanroeren. Nou ja, ik kan het wel doen, maar, aldus die juristen,
dan krijg ik onmiddellijk een proces met een dikke vette schadeclaim aan
mijn broek, dat ik gegarandeerd ga verliezen.
Waarom zal ik dat proces onvermijdelijk verliezen? Omdat ik het verleden
van de cineast Louis van Gasteren niet meer mag oprakelen. Ik dacht altijd
dat je in een vrij en beschaafd land alles mocht schrijven, zolang je je maar
niet bezondigt aan racisme, opruiing, laster of smaad, maar dat schijnt
niet waar te zijn. En dat komt, aldus die deskundige juristen, doordat Uw
Raad op 17 februari 1995 een arrest heeft gewezen, waarin het, kort samen-
gevat, onrechtmatig wordt verklaard om ooit nog een letter te publiceren
over het feit dat Louis van Gasteren in de oorlog een onderduiker heeft ver-
moord. Waarom mag je daar niet over schrijven? Omdat, aldus de teneur
van Uw arrest, Louis nu genoeg geleden heeft onder het oprakelen van deze
affaire, en omdat het niet aangaat zijn privacy, zoveel jaren na dato, nog
langer te schenden. Hij heeft toch indertijd gratie gekregen van minister
Kolfschoten van justitie? Dus zand erover! Ik hoop dat ik zo, in lekenter-
men, Uw arrest adequaat heb samengevat. Zo is het mij althans uitgelegd
door drie op dit gebied doorknede juristen.
Louis zelf, die mag, gek genoeg, zijn verleden oprakelen zoveel hij maar wil.
Zelfs als hij daarover flagrante leugens debiteert. Hij is met dat oprakelen
notabene, in een NRC-interview van december 1989, zelf begonnen! Hij
mag tot op de huidige dag graag in interviews vertellen dat hij bezig is een
film te maken over zijn oorlogsavontuur, dat volgens hem dezelfde thema-
tiek heeft als W.F. Hermans verzetsroman De donkere kamer van Damo-
cles. Ook zijn invloedrijke supporters uit CPN-kring (zoals wijlen Jan Vrij-
man, en onlangs weer Elsbeth Etty) hebben niets van U te vrezen als zij de
beroemde Moord in de Beethovenstraat in hun columns ter sprake brengen.
Zelfs niet als zij daarover flagrante leugens debiteren.
Omdat dit een Open Brief is, en niet iedereen weet waar ik het over heb,
even een korte samenvatting: Louis van Gasteren heeft in 1943 vijf dagen
een invalide onderduiker in huis gehad, die hij vervolgens met een zwaar
voorwerp de schedel heeft ingeslagen, en tenslotte in de badkuip heeft verzo-
pen. Hij werd prompt gepakt, omdat hij zo onnozel was geweest 's mans lijk
in het water te dumpen met behulp van een bootje dat hij gehuurd had
onder zijn eigen naam. (Dit alleen al is voor mij persoonlijk afdoende om
zeker te weten dat hij nooit iets met het georganiseerd verzet te maken kan
hebben gehad; het eerste wat je kreeg als je in het verzet ging, al was het
maar als koerier, dat was een schuilnaam. Maar ik dwaal af.) De moord
werd berecht, en Van Gasteren werd veroordeeld tot vier jaar gevangenis-
straf. Zelf noemt hij deze moord altijd `een noodzakelijke liquidatie in het
belang van het Verzet'. De bewuste onderduiker, genaamd Walter Oettin-
ger, zou mataglap zijn geworden, en met zijn onberekenbare gedrag het
leven van Van Gasteren en zijn collega-verzetshelden in gevaar hebben
gebracht.
Louis zat namelijk in het Verzet. Beweert hij. Zijn zuster Josefine, die tij-
dens de moord op de uitkijk stond (`Mijn vader studeert een rol in,' zei ze
tegen de buren die op het kabaal afkwamen), die had weliswaar dat was
een publiek geheim binnen het Amsterdamse politiekorps een verhouding
met de hoogste SD-chef in den lande Willy Lages, maar dat mocht kennelijk
de pret niet drukken. `Roddels bij de Amsterdamse politie, daar hebben wij
geen boodschap aan,' zult U zeggen, en daar hebt U gelijk in. Maar ik wil ze
toch ter sprake brengen, en wel om de nagedachtenis te eren van de Amster-
damse rechercheur die met het onderzoek naar de moord was belast. Hij
heette Henk Sleijfer. Zodra hij probeerde Josefine op verdenking van mede-
plichtigheid aan de tand te voelen, liet Lages hem door de SD op de Euterpe-
straat ontbieden, beschuldigen van het opmaken van een vals verbaaltje,
en deporteren naar een concentratiekamp.
Sleijfer is nooit teruggekomen. Jozefine daarentegen mocht kort na de
bevrijding alweer verzetspoëzie voordragen bij de Nationale Herdenking op
de Dam. In 1978 werd zij geridderd tot officier in de Orde van Oranje Nas-
sau.
Let wel: ik heb deze wijsheid uit de beste bron. De romance tussen Josefine
en Willy Lages, en de fatale gevolgen die dat voor de arme Henk Sleijfer
heeft gehad, het is allemaal uitvoerig ter sprake geweest in het proces dat
Van Gasteren indertijd tegen het Parool heeft aangespannen, en uiteinde-
lijk dankzij Uw Raad nog heeft gewonnen ook.
Die zege heeft mij altijd in hoge mate verbaasd. U weet net zo goed als ik
dat niemand ooit heeft kunnen achterhalen wat Louis nou zoal deed in het
Verzet, behalve dan een onderduiker vermoorden. Hij beweert dat hij deel
uitmaakte van de z.g. Vrije Groepen, maar daar zat toevallig mijn eigen
oom in, en die leeft gelukkig nog, en die kan met de hand op het hart (en des-
gewenst onder ede) verklaren dat Louis daar nooit iets mee uitstaande heeft
gehad. Louis beweert voorts dat hij na de oorlog `geheel is gerehabiliteerd
door de Grote Adviescommissie der Illegaliteit', en U weet net zo goed als ik
dat dat eveneens een leugen is: Louis heeft na de oorlog gratie gekregen, op
voorspraak van zijn beroemde ouders, die een vooraanstaand verzetsstrij-
der, Karel de Vries, hadden overgehaald een goed woordje voor hun zoon te
doen bij minister Kolfschoten van justitie. Diezelfde Karel de Vries (ont-
houd die naam!) heeft daarna een persberichtje laten opstellen (op briefpa-
pier van de Grote Adviescommissie der Illegaliteit, maar daar wisten de
andere leden van de Adviescommissie der Illegaliteit niets van!), waarin
het heette dat Louis thans `volledig'was `gerehabiliteerd'. Dat persberichtje
is toen klakkeloos door de NRC overgenomen. Ik heb het knipsel nog. Van
Gasteren ook. Hij schermt er onophoudelijk mee. Als journalisten zijn ver-
zetsrelaas op goede gronden in twijfel trekken loopt hij namelijk meteen
naar de rechter, maar als zij aperte leugens over hem debiteren wrijft hij
tevreden in zijn handen. En Uw Raad is hem daarbij behulpzaam, als ik zo
vrij mag zijn. Karel de Vries heeft later zelf toegegeven dat hij van de
moordzaak niets afwist, en zich alleen maar voor die kar had laten span-
nen om de Van Gasterens (voor wie hij kennelijk een heilig ontzag had) een
plezier te doen. Dit staat allemaal vast, dat weet Uw Raad net zo goed als
ik.
Over de werkelijke motieven van Van Gasteren om die onderduiker om zeep
te brengen ga ik niet speculeren. Ik kijk wel uit. Wel staat vast dat die
onderduiker een klein fortuin aan geld bezat, dat hij dag en nacht bij zich
droeg. Dat weet Uw Raad net zo goed als ik. Uw Raad weet eveneens net zo
goed als ik dat Louis kort na de moord door getuigen is gesignaleerd met een
grote hoeveelheid geld, dat eruit zag alsof het in het water had gelegen. Hij
was, als ik me goed herinner, bezig de bankbiljetten te drogen te hangen.
Maar over de werkelijke motieven van Louis van Gasteren ga ik niet specu-
leren. Ik kijk wel uit. Laten de lezers hun eigen conclusies maar trekken. De
vrouw die die onderduiker onder haar hoede heeft gehad voordat hij door
Van Gasteren werd `geliquideerd' heette Greet Carvalho. Zij zat wel dege-
lijk in het verzet, en kon dat ook heel goed aantonen. Jarenlang heeft zij
geprobeerd uit te vissen wat er nou eigenlijk met `haar' onderduiker was
gebeurd. Zij voelde zich verantwoordelijk voor die man, zoals U begrijpt, en
zij vertrouwde de lezing van Van Gasteren niet. Zij wist namelijk uit eigen
ervaring dat die onderduiker helemaal geen onberekenbare hystericus was
geweest, maar in tegendeel een zeer gedweeë en bescheiden invalide. Greet
Carvalho is bij haar volkomen gerechtvaardigde naspeuringen stelselma-
tig gedwarsboomd door Louis van Gasteren en zijn dikke vrienden, te
weten Dr. Paape (toenmalig directeur van het RIOD), Jan Vrijman (Parool-
columnist), en Ben Polak (society-huisarts en wethouder te Amsterdam).
Van Paape kreeg Greet Carvalho te horen dat ze beter naar de psychiater
kon gaan met haar `obsessie'in plaats van het RIOD lastig te vallen met
haar onverkwikkelijke vragen. Met z'n vieren hebben ze haar zo goed als
zenuwziek gemaakt met hun scheldkanonnades, en tenslotte is zij, na door
de stichting '40-'45 (daar heb je waarachtig Karel de Vries weer; hij zat in
het bestuur) aan zeer vernederende kruisverhoren te zijn onderworpen,
afgescheept met een verzetspensioentje waarvan je de kat nog niet eens te
eten kon geven.
Louis van Gasteren daarentegen werd in 1993 door zijn vriend Karel de
Vries (daar heb je hem weer!) voorgedragen voor een verzetspensioen. Ken-
nelijk kom je daarvoor in aanmerking als je vijf dagen een onderduiker
hebt geherbergd, zelfs als je hem vervolgens hebt vermoord zonder daarvoor
ooit een plausibele verklaring te geven. Of Louis dat pensioen ook gekregen
heeft onttrekt zich aan mijn waarneming, maar mij persoonlijk zou het
niks verbazen als het hoger is uitgevallen dan dat van Greet Carvalho.
Daar is namelijk niet veel voor nodig.
Greet Carvalho is intussen overleden, ongetwijfeld tot de onuitsprekelijke
opluchting van Louis van Gasteren en zijn advocaat Herman Doeleman.
Ze lag nog niet onder de grond of Louis dook weer op in de media, om op te
scheppen over zijn Leven & Werken, en om wederom te onthullen dat hij
hard werkt aan een film-epos over zijn verzetsdaad. Hij mag zijn verleden
namelijk oprakelen zoveel hij maar wil. Zelfs als hij daarover flagrante
leugens debiteert. Ook de kranten mogen zijn verleden ongestraft oprake-
len, mits zij hun lezers maar wijsmaken dat Louis indertijd `een noodzake-
lijke liquidatie heeft voltrokken in het belang van het Verzet,' en na de oor-
log `volledig is gerehabiliteerd'. Onlangs mocht ik dat weer uit de
Volkskrant vernemen, naar aanleiding van het feit dat het wandelgidsje
`Moordwandelingen door Amsterdam 'uit de handel was genomen. Daarin
was ook de Moord in de Beethovenstraat opgenomen, en Elsbeth Etty was
er als de kippen bij om in de NRC schande te spreken van het leed dat Louis
hier werd aangedaan, en Louis zijn advocaat was er als de kippen bij om de
uitgever een dreigbrief op poten te sturen.
Het is niet eens tot een proces gekomen. De Arbeiderspers is onmiddellijk
door de knieën gegaan, heeft de hele oplage vernietigd, en aan Louis een
schadevergoeding afgetikt van 20.000 gulden. Is Uw Raad zich er eigenlijk
van bewust dat hij met zijn merkwaardige arrest Louis van Gasteren een
vrijbrief heeft verstrekt om slapend rijk te worden? Is Uw Raad zich ervan
bewust hoeveel geld Louis van Gasteren intussen heeft verdiend aan de
moord op Walter Oettinger? Terwijl hij er, met twee en een half jaar gevan-
genisstraf gevolgd door gratie, toch al zo zeldzaam genadig is afgekomen?
Hoeveel geld hij precies aan die moord heeft overgehouden kan ik niet becij-
feren, omdat ik niet kan nagaan of hij dat verzetspensioen ook werkelijk
heeft gekregen (al durf ik daar best mijn kop onder te verwedden), noch hoe-
veel geld daarmee gemoeid is. Ook mag ik niet weten hoe groot de schade-
loosstelling is geweest die Louis, op last van Uw Raad, indertijd van het
Parool heeft mogen incasseren. Maar het zal niet niks zijn geweest, nog
afgezien van de astronomische proceskosten, die uiteraard ook allemaal
aan het Parool in rekening zijn gebracht.
Als ik de juristen geloven mag, kan ik er donder op zeggen dat ik door deze
open brief terstond een proces op mijn dak zal krijgen, dat ik roemloos ga
verliezen. Dat is dan ook de reden dat ik dit proza niet in mijn eigen krant
kan publiceren. Vandaar dat ik mijzelf, geheel op persoonlijke titel, via deze
brief als proefkonijn aanbied. Ik ben razend benieuwd of Uw Raad uitein-
delijk ook mij in het ongelijk gaat stellen, en allen die het na mij wagen
Louis tegen te spreken als hij weer eens in woord of geschrift opschept over
zijn daden in het Verzet.
Dat kan een netelige situatie worden voor Uw Raad, stel ik mij zo voor: hoe
meer mensen het wagen gebruik te maken van hun in de Grondwet veran-
kerde recht op vrije meningsuiting, hoe meer nullen Louis van Gasteren op
zijn bankrekening kan bijschrijven. Om nog maar te zwijgen van het feit
dat de media vervolgens hun lezers weer onbekommerd mogen wijsmaken
dat Louis indertijd `volledig is gerehabiliteerd,' zonder dat iemand dat mag
ontzenuwen. Ik wacht met grote belangstelling Uw reactie af. Ik koester
namelijk nog steeds de illusie dat wij hier in een rechtsstaat leven. En zelfs
als justitie het laat afweten, dan bestaat er nog altijd zoiets als de vrije pers
en de publieke opinie. Tenzij het hier een politiestaat is. Maar daar ga ik
vooralsnog niet van uit.
Met vriendelijke groet,
Pamela Hemelrijk
Mediaforum 2003-11/12
375
Jurisprudentie nr
.5
1
P.S. Hoe moet dat nou als die langverbeide film, waaraan Louis nu al jaren
zegt te werken, op een goeie dag waarachtig nog in première gaat ook (luid
bejubeld door Elsbeth Etty, mag ik aannemen, en zonder twijfel prompt
door Karel de Vries voorgedragen voor een Gouden Kalf )? Mogen wij Louis
dan weer niet tegenspreken als hij zichzelf daarin opvoert als een tweede
Gerrit van der Veen? Sterker nog: mogen wij die film dan überhaupt wel
bespreken in onze kranten? Of gaat dat ons 20 mille per recensie kosten, per
omgaande te voldoen aan de regisseur? Ik vraag het maar.
h. Aan de Open Brief is aandacht besteed in het VPRO radioprogram-
ma `Aardse Zaken' van 10 november 1998, de
Groene Amsterdammer van
11 november 1998 en
HP/De Tijd van 20 november 1998.
i. Van Gasteren heeft naar aanleiding van de Open Brief een klacht
ingediend bij de Raad voor de Journalistiek. Daarin is hij niet ontvan-
kelijk verklaard omdat naar het oordeel van de Raad geen sprake is
van een journalistieke gedraging in de zin van artikel 4 lid 1 van het
reglement Raad voor de Journalistiek.
2. Van Gasteren vordert na vermeerdering van eis (I) als verklaring
voor recht uit te spreken dat de verzending van de Open Brief van 2
november 1998 aan de Hoge Raad en de landelijke media en het plaat-
sen en geplaatst houden daarvan op het internet onrechtmatig waren
respectievelijk zijn jegens Van Gasteren; (II) Hemelrijk te gebieden de
Open Brief te verwijderen en verwijderd te houden van het internet
op straffe van een dwangsom, (III) Hemelrijk te veroordelen tot ver-
goeding van de schade die Van Gasteren door de onder (I) bedoelde
onrechtmatige daden heeft geleden en lijdt, op te maken bij staat en
te vereffenen volgens de wet; (IV) Hemelrijk te veroordelen in de kos-
ten van het geding.
3. Van Gasteren beroept zich daartoe in de eerste plaats op het onder
1c. genoemde arrest van de Hoge Raad, in het bijzonder op de rechts-
overwegingen 5.12.1 tot en met 5.12.4. Hij stelt dat Hemelrijk opzette-
lijk de strekking van de
Parool-publicaties die onderwerp waren van
dat arrest opnieuw in de publiciteit heeft gebracht door de suggestie
van het Parool te herhalen dat geldelijk gewin het motief van Van
Gasteren zou zijn geweest om Oettinger om het leven te brengen, dat
Van Gasteren zich op een verzetsverleden zou beroemen, dat hij in de
publiciteit zou hebben beweerd gerehabiliteerd te zijn en dat hij
steeds zelf in de publiciteit treedt en aankondigt dat hij werkt aan
een film over de kwestie-Oettinger. Van Gasteren acht dit onrechtma-
tig omdat deze beweringen door de Hoge Raad onrechtmatig en/of
ongegrond zijn geoordeeld. Nieuwe feiten die het opnieuw in de
publiciteit brengen van een en ander kunnen rechtvaardigen zijn er
volgens hem niet; zorgvuldiger onderzoek dan Bart Middelburg
heeft Hemelrijk niet gedaan. Bovendien heeft Hemelrijk ten opzichte
van de
Parool-publicatie toegevoegd dat de zuster van Van Gasteren,
Josefine van Gasteren, een verhouding met Willy Lages (destijds
hoofd SD in Amsterdam) zou hebben gehad en verband gesuggereerd
tussen die verhouding en de arrestatie door de SD van Henk Sleijfer,
de later in een concentratiekamp omgekomen politieman die onder-
zoek deed naar de dood van Oettinger.
4. Door het om het leven brengen van Oettinger opnieuw met veel
ophef en op onaanvaardbaar suggestieve en ongenuanceerde manier
in de publiciteit te brengen en daaraan de geruchten omtrent Josefine
van Gasteren toe te voegen, heeft Hemelrijk het leed van Van Gaste-
ren als gevolg van de
Parool-publicaties opzettelijk vergroot, zodat zij
is verplicht de schade als gevolg daarvan te vergoeden. De strekking
van de Open Brief is dat Van Gasteren geen verzetsdeelnemer zou zijn
geweest, hoewel dit op zichzelf ook bij de Centrale Raad van Beroep
niet ter discussie stond. De uitlatingen van Hemelrijk in de Open
Brief zijn onjuist, kwetsend en onrechtmatig, aldus steeds Van Gaste-
ren.
5. Hemelrijk heeft de vordering bestreden op gronden die hierna aan
de orde zullen komen, met als hoofdmotief dat zij het recht heeft Van
Gasteren tegen te spreken als hij zegt dat hij Oettinger in het belang
van het verzet heeft omgebracht.
6. De rechtbank stelt voorop dat het arrest van de Hoge Raad in de
zaak tussen Van Gasteren en het Parool en Middelburg strikt geno-
men slechts gelding heeft tussen deze (proces-) partijen. Bovendien
ging het in die zaak kort gezegd om de vraag of er in het toen voor-
handen feitenmateriaal voldoende steun was te vinden voor de sug-
gestie in de bewuste artikelen in het Parool dat van roofmoord sprake
was. De vraag of de dood van Oettinger gedicteerd werd door een ver-
zetsmotief behoefde in die zaak naar het oordeel van het Hof geen
beantwoording, hetgeen door de Hoge Raad juist is geoordeeld, nu
de eerste vraag zich laat beantwoorden zonder te beslissen ten aan-
zien van het verzetsmotief. Dat de dood van Oettinger een verzets-
daad betrof, is in die procedure dus uitdrukkelijk niet beslist. Even-
min is beslist dat het onrechtmatig zou zijn om daarover publiekelijk
twijfel te uiten. Daar komt bij dat ten opzichte van de stand van
zaken ten tijde van de Parool publicaties die onderwerp waren van
het arrest van de Hoge Raad zich twee belangrijke nieuwe feitelijkhe-
den hebben voorgedaan, te weten de hiervoor aangehaalde uitspraak
van de Centrale Raad van Beroep en de uitzending van `Het Uur van
de Wolf'. Enkele verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad kan de
vordering dus om verschillende redenen niet dragen, zodat in deze
zaak een zelfstandige afweging moet worden gemaakt tussen het
belang van de vrijheid van meningsuiting aan de zijde van Hemelrijk
enerzijds en het (geschonden) privacy belang van Van Gasteren
anderzijds, waarna moet worden bezien of de door Van Gasteren
gevorderde beperking van de uitingsvrijheid van Hemelrijk kan wor-
den aangemerkt als in een democratische samenleving noodzakelijk
in de zin van artikel 10 lid 2 EVRM.
7. Bij die afweging kent de rechtbank in het bijzonder belang toe aan
het feit dat Van Gasteren met het interview in `Het Uur van de Wolf'-
zelf nog geen maand na de uitspraak van de Centrale Raad van
Beroep opnieuw in de publiciteit is getreden over het om het leven
brengen van Oettinger. Anders dan Van Gasteren betoogt, is de recht-
bank van oordeel dat hij deze gebeurtenis met zijn onder 1e. aange-
haalde uitlatingen in het genoemde programma wel degelijk heeft
gepresenteerd als een verzetsdaad. Verder valt in redelijkheid niet
aan te nemen dat het in beeld brengen van het persbericht waarin
sprake is van rehabilitatie zonder medeweten en goedvinden van (de
cineast) Van Gasteren heeft plaatsgevonden. Dit terwijl van een for-
mele rehabilitatie daarover bestaat in dit geding geen geschil geen
sprake is geweest. Het aldus zelf andermaal de publiciteit zoeken
omtrent deze zaak brengt weliswaar niet mee dat Van Gasteren zijn
recht op privacy zou hebben verspeeld, maar maakt het beroep daar-
op en op het recht om `alleen te worden gelaten' over de doodslag op
Oettinger, waarvoor hij is veroordeeld, gestraft en deels gegratieerd,
wel minder zwaarwegend.
8. Voorts is van belang in welke vorm de aangevallen meningsuiting
is gedaan. De rechtbank is met Hemelrijk van oordeel dat haar Open
Brief het karakter heeft van een column, aan welke uitingsvorm niet
dezelfde (hoge) eisen mogen worden gesteld als aan onderzoeksjour-
nalistiek, zoals die door Bart Middelburg werd beoefend. De Open
Brief behelst bovendien voor een belangrijk deel (waar het Van Gaste-
ren aangaat) waardeoordelen, waarbij Hemelrijk op spottende toon
en in zeer scherpe, cynische en hekelende bewoordingen uiting geeft
aan haar verontwaardiging over de in `Het Uur van de Wolf' herhaal-
de lezing van Van Gasteren dat sprake was van een verzetsdaad en de
omstandigheid dat het haar als journalist moeilijk zo niet onmoge-
lijk wordt gemaakt om zich daarover in de krant kritisch uit te laten.
Verder geldt dat prikkelende en choquerende uitlatingen in een
column en dus ook de daarmee te vergelijken Open Brief door lezers
over het algemeen met een korreltje zout zullen worden genomen,
aangezien een zekere mate van overdrijving en een scherpe toonzet-
ting aan dergelijke publicaties niet vreemd is.
9. Anders dan Van Gasteren betoogt, kan naar het oordeel van de
rechtbank niet worden gezegd dat Hemelrijk de eerder onrechtmatig
geoordeelde beschuldiging dat van roofmoord sprake zou zijn in de
Open Brief heeft herhaald. Zij heeft daarin slechts vraagtekens
geplaatst bij het door Van Gasteren genoemde verzetsmotief en op
gekscherende, treiterige wijze gezinspeeld op de mogelijkheid dat
geld ook een rol heeft gespeeld. Dat kan mede gelet op voormeld
karakter van de Open Brief echter niet onrechtmatig worden geacht,
ook al is Van Gasteren voor de hem mede ten laste gelegde diefstal
vrijgesproken. Er is (ook naar het oordeel van de Centrale Raad van
Beroep) geen overtuigend bewijs voorhanden dat de doodslag op Oet-
tinger een verzetsdaad betreft, terwijl verschillende omstandigheden
in een andere richting kunnen duiden, althans daarmee moeilijk zijn
te rijmen. Bijvoorbeeld de ook door Hemelrijk aangestipte omstan-
digheden dat niet eerst naar een ander onderduikadres is gezocht, dat
Van Gasteren op eigen naam het bootje heeft gehuurd waarmee het
lijk is weggevoerd, dat hij de naam heeft genoemd van degene die
hem daarbij geholpen heeft, dat hij vrijwel meteen na zijn aanhou-
ding heeft verklaard dat het slachtoffer een ondergedoken jood was,
dat hij niet consistent heeft verklaard over wat er is gebeurd met het
geld van Oettinger (naar Hemelrijk onweersproken heeft gesteld,
heeft Van Gasteren in een intakeverklaring in het kader van de pen-
sioenprocedure erkend 250,-, te hebben gevonden in de bezittingen
van Oettinger en zich dat te hebben toegeëigend) en dat hij na de oor-
log geen revisie, maar gratie heeft gevraagd. Hemelrijk kan, nu het
beschikbare feitenmateriaal niet eenduidig op een verzetsdaad wijst
Mediaforum 2003-11/12
376
Jurisprudentie nr
.5
1
en er verschillende aanwijzingen zijn dat mogelijk andere motieven,
zoals bijvoorbeeld ook paniek of vrees voor de eigen veiligheid, een
rol hebben gespeeld, niet het recht worden ontzegd uiting te geven
aan haar twijfel omtrent het verzetsmotief van Van Gasteren, nadat
hij zelf opnieuw in de openbaarheid was getreden met zijn onbewe-
zen voorstelling van zaken dat sprake is geweest van een verzetsdaad.
10. Eveneens anders dan Van Gasteren betoogt, kan ook niet worden
geoordeeld dat de Open Brief de strekking heeft om te beweren dat
Van Gasteren geen verzetsdeelnemer is geweest. Hemelrijk heeft met
bijtende spot vraagtekens geplaatst bij zijn rol daarin en met name de
bewering dat hij deel zou hebben uitgemaakt van de zogenoemde
Vrije Groepen. Ook hiervoor geldt dat het voorhanden feitenmateri-
aal daartoe voldoende grondslag biedt. Uit verschillende verklarin-
gen komt naar voren dat de Vrije Groepen als organisatorisch ver-
band in elk geval pas gestalte heeft gekregen nadat Van Gasteren in
verband met de doodslag op Oettinger was aangehouden. Over zijn
feitelijke activiteiten in het verzet heeft Van Gasteren weinig concrete
informatie verstrekt, afgezien van het gedurende vijf dagen (van 19
tot en met 24 mei 1943) onderdak verschaffen aan Oettinger.
11. Wat de door Hemelrijk in haar Open Brief ten tonele gevoerde zus-
ter van Van Gasteren, Josefine van Gasteren, aangaat, overweegt de
rechtbank het volgende. In de eerste plaats blijkt uit verklaringen
vastgelegd in de in dit geding overgelegde delen van het strafdossier
dat zij ten tijde van het ombrengen van Oettinger door Van Gasteren
in het betreffende pand aanwezig was en zich tegenover de op het
geluid afgekomen buren inderdaad heeft uitgelaten in de door
Hemelrijk vermelde zin. Daarmee is niet gezegd dat zij, Josefine van
Gasteren, zich destijds bewust was van hetgeen zich in werkelijkheid
afspeelde in de kamer waar Van Gasteren en Oettinger zich bevon-
den, maar dat op grond van die verklaringen redelijkerwijze de ver-
denking kan ontstaan terzake van medeplichtigheid (op de uitkijk
staan), valt ook niet te ontkennen. Van Gasteren zelf heeft bovendien
verklaard dat hij nog dezelfde avond kleren van Oettinger ten huize
van zijn zuster heeft verbrand. Vast staat dat Josefine van Gasteren
ondanks een en ander niet als verdachte is vervolgd. Vast staat ook dat
de rechercheur, die met het onderzoek was belast, Henk Sleijfer, op
enig moment door de SD is aangehouden en in een concentratiekamp
is beland, waaruit hij niet is teruggekomen. Uit een brief van de oud
politieman Seket van 25 mei 1993 komt naar voren dat Josefine van
Gasteren volgens geruchten die destijds in politiekringen de ronde
deden een relatie had met Willy Lages en dat dit verband zou houden
met de arrestatie van Sleijfer. In het beschikbare feitenmateriaal is
dan ook voldoende basis te vinden voor hetgeen Hemelrijk in de
Open Brief, wat de relatie met Lages betreft uitdrukkelijk onder de
noemer publiek geheim en roddel, over Josefine van Gasteren heeft
vermeld. Terecht stelt Hemelrijk dat niet valt in te zien waarom zij in
de context van haar kritiek op de presentatie door Van Gasteren van
de doodslag op Oettinger als verzetsdaad geen gebruik zou mogen
maken van deze informatie, hoe onaangenaam ook. De aard van de
publicatie in aanmerking genomen, acht de rechtbank ook deze pas-
sages daarom niet onrechtmatig.
12. Rest nog de vraag of Hemelrijk haar Open Brief in onnodig grie-
vende bewoordingen heeft gesteld of ingekleed. Vaststaat dat Van
Gasteren in de strafzaak destijds is vrijgesproken van moord en ver-
oordeeld voor doodslag. Voorzover Van Gasteren zich daarom
beklaagt over het gebruik van de woorden `moord' en `vermoord'
merkt de rechtbank op dat het woord `moord' naar gewoon, niet juri-
disch spraakgebruik vrijwel synoniem is aan doodslag en dat de
woorden `moord' en `doodslag' vaak door elkaar worden gebruikt.
Bovendien is in de (huidige) lezing van Van Gasteren (`gemeen over-
leg') de kwalificatie moord strikt genomen niet onjuist. Ook overi-
gens kan niet worden gezegd dat Hemelrijk haar kritiek op de pre-
sentatie van Van Gasteren op onnodig grievende wijze heeft geuit. De
zeer scherpe bewoordingen van de Open Brief bevinden zich hier en
daar wel op de rand van het toelaatbare. Mede gelet op de aard van de
publicatie kan naar het oordeel van de rechtbank evenwel niet van
onnodig grievende bewoordingen worden gesproken. Dat Van Gaste-
ren ten onrechte een buitengewoon (verzets-) pensioen zou hebben
aangevraagd, valt in de Open Brief niet met zoveel woorden te lezen.
Wel wordt duidelijk dat Hemelrijk van mening is dat hij voor een
dergelijk pensioen niet in aanmerking komt, maar dat staat haar vrij.
13. Op grond van het vorenstaande komt de rechtbank tot de conclu-
sie dat de Open Brief weliswaar inbreuk maakt op de privacy (en de
reputatie) van Van Gasteren, maar dat deze na afweging van de in
aanmerking komende belangen, alle omstandigheden in aanmer-
king genomen, desondanks niet onrechtmatig jegens hem kan wor-
den geoordeeld. Voorzover daarvan op enig punt al sprake zou zijn,
kan naar het oordeel van de rechtbank overigens ook niet worden
gezegd dat het beperken van de vrijheid van meningsuiting in dit
geval mede gelet op de gevoeligheid van het onderwerp het
ombrengen van een joodse onderduiker tijdens de tweede wereldoor-
log in een televisie interview presenteren als een verzetsdaad ligt voor
nabestaanden van het slachtoffer, slachtoffers van jodenvervolging
en deelnemers aan het verzet evident gevoelig in de zin van artikel
10 lid 2 EVRM in een democratische samenleving noodzakelijk is ter
bescherming van gerechtvaardigde belangen van Van Gasteren.
14. De slotsom is dat de vorderingen moeten worden afgewezen, met
veroordeling van Van Gasteren als de in het ongelijk gestelde partij in
de kosten van het geding.
Beslissing
De rechtbank:
wijst de vorderingen af;
veroordeelt Van Gasteren in de kosten van het geding, tot aan deze
uitspraak aan de zijde van Hemelrijk begroot op
1.351,51;
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Gewezen door mrs. A.W. J. Ros, W.A.H. Melissen en J. Jonkers, leden
van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting
van 16 juli 2003, in tegenwoordigheid van de griffier.
Beroep ingesteld, red.
Noot
Germ Kemper
Mr. G. J. Kemper is advocaat te Amsterdam en redacteur van dit blad.
In het vonnis wordt verwezen naar een uitspraak van de Hoge Raad
van 6 januari 1995,
NJ 1995, 422, gepubliceerd met een noot van prof.
mr. E. J. Dommering. Dat arrest wordt genoemd omdat de inhoud een
rol speelt bij de beoordeling van een door journaliste Pamela Hemel-
rijk geschreven Open Brief en daar zelfs de aanleiding voor beteken-
de. Het arrest staat bekend onder de naam `Het Parool/Van Gasteren'
en dankt zijn bekendheid vooral aan de omstandigheid dat de Hoge
Raad daarin `expliciet een brug slaat tussen de door hem ontwikkelde
jurisprudentie en de door het EHRM onder art. 10 gevormde recht-
spraak', aldus Dommering in zijn noot. Het beslissingsschema zoals
het EHRM dat min of meer als standaard hanteert werd weliswaar
niet klakkeloos gekopieerd maar elementen daarvan zijn herkenbaar
aanwezig. In het bijzonder werd in het arrest de vraag onder ogen
gezien of, gegeven de onrechtmatigheid van de uitlatingen over van
Gasteren in
Het Parool, de op te leggen maatregel wel voldeed aan het
vereiste dat deze ook noodzakelijk was in een democratische samen-
leving.
Voor de volledigheid zij opgemerkt dat
Het Parool zich na dat arrest
nog tot het EHRM heeft gewend maar dat de Europese Commissie,
die toen nog als sluis fungeerde, de klacht `not-admissible' bevond.
De uitspraak van 21 oktober 1998 is te vinden in
Mediaforum 1999-1,
pag. 29-30.
Voorafgaande aan de procedure tussen Van Gasteren en Het Parool
heeft de Raad voor de Journalistiek zich ook over de zaak uitgespro-
ken, en wel op 10 oktober 1990. Die beslissing is te vinden op site van
de Raad voor de Journalistiek, www.rvdj.nl/zoekfr.html.
Mediaforum 2003-11/12
377
Jurisprudentie nr
.5
1
Nr 52
P. vs. Lycos
Vzr. Rechtbank Haarlem 11 september 2003
Vonnis in kort geding in de zaak van:
P., wonende te [woonplaats], eisende partij, procureur mr. B.A.M.
Cordemeyer, advocaat mr. P. te Tilburg,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Lycos
Netherlands BV, gevestigd te Haarlem, gedaagde partij, procureur
mr. C.O. Wenckebach.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als P. respectievelijk
Lycos.
1. Het verloop van het geding
1.1 Ter terechtzitting van 21 augustus 2003 heeft P. overeenkomstig de
dagvaarding d.d. 13 augustus 2003 gesteld en gevorderd als hierna
onder 3. weergegeven en die vordering toegelicht aan de hand van
overgelegde pleitnotities. Lycos heeft tegen deze vordering verweer
gevoerd aan de hand van overgelegde pleitnotities.
1.2 P. heeft in de eerste termijn twee producties overgelegd, die hij
niet eerder heeft doen toekomen. De voorzieningrechter heeft aan
Lycos gevraagd of zij akkoord gaat met het eerst nu overleggen van
deze producties. Lycos heeft hierop aangegeven akkoord te zijn met
de inbreng van de producties indien zij in de gelegenheid zou wor-
den gesteld om van de inhoud daarvan kennis te nemen. Vervolgens
heeft de voorzieningenrechter Lycos ter terechtzitting in de gelegen-
heid gesteld om van bedoelde producties kennis te nemen.
1.3 Na verder debat in tweede termijn hebben partijen vonnis
gevraagd. De uitspraak daarvan is bepaald op 11 september 2003 of
zoveel eerder als mogelijk.
2. De vaststaande feiten
2.1 In dit geding wordt van het volgende uitgegaan:
a. P. handelt in postzegels via de website www.ebay.com.
b. Op http://members.lycos.nl staat een website genaamd: `stop the
fraud' (hierna verder aangeduid als: de website). Tot 4 augustus 2003
stond op de website de volgende tekst:
Have you been ripped off by P.@home.nl on E-bay join our quest for justice!!
How does he work?
You buy a small lot. Which he ships directly. So he gains your trust. You feel
confident to buy a more expensive lot. That's when he strikes. He will keep
your money and no stamps for you!
That's not all. According to some of his victims he also sends fakes. Have you
been ripped off and you want also to publish your story? Mail your story to
stopthefraud@hotmail.com (...)
c. Per telefaxbericht heeft P. op 1 augustus 2003 Lycos gesommeerd
om (onder meer) de website te verwijderen alsmede om hem te voor-
zien van naam, adres en geboortedatum van de websitehouder.
d. In reactie hierop heeft Lycos (op briefpapier van Lycos Europe BV)
op 4 augustus 2003 per fax aan P. onder meer bericht vooralsnog niet
tegemoet te kunnen komen aan de sommatie om de website te verwij-
deren alsmede dat zij in verband met de privacywetgeving geen per-
soonlijke gegevens van de houder/eigenaar/ontwikkelaar van de
website kan verstrekken. In dit schrijven komt voor zover thans van
belang het volgende voor:
`Lycos Netherlands BV stelt personen (gratis) in de gelegenheid een
privé website te ontwikkelen en te publiceren op het internet. Aan
deze gratis dienst heeft Lycos een aantal voorwaarden gesteld die zijn
vastgelegd in de algemene voorwaarden. Als bijlage zend ik u een
kopie van deze algemene voorwaarden.'
e. Op 1 augustus 2003 heeft P. een mail naar de website gezonden, met
voorzover thans van belang, de volgende inhoud:
Geachte heer???,
Ik ben geconfronteerd met uw website. Ik sommeer U hiermee te stoppen en
U bekend te maken. (...)
Op die mail heeft P. geen antwoord ontvangen.
f. Met ingang van 4 augustus 2003 heeft de websitehouder de volgen-
de de tekst op de website geplaatst:
`Site removed to avoid legal actions!!'.
3. De vordering en de grondslag daarvan
3.1 P. vordert, zakelijk weergegeven, dat de voorzieningenrechter bij
vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
1. Lycos gebiedt om:
het doorgeven van de website des, dat deze door derden kan
worden gezien, te staken;
P. bekend te maken met naam, adres en geboortedatum van de
bouwer/ websitehouder van de website: http://members.lycos.nl/
stopthefraud/, zulks binnen 1 uur na betekening van dit vonnis
zulks op straffe van een dwangsom van
5.000,- per dag, danwel
een gedeelte van een dag, dat zij hiermede in gebreke blijft, zulks
te verbeuren aan P.;
2. veroordeling van Lycos in de kosten van dit geding.
3.2 P. legt aan zijn vordering ten grondslag dat Lycos onrechtmatig
handelt door de website, ondanks verzoeken en sommaties, niet te
verwijderen. Hij stelt een spoedeisend belang te hebben bij het ver-
wijderen van de website alsmede bij het bekendmaken van de gege-
vens van de websitehouder teneinde de onrechtmatige acties nu en in
de toekomst te kunnen stoppen en zijn schade te kunnen verhalen.
4. Het verweer en de slotsom daarvan
Lycos heeft tegen de vordering gemotiveerd verweer gevoerd en
geconcludeerd tot afwijzing daarvan met veroordeling van P. in de
kosten van het geding. Op dit verweer zal, voor zover van belang, bij
de beoordeling van het geschil nader worden ingegaan.
5. De gronden van de beslissing
Niet-ontvankelijkheid
5.1 Lycos stelt zich primair op het standpunt dat de vordering van P.
niet-ontvankelijk verklaard dient te worden, nu ten onrechte Lycos is
gedagvaard. Zij voert daartoe aan dat Lycos Europe GmbH gedag-
vaard had behoren te worden, daar de website wordt gehost door en
onder verantwoordelijkheid staat van laatstgenoemde rechtsper-
soon. Lycos vervult ten aanzien van de hostingactiviteiten slechts een
logis-tieke, faciliterende en organisatorische functie.
5.2 Het primaire verweer van Lycos gaat niet op. De voorzieningen-
rechter overweegt daartoe dat P. op 1 augustus 2003 Lycos per fax
heeft gesommeerd. Lycos heeft op 4 augustus daarna per fax (uitge-
breid) op vorenbedoeld schrijven gereageerd (zie hiervoor onder 2.d)
en daarin (onder meer) aangegeven dat zij personen in de gelegen-
heid stelt een privé website te ontwikkelen en te publiceren. In dat
licht kan zij zich er thans niet op beroepen dat de website niet door
haar, maar door Lycos Europe GmbH zou worden gehost.
Belang
5.3 Voorts voert Lycos als verweer aan dat de website niet meer bereik-
baar is; P. heeft derhalve geen belang meer bij zijn vorderingen.
P. heeft hiertegen aangevoerd dat hij wel degelijk belang heeft bij het
staken van het doorgeven van de website door Lycos, daar het niet
ondenkbaar is dat de website, nadat het vonnis in deze zaak zal zijn
gewezen, wederom door de websitehouder geplaatst zal worden.
Met Lycos is de voorzieningenrechter het eens dat P. bij het door hem
gevorderde gebod om het doorgeven van de website te staken - gezien
de thans (kennelijk door de websitehouder) op de website geplaatste
tekst (zie hiervoor onder 2.f) - bij dit onderdeel van zijn vordering
geen spoedeisend belang meer heeft. Dit onderdeel van P.' vordering
zal dan ook worden afgewezen.
5.4 P. heeft voorts de afgifte van de naam, adres, woonplaats-gegevens
(hierna verder NAW-gegevens) alsmede de geboortedatum van de
bouwer/websitehouder gevorderd. Ook op dit punt heeft Lycos aan-
gevoerd dat P. geen belang heeft bij zijn vordering. Dit verweer treft
geen doel. Immers, het door P. gestelde belang dat hij in de gelegen-
heid zal worden gesteld om de websitehouder in rechte te kunnen
betrekken teneinde de gestelde onrechtmatige acties, ook in de toe-
komst, jegens hem te stoppen en zijn schade te kunnen verhalen,
rechtvaardigt reeds zijn vordering.
Mediaforum 2003-11/12
378
Jurisprudentie nr
.5
2
Afgifte NAW-gegevens
5.5 Lycos heeft tegen dit onderdeel van de vordering onder meer aan-
gevoerd dat zij niet over de geboortedatum van de websitehouder
beschikt alsmede dat P. geen belang heeft bij die specifieke informa-
tie.
P. heeft Lycos' verweer op dit punt niet weersproken, zodat de vorde-
ring van P. voor zover het betreft de bekendmaking van de geboorte-
datum van de websitehouder zal worden afgewezen.
5.6 Vervolgens heeft Lycos aangevoerd (kort en zakelijk weergegeven)
dat in de jurisprudentie is uitgemaakt dat:
1. alleen in zwaarwegende omstandigheden (mede in het licht
van de onrechtmatige informatie) kan een vordering tot afgifte
van NAW-gegevens worden toegewezen;
2. in kort geding terughoudendheid past omdat verstrekking
onomkeerbaar is;
3. de eiser pogingen moet hebben gedaan om op andere wijze
achter de NAW-gegevens te komen;
4. er geen algemene rechtsregel bestaat die een provider verplicht
mee te werken aan het ter beschikking stellen van NAW-gegevens;
de provider heeft er recht en belang bij zo min mogelijk belast te
worden met het opvragen door derden van NAW-gegevens.
Lycos betoogt dat de onder 1. bedoelde (zwaarwegende) omstan-
digheden zich hier niet voordoen. Voorts heeft P. geen althans
onvoldoende pogingen ondernomen om op andere wijze achter
de NAW-gegevens te komen. Bovendien handelt Lycos bij afgifte
van de NAW-gegevens onrechtmatig jegens haar klanten, op
grond van de aan hen toegezegde geheimhouding, alsmede in
strijd met artikel 8 sub f van de Wet bescherming persoonsgege-
vens (Wbp).
5.7 P. heeft tegen het vorenstaande aangevoerd dat de websitehouder
hem niet de gelegenheid biedt om de negatieve berichtgeving op de
website te weerspreken. P. heeft derhalve de NAW-gegevens van de
websitehouder nodig om zich te kunnen verweren tegen de, zoals hij
stelt, onrechtmatige en lasterlijke inhoud van de website en de nade-
lige gevolgen daarvan voor zijn postzegelhandel.
5.8 Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is er vol-
doende grond voor een verstrekken door Lycos aan P. van de door P.
verlangde NAW-gegevens.
5.9 Niet aannemelijk is geworden dat de beschuldigingen jegens P.
geuit in de tekst die tot 4 augustus 2003 op de website heeft gestaan
(zie hiervoor onder 2.b), juist zijn. Lycos heeft in dat verband niets
kunnen aanvoeren, terwijl P. onweersproken heeft gesteld dat hij,
behoudens enkele verkeersovertredingen, zonder strafblad is. De in
bedoelde tekst geuite beschuldigingen zijn van ernstige aard. Aanne-
melijk is voorts dat P. door die beschuldigingen in zijn postzegelhan-
del schade heeft geleden en nog lijdt. Gezien het feit dat P., naar hij
onweersproken heeft gesteld, voor die handel twee personeelsleden
in dienst heeft en een omzet van ongeveer
350.000,00 per jaar heeft,
is ook niet onaannemelijk dat die schade aanzienlijk is. P. heeft der-
halve een zwaarwegend belang bij een in rechte kunnen aanspreken
van de bouwer/houder van de website, waartoe hij de NAW-gegevens
van die bouwer/houder nodig heeft.
5.10 Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft P.
voldoende pogingen gedaan om op andere wijze dan via Lycos aan die
gegevens te komen. Nu de bouwer/houder van de website niet ant-
woordt op de mail van P. van 1 augustus 2003 (zie hiervoor onder 2.e)
heeft P. weinig andere mogelijkheden om achter die gegevens te
komen. Van P. kan niet verlangd worden dat hij eerst via de `strafrech-
telijke weg' pogingen onderneemt om die gegevens te achterhalen.
Doorslaggevend dient te zijn bij wie de gegevens voor de betrokkene
op de minst ingrijpende wijze kunnen worden verkregen en dat is
ook voor de bouwer/houder van de website niet langs de strafrechte-
lijke weg.
5.11 Juist is dat een gebod in kort geding aan Lycos om de onderhavige
NAW-gegevens aan P. te verstrekken tot onomkeerbare situatie zal
leiden. Dit komt echter vaker voor bij in kort geding gegeven voorzie-
ningen en kan, indien de eisende partij een voldoende, rechtmatig en
spoedeisend belang bij de gevorderde voorziening heeft, op zich geen
grond vormen om een dergelijke voorziening niet te treffen.
5.12 Op grond van het hiervoor overwogene kan niet gezegd worden
dat openbaarmaking door Lycos aan P. van de onderhavige NAW
gegevens in strijd komt met het bepaalde in artikel 8 Wbp.
5.13 Op zich is ook juist dat een provider er recht en belang bij heeft
om zo min mogelijk belast te worden met het opvragen door derden
van NAW-gegevens, doch een en ander neemt niet weg dat een provi-
der niettemin op grond van de zorgvuldigheid die in het maatschap-
pelijk verkeer betaamt, gehouden kan zijn zijn medewerking te ver-
lenen als hij ervan in kennis wordt gesteld dat een van de gebruikers
van zijn computersysteem door middel van diens homepage onrecht-
matig handelt. Indien er een belang is dat verstrekking van NAW-
gegevens rechtvaardigt, de ernst van de inbreuk opheffing van de
anonimiteit rechtvaardigt, het doel dat met de verstrekking wordt
nagestreefd niet langs andere, minder ingrijpende weg zonder
opheffing van anonimiteit kan worden bereikt en de verstrekking
in de mate die is beoogd evenredig is aan het nagestreefde doel, is er
sprake van zo'n situatie. Gezien de hiervoor genoemde feiten van het
onderhavige geval wordt in dit geval aan genoemde voorwaarden vol-
daan. Ten overvloede merkt de voorzieningenrechter op dat de
grondslag voor de rechtsplicht van de provider om onder omstandig-
heden als de onderhavige de verlangde NAW-gegevens te verstekken
ook gevonden kan worden in de rechtsplicht tot het noemen van zijn
voorman, zoals die ook in zaken van intellectueel eigendom is erkend
(vergelijk Hoge Raad 27 november 1987,
NJ 1988, 722 en BIE 1987, nr.
25, p. 88-96). Tenslotte kan de rechtsplicht tot het openbaar maken
van NAW-gegevens, onder omstan-digheden als de onderhavige ook
worden ontleend aan artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering.
5.14 De vordering van P. zal derhalve worden toegewezen voorzover
die betreft het gebod hem op straffe van verbeurte van een dwangsom
bekend te maken met naam en adres van de bouwer/houder van de
website. De voorzieningenrechter zal ambtshalve de gevorderde ter-
mijn waarbinnen Lycos aan het te geven gebod moet voldoen, verlen-
gen en de gevorderde dwangsom maximeren.
5.15 Als de in hoofdzaak in het ongelijk te stellen partij zal Lycos wor-
den veroordeeld in de kosten van het geding.
6. De beslissing
De voorzieningenrechter:
6.1 Gebiedt Lycos om P. binnen drie dagen na betekening van dit von-
nis bekend te maken met de naam en het adres van de bouwer/websi-
tehouder van de website: http://members.lycos.nl/stopthefraud/.
6.2 Veroordeelt Lycos tot betaling aan P. van een dwangsom van
5.000,- voor iedere dag dat zij niet aan genoemd gebod voldoet,
zulks tot een maximum van
100.000,-.
6.3 Veroordeelt Lycos in de kosten van dit geding, tot op de uitspraak
van dit vonnis aan de zijde van P. begroot op
273,20 aan verschotten
en
703,- aan salaris voor de procureur.
6.4 Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
6.5 Wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. J. van der Meer, voorzieningen-
rechter van deze rechtbank, en in het openbaar uitgesproken ter
terechtzitting van 11 september 2003, in tegenwoordigheid van de
griffier.
Noot
Remy Chavannes
Mr R.D. Chavannes is advocaat te Amsterdam (Stibbe) en redacteur van dit
blad.
Wanneer moet een internet service provider (ISP) aan een derde de
NAW-gegevens verstrekken van een klant die volgens die derde
onrechtmatig jegens hem handelt? Dat is in de kern de rechtsvraag
die in deze zaak voorlag. Een klant van ISP Lycos had op zijn website
beweerd dat filatelist P. een oplichter was; P. stelde daartegen actie te
willen ondernemen en eiste van Lycos dat zij hem vertelde wie de
klant was. Lycos weigerde; een kort geding volgde en P. kreeg alsnog
zijn zin.
Een bijzondere mededelingsplicht als hier aan de orde wordt door-
gaans geconstrueerd op grond van de zorgvuldigheid die in het maat-
schappelijk verkeer jegens een ander betaamt een andere grondslag
kon men verder niet bedenken en de bestaande jurisprudentie is
dan ook tamelijk casuïstisch en verdeeld. Hoe `erger' de gewraakte
site, hoe gemakkelijker en automatischer de rechter de NAW-vorde-
ring toewees. De Haarlemse voorzieningenrechter zal hebben aange-
Mediaforum 2003-11/12
379
Jurisprudentie nr
.5
2
voeld dat de rechtspraktijk zat te wachten op een richtinggevend
vonnis dat de relevante gezichtspunten op een rijtje zet. Het is daar-
om een stevig gemotiveerd vonnis geworden, dat uit de belangrijkste
eerdere uitspraken
1
Scientology/Spaink c.s. (inmiddels in appèl vernie-
tigd),
2
Deutsche Bahn/XS4ALL,
3
Teleatlas/Planet
4
en
Rutloh/Concept ICT
5
voor het eerst een samenhangend geheel smeedt.
In deze noot aandacht voor drie aspecten: allereerst de door de voor-
zieningenrechter geformuleerde gezichtspunten voor het aannemen
van een mededelingsplicht terzake NAW-gegevens, vervolgens (pro-
blemen bij) de toepassing daarvan op de feiten en ten slotte het einde
van de uit de Teleatlas-zaak bekende `strafrechtelijke weg'.
6
Synthese gezichtspunten voor een bijzondere mededelings-
plicht
De voorzieningenrechter bevestigt in r.o. 5.4 dat de eiser voldoende
procesbelang kan hebben bij zijn vordering tot verstrekking van NAW-
gegevens, namelijk voor het verkrijgen van een verbod op toekomstige
uitlatingen en schadevergoeding. Het (spoedeisend) belang daarbij zal
wel apart moeten worden gesteld en bij betwisting aannemelijk
gemaakt worden, dus los van dat bij de eventuele overige vordering,
met name een eventuele vordering tot blokkering van de website.
Of de eiser ook belang heeft bij de daadwerkelijke verstrekking van
NAW-gegevens is een andere vraag. De kernoverweging in dat
opzicht is r.o. 5.13, dat de voorgaande overwegingen bijeenbrengt.
Verstrekking door ISP's van NAW-gegevens van klanten die via hun
homepage onrechtmatige uitingen doen, kan niet alleen op grond
van artikel 8 sub f Wbp zijn
toegestaan maar ook op basis van de maat-
schappelijke zorgvuldigheid zijn
geboden, indien:
er een belang is dat verstrekking van NAW-gegevens rechtvaardigt;
de ernst van de inbreuk opheffing van de anonimiteit rechtvaar-
digt;
het doel dat met de verstrekking wordt nagestreefd niet langs ande-
re, minder ingrijpende weg zonder opheffing van anonimiteit
kan worden bereikt; en
de verstrekking in de mate die is beoogd evenredig is aan het nage-
streefde doel.
7
Dat verstrekking van NAW-gegevens per definitie geen tijdelijke
maatregel is eenmaal opgeheven anonimiteit kan niet in hoger
beroep hersteld worden was voor de rechter in de
Teleatlas-zaak aan-
leiding om te overwegen (r.o. 4.2) dat een dergelijk gebod dus alleen
kan worden opgelegd als met aan zekerheid grenzende waarschijn-
lijkheid vaststaat dat die vordering in een bodemprocedure ook zak
worden toegewezen. In dit vonnis verwerpt de rechter die lijn niet;
hij overweegt slechts (r.o. 5.11) dat in kort geding wel vaker onom-
keerbare maatregelen worden getroffen. Dat is op zich waar, maar
doet m.i. niet af aan het feit dat die onomkeerbaarheid tot terughou-
dendheid noopt. Niet elke anonieme rechtsinbreuk rechtvaardigt
opheffing van anonimiteit.
Toepassing op de casus: de bewijspositie van de ISP
De genoemde gezichtspunten treden in werking wanneer de ISP
`ervan in kennis wordt gesteld dat een van de gebruikers van zijn com-
putersysteem door middel van diens homepage onrechtmatig han-
delt.' Die formulering komt voort uit artikel 15 van de E-commerce
richtlijn, dat de
aansprakelijkheid van ISP's voor de inhoud van door hen
gehoste homepages beperkt. Die kennis ontstaat niet automatisch
doordat iemand de ISP wijst op een homepage en
stelt dat die jegens
hem onrechtmatig is. Voorwaarde is dat de onrechtmatigheid van de
gehoste informatie redelijkerwijs niet betwijfeld kan worden. Dat
betekent dat de inbreuk evident moet zijn en/of dat de eiser voldoende
informatie verschaft om iedere redelijke twijfel weg te nemen.
Maar hoe kon dat in dit geval? Wat kon of moest P. doen om aan Lycos
te bewijzen dat hij géén fraudeur is? Hoe moest Lycos de redelijkheid
van haar eventuele twijfel onderbouwen? De voorzieningenrechter
overweegt (r.o. 5.9):
Niet aannemelijk is geworden dat de beschuldigingen jegens P. geuit in de
tekst die tot 4 augustus 2003 op de website heeft gestaan (zie hiervoor onder
2.b), juist zijn. Lycos heeft in dat verband niets kunnen aanvoeren, terwijl
P. onweersproken heeft gesteld dat hij, behoudens enkele verkeersovertre-
dingen, zonder strafblad is.
Dit zal voor Lycos en andere ISP's geen prettige kost zijn: zij willen zich
immers juist geen oordeel hoeven vellen over de inhoud van de websi-
tes die zij hosten. De ISP bevindt zich in de moeilijke positie dat hij
enerzijds als loutere `postbode' geen boodschap een de boodschap wil
hebben, maar anderzijds wel de enige partij is die aan de betrokkene
bekend is.
8
Zolang de klant die de gewraakte uitspraken heeft gedaan
anoniem thuis zit, is de ISP de enige die de eiser van repliek dient. Hij
doet dat echter, zeker in juridische zin, alleen namens zichzelf. Sommi-
ge ISP's verdedigen in de rechtszaal misschien ook
in algemene zin het
recht op anonimiteit op internet maar meestal niet
deze concrete klant.
Voor deze delicate positie heeft de rechter in dit geval m.i. onvoldoen-
de oog. Een lijdelijke rechter kan op zich niet veel meer doen dan con-
stateren dat gedaagde de gemotiveerde stellingen van eiser niet (vol-
doende) heeft betwist, maar met daadwerkelijke belangenafweging
of waarheidsvinding heeft dit weinig te maken. Had Lycos dan
onderzoek moeten doen naar de betrouwbaarheid van P.? Had zij
werkelijk moeten nagaan of hij een strafblad had? Had dat iets uitge-
maakt? Het dunkt mij dat Lycos hier wordt geplaatst in de onmogelij-
ke positie dat zij zelf de juistheid van een bewering van een willekeu-
rige klant moet aantonen.
9
Tegen het voorgaande kan wel worden ingebracht, dat het de ISP zelf
is die zich vrijwillig in deze moeilijke positie manoeuvreert. Door de
NAW-gegevens van de klant geheim te houden, dwingt de ISP de
betrokkene wel om hem aan te spreken. Bovendien, zo zullen de gela-
edeerden redeneren: als er al een recht op anonimiteit op internet is,
is dat recht niet oneindig.
10
Er bestaat bijvoorbeeld geen recht om
anoniem de Top-40 in MP3-format op je homepage te zetten. Bij mis-
bruik van anonimiteit is mogelijk aanleiding om anonimiteit op te
heffen. Maar is daarvan in deze casus wel sprake? Dat is niet
a priori
vast te stellen. Als de beschuldigingen die zeker ernstig en schade-
lijk zijn
waar zouden zijn, is op zich niet onbegrijpelijk dat degene
die ze doet, anoniem wil blijven. Deze uitlatingen liggen, in tegen-
stelling tot anonieme muziekpiraterij, al dichterbij het normaaltype
van de anonieme uiting die volgens voorstanders van een recht op
anonimiteit beschermd moten worden: de uiting die wegens zijn
inhoud de spreker blootstelt aan vervolging en waarvan de vervolg-
baarheid hem wel eens tot stilte zou kunnen brengen.
Mediaforum 2003-11/12
380
Jurisprudentie nr
.5
2
1
Voor een nadere omschrijving van deze uitspraken, zie A.H. Ekker, `Anonimi-
teit en uitingsvrijheid op het internet; het onthullen van identificerende gege-
vens door internetproviders,'
Mediaforum 2002-11/12, pp. 348-358. Zie ook A.H.
Ekker en O. van Daalen, `De provider als speurhond van de muziekindustrie',
JAVI 2003-4.
2 Rb. Den Haag 9 juni 1999,
Mediaforum 1999-7/8, nr. 37 en Hof Den Haag 4 sep-
tember 2003,
Mediaforum 2003-10, nr. 45, beide m.nt. D. J.G. Visser.
3 Vzr. Rb. Amsterdam 25 april 2002,
Mediaforum 2002-6, nr. 24 en Hof Amsterdam
7 november 2002,
Mediaforum 2003-1 m.nt. A.H. Ekker en Computerrecht 2003/1
m.nt. L.F. Asscher.
4 Vzr. Rb. Utrecht 9 juli 2002,
Computerrecht 2002/5 m.nt W.A.M. Steenbruggen.
5 Hof Den Bosch 25 juli 2002, KG 2002, 259 (
Rutloh /Concept ICT).
6 Ik laat met name buiten beschouwing de alternatieve grondslagen die de voor-
zieningenrechter in r.o. 5.13 ten overvloede noemt: de rechtsplicht van het noe-
men van de voorman in IE-zaken en artikel 843a Rv. Die eerste lijkt mij overi-
gens een toepassing van dezelfde grondslag als in deze uitspraak aan de orde,
namelijk de maatschappelijke zorgvuldigheid. Of een vordering ex artikel
843a Rv in kort geding zou kunnen worden ingesteld en of de cumulatieve ver-
eisten van die bepaling in een dergelijke zaak vervuld kunnen worden, is een
interessante vraag die ik in deze noot niet behandel.
7 Deze toets komt vrijwel letterlijk overeen met de toets die de gegevensverwer-
ker moet uitvoeren alvorens op basis van artikel 8 sub f Wbp gegevens te
mogen verwerken,
Kamerstukken II 1997/1998, 25 892, nr. 3, p. 86. Zie hierover
uitvoeriger de noot onder de Teleatlas-zaak van Steenbruggen, die eveneens
benadrukt dat ingeval van een eis tot gegevensverstrekking door een ISP de
grondslag niet de Wbp is maar de onrechtmatige daad.
8 Het was meen ik Sjoera Nas die in dit verband het sindsdien veelvuldig terug-
kerende woord `spagaat' introduceerde, in
Mediaforum wel te verstaan: S. Nas,
`De privacy-spagaat',
Mediaforum 2001-11/12, p. 334-338.
9 Andere factoren die de voorzieningenrechter m.i. wél terecht relevant acht
voor de vraag of P. voldoende belang heeft bij verstrekking van de gegevens zijn
de ernst van de beschuldiging en de hoogte van de dientengevolge te verwach-
ten schade. Dát zijn factoren waarover de ISP in kort geding tot op zekere hoog-
te zinnig mee kan praten (en dus kan meenemen in zijn afweging om de NAW-
gegevens wellicht vrijwillig af te staan voordat het zover komt).
10 Zie o.a. Nicoll, Prins & Van Dellen (red.),
Digital Anonymity and the Law, Den
Haag: T.M.C. Asser Press 2003.
De `strafrechtelijke weg' loopt dood
In de
Teleatlas-zaak toverde Planet een alternatief uit de hoge hoed
voor gegevensverstrekking door de ISP in de vorm van wat in de
weergave van de voorzieningenrechter werd omschreven als de `met
meer waarborgen omklede strafrechtelijke weg'. Men doelt daarbij
kennelijk op de verplichting die artikel 13.4 Telecommunicatiewet
(Tw) aan aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken en
-diensten (waaronder dus ISP's) om de opsporingsdiensten de infor-
matie te geven die nodig is om gebruik te maken van hun aftapbe-
voegdheden. Deze verplichting omvat expliciet het desgevraagd
mededelen van de bij een nummer behorende NAW-gegevens.
E-mailadressen en IP-nummers zijn voorbeelden van nummers, zo
blijkt uit de definitie in artikel 1.1 sub t Tw.
De voorzieningenrechter overweegt (r.o. 5.10) dat van P. niet kan wor-
den verlangd dat hij de strafrechtelijke weg bewandelt, omdat deze
weg voor de betrokkene (de websitehouder) niet minder ingrijpend
is. Dat is op zich waar: het gaat erom dat de anonimiteit wordt opge-
heven; hoe dat gebeurt zal de betrokkene en zorg zijn. Als eenmaal is
vastgesteld dat de eiser recht heeft op de NAW-gegevens aan de hand
van de genoemde gezichtspunten, dient hij die gegevens te kunnen
krijgen op een voor de overige partijen (met name derden) zo gemak-
kelijk mogelijke wijze. Voorkomen moet worden dat de diverse der-
den allemaal naar elkaar mogen verwijzen en de gelaedeerde alsnog
met lege handen achterblijft.
Veel belangrijker dan dit praktische argument is echter dat de straf-
rechtelijke weg voor de eiser überhaupt doodloopt. Stel P. had de
strafrechtelijke afslag genomen: hij had aangifte gedaan en bij de
opsporingsambtenaar aangedrongen op actie. Het eerste probleem is
het opportuniteitsbeginsel: P. kan het OM niet dwingen om tot ver-
volging over te gaan. Vervolgens blijkt dat een ISP alleen hoeft te vol-
doen aan een
bevoegde vordering ex artikel 13.4 Tw. Die bevoegdheden
staan in het Wetboek van Strafvordering en zijn in dit geval (artikel
126m) beperkt tot gevallen waarvoor voorlopige hechtenis is toegela-
ten: kort gezegd, bij verdenking van een misdaad waarop minimaal
vier jaar gevangenisstraf staat. Bij laster (262 Sr) is de maximumstraf
twee jaar. Bovendien geldt de eis dat de rechtsorde is geschokt, het-
geen bij inbreuk op iemands eer of goede naam (of intellectuele
eigendom) lang niet altijd het geval zal zijn. Als de opsporingsautori-
teiten het internetverkeer van de verdachte niet mogen aftappen,
hoeft de ISP hen ook geen NAW-gegevens te verstrekken.
De belangrijkste horde is echter de laatste: áls de opsporingsambte-
naar al zowel bevoegd als bereid is een vordering tot verstrekking van
NAW-gegevens bij de ISP te doen, is het hem vervolgens verboden om
het antwoord aan P. te verstrekken! Met andere woorden, voor civiele
partijen is de `strafrechtelijke weg' smal, lang en kronkelig om vervol-
gens aan het einde dood te lopen.
11
Conclusie
Mijns inziens zijn de geschetste algemene gezichtspunten helder en
bruikbaar. Ook is het goed dat de `strafrechtelijke weg' uit beeld ver-
dwijnt als alternatief voor gegevensverstrekking door ISP's, ook al
gebeurt dat m.i. om de verkeerde reden. Tegelijkertijd acht ik de toe-
passing van de geformuleerde gezichtspunten op de casus waar het
hier eigenlijk om ging, onjuist. Met name onhandig is de wijze waar-
op de ISP terloops met de bewijslast wordt opgezadeld terzake de
juistheid van de gewraakte uitlatingen. Het lijkt mij terecht dat de
ernst van de geuite beschuldigingen en de potentieel daaruit voort-
vloeiende schade en rol speelt bij de beoordeling. De juistheid van die
beschuldigingen kan in een kort geding, waarin maar één van de
betrokken partijen aanwezig is, naar mijn idee geen rol spelen. Onre-
delijk lijkt mij in elk geval om de ISP op te zadelen met een stelplicht
terzake: de ISP weet niet of het waar is wat zijn klant beweert en kan
het sowieso niet bewijzen. Voor de langere termijn is het theoretisch
kader natuurlijk belangrijker dan de toepassing. Er van uitgaande
dat het een eventueel hoger beroep overleeft, kan dit vonnis het ver-
wijzen naar de eerdere kort geding vonnissen goeddeels overbodig
maken.
Mediaforum 2003-11/12
381
Jurisprudentie nr
.5
2
11 Artikel 9 lid 4 van het (overigens zeer omstreden) Commissie-voorstel voor de
Richtlijn handhaving intellectuele eigendomsrechten bevat de expliciete bepa-
ling dat de autoriteiten dergelijke informatie wél aan civiele partijen mogen
mededelen. Proposal for a directive of the European Parliament and of the
Council on measures and procedures to ensure the enforcement of intellectual
property rights, 30 januari 2003, COM(2003) 46 def.
Nr 53
KPN vs. OPTA en Tiscali
Voorzieningenrechter Rechtbank Rotterdam 17 juli 2003
Reg.nr.: VTELEC 03/1400-HRK
Uitspraak naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorzie-
ning als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in
verband met de procedure tussen
KPN Telecom B.V., gevestigd te Den Haag, verzoekster, gemachtigde
mrs. J. Erwteman en Q.R. Kroes, beide advocaat te Amsterdam,
en
de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit, verweerder,
gemachtigde mr. E. J. Daalder, advocaat te Den Haag,
met als derde-partij:
Tiscali B.V., gevestigd te Utrecht, gemachtigde mr. G. J. Zwenne,
advocaat te Den Haag.
1. Ontstaan en loop van de procedure
Bij besluit van 1 mei 2003 heeft verweerder kort gezegd op verzoek
van Tiscali op grond van artikel 6.3 van de Telecommunicatiewet
(hierna: Tw) verzoekster opgelegd Tiscali een aanbod te doen,
bestaande uit de bitstroomtoegangsdienst inclusief de functionali-
teiten die verzoekster zichzelf levert ten behoeve van ADSL van KPN,
alsmede kostengeoriënteerde tarieven vastgelegd die tussen Tiscali
en verzoekster hebben te gelden.
Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft de gemachtigde
van verzoekster bij brief van 5 mei 2003 bezwaar gemaakt.
Voorts heeft de gemachtigde van verzoekster bij brief van 5 mei 2003
verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende de schor-
sing van het bestreden besluit. Bij brief van 16 mei 2003 heeft de
gemachtigde van verzoekster het verzoekschrift nader aangevuld.
Daartoe door de voorzieningenrechter in de gelegenheid gesteld
heeft Tiscali als partij aan het geding deelgenomen.
Verzoekster heeft een openbare en een deels vertrouwelijke versie van
het (aanvullend) verzoekschrift ingediend. Ten aanzien van de deels
vertrouwelijke versie heeft de verzoekster de voorzieningenrechter
op grond van artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuurs-
recht (verder: Awb) medegedeeld dat uitsluitend hij daarvan kennis
zal mogen nemen (beperking kennisneming).
Verweerder heeft bij het inzenden van de op de zaak betrekking heb-
bende stukken ten aanzien van (gedeelten van) een aantal stukken op
grond van artikel 8:29, eerste lid, van de Awb medegedeeld dat uit-
sluitend de voorzieningenrechter daarvan kennis zal mogen nemen.
Bij beslissing van 27 juni 2003 heeft de voorzieningenrechter een
rechter-commissaris benoemd en deze opgedragen ter zake een
beslissing te nemen.
Bij beslissing van 30 juni 2003 heeft de rechter-commissaris beper-
king van de kennisneming van een deel van het aanvullend verzoek-
schrift van 16 mei 2003 en van de door verweerder ingezonden
stukken gerechtvaardigd geacht, in die zin dat alleen de voorziening-
enrechter daarvan kennis zal mogen nemen.
Partijen hebben toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid,
van de Awb, verleend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juli 2003. Ver-
zoekster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtig-
den. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn
gemachtigde. Tiscali heeft zich laten vertegenwoordigen door haar
gemachtigde.
2. Overwegingen
Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuurs-
recht (hierna: Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank
beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij
de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is inge-
steld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of
kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening
treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen,
dat vereist.
Voorzover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de recht-
matigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oor-
deel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat
oordeel niet bindend voor de beslissing op bezwaar of eventueel in de
hoofdzaak.
Ingevolge het eerste lid van artikel 6.4, van de Tw worden de aanbie-
ders van vaste openbare telefoonnetwerken (...), die in het gebied
waarin zij binnen Nederland actief zijn op de markt met betrekking
tot de vaste openbare telefoonnetwerken (...) over een aanmerkelijke
macht beschikken als zodanig aangewezen door het college.
Op grond van artikel 6.9, eerste lid, van de Tw dienen aanbieders,
welke op grond van artikel 6.4, eerste lid, Tw zijn aangewezen door
het college, te voldoen aan alle redelijke verzoeken tot bijzondere toe-
gang.
In artikel 1.1, onder j Tw wordt bepaald dat onder bijzondere toegang
wordt verstaan `toegang tot een telecommunicatienetwerk op andere
punten dan de netwerkaansluitpunten die aan de meeste gebruikers
wordt aangeboden'.
Artikel 6.1, eerste, derde en zesde lid, van de Tw luidt als volgt:
1. Aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken en openbare tele-
communicatiediensten in Nederland, die daarbij de toegang tot netwerk-
aansluitpunten van eindgebruikers controleren, dragen zorg voor de inter-
connectie van de betrokken telecommunicatienetwerken teneinde te
kunnen verzekeren dat de daarop aangesloten gebruikers over en weer met
elkaar kunnen communiceren. (...)
3. Het college kan ontheffing verlenen van de in het eerste en tweede lid
bedoelde verplichting tot interconnectie indien er voor de desbetreffende
interconnectie andere, technisch en commercieel haalbare mogelijkheden
bestaan of indien de desbetreffende interconnectie redelijkerwijs niet kan
worden verlangd in het licht van de middelen die beschikbaar zijn. (...)
6. Onverminderd het derde en vierde lid, dient ter uitvoering van het eerste,
tweede en vijfde lid iedere daar bedoelde aanbieder met andere daar bedoel-
de aanbieders in onderhandeling te treden om te komen tot overeenkom-
sten op basis waarvan de interconnectie tot stand komt. In het geval de in
de vorige zin bedoelde verplichting dient ter uitvoering van het eerste lid
kan het college aanbieders bij het uitblijven van een overeenkomst een ter-
mijn stellen, waarbinnen deze tot stand moet zijn gekomen. Na omme-
komst van deze termijn zijn betrokken aanbieders in gebreke, tenzij door
een of meer van hen een beroep gedaan is op artikel 6.3, eerste lid.'
De navolgende artikelen van de Tw luiden als volgt:
Artikel 6.3:
1. Indien aanbieders geen overeenkomst als bedoeld in artikel 6.1, zesde lid,
tot stand brengen, kan het college op aanvraag van een of meer van hen, de
regels vaststellen die tussen hen zullen gelden. Een besluit van het college
laat de mogelijkheid van een buitenlandse aanbieder als bedoeld in artikel
6.1, tweede lid, om af te zien van interconnectie onverlet.
2. Geschillen tussen bij interconnectie als bedoeld in artikel 6.1 betrokken
aanbieders met betrekking tot de vraag of de ter zake tussen hen in verband
met interconnectie bestaande verbintenissen, of de wijze waarop deze wor-
den nagekomen, strijdig zijn met het bepaalde bij of krachtens deze wet,
worden op aanvraag van een of meer van de betrokken aanbieders door het
college beslecht. In het geval het college van oordeel is dat er sprake is van
strijd met het bepaalde bij of krachtens deze wet kan hij ter beëindiging van
deze situatie regels vaststellen die tussen de aanbieders zullen gelden. In
voorkomende gevallen treden bedoelde regels in de plaats van de tot dan toe
bestaande verbintenissen.
3. Met betrekking tot aanvragen als bedoeld in het eerste en tweede lid geldt
dat het college:
a. binnen zes maanden na de datum van de aanvraag op de aanvraag
beslist
b. in spoedeisende gevallen een voorlopig besluit neemt, dat tussen de
betrokken aanbieders geldt tot het definitieve besluit.
4. Het college neemt geen besluit op een aanvraag als bedoeld in het eerste
lid indien betrokken aanbieders voor het tijdstip van het nemen van het
besluit overeenkomstig artikel 6.2, eerste lid, het afschrift van een tussen
hen totstandgekomen overeenkomst bij het college hebben gedeponeerd,
welke voldoet aan het bepaalde bij of krachtens deze wet, dan wel, indien er
Mediaforum 2003-11/12
382
Jurisprudentie nr
.5
3
sprake is van een buitenlandse aanbieder, deze voor het tijdstip van de uit-
spraak te kennen geeft af te zien van interconnectie.
Artikel 6.5:
Aanbieders, aangewezen door het college krachtens artikel 6.4, eerste lid:
a. verstrekken aan andere aanbieders, die krachtens artikel 6.1 verzoeken
om interconnectie, deze onder gelijke voorwaarden onder gelijke omstan-
digheden;
b. verstrekken aan andere aanbieders, die krachtens artikel 6.1 verzoeken
om interconnectie, deze onder gelijke voorwaarden als die welke onder gelij-
ke omstandigheden gelden voor henzelf of hun dochtermaatschappijen;
c. verstrekken aan aanbieders als bedoeld in artikel 6.1 op aanvraag alle met
betrekking tot interconnectie benodigde informatie alsmede de voorgenomen
wijzigingen die binnen de volgende zes maanden zullen worden ingevoerd;
d. gebruiken de aan hen verstrekte informatie uitsluitend voor het doel
waarvoor deze aan hen werd verstrekt.
Artikel 6.6:
1. Aanbieders van vaste openbare telefoonnetwerken, vaste openbare tele-
foondiensten en van huurlijnen, aangewezen door het college krachtens
artikel 6.4, eerste lid, alsmede aanbieders van mobiele openbare telefoon-
diensten en mobiele openbare telefoonnetwerken aangewezen door het col-
lege krachtens artikel 6.4, tweede lid, dragen er zorg voor dat de tarieven
voor interconnectie op transparante wijze worden bepaald en op kosten
zijn georiënteerd.
2. Aanbieders van vaste openbare telefoonnetwerken, vaste openbare tele-
foondiensten en van huurlijnen, aangewezen door het college krachtens
artikel 6.4, eerste lid, dragen er bovendien zorg voor dat de tarieven voor
interconnectie in voldoende mate zijn uitgesplitst.
3. Ter uitvoering van het eerste lid wordt door de onderscheiden aanbieders
een systeem voor de toerekening van de kosten voor interconnectie opge-
steld. Het systeem behoeft de goedkeuring van het college.
4. Het college dan wel een door het college aan te wijzen bevoegde derde
onderzoekt jaarlijks of er in overeenstemming met het in het derde lid
bedoelde systeem is gehandeld. Van het resultaat van het onderzoek wordt
mededeling gedaan in de Staatscourant.
5. Bij ministeriële regeling kunnen ten aanzien van de in het eerste en twee-
de lid genoemde verplichtingen nadere regels worden gesteld. Hierbij kun-
nen aan het college nadere taken worden opgedragen en bevoegdheden wor-
den verleend.
KPN is aangewezen als aanbieder aanmerkelijke marktmacht van
vaste openbare telefoonnetwerken en dient mitsdien aan andere aan-
bieders bijzondere toegang te verstrekken onder gelijke voorwaarden
onder gelijke omstandigheden, zoals omschreven in artikel 6.5,
onder a Tw en onder gelijke voorwaarden als die welke gelden voor
haarzelf of haar dochterondernemingen, zoals beschreven in artikel
6.5, onder b, Tw (non-discriminatiebeginsel).
In artikel 6.9 Tw juncto artikel 6.3 Tw is verweerder de bevoegdheid
toegekend om als geschilbeslechter op te treden als het gaat om
geschillen over bijzondere toegang. Het college kan op grond van
deze artikelen, op verzoek van één of beide partijen, de regels vast-
stellen die tussen degene die bijzondere toegang moet verlenen en
degene die er om verzoekt zullen gelden.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder aangegeven dat Tiscali ver-
zoekt om een wholesale bitstroomtoegangsdienst ten behoeve van
breedbandige internetdiensten op de consumentenmarkt teneinde te
kunnen concurreren in deze markt. Doordat verzoekster slechts wijst
op haar bestaande aanbod BSA (Bitstream Access) zijn partijen niet
tot overeenstemming gekomen.
Verweerder stelt zich bij het bestreden besluit op het standpunt dat
bitstroomtoegang een bijzondere toegangsdienst is als bedoeld in
artikel 1.1, onderdeel j, Tw omdat er sprake is van toegang tot het tele-
foonnetwerk van verzoekster. Aangezien verzoekster het verzoek van
Tiscali niet binnen twee weken gemotiveerd heeft afgewezen acht
verweerder zich op grond van de artikelen 6.1, 6.9 en 6.3 van de Tw
bevoegd regels vast te stellen die gelden tussen Tiscali en verzoekster.
Daarnaast acht verweerder in het licht van de concurrentie op de
markt een oplossing van het geschil urgent en acht hij zich op grond
van het derde lid, onder b, van artikel 6.3 Tw bevoegd in beginsel een
voorlopig besluit te nemen. Daar verweerder evenwel meent vol-
doende zicht te hebben op de problematiek wenst zij anders dan
Tiscali vordert een definitief besluit te nemen. Verweerder acht
immers het verzoek van Tiscale voldoende duidelijk; verzoekster had
dienen te weten welke bitstroomtoegangsdienst Tiscali van haar
vroeg. Voorts is voldaan aan het vereiste van hoor en wederhoor.
Verweerder acht verder de toekomstige wetgeving (Kaderrichtlijn)
thans niet van belang zodat naar de mening van verweerder op basis
van het huidig wettelijk kader (artikel 6.9 van de Tw) dan ook
`slechts' de redelijkheid van het verzoek dient te worden beoordeeld.
Verweerder is van mening dat doordat verzoekster zichzelf met ADSL
van KPN een dienst aanbiedt, zij een dergelijk dienst ook aan anderen
dient aan te bieden. Naar het oordeel van verweerder is de redelijk-
heid van het verzoek reeds gegeven als KPN zichzelf de gevraagde bij-
zondere toegangsdienst levert. Zulks analoog aan hetgeen in Veror-
dening 2887/2000 van de Europese Commissie is bepaald. Het
verweer van verzoekster dat Tiscali diverse alternatieven heeft om
haar diensten aan te bieden faalt naar verweerders oordeel.
Verweerder stelt zich dan ook op het standpunt dat verzoekster een
aanbod bitstroomtoegang aan Tiscali moet doen dat minimaal de
functionaliteiten bevat welke zij zichzelf levert. Een termijn van drie
weken acht verweerder daarbij redelijk. De tarieven Bitstroomtoe-
gang dienen daarbij op basis van artikel 6.6 Tw juncto artikel 6.9 Tw
kostengeoriënteerd te zijn.
Verweerder komt vervolgens bij het bestreden besluit samengevat
tot het volgende dictum:
1. wijst het verzoek van Tiscali om een voorlopig besluit te nemen
af;
2. wijst het verzoek van Tiscali in die zin toe dat aan verzoekster
wordt opgelegd Tiscali een aanbod te doen van de gevraagde bit-
stroomtoegang. Verzoekster dient uiterlijk binnen drie weken
een aanbod aan Tiscali te doen dat bestaat uit de bitstroomtoe-
gangsdienst, inclusief de functionaliteiten die verzoekster zich-
zelf levert ten behoeve van ADSL van KPN;
3. wijst het verzoek van Tiscali om een aanbod te doen voor bit-
stroomtoegangsdienst af, voor zover het functionaliteiten
betreft die verzoekster niet aan zichzelf levert ten behoeve van
ADSL van KPN;
4. wijst het verzoek om kostengeoriënteerde tarieven toe met
dien verstande dat verweerder voornemens is kostengeoriënteer-
de tarieven op 1 oktober 2003 vast te stellen volgens de EDC-sys-
tematiek;
5. verzoekster dient binnen 8 weken kostenopgave te leveren op
basis van een EDC-rapportage;
6. de compensatieregeling (randnr. 230 van het besluit) geldt bin-
nen 2 dagen nadat Tiscali verzoekster heeft laten weten daarvan
gebruik te willen maken;
7. wijst het verzoek om handhavende maatregelen af;
8. partijen dienen alle correspondentie in afschrift aan verweer-
der te zenden.
Verzoekster voert in de eerste plaats aan dat het bestreden besluit
onuitvoerbaar is. De beide opties die verweerder in de overwegingen
van het bestreden besluit aan verzoekster biedt om aan haar ver-
meende verplichting tot het leveren van bitstroomtoegang aan Tisca-
li te voldoen zijn niet te rijmen met de verplichting die verzoekster in
het dictum van het bestreden besluit wordt opgelegd om non-discri-
minatoir dezelfde dienst aan Tiscali te leveren als die zij zichzelf
levert ten behoeve van ADSL van KPN. Deze beide opties dwingen
verzoekster immers elementen van bitstroom ten behoeve van de
zakelijke markt (BSA) en de dienst ADSL van KPN voor de consumen-
tenmarkt te combineren in één dienst en daarmee een geheel nieuwe
hybride dienst te maken die niet beantwoordt aan enig intern pro-
duct. Het is verzoekster dan ook niet duidelijk of zij aan het dictum
of aan de door verweerder uitgebreid uiteengezette opties moet vol-
doen.
Bovendien brengen zowel het realiseren van de in het dictum opge-
legde diensten als beide voornoemde opties zeer hoge kosten mee en
kunnen deze onmogelijk in drie weken gerealiseerd worden.
Daarnaast heeft verweerder het besluit niet voorwaardelijk gemaakt
op daadwerkelijke afname van de bitstroomdienst. Verzoekster zou
kosten moeten maken zonder dat zij ook maar enige zekerheid heeft
ten aanzien van de vraag van Tiscali.
Verzoekster acht een groot spoedeisend belang bij schorsing van het
besluit aanwezig.
Verzoekster meent bovenal dat verweerder niet bevoegd is. Verweer-
der stelt dat bitstroom bijzondere toegang is als bedoeld in de Tw.
Kennelijk beschouwt verweerder bitstroom als bijzondere toegang tot
het vast openbare telefoonnetwerk van verzoekster. Dit ten onrechte.
Verplichting om bijzondere toegang te verlenen volgt uit artikel 6.9
Mediaforum 2003-11/12
383
Jurisprudentie nr
.5
3
van de Tw. De precieze reikwijdte van de verplichting volgt niet uit de
tekst van dit artikel. Wel verwijst het naar artikel 6.4 Tw. Aangenomen
moet worden dat de verplichting om bijzondere toegang te verlenen
dan ook beperkt is tot die gebieden waarvoor krachtens artikel 6.4 een
aanwijzing geldt. Alleen die gebieden zijn immers betrokken in het
marktonderzoek dat verweerder krachtens artikel 6.4 moet doen alvo-
rens zij tot de AMM-aanwijzing kan overgaan.
Verzoekster is bij besluit van 15 november 2000 aangewezen als aan-
bieder AMM op de markt voor vaste openbare telefoonnetwerken.
Deze aanwijzing is op 10 december 2001 gecontinueerd.
Ingevolge artikel 1.1, onder l, van de Tw is een vast openbaar telefoon-
netwerk gedefinieerd als `de elementen van een openbaar telecom-
municatienetwerk die geheel of gedeeltelijk worden gebruikt voor de
levering van de vaste openbare telefoondiensten'.
Uit de aanwijzing volgt dat verzoekster verplicht is om te voldoen
aan redelijke verzoeken tot bijzondere toegang tot haar vaste openba-
re telefoonnetwerk. De verplichting om bijzondere toegang te verle-
nen tot het openbaar telefoonnetwerk strekt zich dus slechts uit tot
die onderdelen van het telecommunicatienetwerk die kunnen wor-
den aangemerkt als een openbaar telefoonnetwerk. Verzoekster is
naar haar mening niet verplicht om toegang te verlenen tot elemen-
ten van haar telecommunicatienetwerk die niet tevens voor spraak
worden gebruikt.
Nu bitstroom mede bestaat uit elementen die uitsluitend worden
gebruikt voor datadiensten en dus in het geheel niet worden gebruikt
voor vaste openbare (spraak)telefonie kan van verzoekster op grond
van de huidige Tw niet worden verplicht daartoe toegang te verlenen.
In het besluit gaat verweerder, aldus verzoekster, aan dit cruciale
punt voorbij. Verweerder maakt op geen enkel punt duidelijk waar-
om verzoekster verplicht zou worden tal van diensten en middelen
ter beschikking te stellen die onder geen enkele aanwijzing vallen.
Nu geen sprake is van bijzondere toegang tot het spraaktelefonie net-
werk, is evenmin de non-discriminatie plicht ex artikel 6.5 juncto
6.9, tweede lid Tw van toepassing, althans niet voorzover de opgeleg-
de toegangsdienst gebruik maakt van netwerkelementen die geen
onderdeel uitmaken van het vaste openbare spraaktelefonienetwerk.
Verweerder is naar de mening van verzoekster dan ook niet bevoegd
om aan het non-discriminatie beginsel een leverplicht te ontlenen,
zodat het besluit onrechtmatig is en geschorst moet worden.
Verzoekster meent overigens dat de redelijkheid van het verzoek niet
is aangetoond.
Op grond van artikel 6.9 Tw is verzoekster gehouden om te voldoen
aan redelijke verzoeken om bijzondere toegang. Op dit punt verschilt
de verplichting tot het verlenen van bijzondere toegang in belangrij-
ke mate van de verplichting tot het bieden van interconnectie. Inter-
connectie moet immers altijd geboden worden, terwijl bij bijzondere
toegang deze verplichting slechts ontstaat als er sprake is van een
redelijk verzoek. De vraag wanneer een verzoek redelijk is, is dan ook
van cruciaal belang. Verzoekster wijst voor wat betreft de invulling
van het begrip `redelijkheid' naar artikel 16 van ONP-spraakrichtlijn
(98/10/EG) waar artikel 6.9 Tw op is gebaseerd , naar de Overwe-
ging 7 van verordening EG 2887/2000 en naar de uitspraak van het
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap van 26 november
1998 in zaak C-7/97, waarbij het Hof heeft uitgemaakt dat een leve-
ringsweigering uitsluitend kan worden aangemerkt als misbruik van
een machtspositie als de geweigerde dienst onontbeerlijk is, in die
zin dat er geen reëel of potentieel alternatief voor bestaat. Dat die
alternatieven minder gunstig zijn, is onvoldoende om misbruik aan
te kunnen nemen.
De toets of de gevraagde toegang noodzakelijk is vindt, aldus ver-
zoekster, in het besluit niet plaats. Overigens wijst verzoekster erop
dat ook uit de algemene beginselen van evenredigheid en proportio-
naliteit voort vloeit dat een bestuursorgaan niet overgaat tot het
opleggen van een ingrijpende verplichting indien dat niet noodzake-
lijk is. Het oordeel van verweerder dat het verzoek van Tiscali redelijk
is, acht verzoekster dan ook kennelijk onjuist
Ter zake overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
Met betrekking tot de stelling van verzoekster dat verweerder niet
bevoegd was tot het nemen van het bestreden besluit omdat dit geen
betrekking zou hebben op een vast openbaar telefoonnetwerk (hier-
na: telefoonnetwerk), overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
Gegeven de aanwijzing van verzoekster als partij met aanmerkelijke
macht op de markt met betrekking tot telefoonnetwerken komt ver-
weerder, gezien het bepaalde in de artikelen 6.3 jo. 6.9, eerste en twee-
de lid jo. 6.4, eerste lid van de Tw, slechts de bevoegdheid tot het
nemen van het bestreden besluit toe indien sprake is van een geschil
omtrent het voldoen aan een redelijk verzoek tot bijzondere toegang
tussen verzoekster en een derde partij met betrekking tot een tele-
foonnetwerk. Derhalve dient te worden vastgesteld in hoeverre bij de
bitstroomtoegangsdienst waarop het bestreden besluit ziet gebruik
wordt gemaakt van het telefoonnetwerk van verzoekster. Daarbij
dient te worden aangetekend dat het navolgende een sterk vereen-
voudigde weergave van de werkelijke opbouw van dat netwerk
vormt, gebaseerd op de processtukken en hetgeen ter zitting hierom-
trent is aangevoerd. De voorzieningenrechter heeft echter ter zitting
zijn perceptie van dit netwerk steeds aan partijen voorgehouden en
hen in staat gesteld deze te corrigeren of aan te vullen, zodat geen
reden bestaat om aan te nemen dat het onderstaande geen correcte
weergave van de werkelijkheid vormt. Waar in het navolgende wordt
gesproken over spraakverkeer wordt gedoeld op al het traditionele
telefoonverkeer, dus ook faxverkeer, smalbandige internettoegang
en dergelijke.
Het telefoonnetwerk van verzoekster voorzover te dezen van belang
loopt vanaf de adressen van abonnees (hierna: particulier(en)) naar
een locale nummercentrale, verder aan te duiden als de aansluitlij-
nen, en vervolgens naar een regionale verkeerscentrale. Bij een ADSL-
aansluiting van een particulier wordt de aansluitlijn zowel voor
spraak- als dataverkeer gebruikt en wel zodanig dat het spraakver-
keer gebruik maakt van het lage deel van het frequentiespectrum en
het dataverkeer van het hoge deel van dat spectrum. Deze twee delen
van het spectrum worden in de locale nummercentrale gescheiden,
waarna spraak- en dataverkeer afzonderlijke bewerkingen ondergaan
(het spraakverkeer wordt via een telefooncentrale geleid en het data-
verkeer via een DSLAM). Daarna worden beide stromen naar de regio-
nale verkeerscentrale behorend bij de betreffende locale nummercen-
trale gestuurd. De verbinding tussen beide centrales wordt door
verweerder als universeel transportnetwerk aangeduid. Dit netwerk
kent drie digitale verkeersstromen, namelijk spraakverkeer, dataver-
keer en verkeer via huurlijnen. Van belang is dat deze stromen door
de transmissieapparatuur gescheiden worden gehouden in die zin
dat sprake is van vastgestelde maximale capaciteiten voor iedere ver-
keersstroom, en er geen overloop mogelijk is indien een of twee van
die stromen hun maximale capaciteit hebben bereikt. Of er van een
fysieke scheiding van deze stromen sprake is kan niet in zijn alge-
meenheid worden vastgesteld en hangt mede af van de locale situatie
zoals de technische specificaties van de aanwezige kabelver-
binding(en).
In de regionale verkeerscentrale ondergaan data- en spraakverkeer
wederom afzonderlijke bewerkingen (het spraakverkeer wordt weer
via een telefooncentrale geleid terwijl het dataverkeer via een ATM-
centrale en een IP-router of varianten daarop verloopt.
De regionale verkeerscentrale is het punt waarop volgens het bestre-
den besluit verzoekster bitstroomtoegang aan de derde-partij dient
te geven, ook wel aangeduid als uitkoppelpunt. Vanaf dat punt heeft
verzoekster geen betrokkenheid meer bij een eventueel door de der-
de-partij aan te bieden breedbandige internettoegang, en daarop
heeft het bestreden besluit dan ook geen betrekking.
De vraag welke voorligt is of van het hierboven omschreven openbare
telecommunicatienetwerk in de zin van artikel 1.1, aanhef en onder g,
van de Tw, voorzover dat kan worden gebruikt voor het verlenen van
bitstroomtoegang, elementen geheel of gedeeltelijk worden gebruikt
voor de levering van de vaste openbare telefoondienst.
Elementen die geheel voor de levering van de vaste openbare tele-
foondienst worden gebruikt heeft de voorzieningenrechter in het
hiervoor omschreven telecommunicatienetwerk van verzoekster
voorzover dat voor bitstroomtoegang gebruikt zou kunnen worden,
in het geheel niet kunnen ontwaren. Een aantal elementen, zoals de
DSLAM in de locale nummercentrale en de ATM-centrale in de regio-
nale verkeerscentrale, wordt geheel niet voor de levering van die vas-
te openbare telefoondienst gebruikt maar alleen voor dataverkeer.
Daarnaast zijn er enkele elementen ten aanzien waarvan niet op het
eerste gezicht kan worden vastgesteld of zij gedeeltelijk voor de leve-
ring van de vaste openbare telefoondienst worden gebruikt.
Wat betreft de aansluitlijn acht de voorzieningenrechter het, mede
gezien de wetsgeschiedenis van artikel 6.4 Tw, op het eerste gezicht
niet onjuist om aan te nemen dat hierbij sprake is van een element
Mediaforum 2003-11/12
384
Jurisprudentie nr
.5
3
van een openbaar telecommunicatienetwerk dat gedeeltelijk voor de
levering van een vaste openbare telefoondienst wordt gebruikt. Toch
valt zelfs hier nog op af te dingen. Zo bestaat de indruk dat door de
technische scheiding tussen de spraak- en datastroom in deze verbin-
ding, deze stromen volledig onafhankelijk van elkaar kunnen
bestaan. Zo zou het wellicht mogelijk kunnen zijn dat een aanslui-
ting van een particulier die zich niet heeft geabonneerd op gebruik-
making van de vaste openbare telefoondienst wel wordt gebruikt
voor dataverkeer. Onderhavige procedure leent zich er niet voor om
dit vast te stellen en leent zich evenmin voor beantwoording van de
vraag of bevestiging van deze indruk zou moeten leiden tot de vast-
stelling dat ondanks een sterke fysieke verbondenheid van beide stro-
men de datastroom niet gedeeltelijk gebruik maakt van een element
van het openbare telecommunicatienetwerk dat gedeeltelijk wordt
gebruikt voor de levering van de vaste openbare telefoondienst.
Wat betreft de verbinding tussen de locale nummercentrale en de
regionale verkeerscentrale betwijfelt de voorzieningenrechter in
zodanig sterke mate of er sprake is van een gezamenlijk gebruik van
het openbare telecommunicatienetwerk voor zowel data- als spraak-
verkeer dat hij er voorshands van uit gaat dat zulks niet het geval is.
Doorslaggevend is daarbij dat beide stromen `logisch' van elkaar
gescheiden zijn, dat willen zeggen dat in de transmissieapparatuur
aan beide stromen een maximale capaciteit is toegekend die exclusief
is, overigens ook voor huurlijnen. Dit betekent dus dat indien er een
zodanig aanbod is van dataverkeer dat de daarvoor beschikbaar
gestelde maximale capaciteit zou worden overschreden, de datast-
room geen gebruik zal kunnen maken van de voor het spraakverkeer
gereserveerde capaciteit en vice versa.
Voorts kan niet in zijn algemeenheid worden aangegeven, zoals dat bij
een aansluitlijn wel het geval is, of deze stromen door een en dezelfde
kabel of door verschillende kabels lopen, zodat zeker niet in alle geval-
len sprake is van een fysieke verbondenheid van beide stromen.
De voorzieningenrechter merkt overigens nog op dat indien aange-
nomen zou moeten worden dat het hier besproken deel van het net-
werk gedeeltelijk wordt gebruikt voor de levering van de vaste open-
bare telefoondienst, dit niet alleen zou betekenen dat het
netwerkelement waardoor het dataverkeer plaatsvindt onderdeel is
van het telefoonnetwerk, maar dat ook huurlijnen daar onderdeel
van zouden uitmaken. Zulks zou in ieder geval te ver voeren.
Op grond van het voorgaande komt de voorzieningenrechter tot het
volgende oordeel. Het ligt in de verwachting dat bij een eventuele
behandeling van de hoofdzaak van dit geschil in het voor verweerder
meest gunstige geval de conclusie zal worden getrokken dat slechts
ten aanzien van de aansluitlijn sprake is van het voor bitstroomtoe-
gang gebruiken van een element van een openbaar telecommunica-
tienetwerk dat gedeeltelijk voor de levering van de vaste openbare
telefoondienst wordt gebruikt. Dit houdt in dat het bestreden besluit
voor een belangrijk deel betrekking heeft op een openbaar telecom-
municatienetwerk dat niet tevens als telefoonnetwerk kan worden
aangemerkt. Weliswaar heeft verweerder niet aan verzoekster voor-
geschreven welke netwerkelementen op welke wijze moeten worden
gebruikt maar meer in zijn algemeenheid verzoekster tot het leveren
van een bitstroomtoegangsdienst met bepaalde functionaliteiten ver-
plicht, doch vast staat dat hiertoe een aantal, zo niet alle, van de hier-
voor besproken elementen van het telecommunicatienetwerk van
verzoekster gebruikt zullen moeten worden.
De voorzieningenrechter is gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen
van oordeel dat van het meeromschreven telecommunicatienetwerk
in de zin van artikel 1.1., aanhef en onder g, van de Tw, voorzover dat
kan worden gebruikt voor het verlenen van bitstroomtoegang, niet
alle elementen geheel of gedeeltelijk worden gebruikt voor de leve-
ring van de vaste openbare telefoondienst. Gegeven het hiervoor
omschreven wettelijk kader waaraan verweerder zijn bevoegdheid
tot het nemen van het bestreden besluit zou kunnen ontlenen moet
voorshands worden vastgesteld dat verweerder niet bevoegd was tot
het nemen van het bestreden besluit, nu dit betrekking heeft op het
gehele netwerk zoals hiervoor omschreven waarvan de verschillende
elementen niet los van elkaar kunnen worden gezien.
De voorzieningenrechter volgt derhalve niet verweerder in zijn uit-
leg van het begrip (vast openbaar) telefoonnetwerk waarbij ieder tele-
communicatienetwerk dat gedeeltelijk wordt benut voor het leveren
van een spraakdienst (de voorzieningenrechter neemt aan dat wordt
bedoeld: de vaste openbare telefoondienst zoals omschreven in arti-
kel 1.1, aanhef en onder k, van de Tw) als vast openbaar telefoonnet-
werk moet worden aangemerkt.
Uit het voorgaande volgt dat er gerede twijfel omtrent de rechtmatig-
heid van het bestreden besluit bestaat. Betwijfeld kan dan ook wor-
den of het bestreden besluit in bezwaar in stand zal blijven. Boven-
dien komt bij de hiervoor uitgesproken twijfel, dat verzoekster heeft
gesteld grote belangen te hebben bij het treffen van een voorlopige
voorziening op korte termijn; deze belangen betreffen de zeer hoge
kosten die de uitvoering van het bestreden besluit met zich brengt
alsmede de ingrijpende wijzigingen in haar organisatie.
Een en ander in aanmerking genomen ziet de voorzieningenrechter
voldoende aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening
als hierna vermeld.
De voorzieningenrechter ziet aanleiding met toepassing van artikel
8:82, vierde lid, van de Awb te bepalen dat het door verzoekster
betaalde griffierecht door verweerder wordt vergoedt en voorts ver-
weerder te veroordelen in de proceskosten, bestaande uit de kosten
van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Van overi-
ge kosten waarop een veroordeling in de proceskosten betrekking
kan hebben, is de voorzieningenrechter niet gebleken.
Gelet op het voorgaande wordt als volgt beslist.
3. Beslissing
De voorzieningenrechter, recht doende:
wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe,
in die zin dat verweerders besluit van 1 mei 2003 wordt geschorst tot
en met zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar
van verzoekster,
bepaalt dat verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffie-
recht van
232,00 vergoedt,
veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een
bedrag van
1288,00 en wijst verweerder aan als rechtspersoon die
deze kosten aan verzoekster moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. W. van den Hurk als voorzienin-
genrechter.
De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr. A. Vermaat als griffier,
uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2003.
Noot
Dido Schipper
Mr. D. Schipper is advocaat te Amsterdam (Stibbe).
Inleiding
In haar besluit van 1 mei 2003 bepaalde OPTA dat KPN aan Tiscali, een
aanbieder van (breedband) internettoegang, een aanbod moest doen
voor bitstroomtoegang.
1
Bitstroomtoegang kan, kort gezegd, worden
omschreven als een wholesale dienst op grond waarvan internet servi-
ce providers netwerkcapaciteit inkopen bij KPN die zij vervolgens op
eigen naam doorverkopen aan de eindgebruikers van internet toe-
gangsdiensten.
2
KPN vroeg de voorzieningenrechter te Rotterdam om
een voorlopige voorziening tegen dit besluit. Op 17 juli 2003 heeft de
voorzieningenrechter het besluit van OPTA geschorst.
3
Achtergrond
Op grond van artikel 6.1 van de Telecommunicatiewet, hierna: `Tw',
zijn aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken verplicht
om onderling afspraken te maken omtrent de interconnectie van deze
Mediaforum 2003-11/12
385
Jurisprudentie nr
.5
3
1
Besluit inzake geschil Tiscali BV en KPN Telecom BV d.d. 1 mei 2003, kenmerk
OPTA/IBT/2003/201727, beschikbaar op www.opta.nl.
2 Verwezen zij voorts naar de definitie van `high speed bitstream access' van
OPTA in paragraaf 30 van haar consultatiedocument `Collocatie en eenmalige
kosten met betrekking tot toegang tot de aansluitlijn' OPTA, 2 oktober 2000.
3 Vzr. Rb. Rotterdam 17 juli 2003, zaaknr. VTELEC 03/1400-HRK, LJN-nr. AI0514.
telecommunicatienetwerken. Aldus wordt gewaarborgd dat eindge-
bruikers die gebruik maken van verschillende netwerken over en weer
met elkaar kunnen communiceren. Indien aanbieders er niet in slagen
omtrent de interconnectie overeenstemming te bereiken, is OPTA op
grond van artikel 6.3 lid 1 Tw bevoegd om op verzoek van een van hen
de regels vast te stellen die tussen hen zullen gelden. Op aanbieders
met aanmerkelijke marktmacht rusten daarenboven extra verplich-
tingen inzake onder meer non-discriminatie en transparantie. Deze
asymmetrische verplichtingen dienen ertoe om de ongelijkheid die
bestaat tussen de
incumbent en de nieuwkomers op de markt weg te
nemen. Een aanbieder met aanmerkelijke marktmacht mag in begin-
sel geen onderscheid maken tussen onder meer de diensten die zij aan
zichzelf en haar dochtermaatschappijen levert en de diensten die zij
aan aanbieders levert. De tarieven dienen transparant te worden vast-
gesteld en op kosten te zijn georiënteerd. Voorts dient een aanbieder
met aanmerkelijke marktmacht te voldoen aan redelijke verzoeken
tot bijzondere toegang. KPN is een aanbieder van een vast openbaar
telefoonnetwerk met aanmerkelijke marktmacht.
4
Reeds eerder besloot OPTA dat KPN bitstroomtoegang moest aanbie-
den aan internet service providers.
5
Deze vorm van bitstroomtoegang
zag echter op bitstroomtoegang ten behoeve van zakelijke eindge-
bruikers, terwijl Tiscali KPN verzocht haar een aanbod te doen voor
bitstroomtoegang ten behoeve van consumenten. KPN heeft tegen
laatstgenoemd besluit van OPTA geen verzoek om een voorlopige
voorziening ingediend bij de Rechtbank te Rotterdam. Een aanbod
voor bitstroomtoegang werd door KPN zij het onder protest op
haar website gepubliceerd, (
www.kpn-wholesale.com/). Dit aanbod
bevat echter geen aanbod voor bitstroomtoegang ten behoeve van
consumenten als eindgebruikers zoals door Tiscali aan KPN ver-
zocht. De daaropvolgende onderhandelingen tussen Tiscali en KPN
naar aanleiding van het verzoek leidden niet tot overeenstemming.
Een procedure bij OPTA volgde. Aldus zag OPTA zich opnieuw
genoodzaakt een besluit te nemen over bitstroomtoegang.
Besluit Tiscali /KPN
In het besluit van OPTA inzake het geschil tussen KPN en Tiscali, kwa-
lificeert OPTA de door Tiscali gevorderde bitstroomtoegang als bijzon-
dere toegang in de zin van artikel 6.9 Tw. KPN levert zichzelf bit-
stroomtoegang in de vorm van
ADSL van KPN. OPTA constateert dat de
non-discriminatieverplichting ex artikel 6.5 Tw op grond van artikel
6.9 lid 2 Tw ook van toepassing is op bijzondere toegang. Aangezien
KPN zichzelf bijzondere toegang in de vorm van
ADSL van KPN levert,
dient KPN deze dienst voor zover zij deze ook aan zichzelf levert
aldus ook aan Tiscali te leveren. OPTA concludeert dat met het feit dat
KPN de bijzondere toegangsdienst aan zichzelf levert, de redelijkheid
van het verzoek van Tiscali gegeven is. Zij overweegt ook dat de bit-
stroomtoegang noodzakelijk is voor het verlenen van diensten aan de
eindgebruikers en een afwijzing van het verzoek de concurrentie aldus
beperkt. OPTA verplicht KPN om binnen drie weken een aanbod te
doen aan Tiscali voor bitstroomtoegang inclusief de functionaliteiten
die KPN zichzelf levert. In afwachting van de tarieven die OPTA op 1
oktober 2003 zal vaststellen op grond van de EDC-systematiek, bepaalt
OPTA tevens de tarieven die KPN in haar aanbod moest hanteren.
Uitspraak voorzieningenrechter
Aan de uitspraak lagen onder meer de navolgende twee redeneringen
ten grondslag. Allereerst overwoog de voorzieningenrechter in
navolging van KPN dat de aanwijzing van KPN als partij met aan-
merkelijke marktmacht betrekking heeft op de markt voor het aanbie-
den van vaste openbare telefoonnetwerken en dat OPTA derhalve
slechts de bevoegdheid toekomt tot het nemen van een besluit
omtrent bijzondere toegang tot een telefoonnetwerk. Vervolgens
overwoog de voorzieningenrechter dat, aangezien het netwerk dat
wordt gebruikt voor het transport van data, tevens elementen
gebruikt waarlangs niet tevens spraakverkeer wordt getransporteerd,
er geen verplichting bestaat om toegang tot dit netwerk te verlenen.
Bijzondere toegang
KPN beargumenteerde, daarin door de voorzieningenrechter gevolgd,
dat aangezien de precieze reikwijdte van de verplichting niet uit de
tekst van artikel 6.9 Tw volgt, de verplichting om bijzondere toegang
te verlenen beperkt is tot die markten waarop KPN op grond van arti-
kel 6.4 Tw is aangewezen, te weten de markt voor het aanbieden van
vaste openbare telefoonnetwerken. Aldus beperkte de voorzieningen-
rechter de omvang van de verplichting om bijzondere toegang te ver-
lenen in die zin, dat die alleen betrekking kan hebben op toegang tot
het vaste openbare telefoonnetwerk. Dat roept de vraag op wat onder
een vast openbaar telefoonnetwerk dient te worden verstaan.
Een vast openbaar telefoonnetwerk wordt in artikel 1.1, onder l gede-
finieerd als `de elementen van een openbaar telecommunicatienet-
werk die geheel of gedeeltelijk worden gebruikt voor de levering van
de vaste openbare telefoondienst'. Een vaste openbare telefoondienst
wordt op grond van artikel 1.1, onder k, Tw, op zijn beurt gedefinieerd
als `openbare telecommunicatiedienst die bestaat in de directe over-
dracht en routering van
spraak van en naar netwerkaansluitpunten op
vaste locaties van een telecommunicatie-netwerk waarvan iedere
gebruiker van op een dergelijk netwerkaansluitpunt aangesloten
apparatuur gebruik kan maken om met een ander netwerkaansluit-
punt te communiceren' (cursivering DS). Deze definitie verwijst niet
tevens naar het transport van data en kan derhalve aanleiding zijn
geweest voor de voorzieningenrechter om netwerken die uitsluitend
voor het transport van data worden aangewend niet tevens aan te
merken als vast openbaar telefoonnetwerk in de zin van de Tw. Dit
werd door de voorzieningenrechter echter niet inzichtelijk gemaakt.
De voorzieningenrechter overwoog namelijk dat KPN alleen ver-
plicht is toegang te verlenen tot haar openbare vaste telefoonnetwerk
voor zover dit netwerk tevens spraakverkeer transporteert. Hieruit
kan worden afgeleid dat de voorzieningenrechter een netwerk niet
aanmerkt als vast openbaar telefoonnetwerk indien dat netwerk uit-
sluitend dataverkeer transporteert. Aangezien bitstroomtoegang ziet
op het transport van data en naar de mening van KPN en de voor-
zieningenrechter het netwerk dat wordt gebruikt voor bitstroom-
toegang mede bestaat uit elementen die uitsluitend worden gebruikt
voor het transport van datadiensten, is KPN niet verplicht om tot dit
telecommunicatienetwerk toegang te verlenen.
Aldus beperkt de voorzieningenrechter de omvang van de verplich-
tingen om bijzondere toegang te verlenen, door deze verplichting te
koppelen aan de aanwijzing van KPN als partij met aanmerkelijke
marktmacht voor het aanbieden van een vast openbaar telefoonnet-
werk. Dit ten onrechte. De tekst van de Tw biedt hiervoor steun noch
aanleiding. Voor de vraag of sprake is van bijzondere toegang had de
voorzieningrechter dienen aan te knopen bij de definitie in de Tw van
bijzondere toegang, waar het hier immers om gaat. Immers, conform
de systematiek van de Tw is de vraag of KPN als partij met aanmerke-
lijke marktmacht is aangewezen alleen relevant om te bepalen of de
verplichting om op grond van artikel 6.9 bijzondere toegang te verle-
nen van toepassing is. Het is bepaald verdedigbaar dat vervolgens
voor wat betreft de omvang van de verplichting dient te worden aan-
geknoopt bij de definitie van bijzondere toegang zelf, zoals omschre-
ven in de Tw. In artikel 1.1 onder j, Tw, is bijzondere toegang gedefi-
nieerd als `toegang tot een telecommunicatienetwerk op andere
punten dan de netwerkaansluitpunten die aan de meeste gebruikers
worden aangeboden'. Deze definitie geeft derhalve geen aanleiding
om bijzondere toegang te beperken tot het oude vaste telefoonnet-
werk dat geheel op gedeeltelijk wordt gebruikt voor het transport
van spraakverkeer, doch kan ook van toepassing zijn op een netwerk
dat wordt gebruikt voor het transport van dataverkeer.
Non-discriminatie
Daarnaast heeft de voorzieningenrechter nagelaten te onderzoeken
of KPN in strijd handelde met het beginsel van non-discriminatie
door te weigeren om aan Tiscali een aanbod te doen voor bitstroom-
toegang. OPTA betoogde immers dat KPN zichzelf bitstroomtoegang
levert, onder meer in de vorm van
ADSL van KPN. Aangezien de Tw
dient ter implementatie van de Europese richtlijnen, is voor de inter-
pretatie van het beginsel van non-discriminatie op grond van artikel
6.5 van de Tw tevens richtinggevend hetgeen in (latere) Europese
wetgeving en jurisprudentie hieromtrent is bepaald.
Terecht verwijst OPTA in haar besluit dan ook naar artikel 1, lid 3 van
de Verordening inzake ontbundelde toegang tot het aansluitnet-
Mediaforum 2003-11/12
386
Jurisprudentie nr
.5
3
4 Met de inwerkingtreding van de Tw en ook daaropvolgend is de aanwijzing
van KPN als aanbieder van een vaste openbaar telefoonnetwerk, een vaste
openbare telefoondienst en huurlijnen in geheel Nederland met aanmerkelijke
marktmacht in de zin van artikel 6.4, lid 1 en 7.2, lid 1, Tw, gecontinueerd
(OPTA/EGM 2000/202722). Deze aanwijzing heeft de OPTA bij brief van 10
december 2001 gecontinueerd (OPTA/EGM/2001/203016). De OPTA heeft op 16
december 2002 de evaluatie inzake aanmerkelijke marktmacht uitgevoerd, op
grond waarvan is geconcludeerd dat KPN aanmerkelijke marktmacht bezit en
er derhalve geen aanleiding bestaat om de bestaande aanwijzing van KPN niet
in stand te laten (OPTA/EGM/2002/203803).
werk
6
en de daarbij behorende mededeling inzake ontbundelde toe-
gang tot het aansluitnetwerk.
7
Deze verordening vormt, ingevolge
overweging 15, een aanvulling op het `oude' regelgevingskader zoals
vervat in de Europese richtlijnen en is derhalve relevant voor de inter-
pretatie van de (huidige) Tw. Op grond van deze verordening is KPN
verplicht om andere aanbieders toegang te verlenen tot het aansluit-
netwerk, zodat ook andere aanbieders hun diensten rechtstreeks aan
de eindgebruiker kunnen aanbieden, dan wel deze toegangsdienst
aan andere aanbieders kunnen doorverkopen. In artikel 1, lid 3 van de
verordening is voorts het navolgende bepaald:
Deze Verordening doet niet af aan de verplichting voor aangemelde exploi-
tanten die het vaste openbare telefoonnetwerk gebruiken voor het leveren
van snelle toegangs- en transmissiediensten aan derden, om in overeen-
stemming met het niet-discriminatiebeginsel deze diensten te leveren
onder dezelfde voorwaarden als die waaronder zij leveren aan zichzelf of
aan met hen geassocieerde ondernemingen, overeenkomstig de communau-
taire voorschriften.
Tevens wordt in paragraaf 5.3 van de Mededeling inzake ontbundel-
de toegang tot het aansluitnetwerk het navolgende overwogen:
Het Gemeenschapsrecht schrijft geen verplichte levering van snelle bitstre-
amdiensten voor, maar wanneer een gevestigde exploitant DSL bitstream-
diensten levert aan zijn eigen diensten, dochteronderneming of een andere
partij, moet deze exploitant volgens het Gemeenschapsrecht dergelijke vor-
men van toegang onder transparante en niet-discriminerende voorwaar-
den ook aan anderen leveren (richtlijn 98/10/EG, artikel 16, lid 7).
Ook deze mededeling is bepaald van belang voor de interpretatie van
de Spraakrichtlijn II, waarop het huidige artikel 6.5 van de Tw geba-
seerd is.
In artikel 16, lid 7, van Spraakrichtlijn II wordt het navolgende over-
wogen:
De nationale regelgevende instanties zorgen ervoor dat de in lid 1 bedoelde
organisaties met een aanmerkelijke marktmacht op de markt het non-dis-
criminatiebeginsel in acht nemen bij het gebruik van het vaste openbare
telefoonnet, en in het bijzonder het gebruik van enige vorm van bijzondere
netwerktoegang, voor het aanbieden van algemeen beschikbare telecom-
municatiediensten. Deze organisaties passen op organisaties die dezelfde
diensten verrichten onder dezelfde omstandigheden dezelfde voorwaarden
toe en verschaffen faciliteiten voor bijzondere netwerktoegang aan andere
organisaties onder dezelfde voorwaarden en van dezelfde kwaliteit als die
welke zij voor hun eigen diensten of diensten van hun dochterondernemin-
gen of partners bieden.
De hierboven weergegeven bepalingen vormen een sterke aanwijzing
dat de Europese wetgever van mening is dat waar het vaste openbare
telefoonnetwerk tevens wordt gebruikt voor het transport van data-
verkeer, de verplichtingen inzake non-discriminatie op grond van de
Europese richtlijnen ook op deze diensten van toepassing zijn en der-
halve niet alleen op het transport van spraakverkeer. Dit is ook in lijn
met de doelstelling van het ONP-regelgevingskader, dat er immers
op is gericht om de oude telefoonnetwerken open te stellen voor
andere marktpartijen die alsdan via deze telefoonnetwerken dien-
sten, waaronder breedbandige internettoegangsdiensten, kunnen
aanbieden aan de eindgebruikers. Wanneer KPN zichzelf bijzondere
toegang verschaft dient zij aldus de Europese wetgever deze op
grond van het non-discriminatiebeginsel onder dezelfde voorwaar-
den aan derden te bieden. Dit brengt met zich mee dat KPN op grond
van artikel 6.5 Tw gehouden is om de bijzondere toegangsdiensten
die zij zichzelf levert, ook aan derden te leveren. De voorzieningen-
rechter heeft dan ook ten onrechte nagelaten te onderzoeken of de
bitstroomtoegang waarom Tiscali verzocht, gelijk is aan de bit-
stroomtoegangsdienst die KPN zichzelf levert.
Redelijkheid
Dit roept nog de vraag op, of de voorzieningenrechter bij dit onder-
zoek nog had dienen te beoordelen of een verzoek om bitstroomtoe-
gang op grond van non-discriminatie ook redelijk dient te zijn en zo
ja, wat het begrip `redelijkheid' inhoudt. In artikel 16, lid 7 van
Spraakrichtlijn II wordt niet naar het begrip `redelijkheid' verwezen,
doch wel in artikel 16, lid 1 van Spraakrichtlijn II. In artikel 6.9, lid 2,
Tw wordt artikel 6.5 Tw van overeenkomstige toepassing verklaard.
Ook overigens is verdedigbaar dat een verzoek om bijzondere toe-
gang, ook wanneer dit is gebaseerd op het beginsel van non-discrimi-
natie, redelijk dient te zijn. Dit impliceert dat aldus wel dient te wor-
den beoordeeld of een verzoek om toegang op grond van
non-discriminatie redelijk is. Dan rijst de volgende vraag, namelijk
wat het begrip `redelijkheid' inhoudt. In artikel 16, lid 1 van de
Spraakrichtlijn II is bepaald dat een verzoek om toegang alleen kan
worden beperkt indien er technische en economisch levensvatbare
alternatieven voor de gevraagde bijzondere toegang voorhanden zijn
en wanneer de gevraagde toegang niet in een redelijke verhouding
staat tot de beschikbare middelen om aan het verzoek te voldoen. In
artikel 3, lid 2 van de Verordening inzake ontbundelde toegang tot
het aansluitnetwerk is bepaald dat een verzoek alleen kan worden
afgewezen op grond van objectieve criteria die betrekking hebben op
de technische haalbaarheid of de noodzaak om de integriteit van het
netwerk te handhaven. Indien en voor zover een verzoek om bijzon-
dere toegang op grond van het non-discriminatiebeginsel aan de
redelijkheid dient te worden getoetst, beperkt deze toets zich aldus
tot objectieve criteria met betrekking tot de netwerkintegriteit.
Besluit op bezwaar
Inmiddels heeft OPTA op haar website het besluit op bezwaar gepubli-
ceerd.
8
In het besluit op bezwaar wordt het besluit in primo grotendeels
gehandhaafd. OPTA houdt vast aan haar stelling dat bitstroomtoegang
moet worden aangemerkt als bijzondere toegang tot het openbare tele-
foonnetwerk omdat, kort gezegd, bitstroom een dienst is waarvoor van
het telefoonnetwerk van KPN gebruikt moet worden gemaakt. Daartoe
voert OPTA onder meer aan dat essentiële elementen voor de dienst bit-
stroom, zoals het aansluitnet en het universele digitale transportnet-
werk van KPN, in fysieke zin worden gebruikt voor spraakdiensten en
aldus deel uitmaken van het telefoonnetwerk. Omdat deze elementen
onmisbaar zijn, merkt OPTA de dienst bitstroom als geheel aan als een
dienst waarvoor toegang tot het telefoonnetwerk noodzakelijk is. Daar-
naast beroept OPTA zich op een meer teleologische interpretatie van de
Tw, waaronder het non-discriminatiebeginsel.
Alhoewel feitelijk juist is dat genoemde elementen van het telefoon-
netwerk onmisbaar zijn voor de dienst bitstroomtoegang, is daarmee
de juridische vraag of de omvang van de verplichtingen om bijzonde-
re toegang te verlenen dient te worden gekoppeld aan de aanwijzing
van KPN als partij met aanmerkelijke marktmacht voor het aanbie-
den van een vast openbaar telefoonnetwerk, echter niet beantwoord.
Biedt het nieuwe ONP-regelgevingskader uitkomst?
De uitspraak van de voorzieningenrechter is in lijn met eerdere juris-
prudentie waarin de bevoegdheden van OPTA beperkt worden uitge-
legd. Verwezen zij in dit verband naar onder meer de uitspraak van de
rechtbank te Rotterdam inzake het geschil tussen O
2
, KPN en OPTA.
9
Het is weinig hoopgevend voor de uiteindelijke uitkomst van de admi-
nistratieve procedure die Tiscali en KPN zullen moeten uitvechten. Dit
roept de vraag op, of er meer verwacht kan worden van het nieuwe ONP-
regelgevingskader. In het nieuwe ONP-regelgevingskader wordt geen
onderscheid meer gemaakt tussen typen netwerken en evenmin tussen
transport van spraak- en dataverkeer. Het is van toepassing op alle elek-
tronische communicatienetwerken en -diensten. Op grond van de Euro-
pese richtlijnen dient de relevante markt en de positie van KPN en/of
andere marktpartijen op deze markt te worden afgebakend overeen-
komstig het algemene mededingingsrecht. Het begrip aanmerkelijke
marktmacht zal nagenoeg samenvallen met het begrip economische
machtspositie op grond van artikel 82 EG-verdrag. Indien er een markt-
partij aanmerkelijke marktmacht bezit, dan volgt opnieuw een aanwij-
zing op grond waarvan sector-specifieke verplichtingen, waaronder het
verlenen van toegang, aan deze marktpartij kunnen worden opgelegd.
10
De sector-specifieke verplichtingen op grond van het nieuwe ONP-
regelgevingskader zijn derhalve alleen van toepassing indien het net-
werk waartoe men toegang wenst te verkrijgen deel uitmaakt van de
Mediaforum 2003-11/12
387
Jurisprudentie nr
.5
3
5 OPTA/IBT/2002/202894, 20 september 2002 en het besluit op bezwaar d.d. 4
maart 2003, geen kenmerk.
6 Verordening nr. 2337/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 18
december 2000,
PbEG L336/4.
7 Mededeling van de Commissie van 23 september 2002,
PbEG C 272.
8 OPTA, beslissing op bezwaar, JB03036, OPTA/JUZ/2003/202984.
9 Vzr. Rb. Rotterdam 25 april 2003,
Mediaforum 2003, nr. 41 m.nt. A.T. Ottow.
10 Het wetsvoorstel waarin het nieuw ONP-regelgevingskader door middel van
een herziening van de huidige Tw wordt geïmplementeerd, is op 15 april bij de
Tweede Kamer ingediend, TK 2002, 28 851, nr. 1-2, `Wijziging van o.a. Tw in
verband met implementatie Europese regelgeving voor elektronische commu-
nicatienetwerken; Voorstel van Wet,' inmiddels gevorderd tot 28 851, nr. 13.
relevante markt en de exploitant van het netwerk waartoe men toe-
gang wenst te verkrijgen op die markt aanmerkelijke marktmacht
bezit. Aldus is de analyse van de relevante markt en de positie van par-
tijen op die markt van cruciaal belang. Daarbij zal ongetwijfeld de
vraag spelen of de relevante markt uitsluitend bestaat uit het (tele-
foon)netwerk van KPN voor het transport van dataverkeer, of dat de
kabelnetwerken en andere breedbandige netwerken voor het transport
van dataverkeer als substituten van het telefoonnetwerk moeten wor-
den aangemerkt en aldus deel uitmaken van dezelfde relevante pro-
ductmarkt. De NMa lijkt de laatste mening te zijn toegedaan.
11
Voorals-
nog waren kabelnetwerkexploitanten niet verplicht om aan internet
service providers toegang te verlenen tot hun netwerk. OPTA heeft op
grond van de wijziging van de Tw ten aanzien van de kabelnetwerken
en in ieder geval na implementatie van het nieuwe ONP-regelgevings-
kader, echter tevens de bevoegdheid om de exploitanten van kabelnet-
werken op te dragen aan internet service providers toegang tot het net-
werk te verlenen.
12
OPTA zal in haar marktanalyse derhalve opnieuw
moeten afwegen of het telefoonnetwerk en de kabelnetwerken en
ook overige breedbandige netwerken, deel uitmaken van dezelfde pro-
ductmarkt.
De Europese Commissie heeft zich in haar aanbeveling betreffende
relevante producten- en dienstenmarkten in de elektronische com-
municatiesector reeds uitgelaten over deze markt.
13
De aanbeveling is
erop gericht te bewerkstelligen dat de nationale regelgevende instan-
ties, in Nederland OPTA, bij het vaststellen van de relevante markten
op grond van artikel 15, lid 3, van de Kaderrichtlijn, de producten- en
dienstenmarkten analyseren die in de bijlage bij de aanbeveling wor-
den opgesomd. In dit kader is bijlage nr. 12 `Wholesale-breedbandtoe-
gang' relevant, waarin het navolgende is overwogen:
Deze markt omvat bitstream-toegang waarmee de transmissie van breed-
bandgegevens in beide richtingen mogelijk wordt gemaakt en andere vor-
men van wholesale-toegang die over andere infrastructuren word geleverd,
voor zover zij faciliteiten bieden die equivalent zijn met bitstream-toegang.
Hieronder valt `netwerktoegang en bijzondere netwerktoegang' waarnaar
wordt verwezen in bijlage I, punt 2, van de kaderrichtlijn, maar hij omvat
niet de markt van punt 11, noch de markt van punt 18 (ontbundelde toe-
gang en gespreksopbouw, DS).
Aldus wordt bitstroomtoegang hier als een relevante productmarkt
genoemd. Andere netwerken worden als substituten aangemerkt
voor zover zij faciliteiten bieden die equivalent zijn aan bitstroom-
toegang.
Indien OPTA op grond van haar marktanalyse tot de conclusie komt
dat de markt voor het verlenen van bitstroomtoegang mede het (tele-
foon)netwerk en de kabelnetwerken omvat, is de kans aanwezig dat
geen van de exploitanten van deze netwerken een economische
machtspositie innemen. In dit scenario komen de internet service
providers er bekaaid vanaf: op grond van het huidige regelgevingska-
der moet KPN geacht worden over aanmerkelijke marktmacht te
beschikken, doch is de rechtbank te Rotterdam van mening dat de
bevoegdheden van OPTA niet van toepassing zijn op netwerken
waarlang data wordt getransporteerd. Op grond van het nieuwe
regelgevingkader zien de bevoegdheden van OPTA weliswaar tevens
op het transport van data via telecommunicatienetwerken, doch
moet KPN mogelijk geacht worden niet over een economische
machtspositie te beschikken. Alsdan biedt zowel het huidige als het
nieuwe ONP-regelgevingskader geen mogelijkheden voor internet
service providers om toegang tot het netwerk van KNP af te dwingen.
Mediaforum 2003-11/12
388
Jurisprudentie nr
.5
3
11 Rapportage Internettoegang, NMa/OPTA Internetteam, 14 december 2001 en
besluit inzake Liberty Media en Casema, Zaaknr. 3052/150, 6 november 2002.
12 Zie hieromtrent ook R.D. Chavannes, `Het wetsvoorstel Toegang tot de kabel
de Kamer gehoord of de kir tot wet?',
Computerrecht 2002/5, p. 273.
13 Aanbeveling van de Commissie, 11 februari 2003, C/497,
PbEG L114/45
Mediaforum 2003 - 10
10
oktober 2003
vijftiende jaargang
Het Wob-dossier van de kabinets-
formatie
Wouter Hins
Elektronische gedragscodes:
een voorbeeld uit de praktijk
Leonie Siemerink
Reactie op `Het Wassenaarse fotogra-
fieverbod'
Dylan Griffiths
Naschrift
Jit Peters
Jurisprudentie 44-50
Nr. 44 EHRM 10 juli 2003, Murphy vs. Ierland
m.nt. A.J. Nieuwenhuis · Nr. 45 Hof Den Haag
4 september 2003, Scientology vs. Karin
Spaink en Providers m.nt. D.J.G.Visser · Nr.
46 Vzr. Rb. Den Haag 4 juli 2003, Kranenburg
vs. Minister van Algemene Zaken m.nt. A.W.
Hins · Nr. 47 Vzr. Rb. Den Haag 4 juli 2003,
Kranenburg vs. Minister van Algemene Zaken
m.nt. A.W. Hins · Nr. 48 Vzr. Rb. Den Haag 16
juli 2003, Kranenburg vs. Minister van Econo-
mische Zaken m.nt. A.W. Hins · Nr. 49 ABRvS
23 juli 2003, CvdM vs. IJmond TV m.nt. J. van
den Beukel · Nr. 50 CBB 28 mei 2003, OPTA
vs.Versatel en KPN m.nt. K.J.M. Mortelmans
Mediaforum is een uitgave van de Vereniging voor Media- en
Communicatierecht (vmc), en verschijnt tien maal per jaar.
Bestuur vmc: Prof. mr. J.J.C. Kabel (voorzitter), Dr. N.A.N.M.
van Eijk (vice-voorzitter), Mr. J.J. Feenstra (penningmeester),
Mr. C. van Boxtel (secretaris), Mr. C.E. Drion, Mr. J.F. Haeck,
Mr. F. Kuitenbrouwer en Mr. H.M.C. Zeinstra.
www.communicatierecht.nl
Mediaforum wordt in opdracht van de vmc uitgegeven
door Otto Cramwinckel Uitgever.
Citeertitel:
Mediaforum (bijv.: Mediaforum 2003-10,
p. 280-287; bij jurisprudentie Mediaforum 2003-10 nr. 43)
issn:
0924 - 5057
Redactie
Mr. J. van den Beukel, Mr. R.D. Chavannes, Mr. M.J. Geus,
Mr. A.W. Hins, Mr. G.J. Kemper (voorzitter), Prof. mr. K.J.M.
Mortelmans, Mr. A.J. Nieuwenhuis, Mr. A.T. Ottow, Prof. mr.
H.J. de Ru, en Mr. C.J. Flentrop-Turner (eindredactie).
Correspondent België
Prof. dr. D. Voorhoof
Redactiesecretariaat
Voor inlichtingen over het aanleveren van kopij en
andere redactionele aangelegenheden kan contact op-
genomen worden met Mr. C. J. Flentrop-Turner, Univer-
siteit van Amsterdam, Instituut voor Informatierecht,
Rokin 84, 1012 kx Amsterdam, fax: 020-525 3033, e-mail:
flentropAjur.uva.nl
Opmaak
De Elementen vof, Amsterdam
Abonnementen & Lidmaatschap
Abonnementen worden per jaargang (januari-december)
afgesloten. Facturering vindt plaats jaarlijks in het eerste
kwartaal. Opzegging dient te geschieden uiterlijk op
1 december van het lopende abonnementsjaar, bij
niet-tijdige opzegging wordt het abonnement automa-
tisch voortgezet.
Leden vmc: Abonnement inbegrepen bij het lidmaat-
schap.
Kosten lidmaatschap inclusief
abonnement
69,50 per lid per kalenderjaar (studenten 34,50;
rechtspersoon
140,). Opzegging uiterlijk 1 december.
Aanmelding, opzegging, adres- of naamswijziging van
leden schriftelijk of per e-mail opgeven bij: Admini-
stratiekantoor Van Eijk, Vlasstraat 11, 5712 RP Someren,
e-mail: adm.eijkAwxs.nl
Niet-leden:
95, per kalenderjaar. Opgave nieuw abon-
nement, opzegging (uiterlijk 1 december), adreswijzi-
ging e.d. schriftelijk bij Otto Cramwinckel Uitgever,
Herengracht 416, 1017 bz Amsterdam, tel: 020-627 6609,
fax: 020-638 3817, e-mail: infoAcram.nl
Losse nummers: verkrijgbaar bij de gespecialiseerde
boekhandel, of te bestellen bij Otto Cramwinckel
Uitgever
, Herengracht 416, 1017 bz Amsterdam; prijs
8,85.
Het verlenen van toestemming tot publicatie in dit tijdschrift
strekt zich tevens uit tot het in enige vorm elektronisch
beschikbaar stellen.
© 2003 Vereniging voor Media- en Communicatierecht
Mediaforum
Tijdschrift voor Media-
en Communicatierecht
Twaalfde jaargang, nummer 1 Januari 2000
Vijftiende jaargang
nummer 10
oktober 2003
Inhoud
317 Opinie
Het Wob-dossier van de kabinetsformatie
Wouter Hins
318 Artikel
Elektronische gedragscodes: een voorbeeld
uit de praktijk
Leonie Siemerink
324 Artikel
Reactie op `Het Wassenaarse fotografie-
verbod'
Dylan Griffiths
Naschrift
Jit Peters
326 Documentatie
Rechtspraak
Binnenland
Agenda
Jurisprudentie
332 Nr. 44 EHRM 10 juli 2003, Murphy vs. Ierland
m.nt.A.J. Nieuwenhuis
337 Nr. 45 Hof Den Haag 4 september 2003, Scien-
tology vs. Karin Spaink en Providers m.nt. D.J.G.
Visser
343 Nr. 46 Vzr. Rb. Den Haag 4 juli 2003, Kranen-
burg vs. Minister van Algemene Zaken m.nt.
A.W. Hins
345 Nr. 47 Vzr. Rb. Den Haag 4 juli 2003, Kranen-
burg vs. Minister van Algemene Zaken m.nt.
A.W. Hins
347 Nr. 48 Vzr. Rb. Den Haag 16 juli 2003, Kranen-
burg vs. Minister van Economische Zaken m.nt.
A.W. Hins
349 Nr. 49 ABRvS 23 juli 2003, CvdM vs. IJmond TV
m.nt. J. van den Beukel
351 351 Nr. 50 CBB 28 mei 2003, OPTA vs.Versatel
en KPN m.nt. K.J.M. Mortelmans
Verkrijgbaar via de boekhandel of rechtstreeks bij:
Otto Cramwinckel Uitgever
Herengracht 416,
1017 BZ Amsterdam,
T 020-627 6609 · F 020-638 3817,
e-mail: info@cram.nl, of te bestellen via www.cram.nl
Verschenen op 11 september
GEEN BEELDEN
GEEN NIEUWS
Beeldbeperkingen in oud en nieuw auteursrecht
Marcel de Zwaan
`Niet sinds de moord op John F. Kennedy in 1963 heeft een gebeur-
tenis de media wereldwijd zo gedomineerd als de terreuraanslagen
van 11 september 2001. Behalve de ernst van het nieuws speelde
daarbij ook de beschikbaarheid van beeldmateriaal een rol. Omdat
de aanslagen plaats hadden op een stralende ochtend in een stad
waar veel journalisten wonen behoren ze tot de best gedocumen-
teerde ooit. De aanslag op het Pentagon waarvan geen `live'-beeld-
materiaal beschikbaar is, staat al veel minder in het geheugen
gegrift.' (NRC 11 september 2002)
Geen beelden geen nieuws: waarvan geen beelden bestaan is niet
gebeurd; de nieuwswaarde van een gebeurtenis daalt wanneer er
geen beelden van zijn. Foto's, video's en filmbeelden leveren
bovendien het bewijs. Vanuit dat besef was het ook dat het Ameri-
kaanse leger in de meest recente Golfoorlog het fenomeen van de
embedded journalists introduceerde en in een later stadium de
beelden van de gesneuvelde zonen van Saddam zo welbewust
verspreidde. De `beelduitingsvrijheid' is in de nieuwsvoorziening
van onschatbaar belang.
Niet alleen de privacybescherming, maar ook het auteursrecht
stelt grenzen aan de vrijheid om beelden te maken en over te
nemen. In de ruimte die het auteursrecht biedt aan de uitings-
vrijheid worden woord en beeld niet gelijk behandeld. Waar bijvoor-
beeld weinigen twijfelen aan de vrijheid een tekst aan te mogen
halen, slaat de schrik om het hart wanneer men een beeld wil cite-
ren. In het kader van de nieuwsvoorziening mogen de media op
grond van een andere beperking van het auteursrecht nieuwsbe-
richten van elkaar overnemen, maar foto's: no-way.
Wat is het essentiële verschil tussen beeld en woord? En waarom
valt nieuws buiten het auteursrecht, maar nieuwsfoto's niet?
Waarom kapitale bedragen betalen voor beelden die gratis mogen
worden overgenomen? Waarom is voor een foto op de cover bijna
altijd toestemming vereist? Uit wat voor programma's mag je over-
nemen en hoeveel precies? Mogen zonder toestemming ook
archiefbeelden worden gebruikt in een actuele reportage? Waarom
kan het beeld niet door het woord worden vervangen en omge-
keerd? Waarom stelt de Auteurswet soms andere eisen aan het
mogen overnemen van beelden dan aan het overnemen van tek-
sten? Waarom trekt de praktijk zich weinig tot niets aan van het
bestaan van de wettelijke beperkingen?
Dit zijn vragen die Marcel de Zwaan in dit boek wil beantwoorden.
Hij doet dat aan de hand van heel veel boeiende voorbeelden. Wie
kreeg De Telegraaf en SBS zo ver heel veel geld te betalen voor
beelden van een dansende, mogelijk licht beschonken Maxima,
beelden die ze gewoon gratis hadden mogen gebruiken? En waar-
om betaalden de media 20.000 dollar per minuut Bin Laden aan Al
Jazeera voor het exclusieve beeldmateriaal, terwijl de Arabische
nieuwszender de video's waarschijnlijk voor niets kreeg toege-
speeld? Veel aandacht krijgt de vernieuwing van de Auteurswet
die najaar 2003 in de Tweede Kamer wordt behandeld. Als deze
wet wordt aanvaard is het in de reclame, de kunst , de entertain-
ment en de nieuwsvoorziening in ieder geval gemakkelijker beeld-
materiaal te vervaardigen en over te nemen.
ISBN 9075727844, 212 pagina's ing.
Prijs
27,50 (incl btw, excl verzendkosten)
zoekt voor haar telecompraktijk een
ADVOCAAT OF TELECOMJURIST
(m/v)
met minstens 5 jaar werkervaring
voor het opzetten en uitbouwen van een sectie telecommunicatierecht.
Van de kandidaat wordt verwacht dat hij, naast het bundelen en aansturen van de bestaande praktijk
van het kantoor in het telecommunicatierecht en aanverwante rechtsgebieden, een uitdaging ziet in
het uitbouwen van de nationale en internationale praktijk op dit gebied.
Goede commerciële vaardigheden zijn daarbij zeer relevant. Aantoonbare ervaring en/of belangstelling
voor het telecommunicatierecht, mededingingsrecht en/of de rechtspraktijk in de telecombranche
strekken tot aanbeveling.
CMS Derks Star Busmann is één van de grootste juridische dienstverleners in Nederland en maakt
deel uit van CMS Transnational Legal Services. De intensieve samenwerking met de andere Europese
CMS-kantoren maakt versterking van de telecompraktijk in Nederland tegelijk kansrijk en noodzakelijk.
Hiervoor is dan ook alle noodzakelijke ondersteuning, coaching en zonodig opleiding beschikbaar.
De kandidaat opereert in nauwe samenwerking met de sectie Informatietechnologie/IE en zal
werkzaam zijn in het kantoor te Utrecht of te Amsterdam.
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met mr H. Struik, tel. 030-2121631,
e-mail: h.struik@cmsderks.nl.
Uw sollicitatiebrief met uitgebreid c.v. kunt u zenden aan
de heer P.H. Porcelijn
hoofd Personeel & Organisatie
Postbus 85250
3508 AG Utrecht
e-mail: p.porcelijn@cmsderks.nl
Mediaforum 2003-10
317
Het Wob-dossier van de
kabinetsformatie
Opinie
Wouter Hins*
N
RC Handelsblad heeft een reputatie op te houden als
het gaat om het onthullen van documenten uit een
kabinetsformatie. Zowel in 1982 als in 1986 wist de
krant belangrijke successen te boeken in procedures op grond
van de Wob.
1
Tegenstander was meestal de minister van Alge-
mene Zaken, die als voormalig formateur en minister-presi-
dent het formatiedossier bewaart. Wat betreft de vorming van
het kabinet Lubbers II in 1986 wist
NRC Handelsblad onder meer
de volgende stukken te bemachtigen: ongeveer 200 amende-
menten van de fracties van CDA en VVD op het concept-regeer-
akkoord, berekeningen van het Centraal Plan Bureau en tal van
ambtelijke analyses. Men zou dus kunnen denken dat de voor-
tekenen gunstig waren toen de chef van de Haagse
NRC-redac-
tie, M. Kranenburg, dit jaar een Wob-verzoek indiende om
informatie te krijgen over de vorming van het kabinet-Balke-
nende II. Kranenburg vroeg om stukken uit zowel de informa-
tie Donner en Leijnse (onderhandelingen CDA en PvdA) als de
informatie Hoekstra en Korthals Altes (onderhandelingen
CDA, VVD en D66). De stukken zijn echter geweigerd en een
viertal procedures bij de voorzieningenrechter van de Haagse
rechtbank heeft daar geen verandering in gebracht.
Vreemd is dat de vier uitspraken tot op heden niet zijn gepu-
bliceerd op www.rechtspraak.nl, terwijl ze interessant genoeg
zijn.
2
Belangrijk zijn bijvoorbeeld twee uitspraken van 4 juli
2003, waaruit blijkt dat de minister van Algemene Zaken de
stelling betrok: `ik kan de gevraagde stukken niet geven, want
ik heb ze gewoon niet'. Om wat voor een soort documenten
ging het? Enerzijds om doorrekeningen van het Centraal Plan
Bureau ten behoeve van de informatie Donner en Leijnse en
anderzijds om amendementen die de fracties van CDA, VVD en
D66 op 15 mei 2003 indienden op het ontwerp-regeerakkoord.
Hetzelfde soort stukken als die welke in 1986 werden verkre-
gen! Kennelijk hebben de kabinetsinformateurs Donner en
Leijnse, resp. Hoekstra en Korthals Altes, na afloop van hun
werkzaamheden de dossiers niet in hun geheel overgedragen
aan de minister van Algemene Zaken. De voorzieningenrech-
ter heeft daar begrip voor. Hij overwoog:
De voorzieningenrechter is hierbij tot de overtuiging gekomen
dat (in)formateurs geen bestuursorgaan zijn die onder enige
ministeriële verantwoordelijkheid vallen. Zij zijn zelf verant-
woordelijk voor de samenstelling van het door hen over te dragen
(in)formatiedossier. Voorts bestaat er geen hiërarchische relatie
tussen verweerder en de (in)formateurs. Verweerder kan de (in)for-
mateurs derhalve niet opdragen bepaalde stukken aan het dossier
toe te voegen.
Van alle manieren om Wob-aanspraken af te weren is het niet
bewaren van een document de meest drastische. Volgens arti-
kel 1, aanhef en onder a, van de Wob kan een verzoek om infor-
matie alleen worden ingediend als een document bij een
bestuursorgaan `berust'. Sedert de uitspraak ARRvS 5 decem-
ber 1986,
AB 1987, 525, staat vast dat `berusten' feitelijk moet
worden uitgelegd. In deze procedure had de minister van
Algemene Zaken tevergeefs het verweer gevoerd dat hij de
documenten van de kabinetsformatie slechts toevallig op zijn
departement bewaarde. Een jaar later vond de parlementaire
behandeling plaats van het wetsvoorstel dat zou leiden tot de
huidige Wob. Er werd nog wat nagekaart over de nederlaag bij
de Afdeling. In de Memorie van Antwoord suggereerde pre-
mier Lubbers dat kabinets(in)formateurs in de toekomst maar
wat terughoudender moesten worden met het opnemen van
stukken in het dossier. De minister van Algemene Zaken zou
alleen een `kerndossier' moeten ontvangen, dat niet meer
stukken bevat `dan noodzakelijk is voor de politieke verant-
woording die de optredende minister-president voor het for-
matieverloop in de Tweede Kamer aflegt'.
3
Deze tactische tip van premier Lubbers is in 2003 opgevolgd.
Documenten uit de `mislukte' informatie van Donner en Leijn-
se zijn maar voor een klein gedeelte op het ministerie van Alge-
mene Zaken terecht gekomen en documenten uit de `geslaag-
de' informatie van Hoekstra en Korthals Altes in ieder geval
onvolledig. Vanuit een oogpunt van ministeriële verantwoor-
delijkheid is dat verklaarbaar. In de praktijk legt een nieuwe
minister-president alleen verantwoording af voor zijn eigen
optreden als formateur en voor het overnemen van die resulta-
ten van voorgaande formatieperiodes die deel uitmaken van
de grondslag van zijn kabinet.
4
Vanuit een oogpunt van open-
baarheid van bestuur is het weglaten van informatie echter
bedenkelijk. Later kan immers blijken dat ook de verdwenen
stukken wel degelijk relevant waren. Zij zijn dan verspreid
over allerlei privé-archieven, secretariaten van Kamerfracties
of misschien zelfs vernietigd. Toekomstige historici zullen
zich over deze werkwijze nog gaan verbijten. En dat allemaal
om te voorkomen dat nieuwsgierige burgers zich wellicht met
succes kunnen beroepen op de Wob? Waarom zou iemand die
gelijk heeft, geen gelijk mogen krijgen?
Bovendien kent de Wob genoeg middelen om tot geheimhou-
ding te besluiten. De Haagse voorzieningenrechter overwoog op
16 juli 2003 dat een document voor de kabinets(in)formatie niet
is opgesteld ten behoeve van bestuurlijke besluitvorming, maar
ten behoeve van een politiek proces. Daardoor zou geen sprake
zijn van een `bestuurlijke aangelegenheid' als bedoeld in artikel
3 van de Wob. Mij lijkt dit onderscheid erg gekunsteld, maar
artikel 10 Wob biedt een prima mogelijkheid om het belang van
openbaarheid af te wegen tegen andere belangen (zie o.a. het
tweede lid onder g). Wat vandaag nodig is ter bescherming van
de vertrouwelijkheid van onderhandelingen, is dat volgend jaar
of over tien jaar misschien niet meer. Wanneer houdt die
koudwatervrees voor openbaarheid toch eens op? Zo erg waren
de gevolgen in 1986 toch niet?
*
Mr. A.W. Hins is verbonden aan de leerstoelgroep Staats- en Bestuursrecht van de
UvA. Hij is tevens redacteur van dit blad.
1
Zie o.a. ARRvS 27 juli 1982,
AB 1983, 126 m.nt. H. J. de Ru en ARRvS 5 december
1986,
AB 1987, 525 m.nt. H. J. de Ru.
2 Drie van de vier uitspraken zijn integraal afgedrukt in deze aflevering van
Mediaforum. Niet afgedrukt is Vzr. Rb. 's-Gravenhage 4 juli 2003, M. Kranen-
burg vs. minister AZ (reg.nr. AWB 03/2425 en 03/2426 WOB). De inhoud van
deze vierde uitspraak wordt kort beschreven in de noot onder Vzr. Rb. 's-Gra-
venhage 16 juli 2003.
3
Kamerstukken II, 1987-1988, 19859, nr. 6, p. 17 (MvA). Zie ook Kamerstukken II,
1988-1989, 19 859, nr. 9, p. 11-12 (Nota n.a.v. Eindverslag).
4 Aldus het rapport van de Staatscommissie Relatie kiezers-beleidsvorming
(staatscommissie-Biesheuvel) uit 1984, par. 2.7.
Mediaforum 2003-10
318
Inleiding
In het Nederlandse wetsvoorstel Aanpassingswet e-com-
merce
1
wordt in artikel 6:227b lid 1 sub e BW het volgende over
gedragscodes bepaald:
Voordat een overeenkomst langs elektronische weg tot stand komt
verstrekt degene die een dienst van de informatiemaatschappij
verleent als bedoeld in artikel 3:15d lid 3 BW de wederpartij ten
minste op duidelijke, begrijpelijke en ondubbelzinnige wijze
informatie over de gedragscodes waaraan hij zich heeft onderwor-
pen en de wijze waarop deze gedragscodes voor de wederpartij
langs elektronische weg te raadplegen zijn.
Gedurende de tijd dat de dienstverlener deze informatie niet
heeft verstrekt, kan de wederpartij de overeenkomst ontbin-
den.
2
Een Internet Service Provider (hierna: ISP) verleent dien-
sten van de informatiemaatschappij en dient daarom indien
hij zich heeft onderworpen aan gedragscodes daarover zijn
(aspirant-)klanten te informeren en de gedragscodes elektro-
nisch raadpleegbaar te maken. Deze ontwerpbepaling voor het
BW roept een aantal vragen op. Welke juridische status hebben
gedragscodes,
3
wat is hun relatie tot de elektronische overeen-
komst en hoe dient een klant te worden geïnformeerd over
gedragscodes?
De opbouw van deze bijdrage is als volgt. Eerst wordt inge-
gaan op ISP's en ISP-overeenkomsten. Vervolgens komen alge-
mene voorwaarden van ISP's aan de orde. Daarna beschrijf ik
gedragcodes die ISP's hanteren en ga ik in op de juridische sta-
tus van deze gedragscodes en de relatie tot de ISP-overeen-
komst. In de daaropvolgende paragraaf worden de vereisten
van artikel 6:227b lid 1 sub e BW toegepast op de ISP-praktijk
en wordt een antwoord gegeven op de vraag hoe een ISP zijn
klanten rechtens dient te informeren over gedragscodes. Het
artikel wordt afgesloten met een conclusie.
ISP-overeenkomsten
De Internet Service Provider (ISP) bestaat juridisch gezien
niet. Dat wil zeggen: in Nederlandse noch Europese wetgeving
wordt het begrip ISP gebruikt. De Europese richtlijn e-com-
merce gebruikt het begrip `verlener van diensten van de infor-
matiemaatschappij'
4
en die definitie lijkt te worden overgeno-
men in de Nederlandse implementatie wetgeving.
5
Een ISP
dient te worden opgevat als een verlener van diensten van de
informatiemaatschappij. Toegang tot internet wordt mogelijk
gemaakt door internetproviders, maar in de praktijk doen zij
meer dan enkel toegang verschaffen. Het blijkt dat de aard en
omvang van de rol van een internetprovider een groot aantal
variaties kunnen laten zien. Daarom presenteren de meeste
internet-providers zich tegenwoordig als Internet Service Pro-
viders (ISP's). Een ISP kan verschillende functies vervullen.
Deze functies kunnen kort worden weergegeven als informa-
tie doorgeven (
access), informatie opslaan (hosting), informatie
bewerken en ondersteunen (
extra value) en informatie aanbie-
den (
content).
6
In de praktijk is de dienstverlening van ISP's
meestal een mengvorm van deze verschillende functies. Welke
functies een ISP precies moet verrichten hangt in beginsel af
Elektronische gedragscodes:
een voorbeeld uit de praktijk
Elektronische gedragscodes waaraan Internet Service Providers (ISP's) en
hun klanten zich onderwerpen staan in dit artikel centraal. Als het aan de
wetgever ligt wordt met betrekking tot het sluiten van overeenkomsten
langs elektronische weg het begrip `gedragscode' in het Burgerlijk Wetboek
opgenomen.Wat precies onder dit begrip dient te worden verstaan is echter
onduidelijk. Gedragscodes zijn belangrijke instrumenten voor zelfregulering
van ISP's. Een criterium om te bepalen wat wel en wat geen gedragcodes
zijn conform het BW en duidelijkheid over hoe een ISP zijn klanten over
gedragscodes moet informeren zijn daarom noodzakelijk.
Leonie Siemerink*
*
Mr. L.A. R. Siemerink is als onderzoeker verbonden aan de afdeling Recht en
Informatica van de Universiteit Leiden. Met dank aan mr. J. J. van der Schaaf.
1
Aanpassing van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Burgerlijke rechts-
vordering, het Wetboek van Strafrecht en de Wet op de economische delicten
ter uitvoering van richtlijn nr. 2000/31/EG van het Europees Parlement en de
Raad van de Europese Unie van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische
aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektro-
nische handel, in de interne markt (
PbEG L 178), Kamerstukken II, 2001-2002, 28
197, nr. 1-3 (wetsvoorstel Aanpassingswet e-commerce). Richtlijn 2000/31/EG
van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 8 juni 2000
betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatie-
maatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt, PbEG
L178 van 17 juli 2000 (richtlijn e-commerce).
2 Zie artikel 6:227b lid 5 BW wetsvoorstel Aanpassingswet e-commerce.
3 In het algemene deel van de Memorie van Toelichting wordt wel aandacht
besteed aan gedragscodes in praktische, maar niet zozeer juridische zin.
Kamer-
stukken II 2001/2002, 28 197 nr. 1-3, p. 31.
4 Artikel 2 sub a en b richtlijn e-commerce.
5 Zie artikel 3:15d lid 3 BW wetsvoorstel Aanpassingswet e-commerce. Overigens
is de termijn van implementatie van de richtlijn e-commerce reeds op 17 janu-
ari 2002 verstreken, zie artikel 22 richtlijn e-commerce.
6 Zie L.A. R. Siemerink, `Aansprakelijkheid serviceprovider van geval tot geval
anders',
Automatisering Gids 14 september 2001, p. 19.
Mediaforum 2003-10
319
van de inhoud en strekking van een overeenkomst die met de
ISP wordt gesloten.
In de praktijk sluiten klant en ISP een overeenkomst die
ertoe strekt toegang te verkrijgen tot, gebruik te maken van de
toepassingen via, of informatie te plaatsen op het internet.
Een overeenkomst komt tot stand door een aanbod en een
aanvaarding daarvan.
7
Via de
portal site (functie content)
8
van
een ISP is het grotendeels mogelijk om een ISP-overeenkomst
elektronisch af te sluiten.
9
Een ISP die zich richt op de consu-
mentenmarkt biedt op zijn website een standaardabonnement
aan welke meestal bestaat uit het volgende dienstenpakket:
10
internettoegang, e-mail, website (homepage), nieuwsgroepen,
chat en helpdesk. Een klant die gebruik wil maken van het aan-
geboden dienstenpakket op de website van de ISP aanvaardt
het aanbod van de ISP.
11
Door zijn persoonsgegevens (meestal
naam, voorletters, achternaam, straat en nummer, postcode,
plaats en telefoonnummer) op het webformulier op de web-
site van de ISP in te vullen kan een aspirant-klant zich aanmel-
den. Veelal dienen op dit webformulier ook de na de totstand-
koming door de klant te gebruiken loginnaam, wachtwoord
en e-mailadres te worden ingevuld. Vervolgens dient de aspi-
rant-klant meestal uitdrukkelijk de door de ISP gehanteerde
algemene voorwaarden te aanvaarden alvorens verder te kun-
nen gaan met zijn elektronische aanmelding. Daarna kan door
verzending van het webformulier met behulp van een muis-
klik op `OK' onderaan het webformulier, het aanbod van de
ISP door de klant worden aanvaard en komt een ISP-overeen-
komst tot stand.
12
Algemene voorwaarden en ISP's
In artikel 6:231 BW zijn de begripsbepalingen van de alge-
mene voorwaarden regeling neergelegd. Indien aan de
begripsbepalingen is voldaan is afdeling 6.5.3 `Algemene voor-
waarden' van toepassing. Algemene voorwaarden zijn een of
meer schriftelijke bedingen die zijn opgesteld teneinde in een
aantal overeenkomsten te worden opgenomen, met uitzonde-
ring van bedingen die de kern van een prestatie aangeven,
voor zover deze laatstgenoemde bedingen duidelijk en begrij-
pelijk zijn geformuleerd.
13
Uit deze definiëring blijkt dat een
onderscheid kan worden gemaakt tussen bedingen die alge-
mene voorwaarden zijn en bedingen die dat niet zijn, ook wel
de kernbedingen genoemd. Een kernbeding is een beding dat
de kern van de prestatie weergeeft. De algemene voorwaarden
samen met het kernbeding (of de kernbedingen) vormen de
overeenkomst. De kernbedingen van een ISP-overeenkomst
zijn de door de klant te betalen prijs en de door de ISP te ver-
richten functies access, hosting, extra value en/of content. Uit
de definitie valt ook op te maken dat de voorwaarden voor
meermalig gebruik moeten zijn bestemd. De gebruiker, dege-
ne die algemene voorwaarden in een overeenkomst gebruikt,
is in dit geval de ISP. Degene die door ondertekening van een
geschrift of op andere wijze de gelding van de algemene voor-
waarden heeft aanvaard is de wederpartij van de ISP.
14
In dit
artikel ga ik er van uit dat de wederpartij van de ISP een consu-
ment is.
ISP's kunnen bij het afsluiten van overeenkomsten gebruik
maken van algemene voorwaarden, hetgeen vrijwel alle ISP's
doen. In algemene voorwaarden kunnen allerlei details wor-
den opgenomen die vervolgens deel gaan uitmaken van de
overeenkomst. Indien de consument via de website van een
ISP een ISP-overeenkomst heeft afgesloten zijn het groten-
deels elektronische algemene voorwaarden die door de ISP
van toepassing zijn verklaard. In de praktijk gaat de wederpar-
tij gewoonlijk met de toepasselijkheid van de algemene voor-
waarden akkoord zonder deze te lezen en zich op hun beteke-
nis te bezinnen. Het probleem is gelegen in het gegeven dat
algemene voorwaarden als onredelijk te beschouwen bedin-
gen kunnen bevatten. Afdeling 6.5.3 biedt de wederpartij
mogelijkheden om tegen onredelijk bezwarende bedingen op
te treden.
15
Voorbeelden van onredelijk bezwarende bedingen
zijn te vinden in de zogenaamde zwarte en grijze lijst.
16
Van
deze consumentenbescherming kan niet contractueel worden
afgeweken, want afdeling 6.5.3 is van dwingend recht.
Nogal wat gebruikers van algemene voorwaarden, die
betrekking hebben op producten of diensten voor consumen-
ten, maken gebruik van de mogelijkheid om binnen het kader
van de Commissie voor Consumentenaangelegenheden (CCA)
van de Sociaal Economische Raad (SER)
17
in overleg met consu-
mentenorganisaties tot overeenstemming te komen over de
inhoud van hun algemene voorwaarden.
18
De Coördinatie-
groep Zelfreguleringsoverleg (CZ) van de SER heeft tot taak
het bevorderen van overleg tussen consumenten- en branche-
organisaties over algemene voorwaarden. Doel van dit overleg
is te komen tot algemene voorwaarden waarin op evenwichti-
ge wijze rekening wordt gehouden met de belangen van de
ondernemer en die van de consument.
19
Veel Nederlandse ISP's
zijn aangesloten bij de Nederlandse Vereniging van Internet-
providers (NLIP).
20
Binnen de SER in overleg met de NLIP en
de Consumentenbond wordt gewerkt aan het samenstellen
van branchespecifieke algemene voorwaarden.
21
Doel van de
branchespecifieke algemene voorwaarden is het streven naar
7 Artikel 6:217 lid 1 BW.
8 Een portalsite is in gewoon Nederlands een startpagina of portaal. Voorbeel-
den van portalsites van ISP's zijn: www.xs4all.nl en www.planet.nl.
9 Zie L.A. R. Siemerink, `ISP's en de Wet overeenkomsten op afstand',
TvC
2002/3, p. 178-192.
10 Sommige ISP's hanteren de term `producten' voor de verschillende diensten-
pakketten die zij aanbieden. Deze term is juridisch gezien niet erg gelukkig
gekozen omdat geen sprake is van een product in de zin van artikel 6:187 lid 1
BW. Het gaat immers niet om roerende zaken maar om diensten. Het is daar-
om beter om de term `dienstenpakket' te hanteren.
11 Hierbij ga ik ervan uit dat het een daadwerkelijk aanbod betreft en geen uitno-
diging tot het doen van een aanbod.
12 Aan de vraag wanneer de ISP-overeenkomst precies tot stand komt wordt in
dit artikel geen aandacht besteed.
13 In de aanpassingswet e-commerce wordt in artikel 6:231 sub a BW het woord
`schriftelijke' geschrapt. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan artikel 10 lid 3
richtlijn e-commerce. De definitie van algemene voorwaarden wordt aange-
past aan een elektronische omgeving: algemene voorwaarden kunnen ook
elektronische bedingen zijn.
14 Artikel 6:231 sub b BW voor gebruiker en sub c voor wederpartij.
15 Zie artikel 6:233 sub a BW.
16 Artikel 6:236 en 6:237 BW.
17 Zie www.ser.nl.
18 Voorbeelden zijn de Fenex-condities (Nederlandse Expeditie voorwaarden),
BOVAG-voorwaarden (autoverkoop) en de algemene voorwaarden waterrecre-
atie (HISWA).
19 In meer dan twintig branches van het bedrijfsleven zijn dit soort afspraken
gemaakt. Op de procedure van het overleg is het Protocol Overleg Algemene
Voorwaarden van toepassing, dat regels bevat voor de samenstelling van de
overleggroepen, de evaluatie van de algemene voorwaarden en voor conflict-
situaties. Als voorbeeld voor in algemene voorwaarden te gebruiken bedingen
is een handleiding opgesteld. Zie www.ser.nl.
20 Zie www.nlip.nl.
21 De Consumentenbond heeft in februari 2000 het voorstel gedaan om binnen
de SER in overleg met de drie brancheorganisaties NLIP, ICT-Nederland en
Vereniging van Centrale Antenne-inrichtingen (VECAI) te komen tot een set
basisvoorwaarden, waarin de belangrijkste algemene punten worden gere-
geld, zoals het totstandkomen van de overeenkomst, de beëindiging, de be-
taling en de klachten- en geschillenregeling. Het overleg in het kader van de
CZ is in augustus 2000 gestartikel Daartoe heeft de CZ van de SER gestreefd
Mediaforum 2003-10
320
een meer eenduidige uniforme formulering van in algemene
voorwaarden voorkomende bedingen, de branchespecifieke
algemene voorwaarden hebben echter geen formele status.
Tot op heden zijn nog geen definitieve algemene voorwaarden
voor de ISP-branche tot stand gekomen.
Gedragscodes in de Nederlandse
ISP-praktijk
In het algemeen worden concrete verplichtingen voor con-
sumenten geregeld in algemene voorwaarden, terwijl
gedragscodes nadere invulling van verplichtingen beogen te
scheppen. Een gedragscode heeft het doel om gedrag te regu-
leren, maar de opstellers van gedragscodes beogen dat te doen
op een ander niveau dan in een overeenkomst.
22
Regels in
gedragscodes worden in het algemeen niet geacht dezelfde
mate van binding te hebben als de regels in een overeenkomst.
De benaming van `gedragscode' is niet doorslaggevend voor de
juridische kwalificatie van gedragsregels. Onder de benaming
`gedragscode' kunnen derhalve best delen van een overeen-
komst schuil gaan.
23
Dat kan slechts zo zijn indien de verbinte-
nissen die ontstaan voldoende bepaalbaar zijn in de zin van
artikel 6:227 BW. Die bepaalbaarheid hangt af van de formule-
ring van de gedragsregels die een gedragscode bevat. Dat is in
een digitale context niet anders. Hoewel er niet veel uitspra-
ken zijn over de juridische status van gedragscodes, kan op
basis van lagere rechtspraak worden gezegd dat gedragscodes
niet de kern van de overeenkomst kunnen aantasten of mede
kunnen bepalen.
24
Vast staat dit echter nog niet, en het is
wachten op een uitspraak in hoogste instantie.
Bij een nadere bestudering van de inhoud van de algemene
voorwaarden die ISP's in hun overeenkomsten hanteren blijkt
dat ISP's in algemene voorwaarden altijd naar gedragscodes
verwijzen. Deze bestudering heeft plaatsgevonden door mid-
del van het raadplegen van de elektronische algemene voor-
waarden via de portal sites (functie content) van verschillende
ISP's.
25
In de meeste gevallen waarin ISP's gedragscodes hante-
ren, worden deze gebruikt om regels uit de algemene voor-
waarden in te vullen. Waarschijnlijk het bekendste voorbeeld
is de zogenaamde
Netiquette. Hetzelfde gebeurt in acceptable of
fair use policies. De meeste ISP's zijn aangesloten bij de NLIP, die
ook een gedragscode heeft opgesteld. De term `gedragscode'
wordt in de ISP-praktijk dan ook in ieder geval op drie manie-
ren gebruikt: Netiquette, acceptable of fair use policy en de
NLIP-gedragscode.
26
Elk hebben zij een ander geldingsbereik
en kennen zij eigen normen. Hieronder worden deze door
ISP's in de praktijk gehanteerde gedragscodes beschreven.
Netiquette
In het begin van zijn ontwikkeling werd het internet
beschouwd als een separate wereld met eigen regels en eigen
sancties. Die regels waren met name neergelegd in zogenaam-
de
Requests For Comments (hierna: RFC's).
27
Deze regels bevatten
technische eisen voor een goede werking van het internet en
ook een serie gedragsregels waaraan gebruikers van het inter-
net zich dienen te houden. Die laatste staan bekend als de
Netiquette, naar analogie van etiquette.
28
Netiquette bevat de
algemeen aanvaarde waarden en normen die gelden voor com-
municatie over het internet als zodanig. De
Netiquette Guidelines,
zoals het document officieel is genoemd, zijn opgesteld in het
Engels en bieden een minimumpakket gedragsregels die
organisaties en particulieren kunnen overnemen en aanpas-
sen voor eigen gebruik. Zelfstandig beschouwd bevat de Neti-
quette niet in voldoende mate bepaalbare rechten en plichten.
De NLIP heeft een Nederlandse vertaling en bewerking laten
maken `Netiquette Richtlijnen NLIP'.
29
Naar de Netiquette
wordt door ISP's nog steeds verwezen in hun algemene voor-
waarden.
De bepalingen in de Netiquette zijn zeer divers van aard en
soms ook erg vaag of juist te voor de hand liggend. Het betreft
allemaal gedragsregels voor de klant. Er zijn regels voor
gebruik van e-mail en newsgroups, maar ook bijvoorbeeld
regels met betrekking tot taalgebruik op internet. Bij de
afdwingbaarheid van deze gedragsregels uit de Netiquette
kunnen vraagtekens worden geplaatst. De status van de Neti-
quette is niet duidelijk. ISP's noemen eigen gedragsregels
soms ook gewoon Netiquette. Het is dus niet altijd duidelijk
welke bron bedoeld wordt en hoe die bron te vinden is. Dat de
Netiquette mag worden aangepast voor eigen gebruik duidt
niet op transparantie. Duidelijk is dat in een Nederlandse
overeenkomst niet rechtsgeldig kan worden verwezen naar
een Engels document; toch doen bijna alle ISP's dat. Het is de
vraag of een Nederlandse vertaling van een van oorsprong
Engelse tekst wel voldoet.
30
De Netiquette wordt op dit
moment minder goed toegepast dan zou kunnen, het juri-
disch effect ervan is daardoor minder groot. In de interpretatie
naar een evenwichtige basis van rechten en verplichtingen voor ondernemer
en consument in de sector elektronische communicatienetwerken (E-netwer-
ken). De CZ stelde zich voor dat een aantal van de bepalingen binnen elk van
die branchespecifieke algemene voorwaarden uniform zijn in de gehele sector.
Het doel was om tweezijdige branchespecifieke algemene voorwaarden tot
stand te laten komen in de gehele sector: Gemeenschappelijke bepalingen in
de sector elektronische communicatienetwerken (GeBeps). De organisaties
ICT-Nederland en VECAI zijn inmiddels uit het overleg gestapt, de NLIP is
nog in onderhandeling met de Consumentenbond en SER.
22 Een bekend voorbeeld van een Nederlandse gedragscode is de door Stichting
ECP.nl ontwikkelde `Modelgedragscode voor elektronisch zakendoen',
november 2001, E-commerce Platform Nederland (ECP.nl), te raadplegen op
www.ecp.nl. De benaming `modelgedragscode' suggereert, naar analogie van
het modelcontract, dat het hier gaat om een direct gebruiksklare voorbeeld-
vorm van een gedragscode. Naar haar inhoud is de Modelgedragscode ECP.nl
echter niet direct gebruiksklaar, omdat zij keuzes openlaat. Het is daarom
beter om te spreken van gedragscode model, naar analogie van het contract
model waarin verschillende elkaar uitsluitende bedingen kunnen zijn opge-
nomen, dan van een modelgedragscode. Het is echter de vraag of deze `Model-
gedragscode' moet worden opgevat als een gedragscode conform artikel
6:227b lid 1 sub e bw.
23 Een definitie van `gedragscode' ontbreekt in het Nederlandse privaatrecht, de
rechtsfiguur is wel bekend uit het Nederlandse privacy recht. Voor privacy
gedragscodes geldt een eigen regime. Zie daarover de brochure
Gedragscodes,
bescherming van persoonsgegevens door zelfregulering, van het College Bescherming
Persoonsgegevens, oktober 2002, te downloaden op www.cbpweb.nl.
24 Bijvoorbeeld: Rb. Den Haag 19 februari 2002, niet gepubliceerd, r.o. 3.3 (
Tol-
ken/Staat); Rb. Utrecht 23 maart 2000, niet gepubliceerd (Staat/LaRoche).
25 Om een beeld te verkrijgen is gekeken naar de volgende ISP's: XS4ALL, Planet
Internet, Het Net, Freeler, Wanadoo, Tiscali, Casema, Chello, Home, HCCNet
en Demon. Ook het concept van de branchespecifieke algemene voorwaarden
in het kader van de SER verwijst naar gedragscodes.
26 Dat wil niet zeggen dat deze drie vormen te kwalificeren zijn als gedragscodes
in de juridische zin van het woord, noch dat een andere indeling in soorten
wordt verworpen.
27 RFC staat voor Request For Comment; deze bevatten informatie over internet-
standaarden. Zie ftp://ripe.net/rfc/. Het systeem van de RFC's bestaat sinds 7
april 1969. Voor alle technische en organisatorische RFC's zie http://www.rfc-
editor.org/.
28 Netwerk-etiquette. Sommige ISP's spreken van nettiquette of net-etiquette, al
dan niet met een hoofdletter. Waarschijnlijk wordt steeds hetzelfde bedoeld,
RFC 1855 van 19 oktober 1995, zie ftp://ftp.ripe.net/rfc/rfc1855.txt.
29 Deze vertaling en bewerking van de Netiquette van maart 2001 is raadpleeg-
baar via www.nlip.nl.
30 In de praktijk kan dat vooral problemen geven wanneer de Engelse tekst voor
een andere uitleg vatbaar is dan de Nederlandse. Om dit risico te beperken kan
expliciet worden verwezen naar de Nederlandse vertaling van de Netiquette.
Mediaforum 2003-10
321
bij open normen, zoals de norm `handelen zoals een zorgvul-
dig internetgebruiker betaamt', zou de Netiquette een rol
kunnen spelen.
In Nederland is iets meer duidelijkheid gekomen over de
juridische status van bepaalde regels uit de Netiquette die
betrekking hebben op spam. Het Hof Amsterdam overwoog
in de zaak AbFab tegen XS4ALL het volgende:
`4.6.7 (...) komt (...) onvoldoende gewicht toe aan de door XS4ALL
genoemde `net-etiquette' zoals blijkend uit een aantal RFC's;
onbestreden is dat die regels vooral voortkomen uit de wereld van
de internetproviders zelf.'
31
Daarnaast zijn er buitenlandse vonnissen bekend waarin
wel status wordt toegekend aan de RFC's.
32
Een Franse rechter
ging daarbij het verst door te concluderen dat deelname aan
het internet verkeer een impliciete instemming met de Neti-
quette veronderstelt. Dat laatste is na deze uitspraak vrijwel
zeker van de baan. Toch is de status van de Netiquette niet vol-
ledig uitgekristalliseerd. Onduidelijk is nog wat het Hof
Amsterdam heeft bedoeld met de zinsnede `uit de wereld van
de internetproviders zelf'. Ten eerste is dat feitelijk niet geheel
juist.
33
Daarnaast is ook de juridische consequentie van deze
opmerking onduidelijk.
34
Acceptable of fair use policies
Naast Netiquette wordt door ISP's in algemene voorwaar-
den verwezen naar zogenaamde fair use policies of acceptable
use policies. Een dergelijke policy bevat regels die, zoals de
naam al aangeeft, het gedrag van de klant beogen te reguleren:
beleid voor aanvaardbaar en redelijk gebruik door de klant
van internetdiensten. In die zin zou men denken dat een poli-
cy een typisch voorbeeld is van een gedragscode. De praktijk
leert echter dat deze policies vaak als integraal onderdeel van
de overeenkomst worden bestempeld. Overigens hanteren
niet alle ISP's dergelijke policies. Daarentegen hebben sommi-
ge ISP's voor elke dienst (e-mail, nieuwsgroepen, homepage)
een aparte policy opgesteld.
De fair use of acceptable use policies zijn, hoewel de aandui-
ding misschien anders doet vermoeden, in het Nederlands
opgesteld. Fair use/acceptable use van het systeem van de ISP en
het internet is belangrijk. Redelijkheid en billijkheid brengen
mee dat ook op het internet bepaald gedrag en bepaalde
gedragssituaties van mensen niet kunnen worden getolereerd.
De policies bevatten voor een groot deel de materie die de Neti-
quette ook bevat en daarnaast gedragsregels die andere ISP's in
hun algemene voorwaarden bij de verplichtingen van de klant
hebben opgenomen. Ook hier gaat het om gedragsregels die aan
de klant worden opgelegd. In deze policies is in het algemeen
sprake van meer bepaalbare rechten en plichten dan in de Neti-
quette. De status van deze policies is niet geheel duidelijk, mede
omdat sommige ISP's dergelijke gedragsregels integraal in hun
algemene voorwaarden opnemen terwijl andere ISP's verwijzen
naar policies. De sancties die gelden indien een klant niet vol-
doet aan de gedragsregels neergelegd in deze policies zijn door
ISP's integraal in de algemene voorwaarden opgenomen.
NLIP-gedragscode
De NLIP heeft een gedragcode opgesteld, de NLIP-gedragsco-
de, welke onderdeel is van het `NLIP-kwaliteitsbeleid voor
ISP's'.
35
Deze is gericht op het ondubbelzinnig vastleggen van
belangrijke elementen in de relatie ISP consument. De
gedragscode geldt voor alle 55 ISP's die zijn aangesloten bij de
NLIP. Alle leden onderschrijven met hun lidmaatschap de NLIP-
gedragscode; de meeste ISP's die lid zijn van de NLIP verwijzen
echter niet naar de NLIP-gedragscode. De gedragscode is kort,
maar bevat een bepaling over het briefgeheim, een bepaling
over privacy en verwijzingen naar een klachtenregeling, een
regeling voor een geschillencommissie en een verwijzing naar
de Netiquette.
36
Het zou logischer zijn geweest als de NLIP ver-
wijst naar de door haar gemaakte Nederlandse bewerking van
de Netiquette `Netiquette Richtlijnen NLIP'. Voor zover ISP's
zijn aangesloten bij de NLIP zijn zij dus `verplicht' om de Neti-
quette over te nemen. Er is echter in de NLIP-gedragscode geen
verwijzing naar de elektronische vindplaats van RFC 1855 opge-
nomen. Bij nadere bestudering van de inhoud van de NLIP-
gedragscode blijkt dat het voornamelijk gedragsregels voor de
ISP betreft waar de ISP zich aan dient te houden en slechts enke-
le gedragsregels voor de klant. Ook hier is sprake van een meer
algemeen document met weinig juridische status.
Naast de NLIP-gedragscode zijn zogenaamde
recommended
security practices ontwikkeld.
37
Deze best practices bevatten secu-
rity aanbevelingen welke zijn vastgesteld door bestuur en
leden van de NLIP. Tenslotte kent de NLIP nog een regeling
voor een keurmerk die met name betrekking heeft op de kwali-
teit van de dienstverlening. NLIP-leden kunnen ervoor kiezen
om dit keurmerk te voeren; het is dus niet verplicht. De NLIP is
geen toezichthouder op de naleving van de gedragsregels en de
branche kent geen eigen systeem van tuchtrecht. De NLIP heeft
geen (formeel) wettelijke basis en kan daarom niet meer doen
dan iedere andere vereniging. Zij kan slechts het lidmaatschap
van de branchevereniging schorsen of een lid dat de gedragsre-
gels (aantoonbaar) niet naleeft royeren. De NLIP heeft daar-
naast de mogelijkheid een strafklacht bij justitie in te dienen.
38
31 Hof Amsterdam 18 juli 2002, rolnummer 468/02, (
AbFab/XS4ALL), Mediaforum
2002/9, p. 293-298 m.nt. Q. Kroes;
JAVI 2002/2, p. 63-65 m.nt. A. Lodder; Compu-
terrecht 2002/5, p. 299-309 m.nt. J. J.C. Kabel.
32 In producties bij de pleitnotities van XS4ALL tegen AbFab van 22 februari 2002
is een Franse zaak toegevoegd, zie http://www.xs4all.nl/nieuws/overzicht/
pleitnota/producties.html. Ook wordt een Canadese zaak gemeld in: J. E. J.
Prins en S. J. H. Gijrath,
Privaatrechtelijke aspecten van elektronische handel, Stu-
diepocket Privaatrecht nr. 61, Deventer: W.E. J. Tjeenk Willink, p. 91.
33 De request for comments komen tot stand door discussie tussen internetge-
bruikers waaraan in beginsel iedereen kan deelnemen. Uiteindelijk verwerkt
een redacteur de commentaren tot een lopende tekst. Zie over de precieze tot-
standkoming, `30 years of RFC's', 7 april 1999, RFC editor et al., ftp://ftp.rfc-
editor.org/in-notes/rfc2555.txt.
34 XS4ALL heeft beroep in cassatie ingesteld in deze zaak. Zie dagvaarding van
XS4ALL aan AbFab van 16 september 2002, te raadplegen op http://www.
xs4all/nieuws/overzicht/cassatieabfab.pdf.
35 Het NLIP-kwaliteitsbeleid voor ISP's bestaat verder uit een klachtenregeling,
een geschillencommissie, security: recommended practices en een facultatief
keurmerk, zie www.nlip.nl. Naast de gedragscode heeft de NLIP ook gebruik
gemaakt van andere vormen van zelfregulering: meldpunten. Momenteel
functioneren drie van dergelijke meldpunten: Meldpunt kinderporno, Meld-
punt discriminatie op internet en Meldpunt overig illegaal materiaal. De eer-
ste twee functioneren als website en de laatste via een e-mailadres, zie
www.nlip.nl. Meldpunten zijn naar hun aard geen gedragscodes, het instellen
van een meldpunt is immers nog niet het stellen van een norm voor gedrag.
Wanneer echter een branche of bedrijf formuleert wanneer zij van het meld-
punt gebruik maakt, buiten de wettelijke plichten daartoe en buiten de over-
eenkomst, kan wel sprake zijn van een gedragscode.
36 De NLIP-gedragscode telt slechts 6 artikelen, genummerd G1-G6. Artikelen
G3-G5 bevatten verwijzingen naar de genoemde andere regelingen. NLIP-
gedragscode, versie 2.0, datum van inwerkingtreding 23 november 1999, zie
www.nlip.nl.
37 Daarvan wordt in de NLIP-gedragscode geen melding gemaakt. Misleidend
genoeg is het onderschrijven van deze aanbevolen best practices wel verplicht
om lid van de NLIP te kunnen worden want het is een verplicht onderdeel van
het NLIP-kwaliteitsbeleid voor ISP's.
Mediaforum 2003-10
322
Vereisten artikel 6:227b lid 1 sub e BW
toegepast op de ISP-praktijk
Voordat een overeenkomst langs elektronische weg tot
stand komt dient de ISP op grond van artikel 6:227b lid 1 sub e
BW de klant op duidelijke, begrijpelijke en ondubbelzinnige
wijze informatie te verstrekken over de gedragscodes waaraan
hij zich heeft onderworpen en de wijze waarop deze gedrags-
codes voor de klant langs elektronische weg te raadplegen
zijn. Evenals in andere contractuele relaties, is contractsvrij-
heid het uitgangspunt in de relatie tussen consument en ISP.
Die houdt in dat geen plicht bestaat om een overeenkomst aan
te gaan, noch een verplichting tot het opnemen van een
bepaalde inhoud in de overeenkomst of in algemene voor-
waarden. Er bestaat dan ook geen plicht om een gedragscode
te voeren, noch om er een te aanvaarden. Als echter een
gedragscode wordt gevoerd maar daarvan wordt geen mel-
ding gemaakt, kan de overeenkomst ontbonden worden door
de wederpartij. De nieuwe precontractuele informatieplicht
beschermt dus de positie van de consument en verzwaart die
van de ondernemer die de gedragscode heeft onderschreven.
Het is de vraag of de drie vormen van `gedragscodes', waarnaar
ISP's in hun algemene voorwaarden verwijzen, ook een
gedragscode zijn zoals in het wetsvoorstel Aanpassingswet e-
commerce bedoeld. Het is onduidelijk wat de wetgever bedoelt
met `de gedragscodes waar hij zich aan heeft onderworpen', aan-
gezien dit noch in het wetsontwerp zelf, noch in de memorie
van toelichting wordt beschreven. Aangenomen mag worden
dat in het geval van de ISP worden bedoeld gedragscodes die
zijn gericht op zelfregulering van de diensten waarop de ISP-
overeenkomst betrekking heeft. De in de vorige paragraaf
beschreven gedragscodes hebben betrekking op zelfregulering
van diensten van de ISP-overeenkomst. De NLIP-gedragscode is
een gedragscode waaraan de ISP zich onderwerpt, maar waarin
ook gedragingen voor de klant zijn neergelegd. De Netiquette
en fair use of acceptable use policies zijn gedragscodes waarvan
de ISP wil dat zijn klanten zich eraan onderwerpen. De NLIP-
gedragscode valt in ieder geval onder artikel 6:227b lid 1 sub e
BW; van de andere twee gedragscodes is het twijfelachtig. Voor
alle drie gedragscodes bekijk ik wanneer ze daadwerkelijk
onderdeel gaan uitmaken van de ISP-overeenkomst.
Het aangaan van een gedragscode blijkt in het algemeen uit
een verwijzing naar de code in de (hoofd)overeenkomst of in
algemene voorwaarden of door middel van een verwijzing op de
website. In zekere mate is bij ISP's de `gelaagde normstelling'
39
populair, waarmee wordt bedoeld het doorverwijzen naar ande-
re documenten in de algemene voorwaarden. ISP's verwijzen
meestal door middel van een hyperlink in hun elektronische
algemene voorwaarden naar bovengenoemde gedragscodes.
Het is de vraag wanneer sprake is van op duidelijke, begrijpelij-
ke en ondubbelzinnige wijze informatie verstrekken over de
wijze waarop de gedragscodes langs elektronische weg te raad-
plegen zijn en wanneer gedragscodes onderdeel worden van een
ISP-overeenkomst. Hieronder wordt dit voor de drie door ISP's
in de praktijk gehanteerde gedragscodes onderzocht.
Netiquette
In de praktijk komen verschillende wijzen van verwijzing
naar de Netiquette voor. In de eerste plaats het plaatsen van de
Netiquette op de eigen site van de ISP, op een nieuwe pagina of
op dezelfde pagina als de algemene voorwaarden. Deze vorm
van verwijzing voldoet in de praktijk goed. Het risico voor het
niet functioneren van de pagina's waarop de Netiquette staat
komt vanzelfsprekend voor rekening van de ISP. Dat wordt
niet anders indien een hyperlink naar een adres buiten de site
wijst. Indien de gedragscode niet raadpleegbaar is langs deze
weg, is de klant geen redelijke mogelijkheid geboden tot het
kennisnemen van die gedragscode. Het probleem rijst indien
zonder meer naar `de Netiquette' wordt verwezen, zonder dat
daarbij een tekst of hyperlink is opgenomen. Er bestaan ver-
schillende versies van de Netiquette, een ISP mag en kan de
Netiquette immers zelf aanpassen en de NLIP heeft een Neder-
landse vertaling van de Netiquette laten maken. Het is dan de
vraag naar welke versie de ISP precies verwijst. Doorverwijzing
naar de Netiquette zonder duidelijke markering van versie,
vermelding van datum, bron, etc. is onvoldoende en kan ook
bezwaarlijk worden tegengeworpen in de relatie met consu-
menten. Het document kan steeds van inhoud veranderen. Het
noemen van een datum of versie van de Netiquette kan, naast
het noemen van een vertaling en eventueel prioriteitsregel, dit
probleem voorkomen. Van nieuwe versies alsmede nieuwe
vertalingen moet de klant ook steeds op een redelijke wijze
kennis kunnen nemen. Aangezien de inhoud van de Neti-
quette algemeen is en daarmee de juridische status ervan
gering is, is mijns inziens een redelijke mogelijkheid van elek-
tronische verwijzing tot raadpleging van de Netiquette gebo-
den door middel van een duidelijke hyperlink naar de Neti-
quette. Deze verwijzing moet op het eigen systeem van de ISP
zijn opgeslagen en door middel van het aanklikken van de
hyperlink moet de desbetreffende tekst in het Nederlands voor
de klant leesbaar zijn, met de mogelijkheid om de tekst te prin-
ten. Indien er een nieuwe versie van deze Netiquette komt,
dient dat aan de klanten te worden medegedeeld, samen met
de mogelijkheid om op redelijke wijze kennis te kunnen
nemen van de nieuwe versie. De Netiquette dient niet te wor-
den beschouwd als een onderdeel van de ISP-overeenkomst.
Acceptable of fair use policies
Verwijzing naar fair use policies of acceptable use policies
ligt weer net even anders omdat hier geen sprake is van een
algemeen document als de Netiquette, maar van een docu-
ment dat specifiek door de ISP is opgesteld en daarmee meer
juridische status heeft. De vraag is dan of deze policies niet
integraal dienen te worden opgenomen in de algemene voor-
waarden of dat er een redelijke methode van verwijzing is. Als
een fair use policy wordt gehanteerd dient de ISP er in ieder
geval naar te verwijzen, óf op zijn site, óf in de algemene voor-
waarden, met een duidelijke markering van versie, vermel-
ding van datum, bron etc. Indien de gebruikersvoorwaarden
zo essentieel zijn dat ze een uitwerking geven van de kernbe-
dingen, dan moeten ze als onderdeel van de overeenkomst
worden beschouwd. Indien het bij deze policies gaat om
bepaalbare gebruikersvoorwaarden van specifieke internet-
diensten kan in de artikelen in de algemene voorwaarden over
de internetdiensten worden doorverwezen naar deze aanvul-
lende voorwaarden, maar daarbij dient dan mijns inziens te
worden voldaan aan de vereisten welke gelden als ware er
sprake van een tweede set algemene voorwaarden waarnaar in
de hoofdvoorwaarden wordt verwezen.
40
Dergelijke policies
dienen dan te worden aanvaard door de klant om onderdeel te
38 Op grond van bijvoorbeeld gesignaleerde computervredebreuk (artikel 139 Sr)
Deze mogelijkheid wordt expliciet in artikel III van de security practices
genoemd.
39 Deze term heb ik ontleend aan de presentatie van C. Stuurman tijdens het sym-
posium ISP-contracten en aansprakelijkheid op 11 september 2002. Voor een ver-
slag van het symposium zie
Computerrecht 2003/1 p. 100-102 en JAVI 2003/1 p. 41.
Mediaforum 2003-10
323
worden van de overeenkomst. De mogelijkheid van doorver-
wijzen naar policies is dus afhankelijk van de inhoud. Mij lijkt
het daarom beter om gebruikersvoorwaarden neergelegd in
acceptable use of fair use policies die verstrekkende gevolgen
kunnen hebben voor de klant, integraal in de algemene voor-
waarden op te nemen. Indien echter de gebruikersvoorwaar-
den van zo algemene aard zijn als die in de Netiquette zal, net
als bij de Netiquette, een duidelijke hyperlink welke op het
eigen systeem van de ISP is opgeslagen en leesbaar wordt voor
de klant door middel van het aanklikken van de hyperlink met
daarbij de mogelijkheid om de tekst te printen ook volstaan.
Indien de policies worden gewijzigd dient dit aan de klant te
worden medegedeeld, samen met de mogelijkheid om op
redelijke wijze kennis te nemen van de gewijzigde policies.
NLIP-gedragscode
De branchespecifieke gedragscode bevat een verwijzing
naar de Netiquette; daarmee onstaat een normstelling van
drie lagen. Een punt bij de gelaagdheid is de leesbaarheid en
duidelijkheid. Indien een ISP zich aan gedragscodes heeft
onderworpen dient hij dit en de vindplaats van de gedragsco-
des te melden aan de aspirant-klant op grond van artikel
6:227b lid 1 sub e BW. Leden van de NLIP hebben zich onder-
worpen aan de NLIP-gedragscode en zullen dit moeten mel-
den. Wat toegankelijk maken betreft kan met een duidelijke
hyperlink op de website of in de elektronische algemene voor-
waarden naar de NLIP-gedragscode met markering van versie,
datum, bron etc. worden volstaan. Daarbij is het veiliger
indien de ISP de NLIP-gedragscode op zijn eigen systeem
opslaat dan wanneer hij linkt naar de NLIP-website.
41
Indien
de hyperlink niet functioneert is de klant bevoegd de gesloten
overeenkomst te ontbinden. Leden van de NLIP hebben zich
onderworpen aan de NLIP-gedragscode, echter uit het prak-
tijk onderzoek is gebleken dat niet alle ISP's dat melden aan
hun klanten.
42
Een klant kan dan de overeenkomst ontbinden.
De ISP heeft wel de mogelijkheid om na het sluiten van de
overeenkomst, binnen een bepaalde termijn, de gedragscode
alsnog in kennis te laten stellen van de klant. Indien de NLIP-
gedragscode gewijzigd wordt dient de ISP dit en de vindplaats
van de gewijzigde gedragscode te melden aan de klant.
In artikel 6:227b lid 5 BW wordt als sanctie gesteld dat zolang
de betreffende informatie niet is verstrekt, de wederpartij de
overeenkomst kan ontbinden. Ervan uitgaande dat juridisch
bindende bepalingen in de algemene voorwaarden worden
opgenomen en daarmee deel uitmaken van de overeenkomst,
vloeien er uit gedragscodes geen concrete rechten of verplich-
tingen voort en lijkt mij de sanctie van ontbinding buiten pro-
porties. Het rechtsgevolg van ontbinding is niet passend bij de
rechtsverhouding. Het is de vraag of deze sanctie de gebruikers,
in dit geval de ISP's, niet te zwaar belast met risico.
43
De risico-
verdeling tussen ondernemer en consument in een online situ-
atie wordt door deze bepaling verstoord. De klant kan immers
zonder opgave van redenen een online gesloten overeenkomst
met een ISP ontbinden omdat de server waarop een gedragsco-
de staat, mogelijk geheel buiten de schuld van de ISP, `down' is.
Dat is nadelig voor de ISP, die een extra risico loopt, maar ook
voor de klant is ontbinding in de praktijk niet altijd bevredi-
gend. Het bewijs voor de stelling dat een gedragscode niet kan
worden geraadpleegd is in de praktijk niet altijd makkelijk te
geven. En indien de klant erin slaagt dit bewijs te leveren ont-
staan door de ontbinding ongedaanmakingsverbintenissen
tussen de ISP en de klant, indien reeds een deel van de (ontbon-
den) verbintenis is uitgevoerd. Het uitvoeren van dergelijke ver-
bintenissen kan ook weer kosten met zich meebrengen.
Conclusie
De betekenis van `gedragscode' in het wetsvoorstel Aanpas-
singswet e-commerce is niet helder. Noch in het wetsvoorstel
zelf, noch in de Memorie van Toelichting staat een definitie
van een gedragscode. Er dient een criterium te komen aan de
hand waarvan kan worden bepaald of iets een gedragscode is
conform de wet of niet. Daarnaast is onduidelijk of artikel
6:227b lid 1 sub e BW alleen betrekking heeft op gedragscodes
waaraan de gebruiker, in dit geval de ISP, zich onderwerpt of
ook op gedragscodes waaraan de klant zich onderwerpt. Waar-
schijnlijk worden alleen de eerste bedoeld, terwijl juist voor de
tweede meer duidelijkheid gewenst is omdat een gebruiker
wil dat deze gedragscodes als onderdeel van de overeenkomst
worden beschouwd en aan het niet naleven van de gedragsco-
des door de wederpartij sancties verbindt.
ISP's verwijzen in algemene voorwaarden in ieder geval naar
de volgende gedragscodes: Netiquette, fair en acceptable use
policies en NLIP-gedragscode. De vraag hoe een ISP zijn klant
moet informeren over gedragscodes waar hij zich aan onder-
werpt NLIP-gedragscode dient beantwoord te worden aan
de hand van artikel 6:227b lid 1 sub e BW. De ISP kan volstaan
met een goed te onderscheiden hyperlink op zijn site of in de
elektronische algemene voorwaarden met vermelding van
versie, datum, bron, etc. naar de NLIP-gedragscode. De sanctie
van ontbinding neergelegd in artikel 6:227b lid 5 BW is echter
buiten proporties. De vraag hoe een ISP zijn klant moet infor-
meren over gedragscodes waar de klant zich aan dient te hou-
den moet mijns inziens worden beantwoord aan de hand van
de inhoud van de gedragscodes. Zijn ze van zodanige algeme-
ne aard de Netiquette dan kan met een verwijzing in de
algemene voorwaarden worden volstaan onder vermelding
van versie, datum, bron, etc. en de gedragscode op het eigen
systeem van de ISP is opgeslagen en dat door middel van het
aanklikken van de hyperlink de desbetreffende tekst in het
Nederlands voor de klant leesbaar is met de mogelijkheid om
de tekst te printen. Het blijft dan echter onduidelijk welke
juridische status moet worden toegekend aan dergelijke
gedragscodes. Indien een ISP wil dat een gedragscode of bepa-
lingen uit de gedragscode juridisch bindend zijn fair use of
acceptable use policies is de algemene voorwaarden regeling
van toepassing om deze gedragscodes onderdeel te doen zijn
van de ISP-overeenkomst, of dienen de gedragsregels inte-
graal in de algemene voorwaarden te worden opgenomen.
40 Zie over doorverwijzing naar andere algemene voorwaarden B. Wessels &
R. H.C. Jongeneel,
Algemene voorwaarden, Studiepocket Privaatrecht nr. 48,
Deventer: W.E. J. Tjeenk Willink, 1997, p. 74-75 en M.B.M. Loos,
Algemene voor-
waarden. Beschouwingen over het huidige recht en de mogelijke toekomstige ontwikkelin-
gen, Den Haag: Boom Juridische Uitgevers, 2001, p. 19-20.
41 www.nlip.nl.
42 De volgende ISP's zijn onderzocht: XS4ALL, Planet Internet, Het Net, Freeler,
Wanadoo, Tiscali, Casema, Chello, Home, HCCNet, en Demon. Voor leden
van de NLIP zie www.nlip.nl.
43 Ontbinding is een sanctie die ook wordt gehanteerd bij niet naleving van de
precontractuele plichten die reeds gelden op grond van de Wet overeenkom-
sten op afstand. Ook daar is het de vraag of de sanctie de gebruikers niet te
zwaar belast. Zie L.A. R. Siemerink, `ISP's en de Wet overeenkomsten op
afstand',
TvC 2002/3, p. 178-192.
Mediaforum 2003-10
324
Professor Peters heeft in het verleden belangrijke bijdragen
geleverd aan de gedachtevorming in Nederland over het recht
op vrije meningsuiting.
1
Ik was dus verheugd, toen ik in de
vorige
Mediaforum een artikel van zijn hand aantrof over de
zaak van het Wassenaarse fotografieverbod,
2
waarbij ik als
advocaat van de Nederlandse Vereniging van Journalisten en
het Nederlands Genootschap van Hoofdredacteuren betrok-
ken ben geweest. Des te teleurstellender was het te moeten
constateren dat Peters de essentie lijkt te hebben gemist van
wat er verkeerd was aan de Wassenaarse verordening. Ik vind
het belangrijk op zijn artikel te reageren, omdat Peters niet de
enige is die door een gebrekkig begrip van waar het in deze
zaak om ging, de verleiding niet heeft kunnen weerstaan zich
er badinerend over uit te laten, als betrof deze slechts een
belangenafweging tussen `het recht van journalisten de groei
van Máxima's buik te volgen', zoals Peters schrijft, en de priva-
cy van het kroonprinselijk paar.
Daar ging het nu juist niet om. Kern van de zaak was dat de
verordening van de gemeente Wassenaar te ver ging: zij ver-
bood méér dan nodig was om de privacy van Willem Alexander
en Máxima te beschermen. NVJ en Genootschap kwamen op
voor het recht van journalisten om hun werk te doen zonder
bij voorbaat getroffen te worden door een algemene verbods-
bepaling, die elke rechterlijke belangenafweging uitsluit.
Het recht op vrije meningsuiting is in de eerste plaats een
recht van de burger tegen de overheid. Achtergrondgedachte:
een openbaar debat dat vrij is van overheidsinmenging, waar-
borgt een zo onbelemmerd mogelijk verlopende publieke ken-
nis- en ideeënontwikkeling en daar is de samenleving als
geheel ondanks de ergernissen die vrije discussie ook mee-
brengt op de lange termijn bij gebaat. Gezien deze achter-
grond is het logisch dat nieuwsgaring, als primaire bron van
informatie ten behoeve van het openbare debat, in de bescher-
ming van meningsuiting deelt.
Veel van de rechtspraak over vrije meningsuiting gaat echter
niet over gevallen van rechtstreekse manipulatie door de over-
heid van het openbare debat, maar betreft geschillen tussen
burgers onderling: de een ageert tegen een publicatie van de
ander, stellende bijvoorbeeld dat die publicatie inbreuk
maakt op zijn privacy. Die ander beroept zich dan op zijn recht
op vrije meningsuiting, dat geschonden zou worden als de
rechter de vordering van de gelaedeerde toewijst. Artikel 10
EVRM schrijft voor dat de rechter in zo'n zaak beoordeelt of de
door de eisende partij gevraagde beperking van de vrije
meningsuiting noodzakelijk is in een democratische samenle-
ving, ter bescherming van de privacy van de gelaedeerde. Die
vraag kan alleen van geval tot geval, per (voorgenomen) publi-
catie, beantwoord worden, alle omstandigheden van de con-
crete zaak die voorligt in aanmerking nemende.
Maar hier ging het niet om zo'n geschil tussen burgers over
een concrete publicatie, maar om een klassiek geval van directe
overheidsbemoeienis met de publieke informatievoorziening.
De gemeente Wassenaar mat zichzelf de bevoegdheid aan te
bepalen op wat voor manier de media aan het recht op nieuwsg-
aring invulling zouden geven.
3
Peters benadert deze zaak alsof
de rechter hier, zoals in voornoemde geschillen tussen burgers
onderling, een belangenafweging in concreto moest maken
tussen vrije meningsuiting enerzijds en privacy anderzijds. Hij
schrijft dat de rechter de vrijheid van meningsuiting, ten
opzichte van de privacy, het zwaarst heeft laten wegen. Maar
daar is, met alle respect voor Peters, geen sprake van. De kern
van het probleem met de Wassenaarse verordening was nu juist
dat deze elke belangenafweging onmogelijk maakte. De rech-
ter zou nooit toekomen aan beoordeling, volgens bovenge-
noemde systematiek, van een concrete foto, want álle foto's
waren verboden, ook foto's die weliswaar het privé-leven van
het kroonprinselijk paar betroffen maar bij kennisneming
waarvan onmiskenbaar een publiek belang bestond,
4
en zelfs
foto's waarvan vast stond dat deze volstrekt géén inbreuk
maakten op de privacy van de bewoners van de Eikenhorst.
In een democratische samenleving moeten overheidsmaat-
regelen die de publieke informatievoorziening (kunnen) beïn-
vloeden, zo überhaupt toegestaan, in ieder geval
fine tuned zijn.
De botte bijl van de gemeente Wassenaar voldeed niet aan dat
criterium.
Reactie op `Het Wassenaarse
fotografieverbod'
Reactie
Dylan Griffiths*
In Mediaforum 2003-9 zette prof. mr. J.A. Peters uiteen waarom de motivatie
in de zaak NVJ vs. Wassenaar (Vzr. Rb. Den Haag 6 augustus 2003) `revolutio-
nair' te noemen is, met name vanwege het gebruik door de rechter van artikel
7 Grondwet en zijn afweging tussen privacy en vrijheid van meningsuiting.
*
Mr. D. Griffiths is advocaat bij Höcker Rueb Doeleman te Amsterdam.
1
In het bijzonder in zijn proefschrift
Het primaat van de vrijheid van meningsuiting,
diss. Leiden, 1981.
2 J.A. Peters, `Het Wassenaarse fotografieverbod',
Mediaforum 2003-9, p. 273.
3 Heel wat anders is, dat de eigenaar van een stuk grond, met gebruikmaking van
zijn privaatrechtelijke bevoegdheden, zijn eigendom voor het publiek kan
afsluiten (of mensen die een camera bij zich hebben kan weigeren). De rechter
was dus helemaal niet `de weg kwijt', zoals Peters beweert, toen hij relevant
achtte dat het Koninklijk Huis ter bescherming van zijn privacy een groter deel
van het perceel voor het publiek had kunnen afsluiten of voorwaarden had
kunnen stellen aan de toegankelijkheid. Anders dan Peters, zag de rechter het
principiële verschil in tussen die mogelijkheid en wat er gebeurd was in de
casus die hij moest beoordelen: hier bepaalde de overheid waar aan (visuele)
nieuwsgaring mocht worden gedaan.
4 Hoewel onnodig ter staving van de principiële onjuistheid van het fotografie-
verbod, toch een voorbeeld van zo'n `nuttige' foto. De baby is op komst. Vader
Zorreguieta komt natuurlijk ook op bezoek. Niks aan de hand, het is immers
een `pure privé-kwestie'. Ook als hem gevraagd wordt of er op officieel niveau
echt geen enkel contact zal zijn tussen vertegenwoordigers van Nederland en
de heer Zorreguieta antwoordt de minister president dat dat `niet aan de orde
is'. Een dag later wordt de minister president gefotografeerd als hij voor de
deur van Eikenhorst 4 uit een auto stapt en Zorreguieta de hand drukt.
Mediaforum 2003-10
325
Naschrift
Jit Peters
Laat ik voorop stellen dat Griffiths en ik het eens blijken te
zijn over de conclusie dat het fotografieverbod van Wassenaar
een te botte bijl was en de verordening van Wassenaar te ver
ging. Ook zijn we het eens dat nieuwsgaring, als primaire bron
van informatie ten behoeve van het openbare debat, deelt in de
bescherming van meningsuiting. Dat is al heel wat.
Mijn kritiek op de rechter betrof dus in essentie niet zijn
einduitspraak maar de redenering waarom de verordening
onverbindend is. Te makkelijk schaart de rechter de hele
nieuwsgaring onder artikel 7 Grondwet, zonder daarbij dan
aan te haken aan de bestaande jurisprudentie. Ik had me maar
beperkt tot artikel 10 EVRM. Echter anders dan Griffiths
schijnt te suggereren vindt ook bij een beperking door de over-
heid van de vrijheid van meningsuiting, inclusief het recht van
vrije nieuwsgaring, altijd een belangenafweging plaats door
de rechter. Daartoe dwingt ook de systematiek van artikel 10
EVRM. Dat doet de rechter, die Griffiths zo verdedigt, in dit
geval ook. `In wezen gaat het in deze zaak om twee conflicte-
rende grondrechten, te weten enerzijds het recht op vrijheid
van meningsuiting- inclusief het recht op vrije nieuwsgaring-
en anderzijds het recht op eerbiediging en bescherming van de
persoonlijke levenssfeer'. Dan toetst de rechter aan de beginse-
len van proportionaliteit en subsidiariteit. Tot zover niets mis
met de redenering.
Raakt hij dan de weg kwijt? Wie schiet er wat mee op wan-
neer een groter deel van het perceel voor het publiek wordt
afgesloten? Niet de fotografen, niet het nieuwsgierige publiek
en ik zeker ook niet als eenvoudige wandelaar. Kortom: een
reëel alternatief voor een verbod?
Eerder heb ik al eens een pleidooi gehouden om de aard van
de meningsuiting mee te wegen bij de bescherming die de
uiting zou moeten genieten. Hoe meer de uiting in het belang
is van het publieke debat, hoe absoluter de bescherming zou
moeten zijn en hoe minder ruimte er zou moeten zijn voor een
belangenafweging. Uit een eerdere publicatie
1
leek het erop
dat Griffiths ook door deze, op Meiklejohn's theorie geïnspi-
reerde, gedachte was toegedaan en dat lijkt hij nog steeds.
Immers een `nuttige' foto van een handdruk tussen `de schoon-
vader' en de minister president voor de deur van Eikenhorst is
politiek nieuws. Daar heeft Griffiths een punt.
1
Dylan Griffiths, `Beslissen zonder belangenafweging'
NJB 2002, p. 835.
Mediaforum 2003-10
326
Rechtspraak
Van rechtspraak aangeduid met een
is bij het redactiesecretariaat schriftelijk een
kopie te bestellen. Kosten:
0,50 per pagina,
met een minimum van
7, per bestelling.
Faxtoeslag
11,50. Prijzen zijn exclusief BTW.
Integraal in de Jurisprudentiebijlage:
J
EHRM 8 juli 2003, Caroline von Hannover vs.
Duitsland,
www.echr.coe.int (appl. no 59320/00)
Privacybescherming · Uitingsvrijheid ·
Public figures
Prinses Caroline van Hannover, dochter van
prins Rainier III van Monaco, klaagt over
beslissingen van het Duitse Bundesverfas-
sungsgericht, waardoor zij naar haar oordeel
niet beschermd wordt tegen aantasting van
haar privé-leven door publicatie van foto's in
diverse tijdschriften. De Duitse rechter ver-
bood die publicaties niet. Daarbij nam de
Duitse rechter in aanmerking dat de prinses
een `absolute Person der Zeitgeschichte' is,
welk begrip niet beperkt is tot personen van
politiek en historisch belang. Ook nam de
Duitse rechter onder meer in aanmerking
dat de bewuste foto's gemaakt waren op
openbare plekken. Het EHRM overweegt op
de klacht dat zij serieuze kwesties van feite-
lijke en juridische aard aan de orde stelt, die
niet opgelost kunnen worden in dit stadium
van het onderzoek, maar een onderzoek ten
gronde vereisen. Het Hof verklaart de klacht
ontvankelijk en heeft inmiddels een hoorzit-
ting bepaald op 6 november 2003.
EHRM 10 juli 2003, Murphy vs. Ierland, nr. 44
m.nt. A. J. Nieuwenhuis
J
Art. 9 EVRM · Art. 10 EVRM · Religieuze
reclame
Zie de vooraankondiging in
Mediaforum
2003-9, p. 288
HvJ EG 21 januari 2003, Bacardi-Martini SAS
vs. Newcastle United Football Company,
NJ
2003, 464.
Vrij verkeer van diensten · Alcoholreclame
Voetbalwedstrijd tussen Engelse club New-
castle en het Franse Metz wordt rechtstreeks
uitgezonden op televisie in zowel Engeland
als Frankrijk. De geplande reclame van Baca-
rdi-Martini tijdens de wedstrijd voldoet aan
de regels voor reclame voor alcoholische
dranken in Engeland doch niet aan zulke
regels in Frankrijk. Kort voor de wedstrijd
laat Newcastle daarom de reclame verwijde-
ren. Bacardi-Martini eist schadevergoeding
en voert aan dat de Franse regels in strijd
zijn met art. 59 van het EG-Verdrag, daar zij
een beperking inhouden van de grensover-
schrijdende dienstverrichtingen. De High
Court acht het niet passend om als Engelse
rechterlijke instantie uitspraak te doen over
de verenigbaarheid van een Franse wet met
art. 59 EG-Verdrag en verzoekt om een pre-
judiciële beslissing. Het Europese Hof be-
paalt dat het niet over elementen beschikt
waaruit de noodzaak blijkt om zich uit te
spreken over de verenigbaarheid met het
Verdrag van een wettelijke regeling van een
andere lidstaat dan die van de verwijzende
rechter. Het Hof verklaart de prejudiciële
vragen niet-ontvankelijk.
HvJEG 12 juni 2003, Schmidberger vs. Oosten-
rijk,
www.curia.eu.int (zaak C-112/00)
Vrij goederenverkeer · Vrijheid van me-
ningsuiting
Oostenrijk ondernam niets tegen een dertig-
urige blokkade van de A13 (Brenner-route).
De Vereniging Transitforum Austria Tirol
wilde daarmee protesteren tegen de vervui-
ling van het gevoelige Alpengebied door het
toenemende vrachtverkeer op de snelweg.
Oostenrijk trad niet op tegen de blokkade op
grond van de vrijheid van meningsuiting
waar de demonstranten zich op beriepen. De
grondrechten maken een integrerend deel
uit van de algemene beginselen van het
gemeenschapsrecht. Alle omstandigheden
in aanmerking genomen (duur van de blok-
kade, doel van de blokkade betrof niet het
vrij verkeer als zodanig, maatregelen ter
beperking van de schade, geen gevaar voor
de veiligheid) konden de nationale autoritei-
ten, gelet op de ruime beoordelingsbevoegd-
heid, redelijkerwijze van oordeel zijn dat de
nagestreefde doeleinden niet op andere wij-
ze konden worden bereikt.
HR 10 juni 2003 (strafkamer), www.rechtspraak.nl
(LJN-nr. AF6437)
Kinderporno · Seksuele gedraging
Het Hof oordeelde dat een videoband met
een op zichzelf onschuldige afbeelding van
een naakte jongen en een naakt meisje op
een strand door langdurig en suggestief
inzoomen op de geslachtsdelen van de jon-
gen en het meisje tot een seksuele gedraging
is geworden. De Hoge Raad casseert. De
bepaling van art. 240b (oud) Sr strekt er blij-
kens de wetsgeschiedenis toe om kinderen te
beschermen tegen seksuele exploitatie. Aan
de beelden op een videoband van naakte kin-
deren op een strand die op zichzelf geen
afbeeldingen van seksuele gedragingen in de
zin van die bepaling bevatten, liggen geen
seksuele gedragingen ten grondslag waartoe
die kinderen zijn gebracht.
Hof Amsterdam 6 augustus 2003, Strafzaak
Gemeenteraadslid Van Kouwen,
www.recht-
spraak.nl (LJN-nr. AI0892)
Schending ambtsgeheim · Wob
Het College van B&W in Houten heeft finan-
ciële informatie terzake van een bouwpro-
ject vertrouwelijk ter inzage gelegd voor een
werkgroep van de gemeenteraad. Uit deze
informatie bleek dat aan de initiatiefnemer
van het bouwproject ruime compensatie
werd geboden voor inkrimping van dit pro-
ject. Raadslid Van Kouwen heeft aangedron-
gen op nadere toelichting over het vertrou-
welijk karakter van deze zaak en na
uitblijven daarvan een aantal memo's op de
website van Groen Links geplaatst, waarin
delen van de vertrouwelijke informatie zijn
opgenomen. Het OM vervolgt Van Kouwen
wegens schending van zijn ambtsgeheim.
Door Van Kouwen wordt aangevoerd dat de
begrippen `geheim' en `vertrouwelijk' niet
geheel dezelfde inhoud hebben en dat de
betreffende informatie niet onder zijn
geheimhoudingsplicht valt. Het Hof oor-
deelt echter dat er geen aanleiding is te ver-
onderstellen dat deze begrippen een heel
verschillende inhoud hebben. Voorts voert
Van Kouwen aan dat de betreffende informa-
tie in strijd met art. 10 Wob als vertrouwelijk
is bestempeld. Het Hof stelt aan de hand van
een analyse van de administratieve recht-
spraak terzake van art. 10 vast dat bescher-
ming van zowel bedrijfsgegevens van de ini-
tiatiefnemer van het bouwproject als het
belang van de gemeente een beroep van de
gemeente op art. 10 rechtvaardigen. Het ten
laste gelegde wordt bewezen verklaard en
Van Kouwen strafbaar. Geen straf wordt
opgelegd, omdat Van Kouwen uit oprechte
bezorgdheid handelde en evenals de
gemeente Houten geleerd heeft van de
gebeurtenissen. Daarin ligt de winst van Van
Kouwens optreden voor de democratische
rechtsstaat.
Hof Arnhem 2 september 2003, De Lotto vs. Lad-
brokes,
www.rechtspraak.nl (LJN-nr. AJ9996)
Gokken op internet · Vrij verkeer van
diensten
Hoger beroep van Vzr. Rb. Arnhem 27 janu-
ari 2003 (zie
Mediaforum 2003-3, p. 89) waarin
Ladbrokes werd geboden het aan Neder-
landse ingezetenen in Nederland onmo-
gelijk te maken deel te nemen aan bepaalde
kansspelen op Internet. Het Hof bekrachtigt
het vonnis grotendeels, maar past op vorde-
ring van De Lotto het dictum onder 1
(gebodsomschrijving) aan. Het Hof oordeelt
dat het in het Verenigd Koninkrijk gevestig-
de Ladbrokes haar website mede specifiek
richt op Nederland, zodat de Wet op de
Kansspelen van toepassing is. Het gebod
brengt weliswaar een beperking met zich
mee van het vrij verkeer van diensten, maar
deze is gerechtvaardigd uit hoofde van
dwingende redenen van algemeen belang
(inperken fraudegevoeligheid en excessieve
goklust) Het gebod is daarom niet in strijd
met art. 49 van het EG-Verdrag. Ladbrokes
handelt onrechtmatig jegens De Lotto, aan-
gezien zij zich door overtreding van het wet-
telijk verbod een ongeoorloofde voorsprong
verschaft ten opzichte van De Lotto.
Hof Den Haag 4 september 2003, Scientology vs.
ISP's en Spaink,
nr. 45 m.nt. D. J.G. Visser
J
Citaatrecht · Auteursrecht · Uitingsvrij-
heid · Aansprakelijkheid providers
Karin Spaink heeft op haar website fragmen-
ten geplaatst uit geschriften van de Church
of Scientology ter illustratie van een relaas
waarin zij de praktijken van Scientology aan
de kaak stelt. Scientology vordert een verbod
onder redactie van
Laurens Dragstra, Lars Huisman, Annetje Ottow en Gerard Schuijt
Met medewerking van Annemarie Jansen
D o c u m e n t a t i e
op grond van het auteursrecht. De Recht-
bank (Rb. 's-Gravenhage 9 juni 1999,
Mediafo-
rum 1999, p. 205) oordeelde dat er sprake was
van inbreuk, alsmede dat ook de Internet
Service Providers (ISP's) aansprakelijk zijn.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn ISP's
namelijk aansprakelijk zodra zij van de
auteursrechtinbreuk in kennis worden
gesteld en aan de juistheid van die kennisge-
ving in redelijkheid niet valt te twijfelen. Bij
het hof zijn twee middelen naar voren
gebracht ter vernietiging van het vonnis.
Allereerst zou Spaink een beroep toekomen
op het citaatrecht. Het hof oordeelt echter
dat daarvoor niet voldaan is aan de voor-
waarde dat de geschriften `rechtmatig open-
baar gemaakt' zijn. Weliswaar zijn de
geschriften aan ongeveer 25.000 volgelingen
onder strikte geheimhouding ter inzage
aangeboden, dit betekent echter niet dat
deze rechtmatig zijn openbaargemaakt in de
zin van art. 15a Aw. Die openbaarmaking ziet
namelijk op het voor het eerst aan het
publiek ter beschikking stellen, waarbij de
eis van rechtmatigheid betekent `met toe-
stemming van de rechthebbende'. Het twee-
de middel houdt in dat de uitoefening van
het auteursrecht door Scientology in strijd is
met art. 10 EVRM. Het hof is na bestudering
van diverse overgelegde stukken van oordeel
dat Scientology de verwerping van democra-
tische waarden niet schuwt en beoogt macht
uit te oefenen over haar leden. De door
Spaink
beoogde
informatieverstrekking
over de gang van zaken bij Scientology
wordt ondersteund en geloofwaardig ge-
maakt door de citaten uit de geschriften.
Onder die omstandigheden moet het au-
teursrecht van Scientology wijken voor het
belang van informatieverstrekking ex art. 10
EVRM van Spaink. Voor wat betreft de aan-
sprakelijkheid van ISP's geldt nog dat deze
slechts de technische faciliteiten bieden om
openbaarmaking van gegevens door ande-
ren mogelijk te maken. Zij maken dan ook
niet zelf openbaar. Het hof vernietigt het
vonnis van de rechtbank en wijst de vorde-
ringen alsnog af.
Rb. Alkmaar 13 augustus 2003, Verscholen Dorp
vs. Belangenvereniging Gedupeerde Recre-
anten,
www.rechtspraak.nl (LJN-nr. AI1806)
Onrechtmatige website
Eiseres exploiteert onder andere campings
en bungalowparken. Gedaagde heeft in 2001
onder de domeinnaam `campingmaffia.nl'
een website geactiveerd, waarmee zij `het
publiek op de hoogte wil houden van de acti-
viteiten van de campingmaffia'. Op de web-
site staat onder andere een lijst met onderne-
mingen die zich schuldig zouden maken aan
bizarre huurverhogingen, plotselinge huur-
opzeggingen, wurgcontracten, pesterijen en
intimidatie. Op vordering van een aantal
recreanten, die eigenaar zijn van een bunga-
low of caravan bij eiseres, heeft de Pres. Rb.
Alkmaar op 25 oktober 2001 een verbod en
rectificatie voor drie maanden bevolen.
Gedaagde heeft bij de rectificatie op haar
website aangegeven dat `campingmaffia.nl
spoedig terug komt in vernieuwde vorm'.
Thans is de website echter ontoegankelijk.
Eiseres vordert nu een blijvend verbod op de
oude content en een verbod voor de toe-
komst op verwijzingen naar eiseres op de
website van gedaagde. Deze vorderingen
worden afgewezen.
Eiseres heeft geen
belang bij de eerste vordering, vanwege de
eerdere uitspraak en het verstreken tijdsver-
loop zonder overtreding daarvan. Een ver-
bod voor de toekomst dient in het licht van
de art. 10 EVRM-jurisprudentie met terug-
houdendheid te worden toegepast. De Vzr.
ziet geen aanleiding voor een dergelijk ver-
bod.
Rb. Amsterdam 6 mei 2003 (politierechter), recht-
spraak.nl (LJN-nr. AI1826)
Majesteitsschennis · Uitingsvrijheid
Verdachte heeft op 2 februari 2003 op de
Dam in Amsterdam met een poster op een
bord gelopen met de tekst `Aan mw. Zorre-
guieta en aan de (domme) prins Willem
Alexander. Dit is niet zomaar een mening.
Deze doden wachten nog op gerechtigheid.
Zij zijn de doden waaraan `pappa' Zorre-
guieta medeschuldig is. Ook al blijft hij ont-
kennen: hij is medeplichtig aan genocide.
Jullie leugenachtige ontkenning van het
bestaan van deze doden, van de tienduizen-
den ontvoerde en doodgefolterde burgers in
Argentinië is nog erger. Het laat zien hoe
bedorven en amoreel jullie zijn. Ik kots mijn
walging in jullie gezichten. En ik wens jullie
geen rust. Gerechtigheid zal geschieden'. Op
de poster waren ook schedels en resten van
dode lichamen afgebeeld. Volgens de politie-
rechter had de verdachte nobele motieven,
maar hij heeft zich willens en wetens bloot-
gesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij de
kroonprins zou beledigen. De tekst en de
illustratie zijn beledigend omdat de prins
erdoor in zijn waardigheid is getroffen en in
zijn eer en goede naam aangetast. De veroor-
deling beantwoordt aan een dringende
maatschappelijke behoefte, te weten het
koningshuis en de leden daarvan te bescher-
men. Deze beperking van de uitingsvrijheid
is proportioneel ten opzichte van het beoog-
de doel.
250 boete.
Rb. Rotterdam 5 juni 2003, Tele2 vs. OPTA
(reg.nrs.: Awb 03/1378, 1379 en 1380 TELEC T1)
Telecommunicatie · Niet tijdige beslis-
sing op bezwaar · art. 7:10, lid 1 Awb
Vaststaat dat OPTA in strijd met art. 7:10, lid
1 Awb niet tijdig heeft beslist op de bezwaar-
schriften van Tele2 tegen de besluiten van
OPTA van 4 december 2000, 29 juni 2001 en
27 juni 2002 met betrekking tot de intercon-
nectietarieven van KPN Telecom. OPTA
dient alsnog binnen 6 weken een beslissing
op bezwaar te nemen.
Vzr. Rb. Alkmaar 29 augustus 2003, KPN en
Meweka vs. Multikabel,
www.rechtspraak.nl
(LJN-nr. AI1606)
Onrechtmatige reclame · Rectificatie
Kabelbedrijf Multikabel voert een reclame-
campagne, waar onder meer wordt gemeld:
`Activeer daarom vandaag nog gratis uw
kabelaansluiting voor ADSL-internet. (...)
ADSL in Noord-Holland. Een makkie met
Multikabel'. KPN en service provider Mewe-
ka vorderen een verbod op het doen van
reclame-uitingen waarin Multikabel sugge-
reert dat zij ADSL-internet via de kabel aan-
biedt, alsmede een rectificatie. De vorderin-
gen worden toegewezen. De Vzr. oordeelt
dat internet via de kabel taalkundig niet
onder het begrip ADSL valt (de `L' van line
staat uitsluitend voor telefoonlijn). Daar-
naast is het begrip ADSL uitsluitend ontwik-
keld ten behoeve van internet via telefoonlij-
nen, juist als tegenhanger van internet via de
kabel. De wijze waarop Multikabel de aan-
duiding ADSL bezigt, namelijk als blikvan-
ger, betreft het op zodanige wijze inhaken
op de succesformule ADSL, dat haar hande-
len als onrechtmatig jegens eisers moet wor-
den gekwalificeerd.
Vzr. Rb. Amsterdam 28 april 2003, KPN Telecom
vs. UPC Nederland en Chello Broadband
Vergelijkende reclame · Verbod · Rectifi-
catie
UPC start in maart 2003 een reclamecampag-
ne rond het thema `Chello is ADSL van KPN
te snel af'. KPN vordert staking van de cam-
pagne en rectificatie in verschillende dagbla-
den. De rechter verklaart dat indien gekozen
wordt voor het vermelden van vergelijkende
gegevens, deze vergelijkende gegevens ook
juist moeten zijn. Verder dienen geen gege-
vens te worden weggelaten die voor de con-
sument noodzakelijk zijn om een keuze te
kunnen maken. Nu UPC/Chello ter zitting
heeft meegedeeld dat de reclamecampagnes
binnenkort stoppen en de misleidende ele-
menten zullen worden aangepast heeft een
verbod geen toegevoegde waarde. De slogan
`Chello is ADSL van KPN te snel af' kan niet
als onnodig denigrerend worden aange-
merkt; het betreft een woordspeling en de
claim is in zijn algemeenheid juist. Dat Chel-
lo, na upgrading door KPN, feitelijk slechts
1,8 keer zo snel is als ADSL van KPN in plaats
van de beweerde 2 keer is een dermate gering
verschil dat het een rectificatie niet recht-
vaardigt. Nu KPN UPC niet eerder op haar
campagne heeft aangesproken is KPN niet
voortvarend opgetreden. KPN heeft de scha-
de dan ook mede aan zichzelf te danken.
Vzr. Rb. Amsterdam 3 juli 2003, Brandt vs. Aal-
ders,
KGK 2003, 1646
Publicatieverbod biografie
Zoon eist verbod van biografie over zijn
moeder, de dubbelspionne Leonie Brandt-
Pütz. De eis wordt afgewezen. Geen schen-
ding van de privacy, geen onjuistheden, niet
onnodig grievend.
Vzr. Rb. Amsterdam 11 september 2003, Endstra
vs. De Telegraaf,
www.rechtspraak.nl (LJN-nr.
AJ9995)
Perspublicatie · Bronbescherming · Rec-
tificatie
De Telegraaf beroept zich voor haar bewering
op een viertal anonieme bronnen die zij niet
wil prijs geven, hetgeen haar goed recht is.
De consequentie daarvan is echter wel dat
die noch voor eiser noch voor de voorzienin-
genrechter controleerbare bronnen niet
kunnen bijdragen aan de door
De Telegraaf te
verschaffen feitelijke onderbouwing van de
bewering. Zij zullen die dan ook op andere
wijze aannemelijk moeten maken. Met
betrekking tot de suggestie dat eiser direct
of indirect betrokken is geweest bij een aan-
tal moordaanslagen oordeelt de voorzienin-
genrechter dat het een niet feitelijk onder-
bouwde, lichtvaardige beschuldiging is van
ernstige aard. Dit moet worden gerectifi-
ceerd. Een derde bewering betreft een oud
citaat die al door tal van media is overgeno-
men, waartegen eiser niet is opgetreden.
Mediaforum 2003-10
327
Vzr. Rb. 's-Gravenhage 4 juli 2003, Kranenburg
vs. Minister van Algemene Zaken,
nr. 46 m.nt.
A.W. Hins
J
WOB · Doorrekeningen CPB
Kranenburg, redacteur van
NRC Handelsblad,
heeft met een beroep op de WOB de minister
van Algemene Zaken verzocht om overleg-
ging van de doorrekeningen van het Cen-
traal Plan Bureau (CPB) ten behoeve van de
gevoerde formatieonderhandelingen tussen
de fracties van CDA en PvdA onder leiding
van de informateurs Donner en Leijnse. De
minister heeft niet aan het verzoek kunnen
voldoen omdat volgens hem de gevraagde
documenten niet bij of onder het ministerie
van Algemene Zaken berusten. Naar het oor-
deel van de rechter vormt deze bewering
geen deugdelijke motivering. Ter zitting
heeft de minister het bestreden besluit nader
gemotiveerd en de rechter overtuigd van het
feit dat (in)formateurs geen bestuursorgaan
zijn die onder enige ministeriële verant-
woordelijkheid vallen. Er bestaat geen hië-
rarchische relatie tussen de minister en de
(in)formateurs. De minister kan de (in)for-
mateurs derhalve niet opdragen bepaalde
stukken aan het dossier toe te voegen. De
rechter acht het aannemelijk dat de gevraag-
de stukken zich niet bevinden in het dossier
dat bij de minister berust, laat de rechtsge-
volgen van het ondeugdelijk gemotiveerde
besluit in stand en ziet geen aanleiding voor
een voorlopige voorziening op grond van
art. 8:81 Awb.
Vzr. Rb. 's-Gravenhage 4 juli 2003, Kranenburg
vs. Minister van Algemene Zaken
WOB · Amendementen regeerakkoord
Kranenburg, redacteur van
NRC Handelsblad,
verzoekt met een beroep op de WOB de
minister van Algemene Zaken om overleg-
ging van de amendementen die de Tweede
Kamerfracties van CDA, VVD en D66 hebben
ingediend op het ontwerp regeerakkoord
dat de onderhandelaars van deze fracties slo-
ten. De minister verklaart niet aan het ver-
zoek te kunnen voldoen omdat de gevraagde
documenten niet bij of onder het ministerie
van Algemene Zaken berusten. Naar het oor-
deel van de rechter vormt deze bewering
geen deugdelijke motivering. Ter zitting
heeft de minister het bestreden besluit nader
gemotiveerd en de rechter overtuigd van het
feit dat (in)formateurs geen bestuursorgaan
zijn die onder enige ministeriële verant-
woordelijkheid vallen. Er bestaat geen hië-
rarchische relatie tussen de minister en de
(in)formateurs. De minister kan de (in)for-
mateurs derhalve niet opdragen bepaalde
stukken aan het dossier toe te voegen. De
minister kan de motivering van het bestre-
den besluit nog aanvullen bij de nog te
nemen beslissing op bezwaarschrift en de
rechter ziet dan ook geen aanleiding te oor-
delen dat het bestreden besluit, onder aan-
vulling van de motivering, in bezwaar geen
stand zou houden. De gevorderde voorlopi-
ge voorziening uit art. 8:81 Awb wordt
geweigerd.
Vzr. Rb. 's-Gravenhage 4 juli 2003, Kranenburg
vs. Minister van Algemene Zaken,
nr. 47 m.nt.
A.W. Hins
J
WOB · Brief secretaris-generaal
Kranenburg, redacteur van
NRC Handelsblad,
verzoekt met een beroep op de WOB de
minister van Algemene Zaken om overleg-
ging van de brief van de secretaris-generaal
van het ministerie van Algemene Zaken aan
de overige secretarissen-generaal, waarin hij
de procedurele gang van zaken rond de kabi-
netsformatie en de betrokkenheid van de
diverse departementen daarbij beschrijft. De
minister verklaart dat het verzoek betrek-
king heeft op een brief van de minister-pre-
sident, welke op grond van art. 11 WOB niet
verstrekt wordt. Volgens de rechter staat vast
dat het onderhavige stuk betrekking heeft
op informatieverstrekking in het kader van
de (in)formatie van de minister-president
aan zijn collega ministers. Gesteld kan wor-
den dat de brief een intern karakter heeft,
waarbij het gaat om het beraad over een
bestuurlijke aangelegenheid binnen een
bestuursorgaan in het kader van de geza-
menlijke verantwoordelijkheid voor een
bestuurlijke aangelegenheid. Van een evi-
dent onrechtmatig besluit van de minister is
dan ook geen sprake en de rechter weigert de
voorlopige voorziening uit art. 8:81 Awb.
Vzr. Rb. 's-Gravenhage 16 juli 2003, Kranenburg
vs. Minister van Economische Zaken,
nr. 48
m.nt. A.W. Hins
J
WOB · Doorrekeningen CPB · Eindvoor-
stel CDA
Kranenburg, redacteur van
NRC Handelsblad,
verzoekt met een beroep op de WOB de
minister van Economische Zaken om over-
legging van de doorrekeningen van het CPB
ten behoeve van de formatieonderhandelin-
gen die onder leiding van de informateurs
Donner en Leijnse zijn gevoerd tussen de
fracties van CDA en PvdA, het eindvoorstel
van CDA-zijde en de onderliggende stukken
bij dat CDA-voorstel. De minister weigert de
doorrekeningen en de onderliggende stuk-
ken te verstrekken en deelt mee dat het CDA-
eindvoorstel niet kan worden verstrekt
omdat dit niet bij hem berust en hij er niet
de beschikking over heeft. De rechter
bepaalt dat de informatie in de CPB-doorre-
keningen en de onderliggende stukken bij
het CDA-eindvoorstel geen bestuurlijke aan-
gelegenheid betreffen.
De (in)formatie-
onderhandelingen vormen slechts onder-
deel van het politieke proces voorafgaand
aan de totstandkoming van het nieuwe
bestuur. De rechter is bovendien van oordeel
dat de motivering van de minister ten aan-
zien van het CDA-eindvoorstel voldoende is.
De minister heeft op goede gronden overwo-
gen dat de in de WOB neergelegde verplich-
tingen niet zo ver gaan dat de minister het
stuk ten behoeve van Kranenburg zou moe-
ten opvragen.
Vz. Rb. 's-Gravenhage 4 augustus 2003, US Tele-
com vs. Staat,
www.rechtspraak.nl (LJN-nr.
AI0852)
Publicatie gegevens website · Verkeersin-
formatie
De Staat heeft er bewust voor gekozen de dis-
tributie van verkeersinformatie over te laten
aan de markt en zijn beleid daarop ingericht.
Hiertoe heeft zij een contract afgesloten met
US Telecom (handelende onder de naam `De
Verkeersinformatiedienst'). De Verkeersin-
formatiedienst betrekt tegen betaling ver-
keersinformatie van Rijkswaterstaat op basis
waarvan zij diverse commerciële diensten
aanbiedt. Door zelf verkeersinformatie te
publiceren op een website handelt De Staat
onzorgvuldig jegens De Verkeersinformatie-
dienst. Temeer nu door De Verkeersinforma-
tiedienst forse investeringen zijn gedaan om
haar producten op de markt te brengen.
Vzr. Rb. 's-Gravenhage 16 september 2003, WHM
Holding vs. Endemol
Auteursrecht · Geheimhoudingsovereen-
komst · Format
WHM heeft in april 2000 een idee gepresen-
teerd aan onder andere John de Mol, nadat
deze een geheimhoudingsovereenkomst
had ondertekend. Dit idee behelst het uit-
drukken van een opinie in een koers waarop
gespeculeerd kan worden. Endemol heeft
laten weten af te zien van verder onderzoek
naar gezamenlijke ontwikkeling van dit
idee. Medio 2003 heeft Endemol aangekon-
digd een spel te lanceren onder de naam
`Sterrenbeurs', waarbij gespeculeerd kan
worden met aandelen in bekende Nederlan-
ders. WHM vordert een verbod op grond van
inbreuk op het auteursrecht op het format
WHM en wegens strijd met de geheimhou-
dingsovereenkomst. De vordering wordt
afgewezen. Het stopzetten van het spel Ster-
renbeurs en het niet doorgaan van geplande
televisie-uitzendingen zal voor Endemol lei-
den tot een schadepost van tenminste
4
miljoen. Een afweging van belangen van
partijen brengt dan ook mee dat het verbod
slechts toegewezen kan worden als met aan
zekerheid grenzende waarschijnlijkheid te
verwachten valt dat de bodemrechter deze
vordering zal toewijzen. Dat geval doet zich
niet voor. Niet duidelijk is wat precies de
kenmerken van het format/idee van WHM
zijn. Evenmin is duidelijk in hoeverre Ster-
renbeurs daarmee precies overeenstemt
en/of verschilt.
Vzr. Rb. Haarlem 11 september 2003, Pessers vs.
Lycos
Onrechtmatige publicatie · Internetpro-
vider · Gegevens over websitehouder
Schadelijke publicatie op internetsite over
postzegelhandelaar. Deze wil onder meer
dat de provider de persoonsgegevens van de
websitehouder bekend aan hem maakt. De
Vzr. overweegt dat een provider op grond
van de zorgvuldigheid die in het maatschap-
pelijk verkeer betaamt gehouden kan zijn
zijn medewerking te verlenen als hij ervan in
kennis wordt gesteld dat een van de gebrui-
kers van zijn computersysteem door middel
van diens homepage onrechtmatig handelt.
Indien er belang is dat verstrekking van
NAW-gegevens rechtvaardigt, de ernst van
de inbreuk opheffing van de anonimiteit
rechtvaardigt, het doel dat met de verstrek-
king wordt nagestreefd niet langs andere,
minder ingrijpende weg kan worden bereikt
en de verstrekking in de mate die is beoogd
evenredig is aan het nagestreefde doel, is er
sprake van zo'n situatie.
Vzr. Rb. Utrecht 31 juli 2003, Holland Casino vs.
Peak Entertainment,
www.rechtspraak.nl (LJN-
nr. AI0977)
Wet op de kansspelen · Onrechtmatige
daad · Vrij verkeer van diensten
Holland Casino, als enige vergunninghou-
der voor Nederland voor het exploiteren van
speelcasino's, komt op tegen het aanbieden
van kansspelen via het internet door Peak
Mediaforum 2003-10
328
Entertainment. Peak handelt in strijd met de
Wet op de kansspelen. Ook al bevindt haar
virtuele casino zich niet in Nederland, de
deelname wordt aangeboden aan personen
in Nederland. Een verbod aan Peak deze
diensten in Nederland aan te bieden is niet
in strijd met het EG-Verdrag omdat genoem-
de wet het verlenen van een vergunning voor
interactieve kansspelen in het geheel niet
mogelijk maakt, dus Holland Casino wordt
niet bevoordeeld ten opzichte van Peak.
Door een voorsprong te nemen Holland
Casino door thans reeds interactieve kans-
spelen in Nederland aan te bieden handelt
Peak onrechtmatig jegens Holland Casino,
terwijl Peak onvoldoende aannemelijk heeft
gemaakt gebonden te zijn aan dezelfde of
vergelijkbaar strenge voorwaarden die thans
gelden voor Holland Casino.
Vzr. Rb. Zutphen 14 juli 2003, Gemeente Eiber-
gen vs. X, KG 2003, 186
Ingezonden brief · Rectificatie · Weer-
woord
In een ingezonden brief in huis-aan-huis-
blad beschuldigt X de gemeente van fraudu-
leus handelen bij het toewijzen van bouwka-
vels. De brief geeft volgens de Vzr. uiting aan
gevoel van onvrede over het gebrek aan
transparantie in het toewijzingsbeleid. Het
staat hem in beginsel vrij die mening te
uiten. De gebezigde bewoordingen tenderen
in de richting van frauduleuze praktijken,
maar dat brengt nog niet mee dat de publica-
tie onrechtmatig is. De bewoordingen zijn
als zodanig niet onnodig grievend. Rectifica-
tie te zwaar middel. Een weerwoord van de
gemeente in het blad zou passend geweest
zijn, te meer nu in het blad de discussie tus-
sen partijen op gang is gekomen.
ABRvS 23 juli 2003, Commissariaat voor de
Media vs. IJmond TV,
nr. 49 m.nt. J. van den
Beukel
J
Mediawet · Doorgifte programma's ·
Bevoegdheid Commissariaat
Zie de vooraankondiging in
Mediaforum
2003-9, p. 292
ABRvS 3 september 2003, X vs. Minister van Jus-
titie,
www.rechtspraak.nl (LJN-nr. AI1749)
Wob · Privacy verzoeker
De Minister van Justitie heeft geweigerd aan
X geluidsopnames op grond van de Wob
openbaar te maken. Deze geluidsopnames
zijn gebruikt door de recherche in het kader
van een tegen X ingestelde strafvervolging.
De Minister stelt dat het belang van de eer-
biediging van de persoonlijke levenssfeer
van X en derden zwaarder dient te wegen
dan het belang van openbaarmaking. Toe-
wijzing van het verzoek zou betekenen dat
bijvoorbeeld ook journalisten van de opna-
me kennis kunnen nemen. Voor wat betreft
de privacy van X zelf geldt dat deze door het
Wob-verzoek in te dienen nu juist uitdruk-
kelijk te kennen geeft geen prijs te stellen op
bescherming daarvan. Na beluistering van
de opname oordeelt de RvS dat ook de priva-
cy van derden niet dermate wordt geschaad
bij openbaarmaking dat dit belang zwaarder
weegt dan het belang van openbaarheid. Ver-
nietiging besluit van de minister.
CBB 28 mei 2003, OPTA en Versatel vs. KPN, nr.
50 m.nt. K. J. M. Mortelmans
J
Telecommunicatie · Bevoegdheid OPTA ·
Kortingstarieven
Zie de vooraankondiging in
Mediaforum
2003-9, p. 292.
CBB 23 juli 2003, VZG Communications vs.
OPTA
(AWB 02/1642)
Telecommunicatie · Registratie · Begrip
besluit Awb
In het besluit van OPTA van 30 november
2000 overweegt OPTA dat zij van oordeel is
dat VZG Communications openbare tele-
communicatiediensten als bedoeld in art.
2.1, lid 1 Telecommunicatiewet aanbiedt en
derhalve registratieplichtig is. Het CBB is
van oordeel dat de rechtbank heeft miskend
dat deze overweging van OPTA een niet-
appellabel rechtsoordeel inhoudt. Het CBB
is van oordeel dat slechts in zeer bijzondere
gevallen een rechtsoordeel als een op zich-
zelf staande publiekrechtelijke handeling
kan worden beschouwd (zie AB 1998/437).
Een zodanig uitzonderingsgeval doet zich
hier niet voor. OPTA en de rechtbank hadden
het bezwaar en het beroep van VZG Commu-
nications niet-ontvankelijk dienen te verkla-
ren.
CBB 27 augustus 2003, KPN vs OPTA (AWB
02/320)
Telecommunicatie · OPTA · Vergoedingen
Nu de Telecommunicatiewet aan de aanwij-
zing van een marktpartij als partij met aan-
merkelijke marktmacht extra verplichtingen
verbindt, welke verplichtingen vervolgens
ook extra toezicht en toezichtskosten met
zich brengen, is er naar het oordeel van het
CBB geen grond voor het oordeel dat de
Staatssecretaris niet in redelijkheid in de
Regeling vergoedingen OPTA 1999 II (
Stcrt.
1999, 62) heeft kunnen neerleggen dat deze
toezichtskosten geheel voor rekening komen
van de als zodanig aangewezen partij en
(niet) mede de marktpartijen die niet als
zodanig zijn aangewezen. De rechtbank
heeft ten onrechte geoordeeld dat deze rege-
ling onverbindend moet worden geacht.
Binnenland
Wijziging Mediawet (1)
De regering heeft op 5 september 2003 bij de
Tweede Kamer een wetsvoorstel ingediend
tot wijziging van de Mediawet met het oog op
verbetering van de openheid en continuïteit
van de landelijke publieke omroep. Het wets-
voorstel kan worden gezien als een reactie op
de concessiewet (
Stb. 2000, 138). Bij deze wet
zijn de statusverschillen (A, B of C) tussen
omroepen afgeschaft en sindsdien moeten
alle omroepverenigingen minimaal 300.000
leden hebben om in het bestel te mogen blij-
ven. Aspirant-omroepverenigingen kunnen
toetreden bij 50.000 leden, genieten dan 5
jaar de aspirant-status en dienen vervolgens
binnen die 5 jaar door te groeien naar 300.000
leden. Dit stelsel beoogt grotere openheid en
diversiteit in het bestel te brengen, maar heeft
harde consequenties. Nieuw toegetreden
omroepverenigingen moeten binnen betrek-
kelijk korte tijd heel hard groeien en voor
bestaande omroepverenigingen van wie het
ledental daalt tot onder de 300.000 valt
onverbiddelijk het doek. Volgens de regering
zijn deze consequenties van de huidige wet
onwenselijk en disproportioneel. Daarom
wordt in het onderhavige wetsvoorstel het
volgende voorgesteld: aspirant-omroepver-
enigingen die voor 5 jaar een voorlopige
erkenning hebben gekregen en die daadwer-
kelijk een vernieuwende bijdrage aan de lan-
delijke publieke omroep blijken te leveren,
kunnen aansluitend voor een erkenning in
aanmerking komen wanneer zij minstens
150.000 leden hebben. Vervolgens kunnen
deze omroepverenigingen doorgroeien naar
300.000 leden, maar indien dit aantal niet
gehaald wordt, blijven ze in het bestel op
basis van minimaal 150.000 leden. Een
omroepvereniging met tussen de 150.000 en
300.000 leden heeft dan recht op de helft van
de hoeveelheid zendtijd en middelen die een
vereniging met 300.000 of meer leden heeft.
Bestaande omroepverenigingen die onder de
300.000 leden zakken vallen niet direct weg,
maar houden een plaats in het bestel, uiter-
aard met evenredig minder zendtijd en mid-
delen. De regering erkent dat in zekere zin
sprake is van herintroductie van de oude sta-
tusverschillen, maar noemt een volledige
terugkeer naar het oude systeem een stap te
ver.
Kamerstukken II 2002/03, 29 030, nr. 1-3.
Wijziging Mediawet (2)
De regering heeft op 8 september 2003 bij de
Tweede Kamer een wetsvoorstel ingediend
tot wijziging van de Mediawet in verband
met de verlaging van de overheidsbijdrage.
Het voorstel beoogt een wijziging van art. 111
lid 2 en 3 Mediawet, waarbij het minimale
niveau van de rijksomroepbijdrage (het
basisbedrag vermeerderd met de jaarlijkse
index) wordt verminderd met het bedrag
van de structurele verlaging van
81,148 mil-
joen vanaf 2007. De kortingen voor de jaren
2004-2006 worden geregeld in een over-
gangsartikel in Hoofdstuk XI van de Media-
wet. Dit artikel zal op 1 januari 2007 komen
te vervallen. Door het wetsvoorstel worden
tevens enige technische wijzigingen aange-
bracht in de artikelen 109 en 109a van de
Mediawet. Deze aanpassingen beogen bin-
nen de bestaande verantwoordelijkheidsver-
deling tussen het Commissariaat voor de
Media en de raad van bestuur van de NOS
verduidelijking aan te brengen ten aanzien
van het nemen van beslissingen omtrent het
terugvorderen van aan omroepinstellingen
beschikbaar gestelde gelden die voor een
ander doel dan waarvoor ze gegeven waren,
zijn gebruikt.
Kamerstukken II 2002/03, 29 032, nr. 1-3.
Wijziging WOB
De regering heeft op 4 april 2003 bij de
Tweede Kamer een wetsvoorstel ingediend
tot wijziging van de Wet openbaarheid van
bestuur, de Wet milieubeheer en enige ande-
re wetten. Met dit wetsvoorstel wordt
beoogd de noodzakelijke maatregelen te
treffen ter uitvoering van het Verdrag van
Aarhus (voluit: Verdrag betreffende toegang
tot informatie, inspraak bij besluitvorming
en toegang tot de rechter inzake milieuaan-
gelegenheden, zie
Trb. 2001, 73). Een belang-
rijke pijler van dit verdrag is dat elke burger
het recht krijgt om op zijn verzoek inzage te
krijgen in milieu-informatie die bij de over-
heid berust (passieve openbaarheid). Daar-
naast moet ook de overheid zelf informatie
beschikbaar stellen (actieve openbaarheid).
In het kort komt het wetsvoorstel erop neer
dat het algemene beschermingsniveau van
Mediaforum 2003-10
329
de WOB wordt opgetrokken naar het niveau
van het verdrag. Hiertoe worden enkele pro-
cedurele bepalingen van de WOB in algeme-
ne zin (dus niet enkel voor milieu-informa-
tie) aangepast aan het verdrag. Voorts
worden enkele van de reeds bestaande alge-
mene uitzonderingsgronden gerelativeerd
voor milieu-informatie en worden enige spe-
cifiek voor milieu-informatie geldende uit-
zonderingsgronden opgenomen. Tenslotte
worden enkele specifiek voor milieu-infor-
matie geldende materiële bepalingen opge-
nomen in Hoofdstuk 19 van de Wet milieu-
beheer, dat thans reeds bepalingen over
openbaarheid bevat.
Kamerstukken II 2002/03, 28 835, nr. 1-3.
Klokkenluiders in het bedrijfsleven
Het Tweede-Kamerlid Van Gent (Groen
Links) heeft op 15 juli 2003 een initiatief-
wetsvoorstel aanhangig gemaakt tot wijzi-
ging van het Burgerlijk Wetboek in verband
met een regeling van de vrijheid van
meningsuiting van werknemers ter bescher-
ming van klokkenluiders. De Stichting van
de Arbeid heeft vrijwillige gedragsregels
opgesteld naar het voorbeeld van de regeling
ter bescherming van klokkenluidende amb-
tenaren, maar het kamerlid meent dat alleen
een wettelijke regeling bescherming voor
klokkenluiders kan waarborgen.
Kamerstukken II 2002/03, 28 990, nr. 1-3.
Implementatie ONP-richtlijnen
Op 15 april 2003 diende de regering bij de
Tweede Kamer een wetsvoorstel in tot wijzi-
ging van de Telecommunicatiewet ter imple-
mentatie van zes Europese richtlijnen die
tezamen een nieuw ONP-kader vormen (zie
Mediaforum 2003-6, p. 202). Bij Nota van Wij-
ziging van 8 september 2003 is dit wetsvoor-
stel op diverse punten gewijzigd. Deze Nota
van Wijziging bevat 35 onderdelen en
beslaat maar liefst 26 pagina's.
Kamerstukken II 2002/03, 28 851, nr. 13.
Frequentiebeleid
Minister Brinkhorst van EZ heeft op 5 sep-
tember 2003 een brief aan de Tweede Kamer
gestuurd waarin hij enige vragen beant-
woordt die gesteld waren tijdens een Alge-
meen Overleg over de verdeling van radio-
frequenties. In de brief gaat de minister
achtereenvolgens in op:
1. Klachten over de ontvangst van de publie-
ke omroepen.
2. Het verdere verloop van de technische
implementatie.
3. De haalbaarheid van programmering van
Radio 1 op middengolffrequentie 747 AM.
Hierom was gevraagd in de motie Atsma (zie
Mediaforum 2003-9, p. 294).
4. De kosten van het zero-base project.
5. De mogelijkheid van frequentieruimte
voor radiopiraten.
Kamerstukken II 2002/03, 24 095, nr. 151.
Vergunningen Wireless Local Loop
Onder Wireless Local Loop (WLL) wordt ver-
staan: digitale radiosystemen gebaseerd op
multipoint technologie waarmee radiover-
bindingen in duplex gerealiseerd kunnen
worden tussen een vast centraal punt en
meerdere vast opgestelde aansluitpunten.
Voor deze systemen is in het Nationaal Fre-
quentieplan 2002 frequentieruimte beschik-
baar gesteld. De beschikbare frequentie-
ruimte is verdeeld over twee vergunningen,
waarvan de eerste een looptijd van 12 jaar
heeft en de tweede een looptijd tot en met 31
december 2007. Minister Brinkhorst van EZ
heeft bij Bekendmaking van 20 augustus
2003 medegedeeld dat de frequenties voor
WLL geveild zullen worden. In de op dezelf-
de datum vastgestelde Regeling aanvraag-
procedure en veiling gebruiksrecht frequen-
tieruimte voor WLL is vastgelegd hoe een
aanvraag voor een vergunning moet worden
gedaan, welke gegevens moeten worden
overgelegd en aan welke van de in art. 6 Fb
genoemde toelatingseisen een aanvrager
moet voldoen. Tevens worden regels gesteld
omtrent de wijze waarop de veiling plaats
zal hebben. Twee ontwerpvergunningen
(kavel A en kavel B) zijn in de
Staatscourant
gepubliceerd.
Stcrt. 2003, 162, p. 17 en p. 20-21.
Instellingsbesluit Nationale Frequentie-
commissie
Volgens het Nationaal Frequentieplan 2002
is de Nationale Frequentiecommissie (NFC)
een adviesorgaan op het gebied van frequen-
tiebeheer waarin met vitale overheidstaken
en de publieke omroep belaste overheidsor-
ganisaties en het ministerie van OCW zitting
hebben. De samenstelling en de taak van de
NFC zoals vastgelegd in het Besluit Nationa-
le Frequentiecommissie (
Stcrt. 1990, 81), slo-
ten hier niet meer bij aan. Daarom heeft
minister Brinkhorst van EZ op 15 augustus
2003 genoemd besluit ingetrokken en de
NFC opnieuw ingesteld.
Stcrt. 2003, 161, p. 7.
Collectieve verkoop uitzendrechten voet-
bal
In antwoord op schriftelijke vragen van het
kamerlid Atsma (CDA) geeft minister Brink-
horst van EZ aan dat de waarnemend direc-
teur-generaal van de NMa in een persbericht
van 30 juli 2003 heeft aangegeven het
bezwaar tegen het NMa-besluit van 19
november 2002 ongegrond te verklaren. In
dit eerdere besluit oordeelde de NMa dat col-
lectieve verkoop van de uitzendrechten voor
live-voetbalwedstrijden in strijd is met de
Mededingingswet en dat de door Eredivisie
NV gevraagde vrijstelling werd geweigerd
(zie
Mediaforum 2003-2, p. 57). Atsma wilde
onder meer weten welke stappen het kabinet
had genomen naar aanleiding van een door
hem ingediende en door de Tweede Kamer
aangenomen motie. De minister gaf hierop
aan dat hij op 3 juli 2003 samen met de
staatssecretaris van VWS een gesprek had
gehad met een delegatie van de KNVB en
Eredivisie NV. Tijdens het gesprek heeft de
minister de KNVB en de clubs opgeroepen
ter bewerkstelliging van de solidariteit (in de
vorm van herverdeling onder de clubs van de
inkomsten uit de verkoop van tv-rechten) bij
de NMa een voorstel neer te leggen. Tot nu
toe is echter geen enkel concreet voorstel
voor een solidariteitsregeling bij de NMa
binnengekomen en dat valt het kabinet niet
aan te rekenen. Het kabinet zal in september
2003 met een tussenstand komen betreffen-
de het thema `wel of geen afzonderlijk afwe-
gingskader voor sport in het mededingings-
recht'.
Hierbij
zullen
diverse
recente
mededingingszaken aangaande voetbal op
Europees niveau (UEFA, Bundesliga, Pre-
mier League) betrokken worden. De Kamer
had voorts in de motie Atsma het kabinet
opgeroepen om, in afwachting van een
mededingingsrechtelijke status aparte voor
sport, er bij de NMa op aan te dringen om de
besluitvorming inzake de televisierechten
op te schorten. Daarin heeft de NMa volgens
de minister echter een eigen verantwoorde-
lijkheid. In de rest van zijn antwoorden gaat
de minister in op het voornemen dat de
Europese Commissie heeft bekendgemaakt
ten aanzien van de voetbalrechten in de Bun-
desliga 1 en 2. Omdat het hier slechts gaat om
een voornemen, kan slechts globaal worden
ingegaan op de verhouding tussen het NMa-
besluit en het Commissie-besluit. Eén ver-
schil is echter evident, en dat is dat het in de
Duitse zaak gaat om de collectieve verkoop
van live-wedstrijden in twee pakketten, ter-
wijl het in de Nederlandse zaak om één pak-
ket ging. Verder hebben Duitse clubs de
mogelijkheid om wedstrijden die buiten de
collectieve verkoop vallen of niet worden
uitgezonden, individueel te verkopen. Op de
overeenkomsten en verschillen zal het kabi-
net nader ingaan in de eerder genoemde tus-
senstand. De minister geeft tenslotte aan dat
hij niet van plan is er bij de NMa op aan te
dringen om haar besluit te heroverwegen.
Nu de NMa het bezwaarschrift ongegrond
heeft verklaard ligt de zaak immers niet
meer bij haar. De partijen kunnen zich nu tot
de rechter wenden.
Aanhangsel Handelingen II 2002/03, nr. 1824. Zie
voor de motie Atsma Kamerstukken II 2002/03, 28
887, nr. 4. Zie ook Mediaforum 2003-9, p. 294-295.
Mogelijke overname Canal+ door UPC
In antwoord op schriftelijke vragen van het
kamerlid Bakker (D66) schrijft minister
Brinkhorst van EZ dat hij kennis heeft geno-
men van een artikel in
de Volkskrant waarin
werd gemeld dat UPC overweegt om abon-
neetelevisiebedrijf Canal+ en satellietbedrijf
Canal digital over te nemen. Indien het
inderdaad tot een dergelijke overname
komt, moet deze volgens de bewindsman op
grond van art. 34 Mededingingswet getoetst
worden door de NMa wanneer de overname
binnen het bereik van deze wet valt. Het
beslissende criterium daarbij is of economi-
sche machtsposities ontstaan of versterkt
worden. Of dat het geval is kan de minister
zonder nader onderzoek niet beoordelen.
Dat is dan ook de taak van de NMa. De
bewindsman gaat er vanuit dat de NMa bij
een concentratietoets zal bekijken of de
greep van UPC op bijvoorbeeld de mogelijk
relevante markt voor betaaltelevisie niet te
groot wordt en de keuze voor de consument
niet te beperkt. In het vervolg van zijn ant-
woorden meldt de minister nog dat de
UEFA, om concurrentie te bevorderen, de
uitzendrechten van de Champions League in
afzonderlijke pakketten voor het open net
en voor betaaltelevisie heeft verkocht. UPC
heeft de exclusieve rechten voor betaaltelevi-
sie verworven, terwijl de exclusieve rechten
voor het open net reeds door de NOS waren
verworven (tot en met medio 2006). De NOS
zendt de belangrijkste wedstrijd per speel-
dag rechtstreeks op het open net uit. Daar-
onder zijn in elk geval de wedstrijden van de
Nederlandse clubs en de finale. De andere
wedstrijden worden direct daarna in samen-
vatting uitgezonden. Hiermee wordt vol-
daan aan de doelstellingen van de Europese
regels en een en ander is geheel conform de
Nederlandse evenementenlijst.
Aanhangsel Handelingen II 2002/03, nr. 1867.
Reprorecht
De kamerleden Aptroot en Luchtenveld
(VVD), De Wit (SP) en Ten Hoopen (CDA)
hebben allen schriftelijke vragen gesteld aan
minister Donner van Justitie over het repro-
recht en de werkwijze van de Stichting
Reprorecht. Deze organisatie is onder meer
belast met het innen en verdelen van vergoe-
dingen voor reprografische verveelvoudi-
Mediaforum 2003-10
330
gingen door bedrijven. De minister geeft in
zijn antwoorden op de vragen van de VVD-
kamerleden aan dat het hem bekend is dat er
nogal wat klachten zijn ingediend betreffen-
de de wijze waarop de Stichting factureert.
Deze klachten worden op dit moment
behandeld en gedurende de behandeling
wordt de inning van de vergoedingen bij
degenen die een reactie hebben ingestuurd,
opgeschort. In de rest van zijn antwoord
gaat de bewindsman onder meer in op de
redenen waarom de Stichting Reprorecht is
aangewezen als de rechtspersoon die met
uitsluiting van anderen belast is met de
inning en verdeling van vergoedingen voor
reprografische
verveelvoudigingen
door
bedrijven. Ook bespreekt hij de wijze waar-
op de facturen worden vastgesteld. Daarbij
tekent hij aan dat er geen aanleiding is te
veronderstellen dat de werkwijze van de
Stichting onrechtmatig of misleidend is, of
dat er sprake is van `pro forma facturen'. In
antwoord op de vragen van het SP-kamerlid
schrijft de minister dat de kosten voor de uit-
voering en handhaving van het reprorecht
geheel ten laste komen van de Stichting.
Deze bekostigt een en ander vanuit de geïn-
de vergoedingen en de overheid draagt daar-
aan in het geheel niet bij. De bewindsman
schrijft voorts dat bij de totstandkoming van
het nieuwe reprorecht de mogelijkheid van
een heffing op kopieerapparatuur expliciet
is overwogen. Belangrijk bezwaar tegen
deze heffing is dat het verband tussen de ver-
goeding en de repartitie ontbreekt. De
heffing levert op zichzelf geen relevante
gegevens op voor de verdeling van de geïnde
gelden, waardoor steekproeven en nader
onderzoek naar kopieergedrag noodzakelijk
zijn. Een heffing op apparatuur zou boven-
dien onrechtvaardig zijn: ook wanneer met
het apparaat geen of slechts weinig repro-
rechtplichtige kopieën worden gemaakt
moet een vergoeding voor auteursrechten
worden betaald. Besloten is dus om niet voor
deze heffing te kiezen. Ook de mogelijkheid
van een opslag op de prijs van auteursrechte-
lijk beschermde werken is overwogen, maar
uiteindelijk weggestreept. Vervolgens laat
de minister weten dat de reprorechtregeling
geen betrekking heeft op digitale kopieën,
daar deze uitsluitend ziet op fotokopiëren,
dus van papier naar papier. Digitale kopieën
vormen wel een verveelvoudiging in de zin
van de Auteurswet 1912, waarvoor de toe-
stemming van de rechthebbende vereist
blijft. Tenslotte geeft minister Donner in
antwoord op de vragen van het CDA-kamer-
lid aan dat bedrijven die van mening zijn dat
de berekening van het kopieervolume
onjuist is, daarvan melding kunnen maken
bij de Stichting, waarna deze een nieuwe ver-
goeding berekent. De bewindsman gaat
ervan uit dat de Stichting, met name in de
invoeringsfase van het nieuwe reprorecht,
ruimhartig om zal gaan met ingediende
bezwaren en de aanvankelijk verstuurde fac-
turen nog eens tegen het licht zal houden.
Aanhangsel Handelingen II 2002/03, nr. 1804-1806.
Registreren advocatengesprekken
Het kamerlid De Wit (SP) wilde van minister
Donner van Justitie weten of hij de conclusie
van het CBP deelde dat het opnemen via tele-
fonische taps en registreren van advocaten-
gesprekken `onrechtmatig' is en dat het een
fundamenteel recht is om geheime advoca-
tengesprekken te voeren. De minister ant-
woordde hierop dat hij de conclusie dat de
huidige werkwijze ten aanzien van het
opnemen en registreren van advocatenge-
sprekken onrechtmatig is, niet deelde. Op
grond van art. 126aa Sr is het opnemen en
kennisnemen van als bijvangst onderschep-
te communicatie met geheimhouders toege-
staan. Het gaat hierbij dus om de situatie dat
niet de telefoon van de advocaat wordt
getapt, maar die van de verdachte en dat de
verdachte contact heeft met een geheimhou-
der. Kennisname van de communicatie vindt
slechts plaats om uit te maken of de gecom-
municeerde mededelingen vallen onder het
verschoningsrecht van art. 218 Sv. Of een
mededeling onder dit verschoningsrecht
valt, hangt af van de inhoud van de medede-
ling, en dus niet enkel van het feit dat een
geheimhouder aan het gesprek deelneemt.
Staat vast dat de informatie onder het ver-
schoningsrecht valt, dan wordt deze op last
van de officier van justitie vernietigd. De
minister ziet in het rapport van het CBP
geen aanleiding om afstand te nemen van de
uitgangspunten van de huidige wettelijke
regeling. Zijns inziens past het door het CBP
aanbevolen systeem van nummerherken-
ning ter selectie van gesprekken niet binnen
de systematiek van de wet. Het is immers
mogelijk dat anderen dan de verschonings-
gerechtigden gebruik maken van een
`beschermde' communicatieaansluiting met
het oogmerk te voorkomen dat de communi-
catie ter beschikking komt van opsporings-
ambtenaren. Het uitsluiten van telefoonge-
sprekken met een bepaald nummer stuit
bovendien op technische bezwaren. De
bewindsman ziet kortom geen reden voor
een wetswijziging.
Aanhangsel Handelingen II 2002/03, nr. 1728.
Tarieven kabelmaatschappijen
In antwoord op schriftelijke vragen van het
kamerlid De Wit (SP) bevestigt staatssecreta-
ris Van der Laan van OCW dat op grond van
art. 82j Mediawet bij algemene maatregel
van bestuur een maximumtarief kan wor-
den vastgesteld dat kabelmaatschappij UPC
aan abonnees in rekening mag brengen voor
de kabelaansluiting en de ontvangst van het
standaardpakket. Of er aanleiding is van de
bevoegdheden ex art. 82j gebruik te maken,
is afhankelijk van de uitkomsten van een
onderzoek van OPTA en NMa inzake de
kabeltarieven. De staatssecretaris voegt daar
nog aan toe dat bij de privatisering van de
kabelbedrijven tussen enkele gemeenten en
kabelexploitanten nadere afspraken zijn
gemaakt over de tariefstelling van kabel-
abonnementen.
Aanhangsel Handelingen II 2002/03, nr. 1865.
Agenda
Spitsuurstudie `Nieuw Auteursrecht in
de praktijk'
Nieuwe cursus met praktische invalshoek.
Woensdag 5 november 2003, van 14.45 tot 21
uur, Holiday Inn Amsterdam. Docenten:
Prof. mr. Antoon Quaedvlieg, mr. Gijsbert
Brunt, mr. Christiaan Alberdingk Thijm en
mr. Kamiel Koelman. Onderwerpen: Actuali-
teiten auteursrecht en databankenrecht;
bescherming van technische voorzieningen;
nieuwe en aangescherpte beperkingen;
nieuwe media.
Cursusprijs
550 (excl. BTW) inclusief kos-
ten van documentatiemateriaal, koffie, thee
en diner. Informatie en aanmelden Kluwer
Opleidingen: tel: 0570-647190; fax: 0570-
636941;
e-mail:
opleidingen@kluwer.nl;
internet: www.kluweropleidingen.nl.
Mediaforum 2003-10
331
Studiemiddag VMC: Medialogica
De Vereniging voor Media- en Communicatierecht wijdt zijn najaarsbijeenkomst op 28
november in het Trippenhuis te Amsterdam aan het thema Mediatoezicht (aanvang 14.00
uur).Aanleiding is het rapport Medialogica van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikke-
ling, een onafhankelijk adviesorgaan van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport, over `het krachtenveld tussen burgers, media en politiek'. Het publieke debat wordt
volgens de Raad steeds meer bepaald door de mogelijkheden en begrenzingen van de
massamedia, vooral televisie. Kortom door medialogica. Medialogica valt volgens het rap-
port niet meer terug te draaien maar heeft naast positieve onmiskenbaar ook negatieve
kanten. Om daaraan tegenwicht te bieden, staat de RMO een onder meer voor ogen:
1. Actieve vrijheid: de overheid bevordert pluriformiteit en gaat `overconcentratie' tegen;
2. Publieke verantwoording: media-organisaties kunnen zich sterker en veel actiever dan
nu naar de burgers verantwoorden.
Op de studiemiddag staat de tweede trap centraal. De RMO doet een groot aantal con-
crete aanbevelingen zoals een wettelijke regeling van het redactiestatuut, het instellen van
consumentenpanels bij de omroep en `meer tanden voor de Raad voor de Journalistiek'.
Ook dienen de media zelfregulering in de vorm van een media-ombudsman ter hand te
nemen. Zo niet, dan zou een `voorportaal' voor klachten over media bij de rechter moe-
ten worden ingesteld. In gelijke zin moet de overheid zich krachtig inzetten voor de
oprichting van een `mediawatch instituut' als de sector zelf daar niet toe komt. Andere
aanbevelingen betreffen een kwaliteitscharter en public hearings als instrumenten om `de
verantwoording over nieuwskeuzes, interpretatie en commentaar' door media vorm te
geven.Aan die aanbevelingen en de daaraan ten grondslag liggende veronderstellingen zijn
nogal wat grondrechtelijke en andere juridische vragen verbonden. Op de studiemiddag
zullen de voorstellen worden toegelicht, onderworpen worden aan een grondrechtelijke
beschouwing en getoetst worden door een vertegenwoordiger van de rechterlijke macht
en een vanuit de praktijk.
Mediaforum 2003-10
332
Jurisprudentie nr
.4
4
Nr 44
Murphy vs. Ierland
EHRM 10 juli 2003 (Application no. 44179/98)
(This judgment will become final in the circumstances set out in Arti-
cle 44 § 2 of the Convention. It may be subject to editorial revision.)
European Court of Human Rights (Third Section), sitting as a Cham-
ber composed of Mr G. Ress, President, Mr L. Caflisch, Mr P. Kuris, Mr
R. Türmen, Mr B. Zupancic, Mr J. Hedigan, Mrs H.S. Greve, judges,
and Mr V. Berger, Section Registrar.
Having deliberated in private on 7 November 2002 and 19 June 2003,
Delivers the following judgment, which was adopted on the last-
mentioned date:
PROCEDURE
(1-6)
THE FACTS
I. THE CIRCUMSTANCES OF THE CASE (7-18)
Dominee Murphy is verbonden aan het `Irish Faith Centre', een op de
bijbel gebaseerde christelijke instelling in Dublin. In 1995 wil deze
insteling het lokale commerciële radiostation een advertentie met de
volgende tekst doen uitzenden:
What think ye of Christ? Would you, like Peter, only say that he is the son
of the living God? Have you ever exposed yourself to the historical facts
about Christ? The Irish Faith Centre are presenting for Easter week an
hour long video by Dr Jean Scott Phd on the evidence of the resurrection
from Monday 10th - Saturday 15th April every night at 8.30 and Easter
Sunday at 11.30am and also live by satellite at 7.30 pm.
Het radiostation was bereid de advertentie uit te zenden maar de
Independent Radio and Television Commission ("IRTC") stond dat
echter niet toe. De IRTC baseerde zich op section 10(3) van de Radio
and Television Act 1988.
In de daarop volgende juridische procedure oordeelde het High
Court dat de wet uit 1988 een redelijke beperking van het grondrecht
te communiceren bevatte en er voldoende reden was voor een derge-
lijk verbod. Daarbij wees het Hof er onder meer op dat religieuze
reclame, ook te zien als poging tot bekering, door mensen met een
andere godsdienstige overtuiging als kwetsend ervaren kan worden.
Godsdienstige verschillen liggen namelijk uiterst gevoelig in Ier-
land, aldus het High Court. Het Supreme Court verwierp het beroep
van Murphy. Onder verwijzing naar de proportionaliteitstoets van
het EHRM oordeelde het Hof de onderhavige beperking proportio-
neel, nu zij alleen ziet op betaalde advertenties op radio en televisie.
II. RELEVANT LAW (19-32)
A. Ierse Grondwet:
Art. 40:
3. 1
0
The State guarantees in its laws to respect, and, as far as practicable,
by its laws defend and vindicate the personal rights of the citizen.
6. 1
0
The State guarantees liberty for the exercise of the following rights,
subject to public order and morality:
(i) the right of the citizens to express freely their convictions and
opinions.
The education of public opinion being, however, a matter of such
grave import to the common good, the State shall endeavour to
ensure that organs of public opinion, such as the radio, the press,
the cinema, while preserving their rightful liberty of expression,
including criticism of Government policy, shall not be used to
undermine public order or morality or the authority of the State.
The publication or utterance of blasphemous, seditious, or
indecent matter is an offence which shall be punishable in accor-
dance with the law.
Article 44:
2. 1
0
Freedom of conscience and the free profession and practice of religion
are, subject to public order and morality, guaranteed to every citizen.
3.
The State shall not impose any disabilities or make any discrimina-
tion on the ground of religious profession, belief or status.
B. Nationale wetgeving
Broadcasting Authority Act 1960 (deze wet stelt regels betreffende de
nationale omroep RTE)
Section 20 (4)
The Authority shall not accept any advertisement which is directed
towards any religious or political end or has any relation to any indus-
trial dispute.
Section 18 of the 1960 Act is entitled "Impartiality" and provides as
follows:
(1) It shall be the duty of the Authority to secure that, when it broad-
casts any information, news or feature which relates to matters of
public controversy or is the subject of current public debate, the infor-
mation, news or feature is presented objectively and impartially and
without any expression of the Authority's own views.
(2) Nothing in this section shall prevent the Authority from transmit-
ting political party broadcasts.
Radio and Television Act 1988 (deze wet stelt regels betreffende ande-
re omroepen dan de RTE en stelt de Independent Radio and Televi-
sion Commission in (IRTC))
Section 9:
(1) Every sound broadcasting contractor shall ensure that
(a) all news broadcast by him is reported and presented in an objec-
tive and impartial manner and without any expression of his
own views;
(b) the broadcast treatment of current affairs, including matters
which are either of public controversy or the subject of current
public debate, is fair to all interests concerned and that the broad-
cast matter is presented in an objective and impartial manner
and without any expression of his own views: Provided that
should it prove impracticable in relation to a single broadcast to
apply this paragraph, two or more related broadcasts may be con-
sidered as a whole, if the broadcasts are transmitted within a
reasonable period of each other;
(...)
(2) Nothing in subsection (1) (a) or (1) (b) shall prevent a sound broadcast-
ing contractor from transmitting political party broadcasts: Provided
that a sound broadcasting contractor shall not, in the allocation of
time for such broadcasts, give an unfair preference to any political
party.
Section 10(3) van de 1988 Act komt overeen met section 20 (4) van de
1960 Act en legt onafhankelijke omroepen dezelfde verplichting op
als de RTE:
No advertisement shall be broadcast which is directed towards any reli-
gious or political end or which has any relation to an industrial dispute.
Inmiddels is de Ierse Omroepwet in 2001 gewijzigd. Deze Broadcast-
ing Act 2001 ("the 2001 Act") verzacht het verbod van religieuze recla-
me in zoverre dat section 65 bepaalt:
Nothing in section 20(4) of the Act of 1960 or section 10(3) of the Act of
1988 (including either of those sections as applied by this Act) shall be
construed as preventing the broadcasting of a notice of the fact
(a) that a particular religious newspaper, magazine or periodical is
available for sale or supply, or
(b) that any event or ceremony associated with any particular reli-
gion will take place,
if the contents of the notice do not address the issue of the merits or
otherwise of adhering to any religious faith or belief or of becoming a
member of any religion or religious organisation.
C. Council Directive 89/552/EEC of 3 October 1989
The Directive co-ordinates certain provisions of Member States of the
European Community on television broadcasting.
Article 12 of the Directive provides, inter alia, that television adver-
tising shall not prejudice respect for human dignity, include any dis-
crimination on grounds of race, sex or nationality or be offensive to
religious or political beliefs.
THE LAW (33-82)
ALLEGED VIOLATION OF ARTICLES 9 AND 10 OF THE CONVEN-
TION
33. The applicant complains under Articles 9 and 10 about section
10(3) of the 1988 Act.
Article 9
1. Everyone has the right to freedom of thought, conscience and religion;
this right includes freedom ..., to manifest his religion or belief, in wor-
ship, teaching, practice and observance.
2. Freedom to manifest one's religion or beliefs shall be subject only to
such limitations as are prescribed by law and are necessary in a
democratic society (...), for the protection of public order, health or morals,
or for the protection of the rights and freedoms of others.
Article 10
1. Everyone has the right to freedom of expression. This right shall in-
clude freedom to hold opinions and to receive and impart information
and ideas without interference by public authority and regardless of
frontiers. This Article shall not prevent States from requiring the licens-
ing of broadcasting, television or cinema enterprises.
2. The exercise of these freedoms, since it carries with it duties and respon-
sibilities, may be subject to such formalities, conditions, restrictions or
penalties as are prescribed by law and are necessary in a democratic socie-
ty, in the interests of ... public safety, for the prevention of disorder or
crime, for the protection of health or morals, (...)
A. The parties' submissions
1. The Government (34-45)
(...)
2. The applicant (46-59)
(...)
B. The Court's assessment
1. Interference
60. The Court notes that the applicant maintained that the applica-
tion of section 10(3) of the 1988 Act in his case interfered with his
rights guaranteed by Articles 9 and Article 10 of the Convention.
While arguing that there had been no interference with his rights
under either Article, the Government's submissions to the Court
were, for the most part, expressed in terms of Article 10 of the Con-
vention.
61. The Court considers that the matter essentially at issue in the pres-
ent case is the applicant's exclusion from broadcasting an advertise-
ment, an issue concerning primarily the regulation of his means of
expression and not his profession or manifestation of his religion. It
recalls that Article 10 protects not only the content and substance of
information but also the means of dissemination since any restriction
on the means necessarily interferes with the right to receive and
impart information (Öztürk v. Turkey [GC], no. 22479/93, § 49, ECHR
1999-VI). Accordingly, the Court is of the view that the applicant's
complaint about the prohibition contained in section 10(3) of the 1988
Act falls to be examined under Article 10 of the Convention. Given the
parties' submissions concerning the scope of that Article and the above-
cited Handyside judgment (see, in particular, § 49), the Court reitera-
tes that even expression which could be considered offensive, shoc-
king or disturbing to the religious sensitivities of others falls within
the scope of the protection of Article 10, the question for the Court
being whether any restriction imposed on that expression complies
with the provisions of that Article.
In addition, having regard to the fact that the applicant was prevent-
ed from broadcasting the advertisement as a result of the application
of section 10(3) of the 1988 Act, there clearly has been an interference
with his right to freedom of expression.
2. "Prescribed by law"
62. The parties did not dispute, and the Court considers it clear, that
the prohibition applied to the applicant was set out in a clear and
accessible manner in section 10(3) of the 1988 Act.
3. Legitimate aim
63. The Government maintained that the prohibition sought to en-
sure respect for the religious doctrines and beliefs of others so that
the aims of the impugned provision were public order and safety
together with the protection of the rights and freedoms of others.
While disputing the necessity of the statutory provision, the appli-
cant did not directly contest that these aims had been pursued by the
enactment of section 10(3) of the 1988 Act.
64. The Court does not see any reason to doubt that these were indeed
the aims of the impugned legislation and considers that they consti-
tuted legitimate aims for the purposes of Article 10 § 2 of the Conven-
tion (the above-cited Otto-Preminger-Institut judgment, at § 47).
4. "Necessary in a democratic society"
(a) General principles
65. The Court recalls that freedom of expression constitutes one of
the essential foundations of a democratic society. As paragraph 2 of
Article 10 expressly recognises, however, the exercise of that freedom
carries with it duties and responsibilities.Amongst them, in the con-
text of religious beliefs, is the general requirement to ensure the
peaceful enjoyment of the rights guaranteed under Article 9 to the
holders of such beliefs including a duty to avoid as far as possible an
expression that is, in regard to objects of veneration, gratuitously
offensive to others and profane (the above-cited Otto-Preminger-
Institut judgment, §§ 46, 47 and 49).
66. No restriction on freedom of expression, whether in the context
of religious beliefs or in any other, can be compatible with Article 10
unless it satisfies, inter alia, the test of necessity as required by the
second paragraph of that Article. In examining whether restrictions
to the rights and freedoms guaranteed by the Convention can be con-
sidered "necessary in a democratic society" the Court has, however,
consistently held that the Contracting States enjoy a certain but not
unlimited margin of appreciation (the above-cited Wingrove judg-
ment, § 53).
67. In this latter respect, there is little scope under Article 10 § 2 of the
Convention for restrictions on political speech or on debate of
questions of public interest (see, mutatis mutandis, among many
other authorities, Lingens v. Austria, judgment of 8 July 1986, Series A
no. 103, § 42; Castells v. Spain, judgment of 23 April 1992, Series A no.
236, § 43; and Thorgeir Thorgeirson v. Iceland, judgment of 25 June
1992, Series A no. 239, § 63). However, a wider margin of appreciation
is generally available to the Contracting States when regulating free-
dom of expression in relation to matters liable to offend intimate per-
sonal convictions within the sphere of morals or, especially, religion.
Moreover, as in the field of morals, and perhaps to an even greater
degree, there is no uniform European conception of the require-
ments of `the protection of the rights of others' in relation to attacks
on their religious convictions. What is likely to cause substantial
offence to persons of a particular religious persuasion will vary signi-
ficantly from time to time and from place to place, especially in an era
characterised by an ever growing array of faiths and denominations.
By reason of their direct and continuous contact with the vital forces
of their countries, State authorities are in principle in a better posi-
tion than the international judge to give an opinion on the exact con-
tent of these requirements with regard to the rights of others as well
as on the `necessity' of a `restriction' intended to protect from such
material those whose deepest feelings and convictions would be
seriously offended (the above-cited Wingrove judgment, at § 58).
The Court therefore observes that it is this margin of appreciation
which distinguishes the present case from the above-cited case of Vgt
Verein gegen Tierfabriken v. Switzerland. In the latter case, the Court
considered that the advertisement prohibited concerned a matter of
public interest to which a reduced margin of appreciation applied.
68. It is for the European Court to give a final ruling on the restric-
tion's compatibility with the Convention and it will do so by assess-
ing in the circumstances of a particular case, inter alia, whether the
interference corresponded to a "pressing social need" and whether it
was "proportionate to the legitimate aim pursued". Indeed, such
supervision can be considered to be all the more necessary given the
rather open-ended notion of respect for the religious beliefs of others
and the risks of excessive interferences with freedom of expression
under the guise of action taken against allegedly offensive material.
Mediaforum 2003-10
333
Jurisprudentie nr
.4
4
In this regard, the scope of the restriction in the legislation is espe-
cially important. The Court's task in this case is therefore to determi-
ne whether the reasons relied on by the national authorities to justify
the measures interfering with the applicant's freedom of expression
are "relevant and sufficient" for the purposes of Article 10 § 2 of the
Convention (the above-cited Wingrove judgment, §§ 53 and 58-59).
69. Moreover, it is recalled that the potential impact of the medium of
expression concerned is an important factor in the consideration of the
proportionality of an interference. The Court has acknowledged that
account must be taken of the fact that the audio-visual media have a
more immediate and powerful effect than the print media (Jersild v.
Denmark, judgment of 23 September 1994, Series A no. 298, § 31).
(b) The application of those principles to the present case
70. The Court notes at the outset that the nature and purpose of the
expression contained in the relevant advertisement accords with it
being treated as religious, as opposed to commercial, expression even
if the applicant purchased the relevant broadcasting time (Barthold v.
Germany, judgment of 25 March 1985, Series A no. 90, § 58).
71. The main factor which the Government considered justified the
impugned prohibition was the particular religious sensitivities in
Irish society which they submitted were such that the broadcasting of
any religious advertising could be considered offensive. The appli-
cant agreed that Article 10 permitted restrictions of religious expres-
sion which would offend others' religious sensitivities but submitted
that the Convention did not protect an individual from being ex-
posed to a religious view simply because it did not accord with his or
her own, noting that his advertisement was innocuous and complete-
ly inoffensive. In any event, he disputed the Government's asses-
sment of contemporary religious sensitivities in Ireland.
72. The Court agrees that the concepts of pluralism, tolerance and bro-
admindedness on which any democratic society is based (the above-
cited Handyside judgment, at § 49) mean that Article 10 does not, as
such, envisage that an individual is to be protected from exposure to a
religious view simply because it is not his or her own. However, the
Court observes that it is not to be excluded that an expression, which
is not on its face offensive, could have an offensive impact in certain
circumstances. The question before the Court is therefore whether a
prohibition of a certain type (advertising) of expression (religious)
through a particular means (the broadcast media) can be justifiably
prohibited in the particular circumstances of the case.
73. Turning therefore to the country-specific religious sensitivities
relied on by the Government, the Court has noted that the Minister
identified, during the debate on the introduction of section 20(4) of
the 1960 Act, the potential impact on religious sensitivities as justi-
fying prudence in the context of the broadcasting of religious adver-
tising and he drew a distinction between advertising time which was
purchased and programming (paragraph 22 above). Section 20(4) was
then applied to independent broadcasters through section 10(3) of the
1988 Act, the provision at issue in the present case. The Court has
noted that, during the detailed debate on a proposed dilution of sec-
tion 10(3) in April 1999, the Minister emphasised at some length the
extreme sensitivity of the question of broadcasting of religious
advertising in Ireland and the consequent necessity to proceed
towards any proposed amendment of section 10(3) with care and on
the basis of a full consideration of the issues and options (paragraphs
27-28 above).
Moreover, the domestic courts found that the Government were
entitled to be prudent in this context. In particular, the High Court
considered relevant the fact that religion had been a divisive issue in
Northern Ireland. It further considered that Irish people with reli-
gious beliefs tended to belong to a particular church so that religious
advertising from a different church might be considered offensive
and open to the interpretation of proselytism. Indeed, the High
Court pointed out that it was the very fact that an advertisement was
directed towards a religious end which might have been potentially
offensive to the public. The Supreme Court also emphasised that the
three subjects highlighted by section 10(3) of the 1988 Act concerned
subjects which had proven "extremely divisive in Irish society in the
past" and it also agreed that the Government had been entitled to
take the view that Irish citizens would resent having advertisements
touching on these topics broadcast into their homes and that such
advertisements could lead to unrest.
74. The Court has also observed that the impugned provision was
designed to correspond, and was indeed limited, to these particular
concerns and that the bounds of the prohibition are an important
consideration in the assessment of its proportionality (see paragraph
68 above).
The prohibition concerned only the audio-visual media. The State
was, in the Court's view, entitled to be particularly wary of the poten-
tial for offence in the broadcasting context, such media being accep-
ted by this Court (see paragraph 69) and acknowledged by the appli-
cant, as having a more immediate, invasive and powerful impact
including, as the Government and the High Court noted, on the pas-
sive recipient. He was consequently free to advertise the same matter
in any of the print media (including local and national newspapers)
and during public meetings and other assemblies.
Moreover, the prohibition related only to advertising. This Court
considers that this limitation reflects a reasonable distinction made
by the State between, on the one hand, purchasing broadcasting time
to advertise and, on the other, coverage of religious matters through
programming (including documentaries, debates, films, discussions
and live coverage of religious events and occasions). Programming is
not broadcast because a party has purchased airtime and, as outlined
by the Government, must be impartial, neutral and balanced, the
objective value of which obligation the parties did not dispute. The
applicant retained the same right as any other citizen to participate in
programmes on religious matters and to have services of his church
broadcast in the audio-visual media. Advertising, however, tends to
have a distinctly partial objective: it cannot be, and is not, therefore
subject to the above-outlined principle of impartiality and the fact
that advertising time is purchased would lean in favour of unbal-
anced usage by religious groups with larger resources and adverti-
sing.
Consequently, other than advertisements in the broadcast media, the
applicant's religious expression was not otherwise restricted.
75. Such considerations provide, in the Court's view, highly "relevant
reasons" justifying the Irish State's prohibition of the broadcasting of
religious advertisements.
76. The applicant, however, also maintained that these reasons were
not "sufficient" and, in particular, that the State could have achieved
its aims by a more limited prohibition and, indeed, that it should
have gone further than the limited dilution of the prohibition con-
tained in section 65 of the 2001 Act. However, the Court considers per-
suasive the Government's argument that a complete or partial relaxa-
tion of the impugned prohibition would sit uneasily with the nature
and level of the religious sensitivities outlined above and with the
principle of neutrality in the broadcast media.
77. In the first place, the Court would accept that a provision allowing
one religion, and not another, to advertise would be difficult to justi-
fy and that a provision which allowed the filtering by the State or any
organ designated by it, on a case by case basis, of unacceptable or
excessive religious advertising would be difficult to apply fairly,
objectively and coherently (the above-cited case of United Christian
Broadcasters Ltd v. the United Kingdom). There is, in this context,
some force in the Government's argument that the exclusion of all
religious groupings from broadcasting advertisements generates less
discomfort than any filtering of the amount and content of such
expression by such groupings.
The applicant suggested that such a filtering process is already
applied through the application of the principle of neutrality to pro-
grammes and programming. However, and as the Court has noted
above, the distinct nature of advertising and programming means
that the regulatory tools employed for programming are not directly
applicable to advertising. The applicant also referred to the fact that
advertisements (other than those prohibited by the impugned provi-
sion) are already subjected to advertising standards control. The
Court does not, however, consider that the same public sensitivities
and issues of neutrality arise in the case of religious advertisements
and those concerning, for example, commercial services, goods or
products.
78. Secondly, the Court considers it reasonable for the State to consid-
er it likely that even a limited freedom to advertise would benefit a
dominant religion more than those religions with significantly less
adherents and resources. Such a result would jar with the objective of
promoting neutrality in broadcasting and, in particular, of ensuring
Mediaforum 2003-10
334
Jurisprudentie nr
.4
4
a "level playing field" for all religions in the medium considered to
have the most powerful impact.
79. Thirdly, the applicant did not dispute the Government's concern
that allowing limited religious advertising would result in unequal
consequences for the national and independent broadcasters.
80. Fourthly, while the State has, subsequent to the facts of the pres-
ent case, diluted section 10(3) of the 1988 Act (through section 65 of
the 2001 Act), the Minister's comments in April 1999 together with
the limited nature of the 2001 amendment do not undermine, and
indeed are consistent with, the State's view of the religious sensitivi-
ties in Ireland in 1988 and its understanding of the consequent neces-
sity for full reflection and prudence when considering any evolution
including a relaxation of the provisions of section 10(3) of the 1988
Act. In addition, the nature of the assessment required by section 65
of the 2001 Act (whether or not the advertisement amounted only to
an announcement of the fact that a religious publication is for sale or
that a religious event will take place) has been clearly chosen for its
relatively objective and, consequently, uncontroversial nature.
81. Finally, and as to the parties' submissions concerning the exis-
tence of similar prohibitions on the broadcasting of religious
advertising in other countries, the Court observes that there appears
to be no clear consensus between the Contracting States as to the
manner in which to legislate for the broadcasting of religious adverti-
sements. Certain States have similar prohibitions (for example, Gree-
ce, Switzerland and Portugal), certain prohibit religious advertise-
ments considered offensive (for example, Spain and see also Council
Directive 89/552/EEC) and certain have no legislative restriction (the
Netherlands). There appears to be no "uniform conception of the
requirements of the protection of the rights of others" in the context
of the legislative regulation of the broadcasting of religious adverti-
sing (see paragraph 67 above).
82. In the circumstances, and given the margin of appreciation
accorded to the State in such matters, the Court considers that the
State has demonstrated that there were "relevant and sufficient" reas-
ons justifying the interference with the applicant's freedom of
expression within the meaning of Article 10 of the Convention.
In consequence, it concludes that there has been no violation of the
Convention.
FOR THESE REASONS, THE COURT UNANIMOUSLY
Holds that there has been no violation of Article 10 of the Convention,
under which Article the Court found the complaint was most appro-
priately considered.
Done in English, and notified in writing on 10 July 2003, pursuant to
Rule 77 §§ 2 and 3 of the Rules of Court.
Vincent Berger
Georg Ress
Registrar
President
Noot
Aernout Nieuwenhuis
Mr. A. J. Nieuwenhuis is werkzaam bij de leerstoelgroep Staats- en bestuursrecht
van de Universiteit van Amsterdam, is gelieerd aan het Instituut voor Informa-
tierecht aldaar en is redacteur van dit blad.
1. De casus is op zich betrekkelijk simpel. De Ierse Omroepwet ver-
biedt onder meer het uitzenden van reclame met een godsdienstig
doel. Dit verbod geldt niet alleen voor de nationale omroep RTE,
maar ook voor onafhankelijke, al dan niet commerciële omroepen.
Het EHRM komt unaniem tot het oordeel dat artikel 10 EVRM een
dergelijke beperking van de uitingsvrijheid toestaat. De zaak en de
redenering van het Hof noden tot enkele opmerkingen.
2. Ierland is een godsdienstig land. De Grondwet roept in de pream-
bule de Heilige Drie-eenheid aan; de godsdienstvrijheid is uitgebreid
vastgelegd in de grondwet; ook kent de grondwet een blasfemiever-
bod. Het wekt daarom verwondering dat in de nationale procedure
het recht op uitingsvrijheid en niet het recht op godsdienstvrijheid
de hoofdrol speelt. In de procedure bij het EHRM geldt hetzelfde.
Artikel 9 EVRM wordt weliswaar aangestipt (60), maar het Hof beoor-
deelt het gewraakte verbod op grond van artikel 10 EVRM. De reden is
dat het verbod volgens het Hof in de eerste plaats het medium betreft
en niet het belijden van of uiting geven aan de godsdienstige overtui-
ging als zodanig, en artikel 10 niet alleen de inhoud van de communi-
catie beschermt maar ook de middelen. Deze redenering is niet in alle
opzichten glashelder. Het verbod ziet weliswaar op een bepaald
medium, maar is beperkt tot uitlatingen met een godsdienstige doel,
meer in het bijzonder tot uitlatingen waarin een godsdienstige over-
tuiging naar voren komt. Dat blijkt eens te meer uit de wetswijziging
van 2001, die duidelijk maakt dat aankondigingen van godsdienstige
evenementen wel zijn toegestaan, zolang die aankondigingen geen
inhoud van godsdienstige aard bevatten. Bedoelt het Hof eigenlijk te
zeggen dat omroepwetgeving steeds onder artikel 10 beoordeeld
moet worden? Zou dat ook gelden voor een verbod om kerkdiensten
uit te zenden? Kortom, grote stappen, snel thuis.
3. Door de beoordeling onder artikel 10 blijft de jurisprudentie o.g.v.
artikel 9 buiten beeld. Daaruit blijkt dat ook het verkondigen van het
geloof en het trachten te bekeren van andersdenkenden binnen
bepaalde grenzen beschermd is (EHRM 25 mei 1993, Kokkinakis v.
Greece, A 260, EHRM 24 februari 1998, Larissis v. Greece, A 363). Daar-
mee is niet gezegd dat een beoordeling onder art. 9 gunstiger uitge-
vallen zou zijn voor Murphy. Het Hof stelt juist uitdrukkelijk dat ze
de beperking in het onderhavige geval minder strikt beoordeelt dan
in Tierfabriken (Tierfabriken v. Switzerland, EHRM 28 juni 2001,
NJ
2002, 181 m.nt. E. J. Dommering;
Mediaforum 2002-2, 3 m.nt. J. J.C.
Kabel), omdat het in dat geval ging om een bijdrage aan het maat-
schappelijk debat. Laatstgenoemde zaak betrof een (ideële) reclame
waarin de bio-industrie aan de kaak werd gesteld; de appreciatiemar-
ge was daarom beduidend kleiner.
4. De redenering van het Hof hoeft niet per se te betekenen dat gods-
dienstige uitlatingen op nationaal niveau minder bescherming krij-
gen dan bijdragen aan het maatschappelijk debat. Uit de redenering
blijkt wel dat bijdragen aan het maatschappelijk debat de hoogst
mogelijke bescherming dienen te krijgen. In de Nederlandse juris-
prudentie lijkt juist de vrijheid van godsdienst als basis te dienen
voor een grote ruimte voor het doen van kwetsende uitlatingen. Het
is in dit verband echter opvallend dat de Hoge Raad in recente zaken
de ruimte voor godsdienstig geïnspireerde, kwetsende uitlatingen
steeds mede op het belang van het maatschappelijk debat baseert. Zie
hiervoor HR 9 januari 2001 (
Van Dijke), NJ 2001, 203 m.nt. J. de Hullu
onder 2001, 204;
Mediaforum 2001-2, nr. 7 m.nt. G.A.I. Schuijt; HR 9
januari 2001 (
Justitiekrant), NJ 2001, 204 m.nt. J. de Hullu; HR 14 janu-
ari 2003 (
Dominee R.), NJ 2003, 261 m.nt. P.A.M. Mevis.
5. Genoemde Nederlandse arresten maken overigens duidelijk dat
godsdienst en maatschappelijk debat niet steeds twee gescheiden
domeinen hoeven te zijn. Het Hof gaat daar in het voorliggende geval
aan voorbij, mogelijkerwijs omdat de regeling ziet op reclames met
een godsdienstig
doel. Het argument dat het Hof slechts de beperking
in concreto hoeft te toetsen snijdt in dezen minder hout (zie onder 8).
6. Het gewraakte verbod in de Ierse omroepwet is bedoeld om het
kwetsen van godsdienstige gevoelens tegen te gaan. Daarmee is Ier-
land bij het EHRM aan het goede adres.
Het EHRM kent immers een verdragsmatige bescherming toe aan
godsdienstige gevoeligheden. Dit uitgangspunt uit het
Preminger-
arrest (EHRM 20 september 1994, A295;
NJ 1995, 366 m.nt. E. J. Dom-
mering) is niet zonder kritiek gebleven maar lijkt toch school te
maken.
7. In casu hebben we dus te maken met uitlatingen die niet als bijdra-
gen aan het publieke debat te beschouwen zijn en die godsdienstige
gevoelens kunnen raken. Het is op zichzelf ook voorstelbaar dat er
ook uitlatingen bestaan die wél bijdragen aan het maatschappelijk
debat en toch godsdienstige gevoelens raken. Het is voorlopig nog de
vraag welk belang het Hof in dat geval voor laat gaan. Niet altijd zal
de
Preminger-tournure de uitlating kwetst ernstig en dus is het geen
serieuze bijdrage aan het maatschappelijk debat mogelijk zijn.
8. Het EHRM accepteert in de voorliggende zaak dat het wettelijk
verbod van reclame met een godsdienstig doel noodzakelijk is, ook al
treft het verbod tevens onschuldige uitlatingen, die geen godsdien-
stige gevoelens kwetsen. Het Hof laat zich betrekkelijk makkelijk
overtuigen door het argument dat het maken van onderscheid tussen
kwetsende en niet kwetsende reclame-uitlatingen met een godsdien-
stig doel aanleiding tot allerlei problemen zou kunnen vormen. De
normale toetsing in concreto wordt daarmee vervangen door een
afstandelijke en goedwillende toetsing in abstracto. Afstandelijk en
goedwillend omdat men zich zou kunnen stellen dat een rechter de
Mediaforum 2003-10
335
Jurisprudentie nr
.4
4
abstracte norm juist strijdig acht met het recht op uitingsvrijheid
omdat er ook onschuldige uitlatingen onder kunnen vallen.
9. Het EHRM toetst niet strikt. Integendeel, het laat zich leiden door
een aantal zachte en boterzachte argumenten. Ik noem er een aantal.
Het Hof acht het feit dat deze norm alleen voor de omroep en niet
voor de pers geldt acceptabel, nu de audiovisuele media een sterke-
re en meer directe impact hebben (69). Indien men een dergelijk uit-
gangspunt al accepteert, dan zou het ook voor niet-reclame uitingen
op de omroep moeten gelden. De directe en krachtige impact van
godsdienstige opvattingen wordt immers niet opgeheven door de
programmatische verplichting aandacht te geven aan verschillende
gezindten. Het kwetsen van gevoelens kan eigenlijk alleen voorko-
men worden door sterk afwijkende groeperingen met uitgesproken
opvattingen niet of niet ongetemperd aan het woord te laten.
10. Het bijkomend argument dat het toelaten van godsdienstige
reclame ertoe leidt dat de rijkste nominaties de aandacht van kijker
en luisteraar zullen opeisen, komt gezocht voor. In de eerste plaats is
het moeilijk voorstelbaar dat de Ierse omroep niet relatief veel aan-
dacht besteedt aan het katholieke geloof en de ontwikkelingen daar-
binnen. Andere denominaties zullen er daarmee vergeleken bekaaid
afkomen. Dat is programmatisch zeker te verdedigen, maar het is
vreemd bij het reclameverbod ineens te schermen met een geheel
ander pluriformiteitsconcept. In de tweede plaats zou een dergelijk
argument ook pleiten voor een verbod in de pers.
11. De benadering van de Ierse regering is ingegeven door het belang
van de integratiefunctie van de omroep. Deze functie is zeker bij de
publieke omroep niet te miskennen. Op grond daarvan kan het uit-
zenden van bepaalde programma's worden verdedigd. Het wordt
echter anders wanneer deze functie tot een beperking van de omroep-
vrijheid leidt, zeker indien deze beperking ook geldt voor onafhan-
kelijke aanbieders. Het EHRM laat zich wel erg makkelijk overtuigen
door de Ierse regering. Voor marginale groeperingen met afwijkende
opvattingen is reclame soms één van de weinige mogelijkheden om
aandacht te trekken.
Mediaforum 2003-10
336
Jurisprudentie nr
.4
4
COMMUNICATIEGRONDRECHTEN
LODEWIJK ASSCHER
Een onderzoek naar de constitutionele bescherming van
het recht op vrijheid van meningsuiting en het communi-
catiegeheim in de informatiesamenleving.
Voldoet de huidige formulering van de communicatiegrondrechten
(het recht op vrijheid van meningsuiting en het communicatie-
geheim) in een tijd van technologische turbulentie? Of geeft de
informatiesamenleving aanleiding tot wijziging? In deze studie
worden beide grondrechten in samenhang onderzocht. Daarnaast
komen de diverse initiatieven om de Grondwet 'technology proof' te
maken aan bod. Aandacht wordt ook besteed aan de bescherming
van communicatiegrondrechten in internationaal (met name Euro-
pees) verband. Om de Europese en Nederlandse rechtsontwikkeling
in een ander perspectief te kunnen plaatsen, wordt tevens het Ame-
rikaanse recht ter zake bestudeerd.
Het onderzoek mondt uit in een aantal aanbevelingen die bij een
wijziging van de artikelen 7 en 13 van de Grondwet betrokken
kunnen worden. Daarbij is gestreefd naar een evenwicht tussen
technologieonafhankelijkheid en effectieve rechtsbescherming.
"Communicatiegrondrechten is een zeer informatief boek dat een
uitstekend beknopt overzicht biedt van de geschiedenis van de
vrijheid van meningsuiting en het communicatiegeheim.
Ook de jongste discussies over deze rechten komen aan bod.
Asscher schrijft helder en legt juridische begrippen duidelijk uit,
zonder in jargon te vervallen". (Netkwesties.nl)
ISBN 9075727097
Ingenaaid 268 pagina's
Prijs
30 (inclusief btw, exclusief verzendkosten)
Verkrijgbaar bij de boekhandel of rechtstreeks bij:
Otto Cramwinckel Uitgever
Herengracht 416 · 1017 BZ Amsterdam
telefoon 020-627 66 09 · fax: 020-638 38 17
e-mail: info@cram.nl · url: www.cram.nl
Nr 45
Scientology vs. Karin Spaink en
Providers
Gerechtshof 's-Gravenhage 4 september 2003
Het Gerechtshof te 's-Gravenhage, kamer M C-5, heeft het volgende
arrest gewezen in de zaak van:
1. het rechtspersoonlijkheid bezittende kerkgenootschap naar bui-
tenlands recht Church of Spiritual Technology, gevestigd te Los
Angeles, Verenigde Staten van Amerika,
2. het rechtspersoonlijkheid bezittende kerkgenootschap naar bui-
tenlands recht Religious Technology Center, gevestigd te Los Ange-
les, Verenigde Staten van Amerika,
3. de rechtspersoon naar buitenlands recht New Era Publications
International ApS, gevestigd te Kopenhagen, Denemarken,
hierna ook te noemen: Scientology, RTC en NEPI, dan wel gezamen-
lijk Scientology c.s., appellanten, tevens incidenteel geintimeerden,
procureur: mr. E. Grabandt, advocaat: mr. R. Hermans (Amsterdam),
tegen:
1 . Dataweb BV, gevestigd te 's-Gravenhage,
2. de stichting Stichting Temporary, (voorheen Stichting XS4ALL),
gevestigd te Amsterdam,
3. de stichting Stichting De Digitale Stad, gevestigd te Amsterdam,
4. Cistron Internet Services BV, gevestigd te Alphen aan den Rijn,
5. Internet Access Eindhoven BV, gevestigd te Eindhoven,
6. de vennootschap naar buitenlands recht Euronet Internet Inc.,
gevestigd te Wilmington, Verenigde Staten van Amerika,
7. Wirehub! Internet BV,gevestigd te Rotterdam,
8. de stichting Stichting Internet Access, gevestigd te Slochteren,
9. Roland Walter Vergeer, (handelende onder de naam B-Art Midden
Nederland), wonende te Leidschendam,
10. de vennootschap onder firma Lunatech Research BV i.o., (voor-
heen de vennootschap onder firma Lunatech Research), gevestigd te
Rotterdam,
11. Michael David Pentowski, vennoot van geïntimeerde sub 10,
wonende te Rotterdam,
12. Peter Firth Munro, vennoot van geïntimeerde sub 10, wonende te
Workingham, Verenigd Koninkrijk
13. Stefan Mark Arentz, vennoot van geïntimeerde sub 10, wonende te
Schagen,
14. Peter Alexander Kaas, vennoot van geïntimeerde sub 10, wonende
te Odijk, gemeente Bunnik,
15. de vennootschap onder firma Spirit Interactive Diensten BV i.o.,
gevestigd te Rotterdam,
16. NV Eneco, vennoot van geïntimeerde sub 15, gevestigd te Rotter-
dam,
17. Rotterdams Dagblad BV, vennoot van geïntimeerde sub 15, geves-
tigd te Rotterdam,
18. de gemeente Rotterdam (Ontwikkelingsbedrijf Rotterdam), ven-
noot van geïntimeerde sub 15, zetelend te Rotterdam,
19. Metropolis Internet BV, gevestigd te Dordrecht,
20. Karin Spaink, wonende te Amsterdam,
21. B-Art Noord Nederland BV, gevestigd te 's-Gravenhage,
22. de stichting Stichting Telebyte, gevestigd te Nijmegen,
hierna ook te noemen: Karin Spaink (geïntimeerde sub 20) en de Pro-
viders (geïntimeerden sub 1 tot en met 5, 7 tot met 19, 21 en 22), geïnti-
meerden, Karin Spaink en de Providers tevens incidenteel appellan-
ten, procureur: mr W. Taekema, advocaten: mr P.H. Bakker Schut en
mr J.C.H. van Manen (beiden te Amsterdam).
Het geding
Scientology c.s. zijn bij exploiten van 8 en 9 september 1999 in hoger
beroep gekomen van het door de rechtbank 's-Gravenhage tussen
Scientology c.s. als eisers enerzijds en onder meer geïntimeerden als
gedaagden anderzijds gewezen vonnis van 9 juni 1999. Zij hebben
daartegen drie (onvoorwaardelijke) grieven en drie voorwaardelijke
grieven aangevoerd.
De procedure tussen Scientology c.s. en geïntimeerde sub 6 is op 27
april 2000 geroyeerd. De Providers en Karin Spaink hebben de grie-
ven bestreden. Zij hebben, incidenteel appellerend, acht grieven
tegen het vonnis aangevoerd, welke door Scientology c.s. zijn bestre-
den.
Partijen hebben vervolgens hun standpunten doen bepleiten door
hun voornoemde advocaten aan de hand van pleitnotities, waarna zij
onder overlegging van hun processtukken arrest hebben gevraagd.
Beoordeling van het hoger beroep
1. Nu de procedure tegen geïntimeerde sub 6 is geroyeerd, behoeft
daarop niet meer te worden beslist.
2. Het gaat in dit geding, kort aangeduid, om het volgende. In 1991
heeft Scientology tegen Steven Fishman, voormalig lid van Scientolo-
gy, een procedure aangespannen. In die procedure heeft Fishman een
schriftelijke partijverklaring (de zgn. Fishman Affidavit) ingebracht,
met bijlagen waaronder vertrouwelijke delen uit de werken over de
Scientology-leer en -organisatie, welke werken bekend zijn onder de
naam Operating Thetan I tot en met Operating Thetan VII (hierna
ook te noemen OT I tot en met OT VII)). Karin Spaink heeft in 1995 de
Fishman Affidavit met bijlagen waaronder vertrouwelijke delen uit
de OT-werken, op haar websites bij (voorheen genaamd) XS4ALL en
bij Planet Internet geplaatst. Nadat zij deze vóór 23 februari 1996 had
verwijderd, heeft Karin Spaink haar eigen relaas over Scientology op
haar websites (hierna aan te duiden als: website (in het enkelvoud))
gezet, in welk relaas enige citaten uit onder meer OT II, OT III en Abi-
lity zijn opgenomen (producties 19a, 19b en 19c in kort geding, over-
gelegd bij conclusie van antwoord van mr. Bakker Schut).
3. De door de rechtbank vastgestelde feiten, weergegeven onder 1 van
het vonnis, zijn niet bestreden, zodat ook het hof van deze feiten zal
uitgaan.
Dit brengt mee dat ook in hoger beroep ervan zal worden uitgaan dat
de citaten uit OT II en OT III op de website van Karin Spaink overeen-
komen met de desbetreffende teksten uit de originele werken OT II
en OT III.
4. Scientology c.s. hebben in dit geding gevorderd, samengevat:
a) te verklaren voor recht dat de (in eerste aanleg gedaagde) pro-
viders door het zonder toestemming van hen (Scientology c.s.),
als direct of indirect rechthebbenden, voor derden toegankelijk
op door hen gecontroleerde, dan wel aan hen toebehorende
computersystemen aanwezig hebben van
1) een verveelvoudiging van werken waarvan Scientology
het auteursrecht bezit,
2) een `link' welke bij activering veroorzaakt dat een ver-
veelvoudiging van een werk waarvan Scientology het
auteursrecht bezit wordt vertoond op het scherm van de
gebruiker,
zich schuldig maken aan een openbaarmaking en/of ver-
veelvoudiging in de zin van de Auteurswet 1912 (hierna:
Aw) en/of onrechtmatig jegens hen handelen indien zij van
de aanwezigheid van voornoemde documenten respectie-
velijk het bestaan van voornoemde `link' op de hoogte zijn
dan wel hadden behoren te zijn;
b) te verklaren voor recht dat de werken bekend onder de naam
OT I tot en met OT VII), althans OT II en OT III niet rechtmatig
zijn openbaar gemaakt in de zin van artikel 15a onder 1 Aw;
c) Karin Spaink te bevelen, op straffe van een dwangsom, iedere
inbreuk op de auteursrechten van Scientology te staken en
gestaakt te houden, waaronder iedere openbaarmaking en/of
verveelvoudiging van de documenten Ability en OT I tot en met
OT VII, althans van de documenten Ability, OT II en OT III;
d) de providers te bevelen, op straffe van dwangsommen,
primair: iedere inbreuk op de auteursrechten van Scientology
te staken en gestaakt te houden, waaronder iedere openbaar-
making en/of verveelvoudiging van de documenten Ability, OT
I tot en met OT VII , althans van de documenten Ability, OT II
en OT III;
subsidiair: zorg te dragen voor onmiddellijke verwijdering van
inbreukmakende documenten, waaronder Ability en OT I tot
en met OT VII, althans van de documenten Ability, OT II en OT
III, zodra zij worden gewezen op de aanwezigheid daarvan op
hun computersysteem dan wel een door hen gecontroleerd
computersysteem;
meer subsidiair: zodra zij worden gewezen op de aanwezigheid
van eerder genoemde inbreukmakende documenten op hun
computersysteem dan wel een door hen gecontroleerd compu-
Mediaforum 2003-10
337
Jurisprudentie nr
.4
5
tersysteem, de desbetreffende gebruiker te verzoeken de
inbreukmakende documenten onmiddellijk te verwijderen bij
gebreke waarvan zij de gebruiker verdere toegang tot hun com-
putersyteem zullen ontzeggen;
e) de providers te bevelen, op straffe van dwangsommen, Scien-
tology c.s. te informeren over de namen en adressen van derden
die via hun computersysteem of een door hen gecontroleerd
computersysteem inbreukmakende documenten openbaar
gemaakt of verveelvoudigd hebben, dan wel zullen openbaar
maken of verveelvoudigen.
De rechtbank heeft bij het vonnis waarvan beroep de gevorderde ver-
klaringen voor recht sub a) en de jegens de providers (met uitzonde-
ring van de vennootschap onder firma Lunatic Research en haar ven-
noten en Dutch Channel Ltd) gevorderde bevelen sub d) subsidiair en
e) toegewezen als in het vonnis is vermeld, en heeft de vorderingen
voor het overige afgewezen.
5. In hoger beroep is niet meer weersproken dat (delen van) de werken
OT II, OT III en Ability een eigen, oorspronkelijk karakter bezitten en
het persoonlijk stempel van de maker dragen en aldus auteursrechte-
lijk beschermd zijn.
In hoger beroep herhalen Karin Spaink en de Providers hun betwis-
ting dat het auteursrecht op de OT-werken toekomt aan Scientology.
De rechtbank heeft overwogen, dat L. Ron Hubbard de auteursrech-
ten op zijn werken bij testament heeft vermaakt aan de Trustee of
Author's Family Trust B en dat blijkens de ten processe overgelegde
akte van `Assignment' met de daarbij behorende `Attachment B' (pro-
ductie 10 bij conclusie van eis in eerste aanleg van Scientology c.s.) de
auteursrechten op OT I tot en met OT III, die in die akte worden ver-
meld, evenals het auteursrecht op Ability, zijn overgedragen aan
Scientology, en dat aan RTC respectievelijk NEPI een licentie is ver-
leend met betrekking tot (onder meer) OT II en OT III respectievelijk
(onder meer) Ability. Nu Karin Spaink en de Providers dit onvoldoen-
de hebben weersproken, gaat het hof ervan uit dat Scientology, voor
zover van belang, auteursrechthebbende is op de werken OT II, OTIII
en Ability en dat RTC en NEPI licentiehoudster zijn met betrekking
tot OT II en OT III respectievelijk Ability.
Wat de overige werken betreft stellen Scientology c.s. onder 19 van
hun memorie van antwoord in het incidenteel appel dat het feit dat
in deze procedure alleen het auteursrecht van Scientology c.s. op de
werken OT II, OT III en Ability is komen vast te staan niet afdoet aan
de verplichting van de Providers om `de verveelvoudiging van andere
werken', waarop Scientology auteursrecht heeft, te verwijderen dan
wel te blokkeren na ontvangst van een kennisgeving aan de juistheid
waarvan in redelijkheid niet valt te twijfelen.
Daar Scientology c.s. ook in hoger beroep niet nader hebben onder-
bouwd dat zij rechthebbende(n) zijn op andere werken dan OT II, OT
III en Ability, gaat het hof aan de vermeende inbreuk op die `andere
werken' voorbij.
6. Scientology c.s. hebben hun vorderingen (primair) gebaseerd op
het recht zich te verzetten tegen het zonder toestemming openbaar-
maken en verveelvoudigen van auteursrechtelijk beschermde werken
waarvan zij het auteursrecht bezitten.
Hieronder zal worden nagegaan of er in het onderhavige geval sprake
is van beperkingen op het auteursrecht, met name op grond van arti-
kel 15a van de Auteurswet 1912 en artikel 10 van het Europees Verdrag
tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrij-
heden (hierna ook: EVRM), nu Karin Spaink en de Providers hun
beroep op deze beperkingen in hoger beroep hebben gehandhaafd.
Het hof merkt in dit verband op dat het enkele overleggen van pro-
cesstukken (al dan niet met producties) uit een eerder gevoerd kort
geding en/of het zich daarop in algemene zin beroepen niet vol-
doen/voldoet aan het vereiste dat een partij die zich op bepaalde fei-
ten en omstandigheden wil beroepen, dit op zodanige wijze moet
doen dat voor de rechter voldoende duidelijk is wat als grondslag
voor de vordering wordt voorgelegd en voor de wederpartij waarop
zij haar verdediging dient af te stemmen (vgl. HR 31 december 1993,
NJ 1994, 387 en HR 8 januari 1999, NJ 1999, 342).
7.1. Grief I in het principaal appel, gericht tegen rechtsoverweging 13
van het vonnis, betreft de afwijzing (en de motivering daarvan) van de
gevorderde verklaring voor recht, inhoudende dat de desbetreffende
OT-werken niet rechtmatig openbaar zijn gemaakt in de zin van arti-
kel 15a Aw.
7.2. Tussen partijen is niet in geschil dat (ook) de vraag, of de desbe-
treffende OT-werken (bijlagen van de Fishman Affidavit) waaruit
Karin Spaink op haar website heeft geciteerd, (eerder) rechtmatig
openbaar zijn gemaakt, moet worden beoordeeld naar Nederlands
recht, zijnde het recht van het land waar de auteursrechtelijke
bescherming wordt ingeroepen.
Volgens artikel 15a Aw (welke bepaling is ontleend aan artikel 10 lid 1
Berner Conventie) is het citeren uit een auteursrechtelijk beschermd
werk geoorloofd mits wordt voldaan aan een aantal in de wet
omschreven voorwaarden, waaronder de voorwaarde dat het werk
waaruit wordt geciteerd reeds rechtmatig openbaar is gemaakt. Tus-
sen partijen bestaat er kennelijk geen verschil van mening over dat
het relaas van Karin Spaink op haar website aan de overige in artikel
15a Aw genoemde voorwaarden voldoet.
7.3. Niet weersproken is dat het door NEPI gepubliceerde werk Abili-
ty rechtmatig openbaar is gemaakt. Dit brengt mee dat het Karin
Spaink op grond van artikel 15a Aw vrij staat te citeren uit Ability,
mits aan de andere wettelijke voorwaarden wordt voldaan.
7.4. Scientology c.s. stellen zich op het standpunt dat de OT-werken
nooit eerder rechtmatig openbaar zijn gemaakt en dat aan Karin
Spaink ook geen toestemming is gegeven voor het citeren uit die wer-
ken. Die werken, aldus Scientology c.s., worden slechts in beveiligde
ruimten ter inzage gegeven aan geselecteerde leden aan wie boven-
dien strikte geheimhouding is opgelegd. Volgens Scientology wor-
den alleen die leden geselecteerd `die een bepaald niveau van spiritu-
aliteit hebben bereikt en die door de Church worden uitgenodigd
deel te nemen aan religieuze bijeenkomsten waarbij beperkt gebruik
wordt gemaakt van de OT-werken'.
7.5. Karin Spaink en de Providers voeren aan dat de stukken OT II en
OT III, die sinds de jaren 50 bestaan, geruime tijd binnen de Sciento-
logy-gemeenschap hebben gecirculeerd en dat leden, die het desbe-
treffende `OT-level' hadden bereikt de documenten in hun bezit kre-
gen (pleitnotities mr. Van Manen in eerste aanleg, 28). Zij beroepen
zich op een verklaring van Robert Vaughn Young (zie Appendix p.115
e.v., KS-28, bij het Verweer van Karin Spaink (productie 2c in kort
geding, overgelegd bij conclusie van antwoord van mr Bakker Schut)
en de getuigenverklaring van Warren McShane, vice-president van
RTC (kenbaar uit pagina's 52 en 53 van het door Scientology c.s. als
productie 47 overgelegde Zweedse vonnis van 14 september 1998), dat
ongeveer 20.000 tot 25.000 (en bij pleidooi in hoger beroep: mini-
maal 25.000) mensen OT II en OT III hebben gelezen, en op de pagi-
na's 53 en 54 van dat vonnis.
Daarnaast stellen Karin Spaink en de Providers dat de teksten open-
baar zijn gemaakt doordat deze gedurende geruime tijd in de biblio-
theek van het District Court for the Central District of California ter
inzage hebben gelegen en daarvan tegen betaling afschriften ver-
krijgbaar waren (zie Memorandum Opinion van 30 augustus 1995 in
RTC vs. Lerma (productie 2c in kort geding; Appendix, p. 33, KS-9, bij
het Verweer van Karin Spaink en voorts Memorandum Opinion and
Order of the District Court Colorado van 15 september 1995 inzake
F.A.C.T. NET/RTC (productie 3 in kort geding, overgelegd bij plei-
dooi in eerste aanleg door mr. Pors)).
Scientology c.s. weerspreken op zichzelf niet dat door de jaren heen
een groot aantal personen heeft kennisgenomen van de OT II en OT
III, maar voeren aan dat dit geschiedde onder strikte geheimhou-
ding. Zij betwisten dat werken aan leden werden (mee)gegeven, en
voeren aan dat, indien derden (waaronder gewezen leden) inzage van
de geschriften hebben gekregen, dit op onrechtmatige wijze is
geschied.
7.6. Scientology c.s. betogen dat de term `openbaar gemaakt' in artikel
15a Aw de eerste openbaarmaking betreft; het gaat daarbij om het ver-
schijnen, het toegankelijk maken van werken voor een algemeen
publiek.
Karin Spaink en de Providers beroepen zich wat de uitleg van `open-
baar gemaakt' in artikel 15a Aw betreft onder meer op artikel 12, lid 4
Aw en, naar het hof begrijpt, op artikel 12, lid 1, onder 2
o
Aw.
7.7. Het hof overweegt hieromtrent het volgende.
Noch de Berner Conventie noch de Auteurswet 1912 geven een
omschrijving van het (primaire) begrip `openbaar maken' (of van `ver-
veelvoudigen'). Het begrip openbaar maken dient volgens de wetge-
ver te worden verstaan naar zijn oorspronkelijke betekenis.
Mediaforum 2003-10
338
Jurisprudentie nr
.4
5
Wat in de eerste plaats moet worden verstaan onder `het openbaar maken',
waartoe de uitsluitende bevoegdheid een essentiale is van het auteurs-
recht, behoeft de wet niet te bepalen. Ten aanzien van ieder soort van let-
terkundig, wetenschappelijk of kunstwerk geeft het woord zijn natuurlijk
begrip duidelijk aan. Bij letterkundig en wetenschappelijke werken, die in
een geschrift bestaan, betekent het in druk doen verschijnen en voor het
publiek verkrijgbaar stellen, uitgeven. Evenzoo bij muziekstukken. Bij
schilderijen en beeldhouwwerken moet men eronder verstaan, het inzen-
den op enen tentoonstelling, voor het publiek toegankelijk. (...)
(memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid
tot de Auteurswet 1912)
Omdat volgens de wetgever met het primaire begrip openbaar maken
niet kan worden volstaan, is destijds daarnaast in de wet een aantal
handelingen vermeld die `mede' als openbaarmaking worden
beschouwd (zie artikel 12 Aw).
De memorie van antwoord bij de wet tot aanpassing van de Auteurs-
wet 1912 aan de Akte van Parijs van de Berner Conventie,
Stb. 1985, 307
(Tweede Kamer, zitting 1982-83, 16 740, nr.7, pag. 8) houdt onder
meer in: `De eis van een rechtmatig openbaarmaking in artikel
(thans) 15a is ontleend aan artikel 10, eerste lid van de Akte van Parijs
van de Berner Conventie betreffende het citaatrecht en wordt daar
gesteld omdat men het citaatrecht niet wilde laten gelden voor
manuscripten of werken voor een beperkt publiek, maar alleen voor
werken die tot het gehele publiek gericht zijn.'
7.8. Naar het oordeel van het hof is met `openbaar gemaakt' in artikel
15a, lid 1 Aw dan ook bedoeld de eerste openbaarmaking in de oor-
spronkelijke betekenis. De openbaarmaking moet voorts rechtmatig
zijn geweest.
Ten overvloede wordt voor het geval, dat ervan zou worden uitge-
gaan dat onder `openbaar gemaakt' in artikel 15a Aw mede de uitbrei-
dingen ingevolge artikel 12 Aw zijn begrepen, nog het volgende over-
wogen.
Artikel 12, lid 1 onder 2
o
, Aw is niet van toepassing, omdat die bepa-
ling de verbreiding van werken betreft die anders dan de werken
OT II en OT III (nog) niet in druk zijn verschenen (manuscripten).
Het hof verwerpt het beroep op artikel 12, lid 4 Aw evenzeer. Deze
bepaling heeft slechts betrekking op een voordracht, op- of uitvoering
of voorstelling dan wel een tentoonstelling van een werk. Feiten en
omstandigheden waaruit volgt dat daarvan bij de werken OT II en OT
III sprake is geweest zijn door Karin Spaink en de Providers niet
(genoegzaam) gesteld, noch is daarvan gebleken. Laatstbedoelde bepa-
ling geeft overigens een omschrijving van aan de auteur voorbehou-
den exploitatiehandelingen en betreft dus niet het recht van eerste
openbaarmaking (vgl. memorie van toelichting bij het wetsvoorstel
(Tweede kamer, zitting 1964-65, nr. 3) dat heeft geleid tot de wet van 27
oktober 1972 tot herziening van de Auteurswet 1912,
Stb. 1972, 579).
7.9. Uit de processtukken blijkt dat de Fishman Affidavit met bijla-
gen gedurende een periode van ongeveer twee jaren ter inzage heeft
gelegen in de bibliotheek van de District Court for the Central Dis-
trict of California en dat in die periode kopieën van dat document
voor derden vrijelijk verkrijgbaar waren.
Hoewel uit de processtukken blijkt dat de Fishman Affidavit (met de
bijlagen) via het internet is verspreid en aldus in het publieke domein
is gekomen, moet op grond van de processtukken ervan worden uit-
gegaan dat daartoe noch door Scientology noch door Scientology c.s.
toestemming is verleend, zodat het hof ervan zal uitgaan dat op deze
wijze de documenten niet rechtmatig openbaar zijn gemaakt.
7.10. Ten processe staat vast dat OT II en OT III vanaf de jaren '50 bin-
nen Scientology zijn verspreid. Niet voldoende weersproken is voorts
dat in de loop der jaren een groot aantal leden (het aantal van 20.000
à 25.000 is onvoldoende betwist) daarvan kennis heeft genomen. Ver-
der is gebleken dat in elk geval thans de leden van Scientology zijn
gebonden aan een geheimhoudingsverplichting en dat er sprake is
van stringente beveiligingsmaatregelen op dit punt (zoals het hof op
de bij pleidooi getoonde video-opname zelf heeft kunnen waarne-
men). De juistheid van de door Scientology c.s. betwiste stelling
van Karin Spaink en de Providers dat er in het verleden geen geheim-
houdingsverplichting voor de leden gold en dat de OT-documenten
vrijelijk binnen en buiten de Scientology-organisatie hebben gecircu-
leerd staat niet vast op grond van de processtukken. Daartoe zijn de
verklaringen van Young en McShane te weinig concreet. Bovendien
valt ook uit hun verklaringen af te leiden dat er wel een geheimhou-
dingsplicht was maar dat die niet of niet voldoende werd nageleefd.
Dit laatste is niet zonder meer gelijk te stellen aan een stilzwijgende
toestemming om de documenten te verspreiden. Nu Karin Spaink en
de Providers hun stelling onvoldoende hebben geconcretiseerd en/of
onderbouwd en nu ook niet is gebleken dat wat het kennis nemen
van OT II en OT III betreft er voor leden ook tegenover derden (niet-
leden) geen geheimhoudingsplicht bestond en evenmin dat die docu-
menten zonder beperking ook voor derden ter inzage waren, passeert
het hof het bewijsaanbod van Karin Spaink en de Providers als onvol-
doende gesubstantieerd en gaat het hof ervan uit dat de leden geen
toestemming hadden die werken onbeperkt, dus ook onder derden,
te verspreiden.
7.11. Het vorenstaande brengt mee dat aan de hierboven onder 7.2
genoemde voorwaarde van `rechtmatig openbaar gemaakt', als
bedoeld in artikel 15a Aw, niet is voldaan.
7.12. In het arrest HR 20 oktober 1995,
NJ 1996, 682 is onder meer over-
wogen:
3.6.2. (...) Wel is in paragraaf 6 van Hoofdstuk I van de Auteurswet 1912
een aantal beperkingen van het auteursrecht opgenomen, waaraan in de
regel een afweging ten grondslag ligt van de belangen van de rechtheb-
bende op het auteursrecht tegenover de maatschappelijke of economische
belangen van anderen of tegen het algemeen belang.
Deze uitdrukkelijke beperkingen sluiten echter niet uit dat de grenzen
van het auteursrecht ook in andere gevallen aan de hand van een verge-
lijkbare afweging nader moeten worden bepaald, in het bijzonder wan-
neer de behoefte aan de desbetreffende begrenzing door de wetgever niet is
onderkend en zij past in het stelsel van de wet, zulks in het licht van de
ontwikkeling van het auteursrecht als middel tot bescherming van com-
merciële belangen.
Bij een zodanige afweging kan bij een of meer in de wet opgenomen beper-
kingen aansluiting worden gezocht.
In het genoemde arrest is beslist dat het wettelijk stelsel van de gren-
zen van het auteursrecht in de Auteurswet 1912 niet limitatief is. Het
hof is evenwel van oordeel dat het stelsel van de Auteurswet (en de
Berner Conventie) in dit geval geen ruimte biedt om de grenzen van
het essentiële primaire begrip `openbaar maken' en de term `rechtma-
tig' in artikel 15a Aw ruimer te bemeten. Evenmin doet zich de
omstandigheid voor, dat het belang niet is onderkend auteursrechte-
lijke beschermde werken beschikbaar te stellen om daaruit te citeren
in een aankondiging, beoordeling, polemiek of wetenschappelijke
verhandeling.
Grief I in het principaal appel slaagt derhalve, maar kan gelet op het-
geen hierna zal worden overwogen niet tot vernietiging van het von-
nis leiden.
8.1. Karin Spaink en de Providers betogen verder dat de uitoefening
(en handhaving) van het auteursrecht door Scientology c.s. in strijd is
met artikel 10 EVRM. Zij voeren aan dat Karin Spaink met het litigieu-
ze relaas op haar website, waarin citaten uit de OT II, OT III (en Ability)
voorkomen, heeft beoogd informatie te verstrekken over de Scientolo-
gy-leer en -organisatie en te waarschuwen voor misstanden daarbij.
8.2. Ingevolge het tweede lid van artikel 10 EVRM kan het recht op
informatievrijheid worden onderworpen aan beperkingen die in een
democratische samenleving nodig zijn ter bescherming van onder
meer de rechten van anderen. Onder die rechten valt in beginsel mede
het auteursrecht, nu dit bij de wet is voorzien en dient ter bescher-
ming van de rechten van anderen.
Denkbaar is dat er bijzondere gevallen zijn waarin de handhaving
van het auteursrecht, zoals een inbreukverbod, moet wijken voor de
informatievrijheid.
Hieronder zal worden nagegaan of in het onderhavige geval toewij-
zing van de vorderingen van Scientology c.s. hetgeen leidt tot
beperking van de informatievrijheid , in een democratische samen-
leving nodig is, met andere woorden of deze beperking beantwoordt
aan een dringende maatschappelijke behoefte (`pressing social need')
en een gerechtvaardigd doel dient (`proportionate to the legitimate
aim pursued'), waartoe rekening houdende met alle omstandighe-
den van het geval een proportionaliteitstoets/ belangenafweging
dient plaats te vinden en waarbij aan de nationale autoriteiten een
zekere beleidsvrijheid
(`margin of appreciation') is overgelaten (vgl. EHRM 26 april 1979,
NJ
1980, 146).
Mediaforum 2003-10
339
Jurisprudentie nr
.4
5
8.3. Met betrekking tot de leer en organisatie van Scientology c.s.en
de gang van zaken bij de Scientology-organisatie is uit de in zoverre
niet voldoende weersproken processtukken het volgende gebleken:
Aangaande de Scientology-leer uit OT III:
Miljoen jaren geleden heeft Xenu, de kwade prins die over het Galactisch
Universum heerste, een overbevolkingsprobleem opgelost door mensen
naar de aarde te transporteren en twee kernbommen te laten exploderen,
één op Las Palmas en één op Hawaï. Hun zielen (`Thetans') zwerven nog
steeds op aarde. Wij zijn die Thetans, maar we zijn versuft en afgestompt;
Scientology leert ons hoe mensen hun volledige vermogens kunnen terug-
krijgen en de status `Operating Thetan' kunnen bereiken. Een Operating
Thetan kan mensen met gedachten bedwingen, heeft een bovenmatige
intelligentie en kan met dieren en planten communiceren. Voorts hebben
mensen trauma's (`engrammen'), vaak opgedaan in vorige levens, en die
kun je weg krijgen via Scientology; ten slotte zijn er `Body Thetans', die
eveneens voor flinke problemen zorgen; en ook die kunnen aanhangers
leren kwijt te raken. Helaas zijn er oneindig veel (zie pleitnota in kort
geding van mr. Bakker Schut onder 1.a, waarnaar in zijn pleitnota in dit
geding wordt verwezen).
Voorts staat als niet voldoende weersproken vast dat de lessen in de
Scientology-leer gepaard gaan met `auditing'. Daarbij moeten leden
van Scientology onder begeleiding van een leraar (`auditor') allerlei
tegenstrijdige `notions' herhalen of zich bepaalde incidenten voor-
stellen, terwijl zij tegelijkertijd een zogenaamde E-meter vasthou-
den, een soort leugendetector die hun reactie moet meten. Pas als de
E-meter een gewenste uitslag geeft, mogen zij zich bezig houden met
de volgende onderdelen van de leer.
Een door de Bondsregering van Duitsland uitgegeven brochure
(productie 18 in kort geding van mr Bakker Schut) houdt onder meer
in:
als voorwoord van de Duitse minister voor Familiezaken, Ouderen,
Vrouwen en Jeugd:
Viele Bürgerinnen und Bürger, die sich von den bedenklichen Praktiken
und Activitäten der Scientology-Organisation betroffen fühlen, wenden
sich an mich mit der Bitte um Hilfe und Rat: junge Frauen und Männer,
die durch Scientology ihre Berufsausbildung abgebrochen, ihren Beruf
aufgegeben, ihre Familien verlassen haben und in materielle Schwierig-
keiten geraten sind.( . ..) Diese Entwicklung erfüllt mich mit wachsender
Sorge.
Die Scientology-Organisation ist keine Religions- oder Weltanschauungs-
gemeinschaft, sondern ein weltweit operierendes, hemmungslos auf
Gewinn ausgerichtetes Unternehmen.
In de brochure is verder vermeld:
Um die einzige `Wahrheit' zu bewahren, wird Kritik innerhalb des Sys-
tems nicht geduldet. Ein ausgeklügeltes Kontroll- und Überwachungs-
system sorgt dafür, dass Abweichler erkannt und `gehandhabt' werden
können.
(...)
Die Gefahren für die Gesellschaft liegen in der Zielsetzung Scientologys,
die bestehende Ordnung scientologisch zu beherrschen. Eine scientolo-
gisch geprägte Gesellschaft kennt keine Freiheitsrecht im Sinne des
Grundgesetzes.
(...) Denn: Scientology ist nicht harmlos. Es ist auch keine Religions- oder
Glaubensgemeinschaft. Es ist vielmehr eine auf unbedingte Gewinn-
maximierung ausgerichtete wirtschaftliche Organisation, deren Ideolo-
gie totalitäre Züge trägt und deren Weltbild das Bundesarbeidsgericht
als menschenverachtend bezeichnet hat.' (pag. 7)
Ziel der Scientology-Organisation ist die Erschaffung eines neuen
Menschen scientologischer Prägung und einer neuen ausschliesslich nach
scientologischen Richtlinien funktionierende Welt. Scientology strebt die
Weltherrschaft an. Dies wird insbesondere aus Hubbards Aussagen zur
`bisherigen' Demokratie deutlich. Ohne zwischen den verschiedenen der-
zeit bekannten Demokratieformen zu unterschieden, wird jedwede
Demokratie als nutzlos beschrieben:
Ich sehe nicht, dass populäre Massnamen, Selbstverleugnung und Demo-
kratie dem Menschen irgendetwas gebracht haben, ausser ihn weiter in
den Schlamm zu stossen.'
Damit erhebt Scientology den Absolutsanspruch auf den einzig wahren
Heilsweg.' (pag. 15)
(...) Hubbard lehnt Recht als `Anwendung des Gesetzes' ab. (...) Für ihn ist
Recht nicht ein Normenkatalog zur Begründung von Rechten und Pflich-
ten des Bürgers (...) Recht ist das, was Scientology weiterbringt.' (pag. 16).
Een Affidavit van L. Ron Hubbard Jr., de oudste zoon van Hubbard
(productie 9 in kort geding van mr. Bakker Schut ) houdt onder meer in:
5. (...)
In connection with each and every corporation which we created under gener-
al heading of the `Church of Scientology', my father always required all of
the Directors and Officers of all corporations to give him undated signed
resignations in advance which he held. In that manner he always has retai-
ned complete control over every corporation including its bank accounts.
(...)
7. My father obtained the rights to the E-meter in 1952 from Volney Mathis-
on .(...) My father learned about the E-meter from Mathison who developed
it and my father fraudulently extracted those rights from Mathison so that
my father could use it in Scientology auditing.
8. My father has always used the confidential information extracted from
people during auditing sessions to intimidate, threaten and coerce them to
do what he wanted, which often meant getting them to give him money.
(...)
10. My father's basic policies relating to `suppressive persons', `Fair
Game', `attack the attacker', etc. have always been and will always be an
integral part of Scientology. The organizational structure of Scientology
and the theories of Scientology cannot operate and Scientology would not
be scientology without such policies.
My father and I discussed the basic theories of dealing with suppressive
persons, such as what eventually became designated as the `Fair Game
Doctrine' on many occasions. These policies have never changed.
De door Scientology c.s. niet weersproken Declaration van Vicki
Aznaran (voormalig President van RTC) (productie 9 in kort geding
van mr Bakker Schut) houdt onder meer in:
(...)
22. The legal strategy of Scientology and the existence of numerous poten-
tial legal problems, some of which are set forth below, were known to me
when I was a staff member in Scientology. Enemies of Scientology are
deemed to be `suppressive persons' (`SPs'). One becomes a `suppressive
person' by doing a suppressive act, such as suing Scientology as a litigant
or lawyer. In the jargon of Scientology, when one is `declared' this means
that one has been declared a `suppressive person' and, therefore, may be
harassed, hurt, damaged or destroyed without regard to truth, honesty or
legal rights. It is considered acceptable within Scientology to lie, cheat,
steal and commit illegal acts in the name of dealing with a `suppressive
person'
23. This practice or policy is sometimes referred to as the policy of `fair
game'. (...) The fair game policy was issued in the 1960s. It was never can-
celled. A document was issued for public relations reasons that purport-
edly canceled `fair game'; however, that document stated that it did not
change the manner of handling persons declared `SP'.
8.4. Uit de door mr. Bakker Schut in het geding gebrachte producties
19a,19b en 19c blijkt dat het relaas van Karin Spaink naast citaten van
derden enkele citaten uit OT II en III bevat. Naar het oordeel van het
hof moeten de citaten uit OT II en OT III worden bezien in de context
van haar gehele relaas en is daarbij gebleken dat deze citaten, hoewel
gering in aantal, de door haar beoogde informatieverstrekking over
de Scientology-leer en de gang van zaken bij de Scientology-organisa-
tie ondersteunen en geloofwaardig maken. Gesteld noch gebleken is
dat zij daarmee (mede) een commercieel doel heeft beoogd.
Uit de hiervoor onder 8.3 vermelde teksten blijkt dat Scientology c.s.
met hun leer en organisatie de verwerping van democratische waar-
den niet schuwen. Uit die teksten volgt tevens dat met de geheim-
houding van OT II en OT III mede wordt beoogd macht uit te oefenen
over leden van de Scientology-organisatie en discussie over de leer en
praktijken van de Scientology-organisatie te verhinderen.
Als bijkomende omstandigheid geldt dat de documenten OT II en OT
III door toedoen van voormeld District Court te Californie tijdelijk
voor ieder verkrijgbaar waren, aldus in het publiek domein zijn
geweest en in die periode op het internet zijn geplaatst.
Verder heeft het hof in aanmerking genomen dat het dwingen van de
Providers om in dit geval de informatie van Karin Spaink te verwijde-
ren of ontoegankelijk te maken disproportioneel is.
Naar 's hofs oordeel kan in deze bijzondere omstandigheden niet
worden gezegd dat een beperking van de informatievrijheid op
grond van de handhaving van het auteursrecht nodig is in de zin van
artikel 10 EVRM en evenmin dat het belang van Karin Spaink en de
Providers en het algemeen belang bij de informatievrijheid van arti-
kel 10 lid 1 EVRM in verhouding tot dat van Scientology c.s. bij hand-
having van hun auteursrecht in dit geval minder zwaar weegt. Der-
halve behoort het eerstgenoemde belang niet te wijken voor het
belang van Scientology c.s. en slaagt het beroep op artikel 10 lid 1
EVRM.
Mediaforum 2003-10
340
Jurisprudentie nr
.4
5
9. Voor zover Karin Spaink en de Providers een beroep doen op artikel
11 Aw, behoeft daarop gezien het vorenstaande niet meer te worden
ingegaan.
10. Of door het plaatsen van de (gehele) Fishman Affidavit met bijla-
gen op de website al dan niet aan de eis van proportionaliteit is vol-
daan dan wel of artikel 10 lid 1 EVRM al dan niet moet wijken voor de
beperking van het auteursrecht, kan naar het oordeel van het hof bui-
ten beschouwing blijven op grond van het volgende.
Naar vast staat heeft Karin Spaink de Fishman Affidavit met bijlagen
in 1995 op de website geplaatst en vóór 23 februari 1996 daarvan ver-
wijderd. Scientology c.s. hebben betoogd dat dit is geschied na som-
matie en onder de druk van een kort geding. Nu Karin Spaink ook na
het vonnis in kort geding en na het vonnis waarvan beroep (in welke
beide gedingen een inbreukverbod jegens haar werd afgewezen) niet
is overgegaan tot publikatie op enigerlei wijze van de Fishman Affi-
davit met bijlagen, acht het hof thans op dit punt geen dreiging meer
aanwezig. Dit brengt mee dat het gevorderde inbreukverbod achter-
wege dient te blijven. Derhalve faalt de (voorwaardelijke) principale
grief I, welke aan de orde is nu de desbetreffende voorwaarde is ver-
vuld. De incidentele grief 6 behoeft geen behandeling.
11. De (voorwaardelijke) principale grief II houdt in dat de rechtbank
ten onrechte heeft overwogen dat de activiteiten van de providers
geen relevante verveelvoudiging en/of openbaarmaking in de zin van
de Auteurswet 1912 opleveren.
12. Naar het oordeel van hof verschaffen service-providers slechts de
technische faciliteiten om openbaarmaking van gegevens door anderen
mogelijk te maken. Het lijkt dan ook niet juist hen op één lijn te stellen
met uitgevers die, naar wordt aangenomen, zelf openbaar maken.
Dit oordeel is ook in overeenstemming met het Agreed Statement bij
artikel 8 van het WIPO Auteursverdrag: `It is understood that the
mere provision of physical facilities for enabling or making a com-
munication does not in itself amount to communication within the
meaning of this Treaty or the `Berne Convention.'
Van auteursrechtinbreuk door verveelvoudinging en openbaarma-
king door de Providers kan evenmin worden gesproken, nu de citaten
van Karin Spaink in casu geen auteursinbreuk opleveren. Voor het
overige hebben Scientology c.s. onvoldoende feiten en omstandighe-
den gesteld waaruit het tegendeel kan blijken. De voorwaardelijke
principale grief II kan niet tot vernietiging leiden.
13. Uit het vorenstaande vloeit voort dat Karin Spaink door haar
relaas met de litigieuze citaten op haar website te plaatsen en
geplaatst te houden geen inbreuk maakt op het auteursrecht. Even-
min is gebleken dat zij in de gegeven omstandigheden daarmee
onrechtmatig heeft gehandeld. Feiten of omstandigheden, waaruit
volgt dat zij zich anderszins onrechtmatig heeft gedragen, zijn
onvoldoende onderbouwd.
Nu van inbreuk op het auteursrecht of onrechtmatig handelen van
Karin Spaink te dien aanzien geen sprake is, is evenmin sprake van
onrechtmatig handelen van de Providers met betrekking tot het
relaas van Karin Spaink.
Gelet op hetgeen hierboven in rechtsoverweging 10 is overwogen, is
er ook geen dreiging dat de (volledige) Fishman Affidavit met bijla-
gen op de servers van de providers zullen worden geplaatst.
Dit brengt mee dat de incidentele grief 1 slaagt, evenals de incidente-
le grieven 2, 3, 4 en 5 voor zover die zijn gebaseerd op beweerde
onrechtmatige gedragingen van de Providers, zodat het vonnis niet
in stand kan blijven. Voor het overige behoeft op de incidentele en
principale grieven, evenals de overige stellingen en weren van partij-
en, bij gebrek aan belang, niet meer te worden ingegaan.
14. Aan het bewijsaanbod van partijen gaat het hof voorbij, nu dit niet
terzake dienende is en/of onvoldoende gesubstantieerd en/of gespe-
cificeerd.
15. De (voorwaardelijke) principale grief III en de incidentele grief
VIII betreffen de in het vonnis uitgesproken compensatie van kosten.
Het voorgaande brengt mee dat Scientology c.s. als de (grotendeels) in
het ongelijk gestelde partij zullen worden verwezen in de kosten van
het geding in eerste aanleg en van het principaal en het incidenteel
beroep. De (voorwaardelijke) principale grief III faalt dan ook, terwijl
de incidentele grief VIII slaagt.
Derhalve zal worden beslist als na te melden.
Beslissing
Het Gerechtshof:
in het incidenteel beroep:
vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover de gevorderde ver-
klaringen voor recht en de gevorderde bevelen (de in de inleidende
dagvaarding vermelde vorderingen onder a, b, e subsidiair en f) jegens
de Providers zijn toegewezen en de proceskosten zijn gecompenseerd;
en te dien aanzien opnieuw rechtdoende:
wijst af de vorderingen jegens de Providers (de in de appeldagvaar-
ding vermelde vorderingen sub a, b, e en f );
verwijst Scientology c.s. in de kosten van het geding in eerste aanleg
en begroot deze aan de zijde van Karin Spaink en de providers op
1.351,50;
bekrachtigt het vonnis voor het overige;
verwijst Scientology c.s. in de kosten van het incidenteel beroep en
begroot deze tot op deze uitspraak aan de zijde van Karin Spaink en
de Providers op
1.156,50;
In het principaal beroep:
verwerpt het beroep;
verwijst Scientology c.s. in de kosten van het principaal beroep en
begroot deze tot op deze uitspraak aan de zijde van Karin Spaink en
de Providers op
2.528,50.
Dit arrest is gewezen door mrs Fasseur-van Santen, Kiers-Becking en
Ottevangers, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van
4 september 2003, in tegenwoordigheid van de griffier.
Noot
Dirk Visser
Prof. mr. D. J.G. Visser is hoogleraar intellectueel eigendomsrecht aan de Univer-
siteit Leiden en advocaat te Amsterdam.
Artikel 15a Auteurswet bepaalt dat slechts geciteerd mag worden uit
werken die rechtmatig zijn openbaar gemaakt. Mevrouw Karin
Spaink heeft op haar website geciteerd uit documenten die door de
rechthebbende, de Scientology-sekte, aan tienduizenden volgelingen
beschikbaar zijn gesteld, evenwel op voorwaarde van strikte geheim-
houding. De verdere feiten van deze inmiddels bijna acht jaar oude
kwestie zijn te vinden in r.o. 2 van het arrest en in r.o. 1 van het vonnis
(Rb. 's-Gravenhage 9 juni 1999,
Mediaforum 1999, p. 205).
Het gerechtshof is van oordeel dat de betreffende documenten niet
rechtmatig zijn openbaar gemaakt en dat derhalve niet aan alle voor-
waarden van artikel 15a Auteurswet om te mogen citeren is voldaan.
Dit oordeel lijkt mij juist. `Openbaar maken' heeft in de Auteurswet
verschillende betekenissen. In artikel 15a lid 1 heeft het de betekenis
van
voor het eerst aan het publiek ter beschikking stellen of aan de openbaar-
heid prijsgeven. Het verschilt daarmee wezenlijk van het `openbaar
maken' als verzamelbegrip voor verschillende handelingen die onder
het exploitatie- en verbodsrecht van de auteur vallen. Het verschilt
ook van het openbaar maken in de betekenis van het `verbreiden'
voordat het werk in druk is verschenen, genoemd in artikel 12 lid 1
sub 2 Auteurswet. De manier waarop deze openbaarmaking in de zin
van artikel 15a Aw plaats vindt kan verschillen. Het kan door het ver-
spreiden van exemplaren in druk, door voordracht in het openbaar,
via uitzending of via internet. (Zie hierover: Visser,
Auteursrecht op toe-
gang, diss. 1997, p. 8485).
De vorm van openbaar maken bedoeld in artikel 15a Aw hangt samen
met de wens en de bedoeling van de auteursrechthebbende om zijn
werk aan het algemene publiek prijs te geven. Dagboeken, vertrou-
welijk brieven en bedrijfsgeheimen zullen meestal dan ook nooit in
deze betekenis openbaar worden gemaakt. Aangezien het ook niet de
bedoeling is dat wordt geciteerd uit dergelijke werken die, buiten de
wil van de rechthebbende om, tóch publiek zijn geworden, kent arti-
kel 15a Aw het vereiste van `rechtmatige' openbaarmaking. Het
woord
rechtmatig betekent in dit verband dan ook niets anders dan
Mediaforum 2003-10
341
Jurisprudentie nr
.4
5
met toestemming van de rechthebbende. Nu rechthebbende Scientology de
bewuste documenten geheim wil houden en niet met haar toestem-
ming aan het algemene publiek prijs heeft gegeven mag er niet uit
worden geciteerd. Het feit dat deze documenten inmiddels op ruime
schaal zonder haar toestemming openbaar zijn gemaakt brengt hier-
in geen verandering (zie
Auteursrecht op toegang, p. 85). Is dit niet
vreemd? Neen, naar mijn overtuiging is dit terecht de auteursrechte-
lijke regel. Als bijvoorbeeld een anonieme
onrechtmatige publicatie op
internet ertoe zou leiden dat er vervolgens
rechtmatig uit geciteerd
zou mogen worden zou de verbodsbevoegdheid van de rechthebben-
de al te gemakkelijk kunnen worden omzeild. Zo zouden commer-
cieel belangrijke eerste openbaarmakingen zoals premières van films
en lanceringen van boeken (denk aan Harry Potter) gefrustreerd kun-
nen worden door rechtmatig citeren uit onrechtmatig openbaar
gemaakt werk.
Het feit dat de documenten wel aan tienduizenden volgelingen
beschikbaar zijn gesteld brengt eveneens niet met zich mee dat ze
daarmee met toestemming van de rechthebbende aan de openbaar-
heid zijn prijsgegeven. Ook dat is niet vreemd. Als een wereldwijd
accountantskantoor vertrouwelijke informatie onder haar tiendui-
zend werknemers verspreidt, is die daarmee nog niet rechtmatig
openbaar gemaakt en dus mag er niet uit worden geciteerd.
Het hof onderzoekt (in r.o. 7.12), in het licht van het
Dior/Evora-arrest,
of het stelsel van de Auteurswet ruimte biedt om de begrippen `open-
baar maken' en `rechtmatig' ruimer te interpreteren of dat de wetge-
ver hier iets vergeten zou zijn. Dat is naar 's hofs oordeel niet het
geval en ook dat lijkt mij juist.
Betekent dit dan niet dat het auteursrecht ook misbruikt zou kunnen
worden om te voorkomen dat misstanden of andere ernstige feiten
openbaar gemaakt worden? Ja. Daarom is het ook juist dat het
gerechtshof in dit geval aan artikel 10 EVRM toetst en de citaten toch
rechtmatig acht. Het hof citeert en motiveert uitgebreid om duidelijk
te maken dat Scientology een sekte is met zeer bedenkelijke stand-
punten. Aangezien het maatschappelijk van groot belang is dat dit
met behulp van citaten aan de kaak kan worden gesteld, leidt een
afweging van het auteursrecht tegen de informatievrijheid in dit spe-
cifieke bijzondere geval tot het prevaleren van de uitingsvrijheid. Het
is bij mijn weten de eerste keer dat in een Nederlandse auteursrecht-
zaak een toetsing aan het EVRM in het voordeel van de informatie-
vrijheid uitvalt. Dat is een heugelijk feit en tot zover is het m.i. een
zeer fraai arrest. Daarmee is overigens zeker niet gezegd dat een toet-
sing aan 10 EVRM steeds in het nadeel van het auteursrecht zou moe-
ten uitvallen. Integendeel, in veruit de meeste gevallen moet het
auteursrecht prevaleren. Als dat niet meer het geval is, zou de
auteursrechtelijke regel moeten worden aangepast.
Minder verhelderend is m.i. het oordeel van het hof (in r.o. 12) over de
(auteursrechtelijke) aansprakelijkheid van internet service providers
(ISP's). De rechtbank had in de bestreden uitspraak in 1999 voor recht
verklaard dat ISP's niet aansprakelijk zijn voor auteursrechtinbreuk
door hun abonnees, tenzij zij op de hoogte worden gesteld van een
inbreuk, aan de juistheid van die kennisgeving in redelijkheid niet
kan worden getwijfeld en zij vervolgens niet prompt actie onderne-
men om de inbreuk te staken. Deze uitspraak die anticipeerde op de
regeling uit de toen nog niet vastgestelde Richtlijn Elektronische
Handel is vier jaar lang het belangrijkste aanknopingspunt geweest
van het Nederlandse recht ten aanzien van provideraansprakelijk-
heid.
Het hof overweegt allereerst dat ISP's slechts technische faciliteiten
verschaffen om openbaarmaking door anderen mogelijk te maken.
`Het lijkt dan ook niet juist hen op één lijn te stellen met uitgevers
die, naar wordt aangenomen, zelf openbaar maken.' Daarbij verwijst
het hof naar het Agreed Statement bij artikel 8 van het WIPO-verdrag
over `the mere provision of physical facilities'. Betekent dit dat een
ISP geen enkele verantwoordelijkheid draagt voor (bijvoorbeeld ano-
nieme) auteursrechtinbreuk op zijn server? Dit kan niet waar zijn,
onder andere in het licht van art. 12-14 van de Richtlijn Elektronische
Handel. Het Hof zegt niets over de vraag of een ISP (op grond van
artikel 6:162 BW) verplicht is inbreukmakende informatie te verwij-
deren, nadat hij van de aanwezigheid en het inbreukmakende karak-
ter van die informatie op de hoogte is gesteld. De rechtbank had hier
als gezegd achtenswaardige dingen over gezegd die wél in lijn zijn
met de richtlijn Elektronische handel (zie
Mediaforum 1999, p. 207, r.o.
16, slot). Is dat oordeel nu van de baan? Het hof vernietigt (ook) de ver-
klaring voor recht van de rechtbank inhoudende dat ISP's desge-
vraagd inbreukmakende informatie moeten verwijderen. Het is mij
echter niet duidelijk of het Hof dit doet omdat het oordeel van de
rechtbank over (mede)aansprakelijkheid van ISP's voor inbreuken op
internet niet juist zou zijn, of omdat het Hof geen gevaar voor herha-
ling ziet en daarom (wegens gebrek aan belang?) deze verklaring voor
recht afwijst. Het Hof overweegt aan het slot van r.o. 12 nog dat de
ISP's geen auteursrechtinbreuk plegen omdat de citaten geen
auteursrechtinbreuk opleveren. Dat is wat betreft die citaten uiter-
aard juist. Uit het vonnis van de rechtbank had ik echter begrepen dat
de vordering tegen de ISP's (vooral ook) betrekking had op het feit dat
de gewraakte documenten oorspronkelijk
in hun geheel op de website
van Spaink hadden gestaan en dat de ISP's ze op verzoek van Sciento-
logy hadden moeten verwijderen. Het hof meent dat zij in dit geval
niet aan een oordeel over de modaliteiten van de aansprakelijkheid
van providers behoeft toe te komen. Hoe het ook zij, binnenkort
blijkt de regel waar de rechtbank op anticipeerde uit artikel 6:196c lid
4 en 5 BW (zie
WV 28 197):
Degene die diensten van de informatiemaatschappij verricht als bedoeld
in artikel 15d lid 3 van Boek 3, bestaande uit het op verzoek opslaan van
van een ander afkomstige informatie, is niet aansprakelijk voor de opge-
slagen informatie, indien hij:
a. niet weet en in geval van een schadevergoedingsactie niet redelijker-
wijs behoort te weten dat de activiteit of informatie een onrechtmatig
karakter heeft, dan wel
b. zodra hij dat weet of redelijkerwijs behoort te weten, prompt de
informatie verwijdert of de toegang daartoe onmogelijk maakt.
Het hiervoor bepaalde staat niet in de weg aan het verkrijgen van een
rechterlijk verbod of bevel.
Mediaforum 2003-10
342
Jurisprudentie nr
.4
5
Nr 46
Kranenburg vs. Minister van
Algemene Zaken
Voorzieningenrechter van de Rechtbank 's-Gravenhage, sector
bestuursrecht 4 juli 2003
Reg. nr. AWB 03/2594 WOB
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:84 van de Algemene wet bestuurs-
recht (Awb)
Uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening van M. Kra-
nenburg, chef Haagse redactie NRC Handelsblad, wonende te Lei-
den, verzoeker, ten aanzien van het besluit van 6 juni 2003 van de
minister van Algemene Zaken, verweerder, waarbij is medegedeeld
dat de door verzoeker verzochte stukken niet kunnen worden over-
gelegd.
Zitting
Het verzoek is behandeld ter zitting van 26 juni 2003. Verzoeker is
verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde prof. mr. E. J. Domme-
ring.
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtig-
de mr. E. J. Daalder.
Beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening
Ingevolge art. 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de
rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk
beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep
is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is
of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorzie-
ning treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de hetrokken belan-
gen, dat vereist.
Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodempro-
cedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningen-
rechter daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend
voor de beslissing in die procedure.
Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting neemt
de voorzieningenrechter het volgende als voldoende vaststaand aan.
Bij brief van 5 juni 2003 heeft verzoeker met een beroep op de Wet
openbaarheid van bestuur (WOB) verweerder verzocht om overlegging
van de amendementen die de Tweede Kamerfracties van CDA, VVD en
D66 op 15 mei 2003 hebben ingediend op het ontwerp regeerakkoord
dat de onderhandelaars van deze fracties sloten. Voor zover deze amen-
dementen mondeling zijn ingebracht, heeft verzoeker verzocht dat
deel van de notulen waarin deze zijn verwoord te verstrekken.
Bij besluit van 6 juni 2003 heeft verweerder medegedeeld aan dit ver-
zoek niet te kunnen voldoen omdat de gevraagde documenten niet
bij of onder het ministerie van Algemene Zaken berusten. Bij brief
van 11 juni 2003 heeft verzoeker tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
Tevens heeft hij bij brief van 12 juni 2003 de voorzieningenrechter
verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Standpunten van partijen
Verzoeker heeft samengevat aangevoerd dat het ministerie van
Algemene Zaken verantwoordelijk is voor de stukken van zowel een
gelukte als een mislukte kabinetsformatie. Verzoeker stelt zich op het
standpunt dat de gevraagde stukken bij het ministerie van Algemene
Zaken gearchiveerd worden en dat derhalve de verantwoordelijkheid
voor deze stukken bij verweerder ligt. Gemachtigde van eiser heeft
hierbij verwezen naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrecht-
spraak van de Raad van State en naar kamerstukken waaruit dit zou
blijken.
Gemachtigde van verweerder heeft eveneens samengevat gesteld
dat voor het handelen van de informateur geen ministeriële verant-
woordelijkheid bestaat. Eerst na een geslaagde formatie is er minis-
teriële verantwoordelijkheid van de minister-president voor het ver-
loop van het formele (in)formatieproces. Voorts heeft hij aangevoerd
dat de (in)formateur bepaalt welke stukken in het (in)formatiedos-
sier worden opgenomen, dat slechts de in het dossier opgenomen
documenten aan de minister van Algemene Zaken worden verstrekt
en dat de overige documenten buiten de werkingssfeer van de WOB
blijven.
Overwegingen
Allereerst stelt de voorzieningenrechter vast dat niet in geschil is dat
het bestreden besluit van 6 juni 2003 een besluit in het kader van de
WOB is.
Vervolgens overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
Op grond van artikel 7:12 van de Awb dient de beslissing op het
bezwaar te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de
bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. In het bestreden
besluit beeft verweerder slechts medegedeeld dat de gevraagde stuk-
ken niet bij of onder hem berusten. Naar het oordeel van de voorzie-
ningenrechter is de enkele vermelding dat hij niet over de stukken
beschikt onvoldoende. De voorzieningenrechter neemt hierbij in
aanmerking dat op grond van door zowel eiser als verweerder aange-
haalde jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de
Raad van State blijkt dat (in)formatiedocumenten kunnen berusten
bij het ministerie van Algemene Zaken. De voorzieningenrechter
komt dan ook tot de conclusie dat het bestreden besluit niet berust op
een deugdelijke motivering.
Ter zitting heeft gemachtigde van verweerder het bestreden besluit
nader gemotiveerd. Uit de door hem aangehaalde jurisprudentie en
kamerstukken is de voorzieningenrechter duidelijk geworden hoe
verweerder tot zijn standpunt, dat hij niet beschikt en niet kan
beschikken over de gevraagde stukken, is gekomen. De voorzienin-
genrechter is hierbij tot de overtuiging gekomen dat (in)formateurs
geen bestuursorgaan zijn die onder enige ministeriële verantwoorde-
lijkheid vallen. Zij zijn zelf verantwoordelijk voor de samenstelling
van het door hen over te dragen (in)formatiedossier. Voorts bestaat
geen hiërarchische relatie tussen verweerder en de (in)formateurs.
Verweerder kan de (in)formateurs derhalve niet opdragen bepaalde
stukken aan het dossier toe te voegen. De voorzieningenrechter acht
het derhalve aannemelijk dat de gevraagde stukken zich niet bevin-
den in het dossier dat bij verweerder berust.
Nu verweerder de motivering van het bestreden besluit bij de nog te
nemen beslissing op het bezwaarschrift van verzoeker in vorenge-
noemde zin kan en mag aanvullen, ziet de voorzieningenrechter
geen aanleiding te oordelen dat het bestreden besluit, onder aanvul-
ling van de motivering, in bezwaar geen stand zou houden. Het ver-
zoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb dient derhalve te wor-
den afgewezen.
Van omstandigheden op grond waarvan één van de partijen zou moe-
ten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proces-
kosten, is de voorzieningenrechter niet gebleken.
Beslist dient te worden als volgt.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Rechtbank 's-Gravenhage, recht
doende:
Wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Aldus gegeven door mr. M.D. J. van Reenen-Stroebel, als voorzienin-
genrechter, en in het openbaar uitgesproken op 4 juli 2003, in tegen-
woordigheid van de griffier mr. A.W.W. Koppe.
Noot
Wouter Hins
Mr. A.W. Hins is verbonden aan de leerstoelgroep Staats- en Bestuursrecht van
de UvA. Hij is tevens redacteur van dit blad.
1. In de opener van deze aflevering is uiteengezet hoe
NRC Handelsblad
in 1986 via een Wob-procedure afschriften wist te verwerven van
amendementen op het concept-regeerakkoord van het kabinet-Lub-
bers II. Bij de Afdeling rechtspraak van de Raad van State voerde de
toenmalige minister-president tevergeefs aan dat `het hier stukken
betreft die zijn gewisseld tussen niet als overheidsorganen in de zin
van de Wet aan te merken personen en instanties, te weten enerzijds
de (in)formateur en anderzijds onder meer de fracties van het CDA
en de VVD, zodat ook om die reden betwijfeld moet worden of hier
Mediaforum 2003-10
343
Jurisprudentie nr
.4
6
sprake is van documenten in de zin van deze Wet.' De Afdeling ver-
wierp dit verweer: `Op welke wijze en met welke bedoelingen de des-
betreffende stukken op diens Ministerie terecht zijn gekomen acht
de Afd. in dit verband niet van belang, evenmin als de vraag in hoe-
verre verweerders bestuurlijke verantwoordelijkheid voor de (in)for-
matie strekt.' Tenslotte overwoog de Afdeling dat de uitzondering
voor documenten ten behoeve van intern beraad thans artikel 11 van
de Wob zich niet voordeed. Zie ARRvS 5 december 1986,
AB 1987, nr.
525 m.nt. H. J. de Ru.
2. In 2003 lukte het Kranenburg echter niet de amendementen van
CDA, VVD en D66 op het concept-regeerakkoord van het kabinet-
Balkenende II te verkrijgen. De reden is dat de kabinetsinforma-
teurs Hoekstra en Korthals Altes, die leiding gaven aan de onder-
handelingen tussen deze drie fracties, de amendementen niet in het
dossier hebben opgenomen. Daardoor berusten de documenten nu
niet bij de minister van Algemene Zaken en zijn zij aldus de voor-
zieningenrechter aan de werking van de Wob onttrokken. Ken-
merkend is de afkeer van openbaarheid die de eerdere informateurs
Donner en Leijnse ten toon spreidden. Toen de Tweede Kamer op 14
april 2003 plenair debatteerde over het mislukken van de onder-
handelingen tussen CDA en PvdA, sprak de heer Donner de volgen-
de woorden:
Ik heb aangegeven dat net als bij ieder ander onderhandelingsproces
geheimhouding naar onze mening de essentie is van het informatieproces
dat onlosmakelijk samenhangt met een systeem waarin geen van de par-
tijen een meerderheid heeft en dus altijd op coalities berust. Partijen in
dat proces moeten er absoluut op kunnen vertrouwen dat hun standpun-
ten daarbij niet naar buiten komen. (..)
Dat het in het verleden mogelijk eens anders is gedaan, doet daaraan niet
af. Eén inbreuk op de wet bewijst niet dat de wet fout is.
(Handelingen II, 14 april 2003, p. 3694)
3. De Haagse voorzieningenrechter lijkt er vanuit te gaan dat de
kabinetsinformateurs gehandeld hebben als privé-persoon en dat
zij met de stukken mochten doen wat zij wilden. Het stond hen
kennelijk vrij het dossier slechts gedeeltelijk af te staan aan de
minister van Algemene Zaken. De rechter overweegt in dat verband
dat er geen `hiërarchische relatie' bestaat tussen de minister-presi-
dent en de informateurs. Ik plaats vraagtekens bij dat privé-karak-
ter. Welke gewone burger kan zijn intrek nemen in een ruimte van
de Eerste Kamer, krijgt secretariële bijstand van het ministerie van
Algemene Zaken en kan gratis ambtelijke adviezen inwinnen bij de
overige ministeries? Kabinetsinformateurs zijn niet ondergeschikt
aan de demissionaire minister-president, maar wel aan de Konin-
gin. Hun activiteiten staan in het teken van de opdracht die de
Koningin heeft geformuleerd. Het is dankzij deze opdracht, dat zij
hun faciliteiten genieten. Ik zou zeggen dat kabinets(in)formateurs
wel degelijk in een publieke hoedanigheid optreden. Het gevormde
dossier is daarom geen privé-bezit, maar behoort de Staat der
Nederlanden toe.
4. Heeft Kranenburg iets aan deze constatering? Niet als de gevraagde
amendementen inmiddels in de papierversnipperaar zijn beland.
Waar niets is, verliest de keizer zijn recht. Als de minister van Alge-
mene Zaken echter een reële mogelijkheid heeft om de stukken als-
nog over te laten brengen naar zijn ministerie, moet hij dat vooral
niet nalaten. Enerzijds is dat van belang voor toekomstig historisch
onderzoek. Anderzijds voor een `goede en democratische bestuurs-
voering', als bedoeld in artikel 8 van de Wob. Daarmee is niet gezegd
dat iedere persoonlijke krabbel bewaard moet blijven, maar teksten
die bij de onderhandelingen onderwerp waren van serieus overleg
kunnen bijdragen tot een beter begrip van het vastgestelde beleid.
Ook is niet gezegd dat ieder onderdeel van het dossier meteen op
straat moet liggen. Er kunnen goede argumenten zijn om het belang
van de vertrouwelijkheid vooralsnog zwaarder te laten wegen dan
het belang van openbaarheid. De mogelijkheid om later een andere
afweging te maken, dient echter behouden te blijven.
1
Mediaforum 2003-10
344
Jurisprudentie nr
.4
6
1
Een collega uit de redactie wijst erop dat het verwijderen van stukken uit het
officiële dossier van de kabinetsformatie in schril contrast staat met het beleid
van de overheid na de bouw-enquete. De aannemers hadden bedacht hun dos-
siers in privé-woningen te plaatsen. Als reactie hierop wil de regering een effec-
tievere handhaving. In zijn commentaar op het jaarverslag NMa 2002 zegt de
Minister van EZ (kamerstuk 28 600 XIII, nr. 57, p. 7): `Zeer noodzakelijk is in
mijn ogen de mogelijkheid voor de NMa om privé-woningen binnen te kun-
nen treden waar zich de bewijzen kunnen bevinden....'
Nr 47
Kranenburg vs. Minister van
Algemene Zaken
Voorzieningenrechter van de Rechtbank 's-Gravenhage, sector
bestuursrecht 4 juli 2003
Reg. nr. AWB 03/2595 WOB
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:84 van de Algemene wet bestuurs-
recht (Awb).
Uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening van M. Kra-
nenburg, chef Haagse redactie van het NRC Handelsblad, wonende te
Leiden, verzoeker, ten aanzien van het besluit van 9 mei 2003 van de
minister van Algemene Zaken, verweerder, waarbij verzoekers ver-
zoek om openbaarheid van stukken is geweigerd.
Zitting
Het verzoek is behandeld ter zitting van 26 juni 2003. Verzoeker is
verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde prof. mr. E. J. Domme-
ring. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn
gemachtigde mr. E. J. Daalder.
Beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening
Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de
rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk
beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep
is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is
of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorzie-
ning treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belan-
gen, dat vereist.
Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodempro-
cedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningen-
rechter daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend
voor de beslissing in die procedure.
Op grond van het verhandelde ter zitting en de gedingstukken neemt
de voorzieningenrechter het volgende als voldoende vaststaand aan.
Bij brief van 7 mei 2003 heeft verzoeker met een beroep op de Wet
Openbaarheid van bestuur (WOB) verzocht om overlegging van de
brief van de secretaris-generaal van het ministerie van Algemene
Zaken aan de overige secretarissen-generaal, waarin hij de procedure-
le gang van zaken rond de kabinetsformatie en de betrokkenheid van
de diverse departementen daarbij beschrijft. Bij besluit van 9 mei
2003 heeft verweerder medegedeeld dat het verzoek betrekking had
op een brief van de minister-president, welke op grond van artikel 11
van de WOB niet verstrekt zou worden.
Bij brief van 12 juni 2003 heeft verzoeker bezwaar gemaakt tegen dit
besluit. Tevens heeft hij bij brief van gelijke datum de voorzieningen-
rechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken inge-
diend. Bij die gelegenheid heeft verweerder met een beroep op artikel
8:29, eerste lid, van de Awb verzocht te bepalen dat uitsluitend de
voorzieningenrechter kennis zal mogen nemen van de stukken die
onderwerp zijn van bet beroep. De voorzieningenrechter heeft de
gemachtigde van eiser te kennen gegeven dat de beperking van de
kennisname van de desbetreffende stukken gerechtvaardigd is.
Gemachtigde van verzoeker heeft de op grond van artikel 8:29, vijfde
lid, van de Awb gewaagde toestemming verleend.
Standpunten van partijen
Verweerder heeft aan bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de
onderhavige brief van de minister-president is gezonden aan zijn col-
lega's om hen te informeren. De brief is derhalve opgesteld ten behoe-
ve van intern beraad en bevat persoonlijke beleidsopvattingen. Het
tweede onderdeel van de brief betreft een juridische opvatting en is
geen staand beleid.
Gemachtigde van verzoeker heeft aangevoerd dat de gang van zaken
bij een kabinetsformatie van openbaar belang is, zodat de procedure-
afspraken of aanwijzing daartoe niet kunnen worden aangemerkt als
intern beraad.
Wettelijk kader
Artikel 11, eerste lid, van de WOB bepaalt dat in geval van een verzoek
om informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern
beraad, geen informatie wordt verstrekt over daarin opgenomen per-
soonlijke beleidsopvattingen.
Ingevolge het tweede lid kan over persoonlijke beleidsopvattingen
met het oog op een goede en democratische bestuursvoering infor-
matie worden verstrekt in niet tot personen herleidbare vorm. Indien
degene die deze opvattingen heeft geuit of zich erachter heeft
gesteld, daarmee heeft ingestemd, kan de informatie in tot personen
herleidbare vorm worden verstrekt.
Ingevolge artikel 1, aanhef en onder c, van de WOB dient onder intern
beraad te worden verstaan: het beraad over een bestuurlijke aangele-
genheid binnen een bestuursorgaan, dan wel binnen een kring van
bestuursorganen in het kader van de gezamenlijke verantwoordelijk-
heid voor een bestuurlijke aangelegenheid.
Ingevolge artikel, aanhef en onder f, van de WOB dient onder per-
soonlijke beleidsopvatting ie worden verstaan: een opvatting; voor-
stel, aanbeveling of conclusie van een of meer personen over een
bestuurlijke aangelegenheid en de daartoe door hen aangevoerde
argumenten.
Overwegingen
De voorzieningenrechter stelt voorop dat naar vaste jurisprudentie
niet snel dient te worden besloten tot het treffen van een voorlopige
voorzieningen aanzien van het besluit om met een beroep op de WOB
openbaarmaking van stukken te weigeren. Door zijn aard ontbeert
zo'n voorziening immers een voorlopig karakter en beslecht het in
feite het geschil definitief. Slechts als het besluit evident onrechtma-
tig is en onweerlegbaar sprake is van een aanspraak op openbaarma-
king én de verzoeker daar voorts een spoedeisend belang bij heeft, is
er ruimte voor het treffen van een voorlopige voorziening.
Vast staat dat het onderhavige stuk betrekking heeft op informatie-
verstrekking in het kader van de (in)formatie van de minister-presi-
dent aan zijn collega-ministers. In de memorie van antwoord
betreffende de WOB p.13, is aangegeven dat het interne karakter van
ten document wordt bepaald door het oogmerk waarmee het stuk is
opgesteld. Gelet op de regelgeving en de bedoeling van de wetgever
kan, naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, gesteld
worden dat de betroffen brief een intern karakter heeft, waarbij het
gaat om bet beraad over een bestuurlijke aangelegenheid binnen een
bestuursorgaan in het kader van de gezamenlijke verantwoordelijk-
heid voor een bestuurlijke aangelegenheid. Van een evident onrecht-
matig besluit in vorenbedoelde zin is naar het voorlopig oordeel van
de voorzieningenrechter dan ook geen sprake.
Wellicht ten overvloede merkt de voorzieningenrechter op dat twijfel
mogelijk is over de vraag of het aangehechte deel bij de onderhavige
brief kan worden aangemerkt als een persoonlijke beleidsopvatting.
De voorzieningenrechter acht de weigering van openbaarmaking van
dit onderdeel echter niet zodanig evident onrechtmatig dat toewij-
zing van het verzoek om een voorlopige voorziening dient te volgen.
Op grond van het vorenstaande is de voorzieningenrechter tot het
oordeel gekomen dat het verzaak om toepassing van artikel 8:81 van
de Awb niet voor inwilliging in aanmerking komt.
De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding één van de partijen in
de proceskosten te veroordelen.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Rechtbank 's-Gravenhage, recht
doende:
Wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Aldus gegeven door mr. M.D. J. van Reenen-Stroebel; als voorzienin-
genrechter, en in het openbaar uitgesproken op 4 juli 2003, in tegen-
woordigheid van de griffier mr. A.W.W. Koppe.
Mediaforum 2003-10
345
Jurisprudentie nr
.4
7
Noot
Wouter Hins
1. Het document dat in bovenstaande uitspraak centraal staat, is een
brief van de minister-president over de procedurele gang van zaken
rond kabinetsformaties. Kranenburg hoopte hierin munitie te kun-
nen vinden voor zijn Wob-procedures inzake de formatie van het
kabinet-Balkenende II. De Haagse voorzieningenrechter wijst het
verzoek om een voorlopige voorziening af, omdat het document is
opgesteld ten behoeve van intern beraad en persoonlijke beleidsop-
vattingen bevat (art. 11 Wob). Wel merkt de voorzieningenrechter op,
dat twijfel mogelijk is over de vraag of de bijlage bij de brief kan wor-
den aangemerkt als een persoonlijke beleidsopvatting. Die twijfel
zou later door de minister-president worden gedeeld. Bij brief van 27
augustus 2003, kenmerk 03M459275, heeft de minister-president een
beslissing genomen op het bezwaarschrift van Kranenburg. Het
bezwaarschrift is ongegrond verklaard wat betreft de brief zelf, maar
de bijlage is alsnog openbaar gemaakt. Sedert 27 augustus j.l. behoort
dit stuk dus tot het publieke domein. De titel is veelzeggend: `De
(in)formatie en de Wob'. Onderscheid wordt gemaakt tussen de fasen
vóór, tijdens en na de (in)formatie. Gezien de lopende Wob-procedu-
res is vooral interessant om te lezen wat het normale beleid is met
betrekking tot de derde fase.
2. Ik citeer de bijlage letterlijk:
Na de (in)formatie is er sprake van de archieven van de (in)formateurs.
Naar aanleiding van de discussie en de gevoerde procedure rond de amen-
dementen op het regeerakkoord van 1986, wordt sedertdien de volgende
lijn gehanteerd. Het archief van de (in)formateurs wordt ondergebracht
bij Algemene Zaken. Het gaat daarbij o.a. om de eindverslagen en het
regeerakkoord alsmede om de onderliggende relevante stukken. Tevens
wordt een lijst opgesteld met alle brieven en (ongevraagde) adviezen die
zijn ontvangen. Deze lijst wordt met afschrift van alle relevante stukken
aan de Tweede Kamer gezonden. De brieven en adviezen worden als
bestanddeel van het formatie-archief eveneens in bewaring opgenomen
in het archief van het ministerie van Algemene Zaken.
Een groot deel van de documenten wordt openbaar door toezending aan
de Tweede Kamer en opname in de witte stukken. Het gaat daarbij om
het eindverslag van de formateur, het regeerakkoord, de daarvoor rele-
vante onderliggende stukken, de doorrekening van het regeerakkoord
door het CPB alsmede een lijst van de aan de (in)formateurs toegezonden
brieven, nota's en adviezen. Voor de niet aan de Tweede Kamer gezonden
documenten geldt op het punt van de openbaarheid de Wob.
Mediaforum 2003-10
346
Jurisprudentie nr
.4
7
Informatie in bedrijf
werkboek voor succesvol informatiebeheer
Margriet van Eck Poppe, Hessel van Oorschot, Raymond de Coninck,
Pieke Hooghoff, Charles Citroen, Lian van Uden, Annemarie Rood, Anneke
Smulders, Michel van Zijst, Jelke Nijboer en Erwin la Roi.
Voor ondernemers is informatie één van de belangrijkste succesfactoren, immers 'kennis is macht'. Maar hoe
breng je de informatiehuishouding van je bedrijf op orde? Hoe doe je dat
op een manier die goed uitvoerbaar is en die meer opbrengt dan het kost?
Hoe voorkom je dat je belangrijke informatie misloopt?
Informatie in bedrijf biedt dé oplossing. In dit boek hebben ervaren
informatiespecialisten hun kennis vertaald naar de praktijk van de onder-
nemer. Op heldere wijze laten ze stap voor stap zien welke informatie hij
nodig heeft, hoe hij deze kan vergaren en hoe hij de verkregen informatie
effectief kan gebruiken. Verder bevat het boek vele handige tips, lijstjes
en schema's.
Informatie in bedrijf is geschreven vanuit de denkwereld en in de taal van
de ondernemer.
Dat laatste maakt het boek onmisbaar voor iedere ondernemer die meer
uit zijn bedrijf wil halen dankzij de juiste informatie. Een investering die
u snel heeft terugverdiend.
ISBN 90 75727 682, 192 pagina's,
prijs 24,90
(inclusief btw, exclusief verzendkosten)
Verkrijgbaar via de boekhandel of rechtstreeks bij:
Otto Cramwinckel Uitgever
Herengracht 416
1017 BZ Amsterdam
telefoon 020-6276609
fax 020-6383817
e-mail info@cram.nl
www.cram.nl
Nr 48
Kranenburg vs. Minister van
Economische Zaken
Voorzieningenrechter van de Rechtbank 's-Gravenhage, sector
bestuursrecht 16 juli 2003
Reg nr. AWB 03/2561 WOB en AWB 03/2769 WOB
Uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening van M. Kra-
nenburg, chef Haagse redactie
NRC Handelsblad, wonende te Leiden,
verzoeker tevens eiser in de hoofdzaak, ten aanzien van het besluit
van 1 juli 2003 van de minister Economische Zaken, verweerder,
waarbij eisers bezwaren tegen het besluit van 17 juni 2003 ongegrond
zijn verklaard.
Ontstaan en loop van het geding
Bij brief van 29 april 2003 heeft eiser met een beroep op de Wet Open-
baarheid van Bestuur (WOB) verweerder verzocht om overlegging
van
de doorrekeningen van het onder verweerders departement vallen-
de Centraal Planbureau (CPB) ten behoeve van de formatieonder-
handelingen die onder leiding van de informateurs Donner en
Leijnse zijn gevoerd tussen de fracties van CDA en PvdA hierna: de
doorrekeningen van het CPB);
het op het ministerie van Economische Zaken geformuleerde eind-
voorstel van CDA-zijde van donderdag 10 april 2003 (hierna: het
CDA-eindvoorstel);
de onderliggende stukken bij dat CDA-eindvoorstel (hierna: EZ-
notities).
Bij besluit van 17 juni 2003 heeft verweerder geweigerd de doorreke-
ningen van het CPB en de EZ-notities te verstrekken en medegedeeld
dat hij het CDA-eindvoorstel niet kan verstrekken omdat het CDA-
eindvoorstel geen document is dat bij hem berust en waarover hij de
beschikking heeft.
Bij brief van 23 juni 2003 heeft eiser tegen dat besluit bezwaar
gemaakt. Tevens heeft hij bij brief van gelijke datum de voorzienin-
genrechter verzocht om een voorlopige voorziening.
Nadat eiser ervan had afgezien om op zijn bezwaren door verweerder
te werden gehoord, heeft verweerder bij het thans bestreden besluit
van 1 juli 2003 eisers bezwaren ongegrond verklaard.
Eiser heeft bij brief van 7 juli 2003, ingekomen op dezelfde datum,
tegen dat besluit beroep ingesteld.
Op voet van artikel 8:81, vijfde lid, van de Awb heeft de voor-
zieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening gelijk
gesteld met een verzoek dat wordt gedaan hangende het beroep bij de
rechtbank.
Ten aanzien van de overgelegde doorrekeningen van het CPB en de EZ-
notitie heeft de voorzieningenrechter de verzochte beperking van de
kennisneming tot de voorzieningenrechter gerechtvaardigd geacht.
Eiser heeft de voorzieningenrechter reeds in het verzoekschrift toe-
stemming verleend mede op basis van deze stukken uitspraak te doen.
Het verzoek om een voorlopige voorziening is behandeld ter zitting
van 9 juli 2003. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemach-
tigden mr. S.A. Steinhauser en mr. A. J.H.W.M. Versteeg. Verweerder
heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. E. J.
Daalder, vergezeld van mr. C.S. Bol en de heer R. Morks.
Beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening
Ingevolge artikel 8:81 van die Awb kan, indien tegen een besluit bij de
rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk
beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep
is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is
of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorzie-
ning treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belan-
gen, dat vereist.
Op grond van het bepaalde in artikel 8:86 van de Awb kan de voorzie-
ningenrechter, indien het verzoek om een voorlopige voorziening
wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voor-
zieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel
8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan
bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak
doen in de hoofdzaak.
Er bestaat aanleiding om in dit geval van laatstgenoemde bevoegd-
heid gebruik te maken.
Standpunten van partijen
Eiser heeft samengevat aangevoerd dat de weigering om het CDA-
eindvoorstel te verstrekken onvoldoende is gemotiveerd. Indien ver-
weerder dit stuk niet heeft, had verweerder dat, bijvoorbeeld bij het
CDA, moeten opvragen. Verweerder acht het in een democratische
rechtsstaat onaanvaardbaar dat het CDA-eindvoorstel, dat een zo
belangrijk onderdeel van het proces van regeringsvorming is
geweest, niet bij (een bestuursorgaan van) de centrale overheid wordt
bewaard. Eiser acht het in het bestreden besluit neergelegde stand-
punt dat de doorrekeningen van het CPB en de EZ-notities geen
bestuurlijke aangelegenheid nar een politiek proces betreffen
onjuist. Informatie over de onderhandeling over een toekomstig
kabinet acht eiser bij uitstek een bestuurlijke aangelegenheid.
Eiser is van mening dat het belang van openbaarmaking van de door-
rekeningen van het CPB en de EZ-notities zwaarder weegt dan het
eventueel aanwezige belang van het voorkomen van onevenredige
benadeling van de bij het informatieproces betrokken personen in
het bijzonder nu de kabinetsformatie is voltooid.
Verweerder heeft eveneens samengevat aangevoerd dat verweer-
der niet beschikt over het CDA-eindvoorstel en dat de WO slechts ver-
plicht tot het helpen formuleren van een onduidelijk verzoek alsme-
de tot het doorsturen van een verzoek aan een ander bestuursorgaan
wanneer bekend is dat dit (wellicht) over de gevraagde informatie
beschikt. De in de WOB neergelegde verplichtingen gaan niet zover
dat verweerder een document waarover hij niet beschikt bij een derde
die dat document wel onder zich heeft moet opvragen.
Ten aanzien van de doorrekeningen van het CPB en de EZ-notities heeft
verweerder primair aangevoerd dat deze documenten geen bestuurlijke
aangelege